<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2024:13</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-16T13:37:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/1958</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0044808&amp;g=2022-10-19">Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:13">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:13</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-10T13:15:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2024:13 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 16-01-2024 / 22/1958</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2024:13:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>TVL Q4 2021. Afwijzing. Niet voldaan aan eis 20% omzetverlies. Art 2.5.3,2 TVL. Voor de referentieperiode wordt uitgegaan van datum inschrijving handelsregister en niet meer van datum start van de activiteiten. Geen bijzonder geval om van de TVL af te wijken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2024:13:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="cc65069f-3b17-49e5-963d-89e9f70ce526" depth="1" width="568" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="862d89f3-ad21-4f12-ab7e-aff340fdc763" depth="1" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 22/1958</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2024 in de zaak tussen <?linebreak?></bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Dermont)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Economische Zaken en Klimaat </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: M. Achalhi LLM en W. Dam)</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 10 februari 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021 afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 8 augustus 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard (bestreden besluit). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting was op 13 november 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de ondernemer, bijgestaan door [naam 2] , en de gemachtigden van de minister.      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het gaat in deze zaak om de vraag of in het geval van de onderneming afgeweken moet worden van de standaardreferentieperiode van de TVL. De minister heeft de aanvraag van de onderneming voor een TVL-subsidie voor het vierde kwartaal van 2021 (de subsidieperiode) afgewezen, omdat niet is voldaan aan de eis dat het omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode ten minste 20% moet zijn. De onderneming voert aan dat de minister niet van de juiste referentieperiode is uitgegaan. In haar geval moet worden afgeweken en moet worden uitgegaan van het derde kwartaal van 2020 als referentieperiode. Op basis van de omzet in die referentieperiode is het omzetverlies wel meer dan 20%. </para>
    <para />
    <para>2 Welke referentieperiode moet worden toegepast is bepaald in artikel 2.5.3, tweede en derde lid, van de TVL. In artikel 2.5.3, tweede lid, van de TVL staat dat voor een referentieperiode gekozen mag worden tussen het vierde kwartaal van 2019 of het eerste kwartaal van 2020. Artikel 2.5.3, derde lid, van de TVL maakt hierop een uitzondering voor ondernemingen die na 30 september 2019 voor de eerste maal zijn ingeschreven in het handelsregister. In dat geval kan als referentieperiode gekozen worden tussen het derde kwartaal van 2020 of het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister. Deze bepalingen staan in de bijlage onder deze uitspraak. </para>
    <para />
    <para>3 De onderneming voert aan dat de uitzondering van artikel 2.5.3, derde lid, van de TVL op haar van toepassing is, omdat niet moet worden uitgegaan van de datum van inschrijving in het handelsregister, maar van de datum waarop zij daadwerkelijk is begonnen met haar ondernemersactiviteiten. De onderneming heeft uiteengezet dat zij op 19 september 2019 de BV heeft opgericht en die BV op die datum in het handelsregister heeft laten inschrijven. Zij is echter pas daadwerkelijk begonnen met haar ondernemersactiviteiten op 1 november 2019. Daarnaast stelt de onderneming dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn om van een andere referentieperiode uit te gaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling door het College</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4 De onderneming is op 19 september 2019 in het handelsregister ingeschreven, zodat de uitzondering van artikel 2.5.3, derde lid, van de TVL niet op haar van toepassing is. </para>
    <para />
    <para>5 Het betoog van de onderneming dat niet van de datum van inschrijving in het handelsregister moet worden uitgegaan, maar van de datum waarop daadwerkelijk met de activiteiten is gestart, slaagt niet. Het begrip “start van de activiteiten” maakte onderdeel uit van de TVL-regelingen voor de eerste subsidieperiodes. Over dat begrip ging de uitspraak van 31 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:845) waarnaar de onderneming verwijst. De minister heeft toegelicht dat de tekst van de TVL in het eerste kwartaal van 2021 is aangepast. Daardoor is de uitspraak van 31 augustus 2021 niet langer van toepassing. Vanaf dat moment, en dus ook voor het vierde kwartaal van 2021, is voor de bepaling van de referentieperiode alleen nog de inschrijfdatum in het handelsregister van belang. </para>
    <para />
    <para>6 Het College is van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval waarin een afwijkende referentieperiode moet worden gehanteerd. De regelgever heeft in de TVL geen bepaling opgenomen dat in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de TVL (hardheidsclausule). Het doel van de TVL is om te voorkomen dat getroffen ondernemingen in de problemen komen door omzetverlies. Omdat er heel veel aanvragen werden verwacht, is de uitvoering zo ingericht dat zo veel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk een voorschot krijgen uitgekeerd. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt de minister daarom alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Daarbij kan worden gedacht aan een onderneming die in de referentieperiode te kampen heeft gehad met brand, ernstige ziekte of een overlijden in de directe omgeving, waardoor deze geen referentieomzet had en daarom niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het College heeft dit niet onrechtmatig geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 augustus 2022, ECLI:NL:CBB:2022:581). Dat de onderneming zich al in het handelsregister heeft laten inschrijven vóór 30 september 2019 en pas na die datum daadwerkelijk gestart is met haar activiteiten is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering gemaakt had moeten worden. Ook de omstandigheid dat de onderneming in geen van de standaardreferentieperiodes waartussen zij kon kiezen voldoende omzet had om aan de eis van ten minste 20% omzetverlies te voldoen, is geen bijzondere omstandigheid om een uitzondering te maken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7 Door uit te gaan van de inschrijfdatum in het handelsregister heeft de minister de TVL op de juiste wijze toegepast (zie de uitspraken van het College van 21 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:143 en 20 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:306). De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan de eis dat het omzetverlies ten minste 20% moet zijn. </para>
    <para />
    <para>8 Het beroep slaagt niet. </para>
    <para />
    <para>9 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. </para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. H. Van den Heuvel	w.g. M.B. van Zantvoort</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2.5.3, tweede en derde lid</para>
    </parablock>
    <para>2. De omzet in de referentieperiode is naar keuze van de aanvrager: de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2019 of de omzet in het eerste kalenderkwartaal van 2020.</para>
    <para>3. In afwijking van het tweede lid is de omzet in de referentieperiode voor een getroffen MKB-onderneming die na 30 september 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister naar keuze van de aanvrager: de omzet in het derde kalenderkwartaal van 2020 of de omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>