<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2022:736</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-01T12:26:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/194</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0043735&amp;g=2020-12-22">Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2022:736">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2022:736</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-31T09:20:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2022:736 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 01-11-2022 / 22/194</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2022:736:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Algemene wet bestuursrecht: artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11</para>
      <para />
      <para>TVL. Bezwaarschrift te laat, bezwaar niet-ontvankelijk, termijnoverschrijding niet verschoonbaar, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2022:736:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak </para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="6a9b6f11-5ef4-475c-90e8-0026987b2562" depth="1" width="568" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="bf4f68c0-f612-4c56-8871-89a01c2da670" depth="1" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 22/194 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2022 in de zaak tussen<?linebreak?></bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , te [plaats] , appellante</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: drs. W. de Vries),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. R.E. Groenewold en C. Zieleman LLB).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart 2021 (Q1 2021) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College heeft de zaak op 28 september 2022 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <para>1. Artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in samenhang met artikel 6:7 van de Awb dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.</para>
    <para />
    <para>2. Tussen partijen is niet in geschil en ook het College stelt vast dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. De vraag is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.</para>
    <para />
    <para>3. Appellante voert aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat door een menselijke fout van een medewerker van haar gemachtigde het bezwaarschrift te laat is verzonden. Appellante voert verder aan dat verweerder zou hebben toegezegd dat haar zaak zou worden voorgelegd aan de klankbordgroep. Tenslotte voert appellante aan dat zij ten onrechte niet is gehoord.</para>
    <para />
    <para>4. Het College oordeelt dat de door appellante aangevoerde omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. Dat een medewerker van de gemachtigde van appellante, aan wie appellante de indiening van haar bezwaarschrift heeft overgelaten, het bezwaarschrift te laat heeft verzonden, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor risico van appellante komen. Appellante heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zou hebben toegezegd dat haar bezwaar alsnog zou worden behandeld dan wel zou worden voorgelegd aan een klankbordgroep. Uit de door haar overgelegde emailberichten valt dit in elk geval niet af te leiden. Verweerder betwist ook een dergelijke toezegging te hebben gedaan. Verweerder heeft het bezwaar van appellante daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb heeft mogen afzien van het horen van appellante. </para>
    <para>5. <?linebreak?>Aan een inhoudelijke beoordeling van de stelling van appellante dat zij in aanmerking komt voor subsidie komt het College niet toe. Ten overvloede merkt het College nog wel op dat ter zitting is besproken dat in het e-mailbericht van appellante van 10 februari 2022 een verzoek om herziening van het primaire besluit kan worden gelezen.</para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. </para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. D. Brugman	w.g. I.S. Post</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>