<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1519</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T19:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1519</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/492</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:84&amp;g=2001-04-10">Algemene wet bestuursrecht 4:84</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003356&amp;g=2001-04-10">Wet tarieven gezondheidszorg</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1519">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1519</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:27:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1519 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 10-04-2001 / AWB 99/492</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1519:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1519:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/492					10 april 2001</para>
      <para>	13750</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, gevestigd te B, appellante,</para>
      <para>vertegenwoordigd door: C, directeur beheer van appellante, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het College Tarieven Gezondheidszorg, voorheen het Centraal Orgaan Tarieven </para>
      <para>Gezondheidszorg, te Utrecht, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te 's-Gravenhage,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 27 mei 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 april 1999. Op 1 juli 1999 </para>
      <para>heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.</para>
      <para>Bij het besluit van 29 april 1999 heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante </para>
      <para>heeft gemaakt tegen verweerders tariefbesluit van 3 december 1998.</para>
      <para>Op 18 februari 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 27 februari 2001 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden, waarbij </para>
      <para>appellante bij monde van haar directeur beheer en verweerder bij monde van zijn </para>
      <para>gemachtigde hun standpunten nader hebben toegelicht.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn de volgende feiten en </para>
      <para>omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>In de Richtlijn afschaffing nadere detaillering erkenningsbeschikking (Richtlijn I-227 van </para>
      <para>het COTG) is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	2.1 Deze richtlijn bepaalt het uitgangspunt ten aanzien van de te hanteren </para>
      <para>bedden- en specialistenaantallen in verband met de afschaffing per 1 januari </para>
      <para>1996 van de beddencapaciteit in de erkennngsbeschikking en </para>
      <para>specialistenplaatsen in de nadere detaillering van de erkenningsbeschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2 (.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de gevallen waarin in het kader van de vaststelling van de aanvaardbare </para>
      <para>kosten verwezen wordt naar de aantallen bedden en/of polikliniek-</para>
      <para>specialisteneenheden en/of financieringseenheden WTG volgens de </para>
      <para>erkenningsbeschikking en/of de NDE, wordt voor de bepaling van de </para>
      <para>aanvaardbare kosten uitgegaan van de in de erkenningsbeschikking ultimo </para>
      <para>1995 neergelegde capaciteit, tenzij:</para>
      <para>- er sprake is van wijzigingen die krachtens gerechtelijke uitspraak in 1996 </para>
      <para>plaatsvinden;</para>
      <para>- er in een van overheidswege opgestelde brief bij de erkenningsbeschikking </para>
      <para>ultimo 1995 sprake is van een realisering van de weergegeven capaciteit in </para>
      <para>1996. Het COTG zal de in de brief weergegeven effectuering als beleidslijn </para>
      <para>volgen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Beleidsregel Functiegerichte budgettering (FB) 1998 is bepaald dat voor de bepaling </para>
      <para>van de aantallen capaciteitseenheden de Beleidsregel Capaciteitswijzigingen van </para>
      <para>toepassing is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Beleidsregel Capaciteitswijzigingen (Beleidsregel I-344) bepaalt onder meer het </para>
      <para>volgende:</para>
      <para>"	2.2.2	Als basis voor de capaciteitseenheden geldt:</para>
      <para>Voor de algemene ziekenhuizen (010) en voor de academische ziekenhuizen </para>
