<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1469</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T09:05:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1469</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/328</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006829&amp;artikel=2&amp;g=2001-04-27">Besluit verdachte dieren 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006829&amp;artikel=5&amp;g=2001-04-27">Besluit verdachte dieren 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=15&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 15</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=17&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=21&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=109&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 109</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1469">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1469</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1469 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 27-04-2001 / AWB 01/328</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1469:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1469:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/328						27 april 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te X, verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.F.C.M. Mulders, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>1. de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Den Haag en </para>
      <para>2. de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te Rijswijk, hierna </para>
      <para>individueel en gezamenlijk aan te duiden als verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 4 april 2001 heeft verweerder - voor zover hier van belang - bepaald dat alle </para>
      <para>evenhoevigen op het bedrijf van verzoekster met ingang van 4 april 2001 als verdacht van </para>
      <para>mond- en klauwzeer (hierna: mkz) worden aangemerkt en dat deze dieren zullen worden </para>
      <para>gevaccineerd en vervolgens gedood, met dien verstande dat verzoekster nader zal worden </para>
      <para>bericht of ook de runderen op haar bedrijf zullen worden gedood. </para>
      <para>Bij brief van 11 april 2001 heeft verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het </para>
      <para>besluit van 4 april 2001.</para>
      <para>Bij brief van 17 april 2001 heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat ook de runderen </para>
      <para>op haar bedrijf zullen worden gedood.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij faxbericht van 24 april 2001 heeft verzoekster zich tot de president van het College </para>
      <para>gewend met het verzoek het besluit van 4 april 2001, zoals nader uitgewerkt in de brief van </para>
      <para>17 april 2001, bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Op 25 april 2001 heeft </para>
      <para>verzoekster het verzoek van 24 april 2001 ingetrokken.</para>
      <para>Bij faxbericht van 26 april 2001 heeft verzoekster zich wederom tot de president van het </para>
      <para>College gewend met het verzoek het besluit van 4 april 2001, zoals nader uitgewerkt in de </para>
      <para>brief van 17 april 2001, bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.</para>
      <para>Partijen hebben de president op 26 april 2001 telefonisch toestemming verleend zonder </para>
      <para>zitting op het verzoek te beslissen. Gelet hierop heeft de president, mede in aanmerking </para>
      <para>genomen het bepaalde in artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>(hierna: Awb), besloten zonder zitting uitspraak te doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil	</para>
      <para>2.1	In de considerans van Richtlijn 85/511/EEG van 18 november 1985 van de Raad van de </para>
      <para>Europese Gemeenschappen, houdende vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen </para>
      <para>ter bestrijding van mond- en klauwzeer (Pb EG 1985, L 315/11; hierna: de Richtlijn), </para>
      <para>wordt onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>	Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend </para>
      <para>te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen (.)</para>
      <para>(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de considerans van Richtlijn 90/423/EEG van 26 juni 1990 van de Raad van de </para>
      <para>Europese Gemeenschappen (Pb EG 1990, L 224/13), waarbij - voor zover hier van belang - </para>
      <para>de Richtlijn is gewijzigd, wordt onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>" (.)</para>
