<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1508</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T09:18:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1508</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-05-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/332</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1508">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1508</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:27:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1508 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 01-05-2001 / AWB 01/332</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1508:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1508:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/332							1 mei 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>PROCES-VERBAAL </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	van het verhandelde ter zitting, alsmede van de mondelinge uitspraak in de zin van artikel 8:84 </para>
      <para>juncto artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht van de president van het College van </para>
      <para>Beroep voor het bedrijfsleven van 1 mei 2001 in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. A, te B,</para>
      <para>2. C, te D,</para>
      <para>3. Maatschap E, te F,</para>
      <para>4. Maatschap G, te F,</para>
      <para>5. Maatschap H, te F,</para>
      <para>6. Maatschap I, te J,</para>
      <para>7. Maatschap K, te J,</para>
      <para>8. Maatschap L, te M,</para>
      <para>9. N, te M,</para>
      <para>10.	O, te M,</para>
      <para>11. 	P, te J,</para>
      <para>12. 	Maatschap Q, te M</para>
      <para>13. 	R, te S,</para>
      <para>14. 	T, te U,</para>
      <para>15. 	V, te W,</para>
      <para>16. 	X, te W,</para>
      <para>17. 	Maatschap Y, te D,</para>
      <para>verzoekers,</para>
      <para>gemachtigden: mr H.J. Bronkhorst en mr J.G. de Vries Robb‚, advocaten te Den Haag, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>1. de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag en </para>
      <para>2. de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te Rijswijk, hierna </para>
      <para>individueel en gezamenlijk aan te duiden als verweerder, gemachtigden: mr J.P. Heinrich, </para>
      <para>advocaat te Den Haag en mr G. de Goede, werkzaam op het ministerie van Landbouw, </para>
      <para>Natuurbeheer en Visserij te Den Haag,  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	President		: mr R.R. Winter</para>
      <para>	Griffier		: mr I.K. Rapmund</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>De president opent de zitting en neemt kennis van het navolgende geschil. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 28 maart 2001 heeft verweerder verzoeker sub 1 medegedeeld dat - voor zover </para>
      <para>hier van belang - alle evenhoevigen dan wel voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren op het </para>
      <para>bedrijf van verzoeker met ingang van 28 maart 2001 als verdacht van mond- en klauwzeer </para>
      <para>(hierna: mkz) worden aangemerkt. Ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter </para>
      <para>voorkoming van verspreiding ervan zullen alle evenhoevige dieren op het bedrijf van verzoeker </para>
      <para>worden gedood. In afwachting hiervan zijn deze dieren gevaccineerd tegen mond- en </para>
      <para>klauwzeer. </para>
      <para>Bij besluiten van 4 april 2001 heeft verweerder verzoekers sub 2 tot en met 17 medegedeeld dat </para>
      <para>- voor zover hier van belang - alle evenhoevigen op de bedrijven van verzoekers met ingang </para>
      <para>van 4 april 2001 als verdacht van mond- en klauwzeer (hierna: mkz) worden aangemerkt. Ter </para>
      <para>bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van verspreiding ervan zullen </para>
      <para>alle evenhoevige dieren op de bedrijven van verzoekers worden gedood, met dien verstande dat </para>
      <para>verzoekers nader zal worden bericht of ook de runderen op hun bedrijf zullen worden gedood. </para>
      <para>In afwachting hiervan zijn deze dieren gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer. </para>
      <para>Bij brieven van 17 april 2001 heeft verweerder verzoekers meegedeeld dat ook de runderen op </para>
      <para>hun bedrijven zullen worden gedood.</para>
      <para>Verzoekers hebben tegen deze besluiten tijdig bezwaarschriften ingediend.</para>