      <para>(020)</para>
      <para>erkende bedden</para>
      <para>Het aantal erkende bedden dat ultmo 1995 is vermeld in de </para>
      <para>erkenningsbeschikking op grond van artikel 8a van de Ziekenfondswet en </para>
      <para>artikel 8 AWBZ.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de algemene ziekenhuizen (010)</para>
      <para>specialisteneenheden</para>
      <para>Het aantal medisch specialisten op fulltimebasis dat ultimo 1995 vermeld was </para>
      <para>in kolom 2 van de nadere detaillering van de erkenningsbeschikking onder de </para>
      <para>nummers 1 tot en met 14, 16 tot en met 22, 24, 33 en 34 vermeerderd met de </para>
      <para>overeengekomen en goedgekeurde aanpassing wegens bijzondere functies in </para>
      <para>1997. Voor revalidatieartsen, nummer 22, geldt het aantal ultimo 1991 als </para>
      <para>basis.</para>
      <para>agio's</para>
      <para>Het aantal fulltime arts-assistenten in opleiding dat ultimo 1987 vermeld was in </para>
      <para>kolom 2 van de nadere detaillering van de erkenningsbeschikking onder </para>
      <para>nummer 39, met uitzondering van de vermelde aantallen onder de nummers 2, </para>
      <para>12, 17, 20 en 26."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante houdt het ziekenhuis D in stand.</para>
      <para>- Bij beslissing van 13 december 1995 heeft de Minister van Volksgezondheid, </para>
      <para>Welzijn en Sport naar aanleiding van een verzoek van appellante tot uitbreiding van </para>
      <para>de erkenningsbeschikking onder 6:75 functie-eenheden een uitbreiding van 4,0 </para>
      <para>functie-eenheden gehonoreerd. Onder meer het volgende werd overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De gevraagde uitbreiding past voor uw ziekenhuis ten dele in het normatief </para>
      <para>berekend aantal functie-eenheden welke voor de gezondheidsregio Zwolle is </para>
      <para>toegestaan (uitgaande van de SIG-adhaerentie en de bevolkingscijfers van de </para>
      <para>PPD). Hieruit blijkt een berekende groei met 4,0 functie-eenheden ten opzichte </para>
      <para>van het thans erkende aantal functie-eenheden voor uw ziekenhuis van 31,5.</para>
      <para>Bij deze toedeling heb ik ingecalculeerd dat de uitstroom welke nu nog met </para>
      <para>name vanuit Nunspeet en Elburg naar de Zwolse ziekenhuizen plaatsvindt </para>
      <para>hiermee gedeeltelijk wordt omgebogen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat u op </para>
      <para>een meer adequate wijze uw eigen regio bedient.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Het restant van de aangevraagde uitbreidingen moet ik gezien het ontbreken </para>
      <para>van planmatige ruimte weigeren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief de dato 6 januari 1998 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en </para>
      <para>Sport negatief beslist op het verzoek van appellante om alsnog de door verweerder </para>
      <para>voor het jaar 1997 vastgestelde richtlijn capaciteitswijzigingen te doen ingaan, </para>
      <para>subsidiair om de mogelijkheid te krijgen tot uitbreiding van het aantal </para>
      <para>specialistenplaatsen over te gaan. Hierbij werd onder meer opgemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Ik mag aannemen dat de door het COTG te ontwerpen mogelijkheid tot </para>
      <para>verruiming van het aantal orthopeden en oogartsen al ten dele tegemoet komt </para>
      <para>aan de door u geschetste problemen. Bovendien hebt u op grond van de WTG </para>
      <para>het recht in overleg met uw lokale ziektekostenverzekeraars het COTG te </para>
      <para>verzoeken om in afwijking van de vigerende richtlijnen een budgetverhoging </para>
      <para>toe te kennen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 14 oktober 1998 heeft appellante de Minister van Volksgezondheid, </para>
      <para>Welzijn en Sport verzocht uitbreiding met 6 specialistenplaatsen toe te staan. Bij </para>
      <para>brief van 17 november 1998 heeft de Minister geantwoord momenteel geen reden te </para>
      <para>zien om door middel van een uitzondering op het algemene beleid een positief besluit </para>
      <para>te nemen. Afschrift van deze brief werd gezonden aan verweerder.</para>
      <para>-	Bij brief de dato 15 oktober 1998 heeft appellante tezamen met zorgverzekeraars E </para>
