<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2022:604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-13T10:29:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/1448</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007919&amp;g=2019-01-01">Kaderwet EZK- en LNV-subsidies</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2022:604">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2022:604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-12T15:06:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2022:604 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-09-2022 / 21/1448</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2022:604:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet-aangetekende brief van verweerder niet ontvangen door appellante. Verschoonbare termijnoverschrijding. Verzet gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2022:604:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak </para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="17943142-323e-4b69-a72a-5e9f98ff6912" depth="1" width="568" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="83111d8d-b494-4c13-afc4-ae63fb72c3a6" depth="1" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 21/1448</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende en tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 13 september 2022 op het verzet van</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , te [plaats] , appellante</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (staatssecretaris) van 8 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 26 april 2022 heeft het College het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft tegen de uitspraak van 26 april 2022 verzet gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is behandeld ter zitting van 9 augustus 2022. Appellante heeft, op haar verzoek, aan de zitting deelgenomen via een telefoonverbinding.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De staatssecretaris heeft bij het besluit van 8 november 2021 het bezwaar van appellante </para>
    <para>tegen het besluit van de staatssecretaris van 3 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. </para>
    <para />
    <para>2. Voor het College staat op grond van de verzendadministratie van de Rijksdienst voor </para>
    <para>Ondernemend Nederland (RVO) vast dat het besluit van 3 juni 2021 op diezelfde datum aan appellante is verzonden. Appellante bestrijdt dat ook niet. De bezwaartermijn eindigde dus op 15 juli 2021. Ook staat vast dat het besluit van 3 juni 2021 niet-aangetekend is verzonden en dat appellante haar bezwaarschrift op 17 juli 2021 digitaal heeft ingediend.</para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft in het verzetschrift en op de zitting verklaard dat zij het besluit van 3 </para>
    <para>juni 2021 niet heeft ontvangen, dat zij op 17 juli 2021 in het digitale loket van RVO heeft gekeken en toen zag dat op 3 juni 2021 een besluit was genomen en dat zij meteen daarna digitaal een bezwaarschrift heeft ingediend.   </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>4. Het College vindt, in het bijzonder gelet op het besprokene op de zitting, deze verklaring </para>
    <para>van appellante geloofwaardig. Om die reden acht het College in dit geval, hoewel vaststaat dat het besluit van 3 juni 2021 ter verzending aan PostNL is aangeboden, de termijnoverschrijding (alsnog) verschoonbaar.    </para>
    <para />
    <para>5. Dit betekent dat het verzet gegrond is, de uitspraak van 26 april 2022 vervalt en het </para>
    <para>onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich bevond.</para>
    <para />
    <para>6. Met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb doet het College tevens uitspraak</para>
    <para> op het beroep. Het beroep is gegrond, het besluit van 8 november 2021 wordt vernietigd en de staatssecretaris moet opnieuw en nu inhoudelijk op het bezwaar van appellante beslissen.</para>
    <para />
    <para>7. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Wel moet de staatsecretaris </para>
    <para>het door appellante voor het beroep betaalde griffierecht vergoeden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzet gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het besluit van de staatssecretaris van 8 november 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de staatssecretaris met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van appellante;  </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de staatssecretaris het door appellante betaalde griffierecht van € 181,- aan haar vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van H.LA. Kleinjans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. T.G.M. Simons	                                     w.g. H.L.A. Kleinjans</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>