      <para>Vervolgens hebben verzoekers schriftelijk een verzoek om een voorlopige voorziening bij de </para>
      <para>president van het College ingediend, inhoudende een verzoek tot schorsing van de besluiten van </para>
      <para>28 maart 2001, onderscheidenlijk 4 april 2001, zoals inmiddels nader uitgewerkt in de brief van </para>
      <para>17 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president heeft de verzoeken behandeld ter zitting van 1 mei 2001, alwaar partijen hun </para>
      <para>standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Van de zijde van </para>
      <para>verzoekers zijn gehoord dr S.J. Barteling, viroloog en dr P. Sutmoller, dierenarts, international </para>
      <para>animal health consultant. Van de zijde van verweerder zijn gehoord dr A. Dekker, als viroloog </para>
      <para>werkzaam bij ID-DLO Lelystad en drs F.H. Pluimers, werkzaam bij het ministerie van </para>
      <para>Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. </para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Voor de grondslag van het geschil zij verwezen naar het normatieve kader zoals dat is </para>
      <para>weergegeven in de aan beide partijen bekende uitspraken in de zaken AWB 01/242, d.d. 7 april </para>
      <para>2001 en AWB 01/311, d.d. 27 april 2001. </para>
      <para>3.	Het standpunt van verzoekers</para>
      <para>Verzoekers hebben onder meer het volgende naar voren gebracht.</para>
      <para>Het standpunt van verzoekers, zoals verwoord in hun inleidende verzoekschriften, is gelijk aan </para>
      <para>hun standpunt zoals ingenomen in de zaken geregistreerd onder de nummers AWB 01/311, </para>
      <para>waarin op 27 april j.l., uitspraak is gedaan. Dat standpunt wordt hier geacht te zijn herhaald in </para>
      <para>ingelast. </para>
      <para>Voorts hebben verzoekers een verklaring overgelegd van drs J.P.M. de Munter, arts en </para>
      <para>epidemioloog, waarop zij zich ter zitting hebben beroepen. Deze verklaring houdt het volgende </para>
      <para>in: </para>
      <para>"	Hierbij ontvangt u van mij een verklaring waarin ik op epidemiologische gronden </para>
      <para>kanttekeningen wil plaatsen met betrekking tot het huidige MKZ beleid tot </para>
      <para>vaccinatie en directe ruiming van gevaccineerde dieren. Mijn werkgebied is de </para>
      <para>humane infectieziektebestrijding en ik ben gespecialiseerd in de epidemiologie van </para>
      <para>infectieziekten en heb ruime ervaring met outbreakmanagement van infectieziekten </para>
      <para>bij mensen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Mijn motivatie om op deze wijze te reageren komt voort uit het principe dat ik als </para>
      <para>professional van mening ben dat de huidige aanpak "direct ruimen van </para>
      <para>ge‹nfecteerde dieren en vaccineren van gezonde dieren met directe ruiming erna" </para>
      <para>volstrekt het doel van vaccineren voorbij gaat en juist averechts kan werken op de </para>
      <para>verspreiding van deze hoog besmettelijke virusziekte. Daarnaast kan ik als medicus </para>
      <para>niet lijdzaam toezien als het menselijk leed binnen de getroffen boeren gezinnen </para>
      <para>dusdanig hoog is geworden door de wanhopige situatie waarin zij momenteel </para>
      <para>verkeren dat er daadwerkelijk meldingen zijn van boeren die zich daardoor juist het </para>
      <para>leven hebben genomen en kinderen van boeren die getraumatiseerd zijn door de </para>
      <para>totale zinloze ruiming van gezonde dieren en door huisarrest het grondwettelijk </para>
      <para>recht op vrijheid en onderwijs moeten ontberen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verklaring</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het direct en massaal transporteren van potentieel besmette dieren naar verder </para>
      <para>gelegen oorden geeft meer kans op verspreiding van de virusziekte MKZ dan het </para>
      <para>beheersmatig vaccineren en monitoren van gevaccineerde dieren.</para>
      <para>Het is in de literatuur bekend dat het MKZ virus zich aerogeen kan verspreiden via </para>
      <para>aanhoesten of ademen van besmette dieren. De ontsmettinsgprocedures hebben </para>
      <para>alleen betrekking op de wielen en de onderkant van de in het gebied aanwezige </para>
      <para>voertuigen en de schoenen en de beschermende kleding van het daar aanwezige </para>
      <para>personeel. Het gebruik van grijpers kan ertoe hebben bijgedragen dat kadaverresten </para>