      <para>en F verweerder verzocht, in afwijking van de vigerende richtlijnen een </para>
      <para>budgetverhoging toe te kennen voor een uitbreiding met 6 specialistenplaatsen. Dit </para>
      <para>verzoek werd als volgt gemotiveerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De bevriezing sinds 1995 van de erkenningsuitbreiding leidt voor het D tot een </para>
      <para>groot probleem dat door partijen niet is op te lossen.</para>
      <para>Het D heeft de afgelopen jaren een continue groei gerealiseerd; niet alleen v¢¢r </para>
      <para>1995, maar ook sindsdien (zie hiervoor bijlage 2 en bijlage 3).</para>
      <para>Het ziekenhuis heeft steeds geprobeerd om met de aanwezige menskracht </para>
      <para>antwoord te geven op de zorgvraag, maar dat gaat nu niet meer. Dit blijkt ¢¢k </para>
      <para>uit het feit dat de productie per medisch specialist aanzienlijk hoger ligt dan in </para>
      <para>vergelijkbare ziekenhuizen. Het aantal pati‰nteneenheden per medisch spcialist </para>
      <para>is in het D 7.345 en in ziekenhuizen uit de referentiegroep 5.942 (MIP 1997)!</para>
      <para>Het is dringend noodzakelijk dat de zeer grote achterstand die het D heeft in het </para>
      <para>aantal beschikbare specialistenplaatsen wordt opgeheven, omdat anders niet </para>
      <para>meer aan de zorgvraag kan worden voldaan, waardoor wachtlijsten zullen </para>
      <para>ontstaan.</para>
      <para>Daarnaast loopt het ziekenhuis vast met zijn zorgvernieuwende activiteiten.</para>
      <para>Het ongedaan maken van de achterstand is ¢¢k noodzakelijk en re‰el omdat </para>
      <para>prognoses van de ontwikkeling van de zorgvraag wijzen op een verder </para>
      <para>toenemende vraag (.). Een uitbreiding n£ van het aantal specialistenplaatsen </para>
      <para>maakt het bovendien mogelijk om zodanig zorgvernieuwende activiteiten uit te </para>
      <para>voeren dat uiteindelijk kan worden volstaan met een geringere groei van het </para>
      <para>aantal specialistenplaatsen dan op grond van de prognoses nodig zou zijn."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 3 december 1998 heeft verweerder afwijzend gereageerd. Hierbij heeft </para>
      <para>hij onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op uw verzoek tot uitbreiding van het aantal specialistenplaatsen heeft het </para>
      <para>ministerie met haar brief van 6 januari 1998 afwijzend gereageerd. Daarbij is </para>
      <para>aangegeven dat de richtlijn capaciteitswijziging zoals deze door het COTG was </para>
      <para>vastgesteld niet door de minister is goedgekeurd. Dit betekent voor het COTG </para>
      <para>dat wij geen mogelijkheden hebben om de specialistenplaatsen uit te breiden. </para>
      <para>In onze circulaire van 27 januari met als kenmerk PS/ive/l/98/04c hebben wij </para>
      <para>de enige mogelijkheden voor uitbreiding van het aantal specialistenplaatsen </para>
      <para>vastgelegd. Gezien het ontbreken van een nadere detaillering van uw verzoek </para>
      <para>zijn wij niet in staat uw verzoek aan de beleidsregel capaciteitswijzigingen te </para>
      <para>toetsen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 9 december 1998 heeft appellante een detaillering verstrekt en voorts </para>
      <para>bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.</para>
      <para>-	Op 11 februari 1999 is appellante gehoord.</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in. Wat betreft het </para>
      <para>verzoek een uitzondering te maken op de Beleidsregel afschaffing nadere detaillering </para>
      <para>erkenningsbeschikking wordt overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Het gaat dus om de vraag of het ziekenhuis bijzondere omstandigheden heeft </para>
      <para>aangevoerd die een afwijking van de Beleidsregel NDE rechtvaardigen. Het </para>
      <para>COTG constateert dat in het bezwaarschrift zelfs geen enkel inhoudelijk </para>
      <para>argument wordt aangevoerd op grond waarvan een afwijking van de </para>
      <para>beleidsregel aangewezen zou zijn. In het oorspronkelijke verzoek van 15 </para>
      <para>oktober 1998 wordt aangegeven dat er sprake is van een continue groei en een </para>
      <para>prognose van een toenemende zorgvraag. Het ziekenhuis adstrueert dit met een </para>
      <para>schema van de gerealiseerde groei in productie en in adherentie. Het COTG </para>
