<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2021:974</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-02T10:38:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/1006</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004054&amp;g=2021-01-01">Meststoffenwet</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2021:974">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2021:974</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-01T07:30:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2021:974 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 02-11-2021 / 21/1006</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2021:974:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om herziening afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2021:974:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak </para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="629dd50e-e4c3-4df2-9e8e-e2ce5543b094" depth="1" width="568" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="6b490812-74c8-4f1d-8f53-9076ba5de137" depth="1" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 21/1006</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de meervoudige kamer van 2 november 2021 op het verzoek van </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">V.O.F. [naam] , te [plaats] , verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: J.A. Rietveld),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>om herziening van de uitspraak van het College van 8 juni 2021 met zaaknummer 19/78.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister) op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van verzoekster vastgesteld. Bij besluit van 7 december 2018 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Hangende beroep heeft verweerder het bestreden besluit vervangen door het besluit van 6 mei 2020 (het vervangingsbesluit), waarin het bezwaar van verzoekster gegrond is verklaard en het fosfaatrecht van verzoekster opnieuw is vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 8 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:580) heeft het College het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond verklaard, de minister veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 16.886,80, de Staat der Nederlanden veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 1.000,- en het verzoek om schadevergoeding voor het overige afgewezen. Ook is de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoekster en is bepaald dat hij het griffierecht van verzoekster moest vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 27 juli 2021 heeft verzoekster het College verzocht deze uitspraak te herzien.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. In de uitspraak van 8 juni 2021 heeft het College onder meer het verzoek van verzoekster om schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 16.886,60. Het verzoek is door het College afgewezen voor een bedrag van € 3.249,41. Specifiek daarover heeft het College in overweging 7.8 van de uitspraak overwogen dat deze schade niet het gevolg is van het primaire of het bestreden besluit maar het rechtstreekse gevolg is van het besluit van de minister van 26 oktober 2018 waarbij de minister heeft geweigerd om de overdracht van fosfaatrecht te registreren. Het College heeft vastgesteld dat verzoekster ter zitting heeft verklaard dat zij het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2018 heeft ingetrokken, dat dit besluit daarmee onherroepelijk is geworden en dat het College daarom moet uitgaan van de rechtmatigheid van dat besluit. </para>
    <para>2. Verzoekster verzoekt om een herziening van de uitspraak, omdat die naar haar opvatting een tweetal onjuistheden bevat. De eerste onjuistheid is volgens verzoekster dat het College in overweging 7.8 heeft overwogen dat zij het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2018 heeft ingetrokken. Verzoekster heeft dit bezwaar niet ingetrokken en het College heeft geen bewijs dat dit wel het geval is. Wel heeft verzoekster afgezien van de werkelijke overdracht van het fosfaatrecht, omdat een dergelijke overdracht niet meer aan de orde is nu verzoekster op een andere wijze aan haar contractuele verplichtingen heeft voldaan. Zij wijst erop dat sprake is van gelijke feiten als in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het College van 29 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:684. De tweede onjuistheid in de uitspraak is volgens verzoekster dat het College niet is ingegaan op de beroepsgrond dat voor al het jongvee, waaronder ook het mannelijke, fosfaatrecht moet worden toegekend. Verzoekster heeft dit op de zitting bij het College herhaald in haar pleitnota. Het College heeft dit volgens verzoekster buiten beschouwing gelaten.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan </para>
        <para>de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,</para>
        <para>b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en</para>
        <para>c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:119, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting en overweegt als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Uit het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige kamer van 23 februari 2021 (het proces-verbaal) blijkt dat de gemachtigde van verzoekster naar aanleiding van een vraag van de voorzitter heeft bevestigd dat verzoekster haar bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2018 heeft ingetrokken. Voor zover verzoekster heeft willen betogen dat het bezwaar, anders dan zij ter zitting heeft gesteld, niet is ingetrokken en dit een feit is dat als het bij het College bekend was geweest tot een andere uitspraak zou hebben geleid, faalt dat betoog. Dit is immers een feit dat bij verzoekster vóór de uitspraak bekend was of had kunnen zijn en daarom niet tot herziening kan leiden, nog daargelaten dat nergens uit blijkt dat het bezwaar niet zou zijn ingetrokken. Bij verweerder is geen bezwaarschrift meer aanhangig, zo bleek ter zitting, en evenmin is er een beslissing op bezwaar genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Verzoekster heeft verder gesteld dat het College niet is ingegaan op de beroepsgrond dat voor al het jongvee, waaronder ook mannelijke, fosfaatrecht moet worden toegekend. Uit het proces-verbaal blijkt echter dat de gemachtigde op de zitting heeft gezegd dat hij deze beroepsgrond niet langer handhaaft. Daarom heeft het College daarover geen oordeel gegeven. Dit betekent dat ook op dit punt geen sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 8:119 van de Awb.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	Uit overweging 4.1 en 4.2 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het College wijst het verzoek om herziening af.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. M. van Duuren en mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De voorzitter is verhinderd	De griffier is verhinderd</para>
        <para>de uitspraak te ondertekenen.	de uitspraak te ondertekenen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>