      <para>en diervocht ook verspreid is over de bovenkant en zijkant van vrachtwagens. De </para>
      <para>kadavers worden afgevoerd naar de Rendac in Friesland. Verspreiding van het virus </para>
      <para>over enige kilometer van de bron is eveneens beschreven.</para>
      <para>De mogelijke constatering van hetzelfde type MKZ-vrius in Friesland onderschrijft </para>
      <para>deze mogelijke besmettingsvorm. Ik heb vernomen dat op 1 locatie (in het plaatsje </para>
      <para>Ee) onlangs door de kadaverophaaldienst een regulier gestorven dier werd </para>
      <para>verwijderd. Daarna is ook op die locatie MKZ uitgebroken.</para>
      <para>Bij het ruimingbeleid zijn duizenden mensen, verdeeld over heel Nederland </para>
      <para>betrokken geweest (politie, ME-eenheden, RVV medewerkers, Militairen enz. Deze </para>
      <para>personen kunnen vanuit infectieziekteoogpunt ook verspreiders zijn van het MKZ </para>
      <para>virus. Deze personen hebben geen gedegen ontsmetting ondergaan. Verspreiding </para>
      <para>van mens op mens op dier zijn niet beschreven. Maar het is goed mogelijk dat deze </para>
      <para>personen ook in hun eigen situatie dieren bezitten en op deze wijze mogelijk ook </para>
      <para>besmettingen kunnen overdragen direct op hun eigen beesten (we spreken dan van </para>
      <para>dier op mens op dier besmettingen).</para>
      <para>Bij het motiveren van het noodvaccinatiebeleid en de noodzaak tot directe ruiming </para>
      <para>na vaccinatie worden mijns inziens onjuiste argumenten ter onderbouwing gebruikt. </para>
      <para>In het kort wil ik hierop ingaan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gebruik van noodvaccinaties kan infecties indammen. Dat betekent heel </para>
      <para>concreet dat gevaccineerde dieren een kordon vormen rond het directe </para>
      <para>uitbraakgebied en door hun immuniteit de transmissie van het virus voorkomen </para>
      <para>naar de buiten dit kordon gelegen gebieden. Bij de argumenten dat een </para>
      <para>klaarblijkelijk gezond dier mogelijk kort voor de vaccinatie besmet is geraakt met </para>
      <para>het MKZ virus en daarom juist drager kan worden is geen rekening gehouden met </para>
      <para>de incubatietijd van het MKZ virus en de korte activatieduur van het vaccin en het </para>
      <para>gegeven dat een ge‹mmuniseerd dier het virus ook onschadelijk zal maken in zijn </para>
      <para>luchtwegen. Daarnaast is de infectiedruk in het gebied zeer laag getuige het kleine </para>
      <para>aantal gediagnosticeerde MKZ gevallen waardoor dit fenomeen van dragerschap </para>
      <para>nauwelijks zal zijn opgetreden. Aantonen van dragerschap is mogeljik door </para>
      <para>steekproefsgewijs kweekmonsters van slijmvliessecreet af te nemen en uit te zetten. </para>
      <para>Op deze wijze zal door het aantonen van de afwezigheid van het virus het bewijs </para>
      <para>geleverd worden dat er in dit geval geen sprake van risicovol dragerschap zal zijn.</para>
      <para>Een ander argument is het niet kunnen onderscheiden tussen dieren die de ziekte </para>
      <para>hebben doorgemaakt of zijn gevaccineerd en daardoor een export gevaar kunnen </para>
      <para>opleveren naar MKZ vrije landen. Dit argument kan ik ontkrachten door het </para>
      <para>gegeven dat de moderne ELISA testen in combinatie met het vaccin op dezelfde </para>
      <para>wijze werken als een modern markervaccin. Deze testen maken het mogelijk </para>
      <para>onderscheid te maken in vaccin ge‹nduceerde immuniteit en immuniteit verkregen </para>
      <para>door het doormaken van de virusziekte. De onderbouwing van mijn betoog is </para>
      <para>wederom eenvoudig. De gevaccineerde dieren kunnen toch getest worden en de </para>
      <para>uitslag kan toch bepalen of zij wel of niet vernietigd moeten worden. Op deze wijze </para>
      <para>kan een verantwoord ruimingbeleid vorm gegeven worden.</para>
      <para>Tenslotte hebben alle dieren een uniek "paspoort"nummer waardoor zij vervolgd </para>
      <para>kunnen worden. Juist dit unieke nummer maakt het mogelijk de dieren gescheiden </para>
      <para>te houden van de exportmarkt. Vanuit epidemiologisch oogpunt een prachtig </para>
      <para>instrument om een levend wezen te vervolgen.</para>
      <para>Ik hoop met deze verklaring een bijdrage te kunnen leveren in het verantwoord  </para>
