<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2014:310</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:52:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-05-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 12/633</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraakBestuurlijkeLus">Tussenuitspraak bestuurlijke lus</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CBB:2014:427" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraakBestuurlijkeLus" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CBB:2014:427</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004054&amp;g=2014-08-14">Meststoffenwet</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JBO 2014/161 met annotatie van D. van der Meijden</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2014:310">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2014:310</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-08-14T11:28:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-08-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2014:310 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 28-05-2014 / AWB 12/633</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2014:310:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Begrip meststof. Compost, Tot het bedrijf behorende landbouwgrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2014:310:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak </para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 12/633</para>
      <para>16005</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Tussenuitspraak van de meervoudige kamer op het hoger beroep van:<?linebreak?><?linebreak?></bridgehead>
    <bridgehead role="bold">Maatschap [naam 1] </bridgehead>
    <parablock>
      <para>(hierna: maatschap [naam 1])<emphasis role="bold">,</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam 2],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam 3],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam 4]
        </emphasis>,</para>
      <para>te [plaats 1], </para>
      <para>appellanten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 mei 2012 in het geding tussen appellanten</para>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris)</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>gemachtigde van appellanten: mr. W.P.N. Remie</para>
      <para>gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten hebben bij brief van 2 juli 2012 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak</para>
      <para>(12/413; ECLI:NL:RBBRE:2012:1747).  <?linebreak?><?linebreak?></para>
      <para>Bij brief van 27 september 2012 heeft de staatssecretaris een reactie op het hoger beroepschrift</para>
      <para>ingediend. <?linebreak?><?linebreak?></para>
      <para>Op 6 september 2013 hebben appellanten nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellanten zijn</para>
      <para>verschenen hun gemachtigde, [naam 4] en [naam 5], agrarisch bedrijfsadviseur. De</para>
      <para>staatssecretaris is verschenen bij zijn gemachtigde.<?linebreak?><?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Grondslag van het geschil </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang </para>
        <para>zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat</para>
        <para>met het volgende.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>1.1</nr>
        <parablock>
          <para>Op 19 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek ingesteld</para>
          <para>bij [naam 6] B.V. (hierna: [naam 6]) en [naam 7] B.V. (hierna: [naam 7]). Uit dit onderzoek kwam</para>
          <para>naarvoren dat door [naam 6] in de periode van 6 september tot en met 22 november 2007</para>
          <para>112 vrachten compost afgeleverd zouden zijn bij appellanten. De AID is vervolgens op 25 juli 2008 </para>
          <para>een onderzoek gestart naar appellanten. In een rapport van 30 oktober 2008 zijn de bevindingen van </para>
          <para>dat onderzoek neergelegd. Op basis daarvan heeft de staatssecretaris aan appellanten bij primair </para>
          <para>besluit van 7 juli 2009 een boete opgelegd van € 53.485,00 wegens overtreding van artikel 7 van de </para>
          <para>Meststoffenwet (Msw). Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met </para>
          <para>563 kg en de fosfaatgebruiksnorm met 4504 kg. Deze overschrijding is volgens de staatssecretaris </para>
          <para>(mede) het gevolg van het feit dat appellanten 112 vrachten compost aangevoerd hebben gekregen van </para>