      <para>	Overwegende dat uit een door de Commissie uitgevoerde studie inzake de </para>
      <para>bestrijding van mond- en klauwzeer is gebleken dat een niet-vaccinatiebeleid </para>
      <para>voor de Gemeenschap als geheel de voorkeur verdient boven een </para>
      <para>vaccinatiebeleid (.)</para>
      <para>	Overwegende dat uit de studie van de Commissie over het toekomstige </para>
      <para>communautaire beleid inzake vaccinatie duidelijk is gebleken dat vanaf een </para>
      <para>bepaalde datum de vaccinatie tegen deze ziekte officieel moet worden </para>
      <para>stopgezet en dat die stopzetting vergezeld moet gaan van een beleid waarbij </para>
      <para>besmette dieren systematisch worden afgemaakt en afgevoerd voor destructie</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	Overwegende dat het in extreme situaties waarin de epizo”tie zich op grote </para>
      <para>schaal dreigt te verspreiden, noodzakelijk kan zijn noodvaccinaties uit te </para>
      <para>voeren (.)." </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 13 van de Richtlijn, zoals gewijzigd, luidt - voor zover hier van belang - als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>" 1.	De Lid-Staten zien erop toe dat (.) het gebruik van mond- en </para>
      <para>klauwzeervaccins verboden wordt (.)</para>
      <para>(.)</para>
      <para>	3.	Onverminderd het bepaalde in lid 1 (.) kan worden besloten een </para>
      <para>noodvaccinatie uit te voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de </para>
      <para>dieren garandeert, wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is </para>
      <para>bevestigd en de ziekte zich op grote schaal dreigt te verspreiden. (.)</para>
      <para>	Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de </para>
      <para>Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In Beschikking 2001/246/EG van 27 maart 2001 van de Commissie van de Europese </para>
      <para>Gemeenschappen (Pb EG 2001, L 88/21), houdende vaststelling van voorschriften voor de </para>
      <para>bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland op grond van artikel 13 </para>
      <para>van Richtlijn 85/511/EEG, zoals gewijzigd bij Beschikking 2001/279/EG van 5 april 2001 </para>
      <para>(Pb EG 2001, L 96/19 hierna: de Beschikking), wordt onder meer het volgende bepaald: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Artikel 1</para>
      <para>	Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:</para>
      <para>	1.	Preventieve doding: het doden van gevoelige dieren op bedrijven in een </para>
      <para>gebied met een bepaalde straal rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of </para>
      <para>artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen van </para>
      <para>toepassing zijn. </para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	2.	Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op </para>
      <para>ge‹dentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die </para>
      <para>uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als </para>
      <para>omschreven in punt 1. </para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	3.	Beschermende vaccinatie: noodvaccinatie van runderen op ge‹dentificeerde </para>
      <para>bedrijven in het vaccinatiegebied, die uitsluitend wordt uitgevoerd in </para>
      <para>combinatie met de preventieve doding van bepaalde categorie‰n andere dieren </para>
      <para>van gevoelige soorten, als omschreven in punt 1, en al dan niet in combinatie </para>
      <para>met suppressievaccinatie als omschreven in punt 2. Deze vaccinatie (.) mag </para>
      <para>slechts plaatsvinden op voorwaarde dat de in het kader van de beschermende </para>
      <para>vaccinatie gevaccineerde dieren van gevoelige soorten niet preventief worden </para>
      <para>gedood.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 2</para>
      <para>	1.	Onverminderd Richtlijn 85/511/EEG (.) mogen de bevoegde autoriteiten </para>
      <para>van Nederland besluiten gebruik te maken van noodvaccinatie onder de in de </para>
      <para>bijlagen vastgestelde voorwaarden.</para>
      <para>	2.	Voordat met suppressievaccinatie en beschermende vaccinatie wordt </para>
      <para>begonnen onder de in bijlage I, respectievelijk bijlage II vastgestelde </para>
      <para>voorwaarden, ziet Nederland erop toe dat de lidstaten en de Commissie </para>
      <para>officieel in kennis worden gesteld van alle gegevens betreffende de </para>
      <para>geografische en administratieve omschrijving van het vaccinatiegebied, het </para>