      <para>omgaan met levende wezens en een beter vaccinatie en ruimingbeleid voor nu en in </para>
      <para>de toekomst. Ik wil afsluiten met de betekenis van een Nederlands spreekwoord </para>
      <para>waarin het beter is om te stoppen en om te draaien dan door te gaan met het </para>
      <para>verkeerde."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers hebben zich voor hun standpunt in de onderhavige zaken mede gebaseerd op de </para>
      <para>verklaringen van de door hen ter zitting meegebrachte deskundigen, drs S.J. Barteling en </para>
      <para>dr P. Sutmoller.</para>
      <para>Ter zitting heeft dr Sutmoller verklaard dat het uitgesloten is dat de dieren op de bedrijven van </para>
      <para>verzoekers, alvorens zij gevaccineerd werden, besmet waren met het mkz-virus. Indien </para>
      <para>bedoelde dieren op het moment van vaccinatie besmet zouden zijn geweest met het mkz-virus, </para>
      <para>dan zouden deze dieren, een week na de vaccinatie daadwerkelijk mkz hebben gekregen. </para>
      <para>Middels in het verleden door hem, dr Sutmoller, verricht onderzoek heeft hij niet kunnen </para>
      <para>aantonen dat het mkz-virus door zogenaamde dragers wordt overgebracht op gevoelige dieren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn slechts historische aanwijzingen dat dragers eventueel een uitbraak zouden kunnen </para>
      <para>veroorzaken. Middels onderzoek is nooit aangetoond dat een gevaccineerde drager een mkz-</para>
      <para>uitbraak heeft veroorzaakt. Ieder risico dat een drager het mkz-virus niet kan verspreiden kan </para>
      <para>echter niet worden uitgesloten. </para>
      <para>Ter zitting heeft drs Barteling verklaard zich te kunnen vinden in de verklaringen van </para>
      <para>dr Sutmoller. Hij heeft aan die verklaringen toegevoegd dat in de historie van mkz geen </para>
      <para>gevallen bekend zijn dat een gevaccineerd dier een uitbraak heeft veroorzaakt. Het risico is </para>
      <para>uitermate klein. Een gevaccineerd dier kan niet worden aangemerkt als kwetsbaarder dan een </para>
      <para>niet-gevaccineerd dier. </para>
      <para>Voorts hebben verzoekers ter zitting nog het volgende aangevoerd:</para>
      <para>Het bedrijf van verzoeker G is gelegen op een afstand van precies 2 km van een primair bedrijf.</para>
      <para>De verklaringen van de zijdens verweerders meegebrachte deskundigen zien op de </para>
      <para>exportpositie van Nederland ten opzichte van andere lidstaten en derde landen, in het geval dat </para>
      <para>dieren na vaccinatie in leven blijven. Dit betreffen echter risico's op commercieel gebied. </para>
      <para>Voorts zien de verklaringen van bedoelde deskundigen op standaarden die internationaal </para>
      <para>worden gehanteerd, in het bijzonder bij de OIE. Deze standaarden zijn bovendien niet bindend. </para>
      <para>Bedoelde deskundigen-verklaringen zien derhalve niet op de gezondheidsrisico's en de </para>
      <para>gezondheid van de dieren waarover de president zich in de onderhavige procedures door </para>
      <para>verweerder heeft willen laten informeren.</para>
      <para>Ten onrechte wordt de problematiek rond de "carrier" in de onderhavige procedure betrokken. </para>
      <para>Het is slechts theorie dat een gevaccineerd dier, dat niet ziek is een besmetting kan oplopen en </para>
      <para>die besmetting kan doorgeven aan andere dieren. Wellicht zal in de toekomst hiernaar </para>
      <para>onderzoek worden gedaan, verzoekers hebben evenwel bewijs geleverd van hun stelling dat </para>
      <para>overbrenging van het mkz-virus op andere dieren door een gevaccineerde drager niet mogelijk </para>
      <para>is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de verklaringen van dr Sutmoller volgt immers dat uit zijn onderzoek is gebleken dat </para>
      <para>overbrenging van besmetting op andere dieren door een drager niet kon. Vorenstaande is in </para>
      <para>overeenstemming met de in de eerder bij de president van het College gevoerde procedures </para>
      <para>genoemde verklaring van dr Brown van het Federale Ministerie van Landbouw in de Verenigde </para>
      <para>Staten.</para>
      <para>Gelet op de verklaringen van de deskundigen verkeren de gevaccineerde dieren niet in een </para>
      <para>nadeliger positie dan een niet-gevaccineerd dier. Integendeel, tegen hetgeen een niet-</para>
      <para>gevaccineerd dier zou kunnen overkomen, heeft het gevaccineerde dier juist bescherming. Gelet </para>