          <para>
            [naam 6], welke compost daarna niet meer is afgevoerd. Voor de berekening van de boete is </para>
          <para>uitgegaan van een tot het bedrijf behorende oppervlakte van 42,22 ha landbouwgrond. Dat de </para>
          <para>afgeleverde vrachten compost bevatten is gebaseerd op gegevens van [naam 6], met name op door </para>
          <para>haar opgemaakte (koppel)afleveringsbewijzen en verkoopbevestigingen, die zijn vergeleken met </para>
          <para>gegevens van Dienst Regelingen. Voor het grootste deel van de vrachten stond [naam 7] als afnemer</para>
          <para>vermeld, voor een deel appellanten. Voor alle 112 vrachten stond als losplaats het adres van </para>
          <para>appellanten te [plaats 1] vermeld en stonden appellanten in de administratie van [naam 6] </para>
          <para>geregistreerd als gebruiker<emphasis role="italic">.</emphasis> Het gehalte stikstof en fosfaat heeft verweerder gebaseerd op </para>
          <para>bemonsteringen en analyses uitgevoerd door de compost producerende ondernemingen waar [naam 6]</para>
          <para>de compost heeft afgenomen. Aan de boete zijn ook bewijzen uit de administratie van appellanten zelf</para>
          <para>ten grondslag gelegd, zoals afleveringsbewijzen ten aanzien van 23 vrachten. Daarnaast zijn bij de</para>
          <para>accountant van  appellanten stukken aangetroffen, te weten een factuur van [naam 6] aan appellanten</para>
          <para>voor een bedrag van € 3.492,62 waarop de omschrijving ‘compost’ is vermeld<emphasis role="italic">.</emphasis> Tevens is een factuur </para>
          <para>aangetroffen van een loonbedrijf aan appellanten voor een bedrag van € 6.592,32 voor het uitrijden</para>
          <para>van 3767.04 ton compost, die vermeldt dat dit gewicht volgens opgave van [naam 6] is. Ook</para>
          <para>verklaringen van appellanten, van de directeuren van [naam 6] en van een door appellanten</para>
          <para>ingeschakelde loonwerker zijn bij het bewijs betrokken. Appellanten [naam 3 en 4] hebben bevestigd dat</para>
          <para>compost op hun grond is uitgereden en dat zij daarvoor aan [naam 6] en de loonwerker hebben</para>
          <para>betaald.<?linebreak?><?linebreak?></para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.2</nr>
        <parablock>
          <para>Het bezwaar van appellanten is gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluit van 14 december</para>
          <para>2011. De staatssecretaris heeft de boete gematigd met 25% en nog eens met 10% wegens</para>
          <para>overschrijding van de beslistermijn, waarmee de uiteindelijk opgelegde boete € 36.101,-- bedraagt. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>De uitspraak van de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 december 2011 vernietigd </para>
        <para>en de boete vastgesteld op € 24.068,25. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat in de</para>
        <para>omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, een boete gelijk aan de helft van het </para>
        <para>oorspronkelijk vastgestelde boetebedrag passend is. De overwegingen die de rechtbank tot deze</para>
        <para>beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder 4.4 van de aangevallen uitspraak. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling van het geschil in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1	Artikel IV, eerste lid, van de wet van 25 juni 2009 tot aanpassing van bijzondere wetten</para>
      <para>aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Staatsblad 2009, 265) bepaalt dat, indien</para>
      <para>een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van</para>
      <para>inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Nu de</para>
      <para>gestelde overtreding voor 1 juli 2009 heeft plaatsgevonden, is het recht van toepassing, zoals dat gold</para>
      <para>tot 1 juli 2009. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2	Voor de beoordeling zijn de volgende bepalingen van belang: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder d, van de Msw wordt verstaan onder meststoffen: dierlijke</para>
      <para>meststoffen, ongeacht hun bestemming, en producten die zijn bestemd om:</para>
      <para>1°. te worden toegevoegd aan grond of aan een groeimedium en die geheel of gedeeltelijk bestaan uit</para>
      <para>stoffen, organismen daaronder begrepen, of mengsels van stoffen, die als zodanig kunnen dienen om </para>