      <para>aantal betrokken bedrijven en dieren (naar soort), het tijdstip waarop het </para>
      <para>vaccineren wordt voltooid, en de omstandigheden die de tenuitvoerlegging van </para>
      <para>deze maatregelen verantwoorden.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Bijlage I</para>
      <para>	Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie (.)</para>
      <para>	(.) Het vaccinatiegebied moet gelegen zijn in het in bijlage III, deel A, </para>
      <para>omschreven gebied.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Bijlage II</para>
      <para>	Voorwaarden voor de toepassing van beschermende vaccinatie (.)</para>
      <para>	(.) Het vaccinatiegebied moet gelegen zijn in het in bijlage III, deel B, </para>
      <para>omschreven gebied.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Bijlage III</para>
      <para>	A.	Gebied voor suppressievaccinatie:</para>
      <para>	Delen van de provincies Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant en Flevoland </para>
      <para>in Nederland, als omschreven en gemeld overeenkomstig artikel 2, lid 2.</para>
      <para>	B.	Gebied voor beschermende vaccinatie:</para>
      <para>	Een gebied van ongeveer 25 kilometer rond Oene, als omschreven en gemeld </para>
      <para>overeenkomstig artikel 2, lid 2."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) wordt onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>" Artikel 15</para>
      <para>(.)</para>
      <para>4.	Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als </para>
      <para>verdachte dieren moeten worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 17</para>
      <para>1.	Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde </para>
      <para>gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte </para>
      <para>kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze </para>
      <para>voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of </para>
      <para>aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter </para>
      <para>voorkoming van overbrenging van besmetting.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 21</para>
      <para>1.	Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (.) </para>
      <para>zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door </para>
      <para>hem nodig worden geacht.</para>
      <para>2.	De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>3.	In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze </para>
      <para>maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 22</para>
      <para>1.	De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>f.	het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>(.)</para>
      <para>j.	het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 109</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het Besluit verdachte dieren (hierna: het Besluit) wordt onder meer het volgende </para>
      <para>bepaald:</para>
      <para>" Artikel 2</para>
      <para>Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c.	de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in </para>
      <para>de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de </para>
      <para>desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 5</para>
      <para>1.	Dieren die op grond van artikel 2, onderdelen b of c, als verdacht worden </para>
      <para>aangemerkt, blijven verdacht gedurende een periode van:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>b.	21 dagen bij mond- en klauwzeer;</para>
      <para>(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 21 maart 2001 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de </para>
      <para>minister) de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 vastgesteld. Op 3 april </para>
      <para>2001 heeft de minister deze regeling gewijzigd, onder de volgende toelichting:</para>
      <para>" Met de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 is met ingang van </para>
      <para>21 maart jl. voorzien in de mogelijkheid een noodvaccinatie in te stellen voor </para>
      <para>bedrijven gelegen rond een ziektehaard, in gebieden die op grond van artikel 30 </para>
      <para>van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn aangewezen als </para>
      <para>toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer. De directeur van de Rijksdienst </para>
      <para>voor de keuring van Vee en Vlees bepaalt de feitelijke afbakening van het </para>
      <para>gebied waarin wordt gevaccineerd. De onderhavige wijziging voorziet er in dat </para>