      <para>oordeelt hierover dat een groeiende zorgvraag voor nagenoeg iedere instelling </para>
      <para>in Nederland opgaat en het ziekenhuis D in dat opzicht niet bijzonder maakt. </para>
      <para>Het betreft hier naar de mening van het COTG een meer gevoelsmatig </para>
      <para>argument van het ziekenhuis, dat niet voldoende wordt ondersteund door </para>
      <para>objectieve gegevens."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het argument dat sluiting van het ziekenhuis in G heeft geleid tot toename </para>
      <para>van de adherentie waardoor met 1,4 specialistenplaats zou moeten worden uitgebreid wordt </para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"	Afgezien van de vraag of hiermee de claim van 6 specialistenplaatsen door het </para>
      <para>ziekenhuis wordt teruggebracht naar 1,4, acht het COTG het aangevoerde niet </para>
      <para>steekhoudend en de toename van de adherentie niet onderbouwd. Tijdens de </para>
      <para>hoorzitting is reeds van de zijde van het ziekenhuis aangegeven dat de sluiting </para>
      <para>van het ziekenhuis in Kampen in 1995 heeft geleid tot een uitbreiding van het </para>
      <para>aantal specialistenplaatsen met vier. Navraag bij het Ministerie van VWS heeft </para>
      <para>opgeleverd dat ultimo 1995 inderdaad een functie-uitbreiding met vier </para>
      <para>eenheden heeft plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Redenen hiervoor waren onder meer de adherentiecijfers en de </para>
      <para>bevolkingscijfers in relatie tot de toegestane functie-eenheden voor de </para>
      <para>gezondheidsregio Zwolle, waaronder ook Kampen valt (.). De resterende 2,75 </para>
      <para>gevraagde specialistenplaatsen werden afgewezen. Hiertegen heeft het </para>
      <para>ziekenhuis geen bezwaar aangetekend. Het COTG leidt uit het besluit van de </para>
      <para>Minister van VWS van 13 december 1995 af dat er ter zake dus reeds een </para>
      <para>compensatie heeft plaatsgevonden. Hetgeen nu nog hierover wordt aangevoerd, </para>
      <para>kan naar de mening van het COTG niet leiden tot het maken van een </para>
      <para>uitzondering op de Beleidsregel NDE."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep samengevat het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft verzocht om een uitzondering op de beleidsregel die het aantal </para>
      <para>specialistenplaatsen fixeerde en niet om toepassing van de Beleidsregel </para>
      <para>capaciteitswijzigingen waarin de enige mogelijkheden voor uitbreiding van het aantal </para>
      <para>specialistenplaatsen waren vastgelegd (orthopedie en oogheelkunde). Detaillering van het </para>
      <para>verzoek was daarom niet nodig.</para>
      <para>Met de overweging dat voor nagenoeg ieder ziekenhuis geldt dat sprake is van een </para>
      <para>continue groei en een prognose van toenemende zorgvraag, negeert verweerder dat uit de </para>
      <para>cijfers blijkt dat het ziekenhuis niet lichtvaardig aandacht vraagt voor het probleem waarin </para>
      <para>het is geraakt als gevolg van een tijdelijk bedoelde algemene maatregel. De druk op het </para>
      <para>ziekenhuis is structureel. De groei van de vraag in het D is relatief hoog. Daarnaast </para>
      <para>verzorgen de medisch specialisten in het D 24% meer pati‰nteneenheden dan specialisten </para>
      <para>in vergelijkbare ziekenhuizen. Dat is een uitermate bijzondere situatie. Het geeft aan </para>
      <para>hoeveel druk op de organisatie staat en illustreert dat het ziekenhuis dreigt vast te lopen. </para>
      <para>Gevolgen voor het ziekenhuis zijn structurele overbelasting en onvoldoende ruimte om </para>
      <para>aandacht te schenken aan structurele kwaliteitsbewaking en kwaliteitsbevordering en aan </para>
      <para>zorgvernieuwing. Verweerder had dit moeten afwegen tegen het doel van de </para>
      <para>capaciteitsbeheersingsmaatregel.</para>
      <para>Appellante heeft op verzoek van verweerder het mogelijke effect van de sluiting van het </para>
      <para>ziekenhuis te Kampen onderzocht. Het gaat om een aanvullende argumentatie. De </para>
      <para>uitbreiding van het aantal specialistenplaatsen in 1995 hing samen met een aantal factoren </para>
      <para>waarvan sluiting van het ziekenhuis in G er ‚‚n was.</para>
      <para>Appellante meent dat zij wel degelijk heeft aangegeven welke bijzondere omstandigheden </para>