      <para>grond of een groeimedium geschikt of beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten;</para>
      <para>2°. te worden gebruikt als groeimedium;</para>
      <para>3°. te worden gebruikt als voedsel voor planten of delen van planten, voor zover deze producten niet </para>
      <para>reeds zijn begrepen onder 1° of 2°.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 7 van de Msw is het verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of </para>
      <para>in de bodem te brengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 8 van de Msw is bepaald dat het in artikel 7 gestelde verbod niet geldt indien de op of in de </para>
      <para>landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende </para>
      <para>normen overschrijdt:</para>
      <para>(…) </para>
    </parablock>
    <para>b. de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen.</para>
    <para>c. de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 12 Msw is, voor zover van belang, bepaald dat voor de toepassing van artikel 8, aanhef en </para>
      <para>onderdeel b en c, de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid meststoffen wordt bepaald door bij </para>
      <para>elkaar op te tellen de in het desbetreffende jaar op het bedrijf geproduceerde, aangevoerde en per saldo </para>
      <para>uit opslag gekomen hoeveelheden meststoffen, en de uitkomst te verminderen met de in dat jaar van </para>
      <para>het bedrijf afgevoerde hoeveelheid meststoffen. De hoeveelheden worden uitgedrukt in kilogrammen </para>
      <para>fosfaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de Msw is voor zover hier van belang, bepaald dat </para>
      <para>onder overtreding wordt verstaan een gedraging die ins strijd is met het bepaalde bij of krachtens </para>
      <para>artikel 7.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 51, eerste lid, van de Msw (oud) kan de Minister een overtreder een bestuurlijke </para>
      <para>boete opleggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 52 van de Msw (oud) legt de Minister geen bestuurlijke boete op voorzover de </para>
      <para>overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge Artikel 57, eerste lid aanhef en onder c, van de Msw  bedraagt de bestuurlijke boete ingeval </para>
      <para>van overtreding van artikel 7:</para>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para>b. € 7 per kilogram stikstof waarmee de in artikel 8, onderdeel b, bedoelde stikstofgebruiksnorm is </para>
    <para>overschreden, en vermeerderd met </para>
    <para>c. € 11 per kilogram fosfaat waarmee de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde fosfaatgebruiksnorm is </para>
    <para>overschreden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 59 van de Msw (oud) is bepaald dat de Minister een lagere bestuurlijke boete oplegt indien</para>
      <para>de overtreder aannemelijk maakt dat de overeenkomstig artikel 57 of 58 vastgestelde bestuurlijke</para>
      <para>boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1, onder h, van het Uitvoeringsbesluit Msw (oud) wordt in de Besluit en de daarop</para>
      <para>berustende bepalingen verstaan onder compost: product dat bestaat uit één of meer organische</para>
      <para>afvalstoffen die al dan niet met bodembestanddelen zijn gemengd en die met behulp van </para>
      <para>micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een homogeen en zodanig stabiel eindproduct dat</para>
      <para>daarin alleen nog een langzame afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt en dat niet mede</para>
      <para>bestaat uit dierlijke meststoffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.1 	Appellanten hebben in hoger beroep in de eerste plaats betwist dat zij de stikstofgebruiksnorm</para>
      <para>en de fosfaatgebruiksnorm hebben overschreden. Het door [naam 6] aangevoerde product was geen</para>
      <para>compost, maar een organisch product voor grondverbetering dat geen meststof in de zin van de Msw</para>
      <para>is. Het bewijs dat het geleverde product compost is, is ontoereikend, nu dit enkel afkomstig is van een</para>
      <para>verdachte verkoper. Appellanten hebben nooit bonnen of afleveringsbewijzen van meststoffen gezien. </para>
      <para>Zij hebben slechts 23 vervoerbewijzen in hun bezit. Ook is niet bewezen dat het geleverde product</para>
      <para>daadwerkelijk op de percelen van appellanten is aangewend. Als losadres worden percelen in </para>
      <para>