      <para>hierop is het vanuit veterinair oogpunt niet noodzakelijk de gevaccineerde dieren van </para>
      <para>verzoekers te doden. In dit kader hebben verzoekers nog aangevoerd dat, gehoord de </para>
      <para>verklaringen van de deskundigen drs Barteling en dr Sutmoller, indien sprake zou zijn geweest </para>
      <para>van een besmet dier, met desondanks een negatieve uitslag op een bloedtest, er zich vervolgens </para>
      <para>altijd klinische verschijnselen zouden hebben voorgedaan van mkz. Dit heeft zich echter niet </para>
      <para>voorgedaan bij de bedrijven van verzoekers, zodat er aldaar sprake is van gezonde, niet-</para>
      <para>verdachte dieren. Er wordt derhalve geen gezondheidsrisico gecre‰erd door het niet-doden van </para>
      <para>de dieren. </para>
      <para>Sinds de verdachtverklaring van de dieren op het bedrijf van verzoekers zijn meer dan 21 dagen </para>
      <para>verstreken. Derhalve heeft het besluit inzake de verdachtverklaring zijn geldigheid verloren en </para>
      <para>worden de dieren op grond van het Besluit niet langer als verdacht van mkz aangemerkt, als </para>
      <para>gevolg waarvan niet mag worden overgegaan tot het doden van de dieren. Indien gelet op het </para>
      <para>vorenstaande al een toetsing zou plaatsvinden, zou het een toetsing betreffen in materiele zin, </para>
      <para>namelijk aan het begrip verdachtheid, in welk geval een zware bewijslast op verweerder rust </para>
      <para>om aan te tonen dat een verdenking op bijzondere wijze aanwezig is. Verweerder is hierin niet </para>
      <para>geslaagd.</para>
      <para>De besluiten waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd, kunnen zowel bij een toetsing </para>
      <para>van de rechtmatigheid daarvan naar de situatie ten tijde van het nemen van de betreffende </para>
      <para>besluiten, als bij een toetsing naar de situatie van het moment van het doen van de uitspraak in </para>
      <para>de onderhavige procedure, niet in stand blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers hebben in dit verband verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van </para>
      <para>9 februari 2001. Gelet op die uitspraak heeft de president de mogelijkheid om te beoordelen of, </para>
      <para>gezien de gewijzigde omstandigheden in het onderhavige geval, onder meer het wegvallen van </para>
      <para>de verdachtmakingsbesluiten, het besluit tot doding thans nog rechtmatig is.  </para>
      <para>4.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Verweerder heeft - samengevat - onder meer het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Het standpunt van verweerder is gelijk aan zijn standpunt zoals ingenomen in de zaak </para>
      <para>geregistreerd onder de nummers AWB 01/311, waarin op 27 april j.l., uitspraak is gedaan. Dat </para>
      <para>standpunt wordt hier geacht te zijn herhaald in ingelast. </para>
      <para>Verweerder heeft zich voor zijn standpunt in de onderhavige zaken tevens gebaseerd op de </para>
      <para>verklaringen van de door hem ter zitting meegebrachte deskundigen, dr Dekker en</para>
      <para>drs Pluimers.</para>
      <para>Dr Dekker heeft verklaard dat het risico op besmetting van andere dieren door een </para>
      <para>gevaccineerde drager niet nihil is, hetgeen dr Sutmoller en drs Barteling ook hebben verklaard. </para>
      <para>Door vaccinatie wordt een dier weliswaar bescherming geboden tegen besmetting van het mkz-</para>
      <para>virus en wordt transmissie daarvan gereduceerd, maar dat transmissie wordt voorkomen staat </para>
      <para>niet onomstotelijk vast. Niet kan worden uitgesloten dat op bedrijven toch het virus binnenkomt </para>
      <para>en carriers kunnen ontstaan. Dit is de reden waarom andere leden van de EU een MKZ-vrije </para>
      <para>status van een land prefereren boven gevaccineerde veestapels. </para>
      <para>Ook het feit dat in juni 2001 een conferentie wordt gehouden die geheel zal zijn gewijd aan </para>
      <para>'carriers', wijst er niet op dat 'carriers' geen risicofactor vormen voor een effectieve </para>
      <para>ziektebestrijding. Dit congres is een aanzet om te komen tot een gezamenlijk EU-voorstel over </para>
      <para>nader onderzoek naar het ontstaan van carriers. </para>
      <para>Gevaccineerde dieren kunnen, indien zij besmet raken, carriers worden en bijdragen aan </para>
