<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2021:85</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-26T13:37:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-01-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/337</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004054&amp;g=2021-01-01">Meststoffenwet</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2021:85">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2021:85</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-25T14:23:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2021:85 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 26-01-2021 / 19/337</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2021:85:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet</para>
        <para>Artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>Fosfaatrechten. Het betoog dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun faalt. Het College verwijst naar zijn eerdere uitspraken hierover, bijvoorbeeld de uitspraken van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) en 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:615). Van een motiveringsgebrek is geen sprake.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2021:85:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 19/337 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen<?linebreak?></bridgehead>
    <bridgehead role="bold">V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S.M. Piron).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2020. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Relevante bepalingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verbiedt, kort gezegd, staatssteun, tenzij de verdragen dat wel toestaan. Artikel 107, derde lid, sub c, van het VWEU staat onder voorwaarde staatssteun toe om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Appellante exploiteert een melkveebedrijf.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In het primaire besluit is verweerder uitgegaan van 81 melk- en kalfkoeien en 81 stuks jongvee op de peildatum 2 juli 2015. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het bedrijf van appellante is niet grondgebonden. Verweerder heeft daarom bij de toekenning van fosfaatrechten aan appellante de generieke korting berekend. De korting komt overeen met 389,39 kilogram fosfaatrecht. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De beroepsgronden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellant voert in beroep, samengevat, aan dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten, dan wel dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Deze gronden kunnen, anders dan verweerder meent, bij wege van exceptieve toetsing aan de orde komen. Appellante stelt dat er sprake is van een motiveringsgebrek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van verweerder </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Verweerder stelt dat van strijd met de Nitraatrichtlijn en het verbod op ongeoorloofde staatssteun geen sprake is. Volgens verweerder is in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de door appellante aangevoerde gronden. Verweerder is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bespreking van de beroepsgronden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Het betoog dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun faalt. Het College verwijst naar zijn eerdere uitspraken hierover, bijvoorbeeld de uitspraken van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) en 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:615). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Verweerder is in het bestreden besluit voldoende ingegaan op hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Het beroep is ongegrond </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter is verhinderd 	De griffier is verhinderd</para>
      <para>de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>