        [plaats 1] genoemd, terwijl de percelen van appellanten zich in [plaats 2] bevinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.2	Het hoger beroep stelt in de eerste plaats aan orde of is komen vast te staan dat appellanten het </para>
      <para>verbod van artikel 7 van de Msw om op hun bedrijf meststoffen in of op de bodem te brengen, hebben</para>
      <para>overtreden. Het College overweegt hierover als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het midden kan blijven of het aan appellanten geleverde product compost is. Immers, ook indien</para>
      <para>het zoals appellanten stellen een organisch product voor grondverbetering is, moet het worden </para>
      <para>aangemerkt als een product dat is bestemd om te worden toegevoegd aan grond en bestaat uit stoffen </para>
      <para>die als zodanig kunnen dienen om grond beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten. </para>
      <para>Daarmee kwalificeert het product, ongeacht de benaming, als een meststof als bedoeld in artikel 1, </para>
      <para>eerste lid, onder d, van de Msw. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.3	Uit het afdoeningrapport, op grond waarvan de staatsecretaris tot de conclusie is gekomen dat </para>
      <para>artikel 7 van de Msw is overtreden, blijkt dat de bescheiden en bestanden afkomstig uit de </para>
      <para>administratie van [naam 6], zoals de mestafleveringsbewijzen, gecontroleerd zijn aan de hand van de</para>
      <para>gegevens die bekend waren bij Dienst Regelingen. Dat betreft ook gegevens van vervoerders en </para>
      <para>de compost producerende ondernemingen. Die gegevens, waaruit naar voren komt dat compost aan</para>
      <para>appellant is geleverd, blijken met elkaar te corresponderen. Ook zijn de administratie van appellant,</para>
      <para>waaronder facturen van [naam 6] en van een loonwerker voor de verspreiding van compost op de</para>
      <para>grond van appellanten, bij het bewijs betrokken, alsmede verklaringen van appellanten zelf waarin zij</para>
      <para>de levering van het product door [naam 6] en de verspreiding ervan op hun land hebben bevestigd.</para>
      <para>Uit een en ander blijkt genoegzaam dat appellanten de compost op of in de bodem hebben gebracht.</para>
      <para>Eveneens staat op grond van het afdoeningsrapport en de daarbij gevoegde stukken (in het bijzonder</para>
      <para>bijlagen 8 en 9) genoegzaam vast dat de compost is gelost op aan de maatschap [naam 1] </para>
      <para>toebehorende gronden in de gemeente [plaats 2], waar het – naar appellanten zelf hebben gesteld –</para>
      <para>is gebruikt voor een grondverbeteringsproject. Dat op de afleveringsbewijzen het vestigingsadres van</para>
      <para>de maatschap [naam 1] te [plaats 1] is vermeld maakt dat niet anders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4.1	Appellanten hebben voorts aangevoerd dat de maatschap [naam 1] en de maatschap </para>
      <para>C.B.J.M. en [naam 4] (hierna: maatschap [naam 8]) praktisch en landbouwkundig als één</para>
      <para>bedrijf werden geëxploiteerd. Daarom dient volgens appellanten bij de beantwoording van de vraag of </para>
      <para>de gebruiksnormen zijn overschreden ook de landbouwgrond van de maatschap [naam 8] (98,65 ha) </para>
      <para>te worden meegerekend. Appellanten hebben hiertoe aangevoerd dat het feit dat er destijds nog twee </para>
      <para>relatienummers bij de Dienst Regelingen werden gevoerd te maken had met de keuze om op fiscale </para>
      <para>gronden een aparte maatschap op te richten (de maatschap [naam 1]). Het is echter steeds het</para>
      <para>doel van de vennoten [naam 3 en 4] geweest om de onderneming van vennoot [naam 2] over te nemen. De</para>
      <para>vennoten [naam 3 en 4] hebben daarom een totaal bouwplan en rotatie van gewassen opgesteld voor beide</para>
      <para>relatienummers. Op dit totale bouwplan werd een bemestingsplan gemaakt en werden de </para>
      <para>noodzakelijke meststoffen aangevoerd. Inmiddels zijn de twee maatschappen ook daadwerkelijk </para>
      <para>samengevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4.2	De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat uitsluitend de oppervlakte landbouwgrond van </para>
      <para>de maatschap [naam 1] (42,22 ha) in aanmerking moet worden genomen. Het perceel </para>
      <para>waarop de compost is aangewend is opgegeven door deze maatschap. De maatschap [naam 1]</para>
      <para> en de maatschap [naam 8] zijn twee afzonderlijke maatschappen. Dit is vastgelegd in twee</para>