      <para>het instrument van noodvaccinatie ook kan worden ingezet in het gebied </para>
      <para>omschreven in de bijlage bij de regeling.</para>
      <para>Gelet op de verdergaande verspreiding van mond- en klauwzeer in het gebied </para>
      <para>rondom Oene, is thans besloten in de noord-Veluwe noodvaccinaties uit te </para>
      <para>voeren in een groter gebied dan gebruikelijk. Met het oog daarop zijn in de </para>
      <para>bijlage de grenzen van dit gebied vastgesteld, waarbij zoveel mogelijk is </para>
      <para>aangesloten bij natuurlijke grenzen. Overeenkomstig de voorschriften van de </para>
      <para>richtlijn wordt thans, na voorafgaande kennisgeving aan de Commissie, een </para>
      <para>aanvang gemaakt met de vaccinatie in het aangegeven gebied."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001, zoals gewijzigd (hierna: de </para>
      <para>Regeling), wordt onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>" Gelet op artikel 13, derde lid, van Richtlijn 85/511/EEG (.) en de in dat </para>
      <para>verband gedane kennisgeving aan de Commissie van de Europese </para>
      <para>Gemeenschappen;</para>
      <para>Gelet op de artikelen 17, eerste lid, en 31 van de Gezondheids- en welzijnswet </para>
      <para>voor dieren; </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para>	(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 1</para>
      <para>Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de </para>
      <para>artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren </para>
      <para>aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door </para>
      <para>de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen </para>
      <para>zone rond de ziektehaard, dan wel in het in de bijlage omschreven gebied, </para>
      <para>overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen gevaccineerd tegen mond- </para>
      <para>en klauwzeer.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para>	(.)</para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Bijlage </para>
      <para>	Vaccinatiegebied Noord Veluwe</para>
      <para>(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Het bedrijf van verzoekster, een veehouderij, is gelegen in het door de Regeling </para>
      <para>bestreken gebied. De afstand tot de dichtstbijzijnde veehouderij waar mond- en </para>
      <para>klauwzeer is vastgesteld bedraagt meer dan twee kilometer.</para>
      <para>- De evenhoevigen op het bedrijf van verzoekster zijn op 4 april 2001 gevaccineerd </para>
      <para>tegen mond- en klauwzeer.</para>
      <para>- Bij brief van 10 april 2001 heeft de minister de voorzitter van de Tweede Kamer der </para>
      <para>Staten-Generaal onder meer het volgende medegedeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Bij Beschikking van 5 april 2001 heeft de Europese Commissie Nederland </para>
      <para>toestemming verleend om in het gebied begrensd door de IJssel, de spoorlijn </para>
      <para>Apeldoorn-Deventer, het Veluwe Massief en de spoorlijn Amersfoort-Zwolle </para>
      <para>(hierna aan te duiden als de regio Oene) over te gaan tot vaccinatie van alle </para>
      <para>voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren. De Commissie heeft Nederland </para>
      <para>daarbij de mogelijkheid geboden er voor te kiezen alle gevaccineerde dieren </para>
      <para>vervolgens te doden dan wel de gevaccineerde runderen in leven te laten. (.)</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Overwegingen van veterinaire aard Als in een gebied waar MKZ is </para>
      <para>uitgebroken, tot vaccinatie wordt overgegaan valt te verwachten dat op een </para>
      <para>aantal bedrijven, ondanks het feit dat de dieren zijn gevaccineerd, zich alsnog </para>
      <para>MKZ zal manifesteren. Het vaccin activeert het virus uit dieren in de </para>
      <para>incubatietijd, dat wil zeggen dieren die voor de komst van de vaccinatieploeg </para>
      <para>waren besmet. (.) Dit is een belangrijk bijkomend voordeel van vaccinatie: </para>
      <para>besmette bedrijven vallen eerder op, doordat een groter aantal dieren plotseling </para>
      <para>ziek wordt. (.) Ook in de regio Oene treedt dit verschijnsel thans op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	Een ander, veel nadeliger aspect van vaccinatie in een gebied waar MKZ heerst </para>
      <para>is dat reeds gevaccineerde dieren drager van het virus kunnen worden zonder </para>
      <para>dat er van ziekte-verschijnselen sprake is. Dit kan met name het geval zijn in de </para>
