<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2023:228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-17T07:38:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/2179</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0045175&amp;g=2021-05-29">Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2023:228">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2023:228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-17T07:38:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2023:228 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 20-04-2023 / 22/2179</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2023:228:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>4.           In dit geval is het besluit tot intrekking en terugvordering van SVL bekendgemaakt op 29 juli 2021. De bezwaartermijn eindigde dus 9 september 2021. De minister heeft het bezwaarschrift op 21 maart 2022 ontvangen. Local Motion B.V. heeft het bezwaarschrift dus niet binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken ingediend.</para>
      <para />
      <para>5.           De minister heeft er terecht op gewezen dat de verantwoordelijkheid voor het op tijd indienen van een bezwaarschrift bij de ondernemer ligt. Dat de ondernemer zo gedesillusioneerd was na het besluit van 29 juli 2021, dat het niet in hem is opgekomen om een procedure te starten, is geen reden om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. </para>
      <para />
      <para>6.           Verder is naar het oordeel van het College niet gebleken dat er door de RVO telefonisch op 29 november 2021 is toegezegd dat het alsnog indienen van een bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn, ertoe zou leiden dat het bezwaar zou worden gehonoreerd. Evenmin mocht Local Motion B.V. uit de indruk die zij na verloop van tijd zegt te hebben gekregen ‘dat het wel goed zou komen’, afleiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2023:228:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>proces-verbaal uitspraak </para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="8145a836-dae1-4576-bf8a-b36df9f48fc4" depth="1" width="568" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="57cf5dc0-9ebd-4cab-8965-b92653d4a162" depth="1" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 22/2179 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2023 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam 1] B.V., h.o.d.n. [naam 2] , te Breda,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.C.M.M. van de Ven), en</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Economische Zaken en Klimaat, (de minister) </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G.O. Hoeksma)</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 29 juli 2021 (het primaire besluit) heeft de minister de subsidie die aan [naam 1] B.V. is verstrekt op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 (SVL), ingetrokken en teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 22 augustus 2022 (de beslissing op bezwaar) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] B.V. kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam 1] B.V. heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College heeft de zaak op 20 april 2023 op een zitting behandeld. Namens [naam 1] B.V. heeft [naam 3] deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <para>1. Het College oordeelt dat de minister het bezwaar van [naam 1] B.V. terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift buiten de termijn van zes weken is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het beroep van 26 september 2022 is daarom ongegrond. </para>
    <para />
    <para>2. De motivering van dit oordeel is als volgt.</para>
    <para />
    <para>3. De bezwaartermijn van zes weken is dwingend in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregeld. Een te laat ingediend bezwaarschrift is alleen ontvankelijk als sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken (artikel 6:11 van de Awb).</para>
    <para />
    <para>4. In dit geval is het besluit tot intrekking en terugvordering van SVL bekendgemaakt op 29 juli 2021. De bezwaartermijn eindigde dus 9 september 2021. De minister heeft het bezwaarschrift op 21 maart 2022 ontvangen. [naam 1] B.V. heeft het bezwaarschrift dus niet binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken ingediend.</para>
    <para />
    <para>5. De minister heeft er terecht op gewezen dat de verantwoordelijkheid voor het op tijd indienen van een bezwaarschrift bij de ondernemer ligt. Dat de ondernemer zo gedesillusioneerd was na het besluit van 29 juli 2021, dat het niet in hem is opgekomen om een procedure te starten, is geen reden om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. </para>
    <para />
    <para>6. Verder is naar het oordeel van het College niet gebleken dat er door de RVO telefonisch op 29 november 2021 is toegezegd dat het alsnog indienen van een bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn, ertoe zou leiden dat het bezwaar zou worden gehonoreerd. Evenmin mocht [naam 1] B.V. uit de indruk die zij na verloop van tijd zegt te hebben gekregen ‘dat het wel goed zou komen’, afleiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.</para>
    <para />
    <para>7. Het voorgaande betekent dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Het bezwaar van [naam 1] B.V. is dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenvergoeding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.J. Jacobs, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. M.J. Jacobs       w.g.  J.P.A. Schaafsma</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJLAGE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Algemene wet bestuursrecht luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 6:7</title>
    <para>De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 6:11</title>
    <para>Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>