      <para>afzonderlijke maatschapsakten en hieraan wordt uitvoering gegeven door het voeren van twee</para>
      <para>afzonderlijke administraties. Bij het aangaan van de maatschap [naam 1] is door de heer en </para>
      <para>mevrouw [naam 2] al hun landbouwgrond ingebracht in de maatschap [naam 1]. De </para>
      <para>landbouwgronden van de maatschap [naam 8] en de landbouwgronden van de maatschap [naam 1]</para>
      <para> zijn vervolgens niet ingebracht in een samenwerkingsverband tussen beide maatschappen.</para>
      <para>Ook is niet gebleken dat de totale oppervlakte landbouwgrond of bij de ene of bij de andere maatschap </para>
      <para>in gebruik was in 2007. Beide maatschappen doen jaarlijks afzonderlijk opgave van de tot het bedrijf </para>
      <para>behorende oppervlakte landbouwgrond conform titel IV van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4.3	Het College heeft reeds eerder geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 5 november 2013,</para>
      <para>AWB 10/799, ECLI:NL:CBB:2013:223) dat uit het systeem van de artikelen 7 en 8 Msw alsmede de </para>
      <para>wetsgeschiedenis blijkt dat het systeem van normstelling, waarin de wetgever bij invoering van de </para>
      <para>gebruiksnormen heeft voorzien, uitgaat van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van </para>
      <para>meststoffen, waaraan de agrariër die meststoffen heeft gebruikt slechts kan ontkomen als aan de </para>
      <para>voorwaarden voor opheffing van het verbod is voldaan. De materiële bewijslast ten aanzien van de </para>
      <para>naleving van de gebruiksnormen ligt volgens dit systeem dus primair bij degene die de meststoffen op </para>
      <para>of in de bodem brengt of laat brengen. De weg waarlangs het aannemelijk maken van naleving van de </para>
      <para>gebruiksnormen geschiedt, ligt in zoverre vast dat de wet niet alleen regelt aan de hand van welke </para>
      <para>elementen wordt bepaald hoeveel stikstof of fosfaat op of in de bodem is gebracht, maar bovendien de </para>
      <para>agrariër de verplichting oplegt om, mede ten behoeve daarvan, bepaalde gegevens over de </para>
      <para>meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf te administreren en over te leggen. Dit neemt niet </para>
      <para>weg dat de agrariër aan de hand van alternatieve gegevens en bepalingswijzen die voldoende zijn </para>
      <para>onderbouwd en betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen dienen, aannemelijk kan maken dat de </para>
      <para>gebruiksnormen niet zijn overschreden. Dat degene die in weerwil van het algehele verbod van artikel </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>7</nr>
      <parablock>
        <para>Msw meststoffen op of in landbouwgrond brengt, dient te verantwoorden dat hij de voor het</para>
        <para>betreffende jaar geldende gebruiksnorm(en) niet overschrijdt, laat onverlet dat de staatssecretaris,</para>
        <para>indien hij ter zake een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en</para>
        <para>omstandigheden dient aan te tonen dat de overtreding is begaan. Het op de landbouwer rustende deel</para>
        <para>van de bewijslast geldt niet slechts voor de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid meststoffen,</para>
        <para>maar ook voor het aantal hectaren tot het bedrijf behorende landbouwgrond; de hoeveelheid</para>
        <para>landbouwgrond is immers bepalend voor de hoogte van de in het concrete geval geldende</para>
        <para>gebruiksnormen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.4.4	Uit hetgeen het College in, onder meer, zijn uitspraak van 21 mei 2013 (AWB 11/274,</para>
        <para>ECLI:NL:CBB: CA2374) heeft overwogen, volgt dat, om te kunnen vaststellen of een bepaalde </para>
        <para>oppervlakte kan worden aangemerkt als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond als </para>
        <para>bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, Msw, bepalend is of de betrokken landbouwer de</para>
        <para>feitelijke beschikkingsmacht over de gronden heeft, in die zin dat hij in de praktijk in staat is teeltplan </para>
        <para>en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren; feitelijke </para>
        <para>beschikkingsmacht veronderstelt de aanwezigheid van een geldige juridische titel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.4.5	De onderhavige boete is opgelegd aan de maatschap [naam 1]. De boete is berekend </para>