      <para>moeten leiden tot het niet uitvoeren van de beleidsregel. Zij meent dat verweerder het </para>
      <para>verzoek zonder draagkrachtige motivering heeft afgewezen.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Tussen partijen is in geschil of verweerder op goede gronden heeft geweigerd appellantes </para>
      <para>budget te verhogen voor de uitbreiding met 6 specialistenplaatsen.</para>
      <para>Het College overweegt dienaangaande dat ingevolge de Beleidsregel afschaffing nadere </para>
      <para>detaillering erkenningsbeschikking (Beleidsregel I-227) en de Beleidsregel </para>
      <para>Capaciteitswijzigingen (Beleidsregel I-344) het aantal specialistenplaatsen is bepaald op </para>
      <para>het aantal specialisten op fulltime basis dat ultimo 1995 vermeld was in de nadere </para>
      <para>detaillering van de erkenningsbeschikking (behoudens overeengekomen en goedgekeurde </para>
      <para>aanpassingen wegens bijzondere functies in 1997, welke voor de beoordeling van het </para>
      <para>geschil niet relevant is).</para>
      <para>Ingevolge artikel 4:84 Awb dient het CTG te handelen overeenkomstig de beleidsregel, </para>
      <para>tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere </para>
      <para>omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen </para>
      <para>doelen.</para>
      <para>Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen </para>
      <para>dat van de toepasselijke Beleidsregels moet worden afgeweken in die zin dat het budget </para>
      <para>structureel wordt verhoogd om uitbreiding met 6 specialistenplaatsen te financieren.</para>
      <para>Uit de motivering van het verzoek van appellante om in afwijking van de vigerende </para>
      <para>Beleidsregels een budgetverhoging toe te kennen blijkt dat zij zich van andere soortgelijke </para>
      <para>ziekenhuizen meent te onderscheiden doordat sprake is van een continue groei in de </para>
      <para>periode 1986-1997. Volgens een prognose van appellante met betrekking tot de periode tot </para>
      <para>2010 zal de adherentie van D blijven groeien. Appellante heeft verder gewezen op een </para>
      <para>verder toenemende zorgvraag. Daarnaast meent appellante dat van bijzondere </para>
      <para>omstandigheden sprake is doordat het aantal pati‰nteneenheden per medisch specialist in </para>
      <para>D 7.345 bedraagt terwijl dit bij ziekenhuizen uit de referentiegroep 5.942 </para>
      <para>(MIP 1997) is.</para>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de voortdurende groei en de </para>
      <para>prognose van toenemende zorgvraag voor nagenoeg iedere instelling in Nederland opgaat. </para>
      <para>Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat de gegevens die appellante bij haar verzoek </para>
      <para>heeft overgelegd niet afwijken van die met betrekking tot andere ziekenhuizen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft, hoewel zij heeft vezocht om af te wijken van een beleidsregel, ook na </para>
      <para>hetgeen door verweerder als reactie op haar stelling is opgemerkt, niet gepreciseerd hoe de </para>
      <para>haar verstrekte gegevens ten aanzien van de groei van de productie alsmede de prognoses </para>
      <para>met betrekking tot D zich verhouden tot vergelijkbare ziekenhuizen of eventueel tot de </para>
      <para>landelijke trend terzake. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich daarom op </para>
      <para>het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat appellante terecht meent dat op grond </para>
      <para>van de voortdurende groei en prognose van de zorgvraag sprake is van een bijzondere </para>
      <para>omstandigheid op grond waarvan moet worden afgeweken van de Beleidsregels.</para>
      <para>Daarbij komt dat appellante bij beslissing van 13 december 1995 uitbreiding van de </para>
      <para>erkenningsbeschikking met 4,0 functie-eenheden heeft verkregen. De sluiting van het </para>
      <para>ziekenhuis te G heeft daarbij een rol gespeeld. Uit de berekening die appellante naar </para>
      <para>aanleiding van de hoorzitting aan verweerder heeft gezonden blijkt dat de sluiting van dit </para>
      <para>ziekenhuis heeft geleid tot een toename van de adherentie waardoor met 1,4 </para>
      <para>specialistenplaats uitgebreid zou moeten worden. Hoewel het verzoek van appellante niet </para>