      <para>verspreiding van MKZ. De hoge veedichtheid in Nederland speelt mede een rol. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Drs Pluimers heeft verklaard dat wetenschappers van mening verschillen over de vraag of een </para>
      <para>gevaccineerde drager nog andere dieren kan besmetten. De OIE kent aan mkz-vrije landen waar </para>
      <para>niet wordt gevaccineerd en waar geen bevestigde klinische verschijnselen van mkz zijn </para>
      <para>opgetreden, een hogere 'status' toe dan aan mkz-vrije landen waar wel wordt gevaccineerd en </para>
      <para>waar recentelijk geen bevestigde klinische verschijnselen zijn opgetreden. Dat heeft ook een </para>
      <para>veterinaire achtergrond. Het is mogelijk dat een land een hogere status krijgt dan welke hij </para>
      <para>toegekend had gekregen, indien alle dieren die eens waren gevaccineerd uit het betreffende land </para>
      <para>zijn verdwenen. In dat geval bereikt een land na 3 maanden na de laatste vaccinatie een hogere </para>
      <para>status. Indien het betreffende land de gevaccineerde dieren in leven laat, dan wordt die hogere </para>
      <para>status eerst na 12 maanden na de laatste vaccinatie bereikt, indien ook overigens in die periode </para>
      <para>geen klinisch bevestigde gevallen van mkz zijn geconstateerd. Indien een land snel de hoogste </para>
      <para>status wil bereiken, wordt gekozen voor suppressieve vaccinaties. Nederland heeft besloten </para>
      <para>voor suppressieve vaccinatie van de runderen in het vaccinatiegebied en deze vervolgens te </para>
      <para>doden. Deze keuze is mede ingegeven door de consequenties voor de veehouderij en </para>
      <para>melkveehouderij in beperktere zin hier te lande, aangezien deze keuze uiteindelijk minder </para>
      <para>schade zou veroorzaken aan de Nederlandse veehouderij dan indien gekozen was voor en </para>
      <para>regime van beschermende vaccinaties. Exportbelangen van Nederland hebben bij die keuze </para>
      <para>aldus een rol gespeeld.</para>
      <para>De door verzoekers aangedragen veterinaire argumenten zijn niet steekhoudend. Mede gelet op </para>
      <para>de verklaringen van de deskundigen is het zeer wel denkbaar dat evenhoevigen reeds v¢¢r </para>
      <para>vaccinatie drager van het virus zijn geworden. Deze zogenoemde 'carriers' vormen een blijvend </para>
      <para>risico van nieuwe uitbraken van het virus. Dit risico mag niet worden gelopen, zodat er een </para>
      <para>veterinair belang bestaat bij het doden van de runderen van verzoekers. </para>
      <para>Voor wat betreft de problematiek rond de 21 dagen-termijn wordt verwezen naar de uitspraken </para>
      <para>van de president van 27 april 2001. Voorts wordt bestreden dat er zich gewijzigde </para>
      <para>omstandigheden hebben voorgedaan. De reden tot ruiming is immers gelijk gebleven, nu er nog </para>
      <para>steeds sprake van een veterinair risico. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft voorts een overzicht overgelegd waarop de afstand van de onderhavige </para>
      <para>bedrijven tot het primaire bedrijf is aangegeven. </para>
      <para>De bedrijven van verzoekers G en R zijn op een afstand gelegen van respectievelijk 1548 meter </para>
      <para>en 1836 meter van een primair bedrijf. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) </para>
      <para>juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende </para>
      <para>de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, </para>
      <para>wat gelet op artikel 109 van de Wet hier het geval is, de president van het College op verzoek </para>
      <para>een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen </para>
      <para>zulks vereist.</para>
      <para>Nu verweerder de evenhoevigen op de bedrijven van verzoekers zo spoedig mogelijk wensen te </para>
      <para>doden, acht de president het belang van verzoekers spoedeisend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld overweegt de president in de eerste </para>
      <para>plaats als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de bedrijven van verzoekers R en G zijn </para>
      <para>gelegen op een afstand van minder dan 2 km van de naaste besmettingshaard. Daarmee kunnen </para>
      <para>zij op ‚‚n lijn worden gesteld met de verzoekers waarvan het verzoek om voorlopige </para>
      <para>voorziening door de president is afgewezen bij uitspraak van 27 april 2001 in de zaak Z, met </para>
      <para>het kenmerk AWB 01/311. De verzoeken van de verzoekers R en G worden derhalve </para>