        <para>aan de hand van de door deze maatschap aan Dienst Regelingen opgegeven – als tot haar bedrijf</para>
        <para>behorende – oppervlakte landbouwgrond van 42,22 ha. Gegeven deze opgave en het in 3.4.3 </para>
        <para>beschreven systeem mocht de staatssecretaris er in beginsel dus vanuit gaan dat uitsluitend deze grond </para>
        <para>tot het bedrijf van de maatschap [naam 1] behoorde. Het College ziet zich voor de vraag </para>
        <para>gesteld of appellanten er desondanks in geslaagd zijn aannemelijk te maken dat de grond van de </para>
        <para>maatschap [naam 8] in 2007 tot het bedrijf van de maatschap [naam 1] behoorde. Het</para>
        <para>College beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat – naar</para>
        <para>tussen partijen niet in geschil is – de maatschap [naam 1] is opgericht in het kader van de </para>
        <para>overname door de vennoten [naam 3] en [naam 4] van de onderneming van vennoot [naam 2]</para>
        <para>, die zijn landbouwgrond heeft ingebracht in de maatschap [naam 1]. Verweerder</para>
        <para>heeft voorts niet betwist dat de vennoten [naam 3 en 4] een teelt- en bemestingsplan hebben opgesteld voor </para>
        <para>de gronden van de maatschap [naam 1] en de gronden van de maatschap [naam 8] </para>
        <para>gezamenlijk. Voorts staat vast dat de vennoten [naam 3 en 4] – via de door hen gevormde maatschap </para>
        <para>
          [naam 8] – de feitelijke beschikkingsmacht hadden over de gronden van die maatschap. Gelet op deze </para>
        <para>omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het College van oordeel dat de maatschap </para>
        <para>
          [naam 1] niet alleen de feitelijke beschikkingsmacht had over de door haar opgegeven</para>
        <para>oppervlakte landbouwgrond van 42,22 ha, maar ook over de landbouwgrond van de maatschap</para>
        <para>
          [naam 8], welke maatschappen, naar verweerder ook niet heeft betwist, naderhand ook daadwerkelijk</para>
        <para>zijn samengevoegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.4.6	Gelet op het vorenstaande is verweerder bij de vraag of de maatschap [naam 1] in </para>
        <para>2007 de gebruiksnormen heeft overschreden uitgegaan van een onjuiste oppervlakte van tot het bedrijf </para>
        <para>behorende landbouwgrond. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge het op grond van overgangsrecht nog toepasselijke artikel 22, zesde lid, van de Wet </para>
        <para>bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan het College het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het </para>
        <para>bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Het College ziet in het belang bij een spoedige </para>
        <para>beëindiging van het geschil aanleiding de staatssecretaris op te dragen het bovenbedoelde gebrek in</para>
        <para>het besluit van 14 december 2011 te herstellen door bij de vraag of en zo ja, in hoeverre de maatschap </para>
        <para>
          [naam 1] in 2007 de gebruiksnormen heeft overschreden te betrekken dat in dat jaar tot de </para>
        <para>landbouwgrond van dit bedrijf mede de grond van de maatschap [naam 8] behoorde. Daarbij zal de </para>
        <para>staatssecretaris tevens dienen te bezien, indien daartoe aanleiding is, of appellanten in aanmerking </para>
        <para>komen voor de door hen verzochte fosfaatverrekening dan wel voor verlaging van de boete op grond</para>
        <para>van het door verweerder gevoerde beleid (het College verwijst in dit verband naar de uitspraak van 30</para>
        <para>april 2014 (AWB 12/322, ECLI:NL:CBB:2014:164).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor het herstellen van het gebrek zal een termijn van zes weken worden gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.5</nr>
        <para>Het College houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.	</para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>draagt de staatssecretaris op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 14 december 2011 te herstellen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E. Dijt en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid </para>
      <para>van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014 </para>
      <para>2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. R.R. Winter		w.g. A.G.J. van Ouwerkerk</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>
      <?linebreak?>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>