      <para>volledig werd gehonoreerd heeft zij tegen deze beslissing geen beroep ingesteld. Onder </para>
      <para>deze omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid kunnen menen dat de sluiting van </para>
      <para>het ziekenhuis te G thans niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op </para>
      <para>grond waarvan moet worden afgeweken van de Beleidsregels.</para>
      <para>Appellante heeft weliswaar gewezen op een naar haar oordeel gestaag stijgend adherentie </para>
      <para>getal maar heeft geen argumenten aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat van een </para>
      <para>uitzonderlijke situatie sprake is op grond waarvan van een aangepast adherentie getal zou </para>
      <para>moeten worden uitgegaan. Een aanpassing waarom zij overigens niet heeft verzocht zodat </para>
      <para>deze argumenten met betrekking tot de adherentie hoe dan ook buiten beschouwing moeten </para>
      <para>worden gelaten.</para>
      <para>Appellante heeft voorts gemeend dat zich te haren aanzien een bijzondere omstandigheid </para>
      <para>voordoet doordat sprake is van een bijzonder hoge werkdruk. Zij heeft hiervoor verwezen </para>
      <para>naar het aantal pati‰nteneenheden per specialist dat volgens appellante in D 7.345 bedraagt </para>
      <para>terwijl dit bij ziekenhuizen uit de referentiegroep 5.942 is; het aantal pati‰nteneenheden per </para>
      <para>specialist is in D derhalve ongeveer 24 % hoger. </para>
      <para>Verweerder is noch in de primaire beschikking noch in het bestreden besluit op dit aspect </para>
      <para>ingegaan. Met name blijkt niet of verweerder van oordeel is dat deze stelling feitelijk </para>
      <para>onjuist is of dat hij, indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling, meent </para>
      <para>dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die tot afwijking van de beleidsregel </para>
      <para>noopt.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College kon verweerder onder deze omstandigheden niet met de </para>
      <para>vaststelling dat een groeiende zorgvraag voor nagenoeg iedere instelling in Nederland </para>
      <para>opgaat en verwerping van het argument dat appellante heeft ontleend aan de sluiting van </para>
      <para>het ziekenhuis te G, concluderen dat de door appellante aangevoerde argumenten </para>
      <para>onvoldoende zijn om een uitzondering op de Beleidsregel afschaffing nadere detaillering </para>
      <para>erkenningsbeschikking te maken. Het bestreden besluit berust derhalve niet op een </para>
      <para>deugdelijke motivering.</para>
      <para>De conclusie is dat het beroep van appellante gegrond is en dat het bestreden besluit moet </para>
      <para>worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb. Bij de nieuw te nemen </para>
      <para>beslissing op bezwaar zal verweerder alsnog de feitelijke juistheid van de stelling van </para>
      <para>appellante dienen te onderzoeken. Vervolgens zal verweerder, indien de stelling juist is, </para>
      <para>moeten vaststellen of en in welke mate appellante zich ten opzichte van andere </para>
      <para>ziekenhuizen in bijzondere omstandigheden bevindt en voorts, indien en al naar gelang dat </para>
      <para>het geval is, moeten beslissen over de vraag of de gevolgen voor appellante van het </para>
      <para>handelen overeenkomstig de beleidsregels onevenredig zijn in verhouding tot de met de </para>
      <para>beleidsregels te dienen doelen.</para>
      <para>Het College acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb en </para>
      <para>het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoekster in </para>
      <para>verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Als </para>
      <para>zodanig komen voor vergoeding in aanmerking de ten behoeve van de zitting gemaakte </para>
      <para>reiskosten welke worden vastgesteld op fl. 50,75.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het bezwaarschrift;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellante, welke worden vastgesteld op fl. 50,75 (zegge: vijftig gulden en vijfenzeventig cent);</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad fl. 450,-- </para>
      <para>(zegge: vierhonderdvijftig gulden) vergoedt;</para>
      <para>-	wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters				w.g. W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>