      <para>afgewezen onder verwijzing naar die overwegingen, die hier worden geacht te zijn herhaald en </para>
      <para>ingelast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Met betrekking tot het, voorlopige, antwoord op de vraag of verweerde de dieren op de </para>
      <para>bedrijven van de overige verzoekers heeft kunnen aanmerken als verdachte dieren overweegt de </para>
      <para>president als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2	De president herhaalt eveneens in navolging van de eerdere uitspraak van 27 april 2001, met </para>
      <para>het kenmerk 01/311, dat het inschatten van hier aan de orde zijnde veterinaire risico's in de </para>
      <para>eerste plaats tot de bevoegdheid van verweerder behoort. Het is niet aan het College, laat staan </para>
      <para>aan de president in een voorlopige voorzieningprocedure, om een zodanige inschatting in zich </para>
      <para>zelf na te wegen.</para>
      <para>Voor de president komt het treffen van een voorlopige voorziening in dit opzicht eerst binnen </para>
      <para>handbereik wanneer het door verweerder gegeven expos‚ over de veterinaire aspecten zo </para>
      <para>evident en overtuigend door de verzoekende partij op losse schroeven wordt gezet, dat dit </para>
      <para>expos‚ niet langer als basis voor het door verweerder ingezette en gehandhaafde beleid kan </para>
      <para>dienen.</para>
      <para>Geplaatst tegen deze achtergrond neemt de president het volgende in aanmerking.</para>
      <para>5.3	Naar voorlopig oordeel kan niet met vrucht worden betoogd dat verweerder de evenhoevigen </para>
      <para>op de bedrijven van verzoekers niet als verdacht van mkz heeft kunnen aanmerken. Gezien de </para>
      <para>veedichtheid in de regio Oene en het feit dat het tot 3 april 2001 gevoerde beleid niet heeft </para>
      <para>kunnen voorkomen dat zich in deze regio uitbraken van mkz zijn blijven voordoen, heeft </para>
      <para>verweerder in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat zich mogelijk ook buiten de twee </para>
      <para>kilometer-zones rond besmettingshaarden in de regio Oene evenhoevigen bevinden die drager </para>
      <para>van smetstof zijn, waarmee is voldaan aan het in artikel 2, aanhef en onder c van het Besluit </para>
      <para>neergelegde criterium voor verdachtverklaring van deze evenhoevigen. Niet, althans </para>
      <para>onvoldoende is gebleken dat de bedrijven van verzoekers zich in een zodanig bijzondere </para>
      <para>situatie bevinden dat de evenhoevige dieren op dit bedrijf, ondanks het vorenoverwogene, niet </para>
      <para>als verdacht van mkz zouden kunnen worden aangemerkt.   </para>
      <para>5.3.1	Voorshands uitgaande van de rechtmatigheid van de verdachtverklaring, is de president </para>
      <para>voorlopig van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot suppressieve </para>
      <para>vaccinatie en doding van de dieren op de bedrijven van verzoekers. Weliswaar zijn deze </para>
      <para>maatregelen, mede gelet op de afstand van de bedrijven van verzoekers tot de dichtstbijzijnde </para>
      <para>gelokaliseerde besmettingshaard, onmiskenbaar uiterst rigoreus, maar de Wet laat de bevoegde </para>
      <para>autoriteiten een ruime discretionaire bevoegdheid bij de vaststelling welke maatregelen passend </para>
      <para>zijn te achten ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de veedichtheid in de regio Oene en het patroon van uitbraken zijn de getroffen </para>
      <para>maatregelen, die zijn aan te merken als een uiterste poging het virus tot staan te brengen en te </para>
      <para>voorkomen dat het zich buiten deze regio verspreidt, niet zozeer kennelijk onredelijk te achten </para>
      <para>dat ingrijpen door de president gerechtvaardigd is. </para>
      <para>	De president heeft acht geslagen op de argumenten die beide partijen, ondersteund door </para>
      <para>deskundigen, ter zitting naar voren hebben gebracht ter bestrijding dan wel onderbouwing van </para>
      <para>het veterinaire belang bij het doden van runderen die, zoals de runderen op de bedrijven van </para>
      <para>verzoekers, meer dan veertien dagen geleden zijn gevaccineerd tegen mkz. De president </para>
      <para>constateert dat de door partijen voorgebrachte deskundigen van mening zijn blijven verschillen </para>
      <para>over het veterinaire belang van deze doding. Niet, althans onvoldoende, is komen vast te staan </para>