      <para>eerste 4 - 5 dagen na vaccinatie wanneer nog onvoldoende immuniteit is </para>
      <para>opgebouwd. De dieren die het virus bij zich dragen, zonder dat dit opvalt, </para>
      <para>kunnen de bron zijn van nieuwe MKZ-uitbraken, namelijk als er weer dieren </para>
      <para>worden geboren: na korte tijd zullen deze jonge dieren niet meer door </para>
      <para>immuniteit van de moeder zijn beschermd. (.) De enige mogelijkheid om aan </para>
      <para>de noodzaak van herhaald vaccineren te ontkomen is gelegen in het alsnog </para>
      <para>ruimen van alle gevaccineerde dieren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Economische aspecten Bij suppressievaccinatie kan, in het gunstigste geval, </para>
      <para>in het vaccinatiegebied na ongeveer 3 maanden vanaf het moment van </para>
      <para>vaccinatie de normale bedrijfsvoering weer zijn gang hernemen (.) Dat geldt </para>
      <para>ook voor het toezichtsgebied van 10 km rond het vaccinatiegebied (.) Bij </para>
      <para>beschermende vaccinatie is in het vaccinatiegebied voor een lange periode </para>
      <para>(minimaal ‚‚n jaar) geen waardetoevoeging mogelijk en ook in het toezichts-</para>
      <para>gebied er omheen heeft men met forse beperkingen te maken (geen </para>
      <para>herbevolking en geen verplaatsing). (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Standpunt agrarisch bedrijfsleven (.) </para>
      <para>	Hedenavond heeft de voorzitter van de LTO mij medegedeeld dat LTO van </para>
      <para>oordeel is dat aan de beschermende vaccinatie zodanig zwaarwegende </para>
      <para>bezwaren van veterinaire, economische en sociaal-maatschappelijke aard zijn </para>
      <para>verbonden dat de keuze voor deze optie sterk wordt ontraden. Ook de </para>
      <para>voorzitter van de Centrale Organisatie van de Vleessector heeft mij (.) laten </para>
      <para>weten dat COV van mening is dat alle gevaccineerde dieren op zo kort </para>
      <para>mogelijke termijn dienen te worden geruimd (.). Daarnaast heeft de voorzitter </para>
      <para>van de Nederlandse Zuivel Organisatie (.) mij medegedeeld het standpunt van </para>
      <para>LTO en COV te onderschrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Conclusie Aan de keuze voor beschermende vaccinatie, dat wil zeggen het na </para>
      <para>vaccinatie in leven laten van de aanwezige rundveestapel zijn zeer ernstige </para>
      <para>bezwaren verbonden. Die bezwaren zijn met name van veterinaire aard. (.)." </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoekster</para>
      <para>Verzoekster heeft het volgende naar voren gebracht.</para>
      <para>De evenhoevigen op het bedrijf van verzoekster zijn meer dan drie dagen geleden inge‰nt </para>
      <para>en meer dan eenentwintig dagen geleden verdachtverklaard. Ingevolge het bepaalde in </para>
      <para>artikel 5 van het Besluit mogen deze dieren slechts voor een periode van eenentwintig </para>
      <para>dagen verdacht worden verklaard. Het gaat niet aan de verdachtverklaring langer te laten </para>
      <para>voortduren en op grond hiervan tot het doden van de dieren over te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>4.1	Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) </para>
      <para>juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, </para>
      <para>hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het </para>
      <para>College openstaat, wat gelet op het bepaalde bij artikel 109 van de Wet hier het geval is, de </para>
      <para>president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.</para>
      <para>Nu verweerder de evenhoevigen op het bedrijf van verzoekster zo spoedig mogelijk wenst </para>
      <para>te doden, acht de president het belang van verzoekers spoedeisend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2	De president stelt, evenals in een eerdere uitspraak (zaak AWB 01/311), voorop dat het </para>
      <para>inschatten van de hier aan de orde zijnde veterinaire risico's in de eerste plaats tot de </para>
      <para>bevoegdheid van verweerder behoort. Het is niet aan het College, laat staan aan de </para>
      <para>president in een voorlopige voorziening procedure, een zodanige inschatting in zichzelf na </para>
      <para>te wegen. Voor de president komt het treffen van een voorlopige voorziening in dit opzicht </para>
      <para>eerst binnen handbereik wanneer het door verweerder gegeven expos‚ over de veterinaire </para>
      <para>aspecten zo evident en overtuigend door de verzoekende partij op losse schroeven wordt </para>
