<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2024:203</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-06T13:39:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/179</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0044808&amp;g=2022-10-19">Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:203">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:203</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-02T09:50:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2024:203 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 19-03-2024 / 22/179</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2024:203:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet ongegrond. Het College overweegt ten overvloede dat het in dit specifieke geval de minister niet vrijstaat om de verzoeken om heroverweging af te wijzen op grond dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 Awb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2024:203:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak </para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="824d9c24-009b-4b77-a5c5-621e16c6f945" depth="1" width="568" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="21c23af3-d9c4-4f36-943d-9087159c57d8" depth="1" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 22/179</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2024 op het verzet van</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , </emphasis>te [plaats] (de ondernemer)</para>
      <para>(gemachtigde: [naam 3] )</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 22 november 2022 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is behandeld op de zitting van 28 februari 2024. De ondernemer en de gemachtigde waren daar aanwezig. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Met de uitspraak van 22 november 2022 heeft het College het beroep van de ondernemer tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat van </para>
    <para>9 december 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de ondernemer geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep, omdat de minister met het besluit van 11 augustus 2022 aan de ondernemer is tegemoetgekomen en alsnog voor het eerste kwartaal van 2021 subsidie heeft verleend. </para>
    <para />
    <para>2 De ondernemer heeft in verzet aangevoerd dat hij nog wel procesbelang heeft, omdat het beroep ook betrekking heeft op de voor het vierde kwartaal van 2020 en het tweede kwartaal van 2021 aangevraagde subsidie of in ieder geval geacht moet worden daarop ook betrekking te hebben.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het College volgt de ondernemer hierin niet. Hoewel het College begrip heeft voor de in de loop van de bezwaarfase bij de ondernemer ontstane onduidelijkheid en verwarring over de omvang en de reikwijdte van de bezwaarprocedure, blijkt uit de stukken dat het bezwaarschrift alleen gaat over het besluit van 18 maart 2021 waarmee de aanvraag voor het eerste kwartaal van 2021 is afgewezen. Dat geldt ook voor het oorspronkelijke besluit op dat bezwaar van 9 december 2021 en het nadere besluit op bezwaar van 11 augustus 2022. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het verzet is daarom ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>4	Hiermee is het echter nog niet klaar. Uit de stukken blijkt namelijk ook dat de ondernemer de minister enkele keren heeft verzocht om de afwijzende besluiten voor het vierde kwartaal van 2020 en het tweede kwartaal van 2021 te heroverwegen. Op die verzoeken heeft de minister tot nu toe niet beslist en dat zal hij dus alsnog moeten doen. Omdat de onduidelijkheid en de verwarring bij de ondernemer in ieder geval voor een deel het - onbedoelde - gevolg zijn geweest van de communicatie aan de zijde de minister in de bezwaarfase, staat het de minister in dit specifieke geval niet vrij om de verzoeken af te wijzen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De minister moet de aanvragen opnieuw inhoudelijk beoordelen.     	</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. T.G.M. Simons	w.g. D.A. Bohlmeijer</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>