      <para>dat gevaccineerde dragers van het mkz-virus geen smetstof uitscheiden. Voorts wordt in juni </para>
      <para>2001 een congres gewijd aan, onder meer, de risico's die 'carriers' meebrengen. Uit het tussen </para>
      <para>de deskundigen van partijen gevoerde debat valt in elk geval niet met voldoende zekerheid af te </para>
      <para>leiden dat de veterinaire risico's van het in leven laten van gevaccineerde dieren, zoals die op de </para>
      <para>bedrijven van verzoekers, thans slechts zo theoretisch zouden zijn dat deze risico's door </para>
      <para>verweerder als verwaarloosbaar bij de bestrijding van het virus zouden moeten worden </para>
      <para>genegeerd. Derhalve kan niet met vrucht worden gezegd dat verzoekers zodanig overtuigende </para>
      <para>argumenten hebben aangedragen dat de veterinaire uitgangspunten van het door verweerder </para>
      <para>gevoerde beleid onmiskenbaar op losse schroeven is gezet. </para>
      <para>5.3.2	Dit alles wordt niet anders door het verstreken zijn van, kortweg, de 21 dagen-termijn. De </para>
      <para>president volgt verzoekers niet in hun betoog dat de bestreden besluiten voorzover deze </para>
      <para>betrekking hebben op dieren, waarvan na de verdachtverklaring een periode van 21 dagen of </para>
      <para>meer is verstreken, niet langer een voorwerp van maatregelen kunnen zijn.</para>
      <para>De president verwijst voor dit, voorlopige, evenzeer oordeel naar de overwegingen van de </para>
      <para>president ter zake in de uitspraak van 27 april 2001 in de zaak met het kenmerk Awb 01/311.</para>
      <para>Die overwegingen worden geacht hier te zijn herhaald en ingelast. Aan de bestreden besluiten </para>
      <para>van 28 maart 2001 en 4 april 2001, zoals nader ingevuld bij brief van 17 april 2001, tot het </para>
      <para>doden is de grondslag dus niet zonder meer komen te ontvallen doordat de periode waarin </para>
      <para>dieren volgens artikel 5 van het Besluit verdacht blijven inmiddels is verstreken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan kennelijk het geval was, in het door verzoekers aangehaalde geval waarover de </para>
      <para>Hoge Raad bij arrest van 9 februari 2000 besliste, blijft het doel van de bestreden besluiten hier, </para>
      <para>naar voorlopig oordeel, derhalve nog steeds gericht op voorkoming van verspreiding van het </para>
      <para>virus. </para>
      <para>5.4	Of verweerder, gesteld voor de vraag of hij direct verder uitvoering moet geven aan de </para>
      <para>aangezegde maatregel tot doding, bij een belangenafweging bijvoorbeeld mede de </para>
      <para>omstandigheid betrekt dat het College bij zijn uitspraak van 26 april 2001 in de zaak AA (zaak </para>
      <para>AWB 01/282) het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen via een spoedprocedure </para>
      <para>prejudici‰le vragen heeft gesteld over de geldigheid van het non-vaccinatieverbod  als bedoeld </para>
      <para>in artikel 13 van de Richtlijn en de entingsbeschikkingen van de Europese Commissie, ligt </para>
      <para>primair bij verweerder ter beantwoording. Het moge zo zijn dat uit het stellen van deze vragen </para>
      <para>blijkt van twijfel bij het College omtrent de geldigheid van het vaccinatieverbod en de wijze </para>
      <para>waarop de Commissie toepassing heeft gegeven aan voormeld artikel 13, maar deze twijfel is </para>
      <para>niet zo groot dat hier voor de president, gelet op de terzake geldende jurisprudentie van het Hof </para>
      <para>van Justitie van de Europese gemeenschappen (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 1991 </para>
      <para>in de zaken C-143/88 en C-92/89) de vrijheid zou bestaan de opschorting van een mede op een </para>
      <para>gemeenschapshandeling gebaseerd bestuursbesluit te gelasten. </para>
      <para>5.5	Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verzoeken om voorlopige voorziening moeten </para>
      <para>worden afgewezen. </para>
      <para>	De president acht geen termen aanwezig ‚‚n der partijen onder toepassing van artikel 8:75 van </para>
      <para>de Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het </para>
      <para>verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2001.</para>
    <para />
    <para>Waarvan proces-verbaal,</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. R.R. Winter					w.g. I.K. Rapmund</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>