      <para>gezet, dat dit expos‚ niet langer als basis voor het door verweerder ingezette en </para>
      <para>gehandhaafde beleid kan dienen. Geplaatst tegen deze achtergrond neemt de president het </para>
      <para>volgende in aanmerking.</para>
      <para>4.3	Naar voorlopig oordeel kan niet met vrucht worden betoogd dat verweerder de </para>
      <para>evenhoevigen op het bedrijf van verzoekster niet als verdacht van mkz heeft kunnen </para>
      <para>aanmerken. Gezien de veedichtheid in de regio Oene en het feit dat het tot 3 april 2001 </para>
      <para>gevoerde beleid niet heeft kunnen voorkomen dat zich in deze regio uitbraken van mkz zijn </para>
      <para>blijven voordoen, heeft verweerder in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat zich </para>
      <para>mogelijk ook buiten de twee kilometer-zones rond besmettingshaarden in de regio Oene </para>
      <para>evenhoevigen bevinden die drager van smetstof zijn, waarmee is voldaan aan het in artikel </para>
      <para>2, aanhef en onder c, van het Besluit neergelegde criterium voor verdachtverklaring van </para>
      <para>deze evenhoevigen. Gesteld noch gebleken is dat het bedrijf van verzoekster zich in een </para>
      <para>zodanig bijzondere situatie bevindt dat de evenhoevige dieren op dit bedrijf, ondanks het </para>
      <para>vorenoverwogene, niet als verdacht van mkz zouden kunnen worden aangemerkt.   </para>
      <para>4.3.1	Voorshands uitgaande van de rechtmatigheid van de verdachtverklaring, is de president </para>
      <para>voorlopig van oordeel dat niet met vrucht kan worden gesteld dat verweerder niet in </para>
      <para>redelijkheid heeft kunnen besluiten tot suppressieve vaccinatie en doding van de dieren op </para>
      <para>het bedrijf van verzoekster. Weliswaar zijn deze maatregelen, mede gelet op de afstand van </para>
      <para>het bedrijf van verzoekster tot de dichtstbijzijnde gelokaliseerde besmettingshaard, </para>
      <para>onmiskenbaar uiterst rigoreus, maar de Wet laat de bevoegde autoriteiten een ruime </para>
      <para>discretionaire bevoegdheid bij de vaststelling welke maatregelen passend zijn te achten ter </para>
      <para>bestrijding van een besmettelijke dierziekte. Gelet op de veedichtheid in de regio Oene en </para>
      <para>het patroon van uitbraken zijn de getroffen maatregelen, die zijn aan te merken als een </para>
      <para>uiterste poging verdere verspreiding van het virus tot staan te brengen en te voorkomen dat </para>
      <para>het zich buiten deze regio verspreidt, niet zozeer kennelijk onredelijk te achten dat </para>
      <para>ingrijpen door de president gerechtvaardigd is.</para>
      <para>4.3.2	Door erop te wijzen dat de evenhoevigen op haar bedrijf meer dan drie dagen geleden zijn </para>
      <para>inge‰nt, heeft verzoekster kennelijk willen betogen dat deze dieren inmiddels voldoende </para>
      <para>immuniteit voor mkz hebben opgebouwd om niet langer vatbaar te zijn voor het virus. </para>
      <para>Daargelaten de juistheid van de door verzoekster genoemde termijn, is in deze </para>
      <para>omstandigheid naar voorlopig oordeel geen grond gelegen voor het oordeel dat de dieren </para>
      <para>op het bedrijf van verzoekster niet langer een risicofactor zouden vormen bij de bestrijding </para>
      <para>van het virus. Voorshands uitgaande van de rechtmatigheid van de verdachtverklaring, kan </para>
      <para>niet worden uitgesloten dat zich op het bedrijf van verzoekster dieren bevinden die reeds </para>
      <para>met mkz waren besmet toen zij werden ge‰nt. Gesteld noch gebleken is dat gevaccineerde </para>
      <para>dragers van het mkz-virus geen smetstof uitscheiden. Voorts wordt in juni 2001 een </para>
      <para>congres gewijd aan, onder meer, de risico's die 'carriers' meebrengen. Mitsdien kan naar </para>
      <para>voorlopig oordeel niet worden gezegd dat de veterinaire risico's van het in leven laten van </para>
      <para>gevaccineerde dieren, zoals die op het bedrijf van verzoekster, thans slechts zo theoretisch </para>
      <para>zouden zijn dat deze risico's door verweerder als verwaarloosbaar bij de bestrijding van het </para>
      <para>virus zouden moeten worden genegeerd. Derhalve kan niet met vrucht worden gezegd dat </para>
      <para>verzoekster zodanig overtuigende argumenten heeft aangedragen dat de veterinaire </para>
      <para>uitgangspunten van het door verweerder gevoerde beleid onmiskenbaar op losse schroeven </para>
      <para>zijn gezet.</para>
      <para>4.3.3	Namens verzoekster is aangevoerd dat de evenhoevigen op haar bedrijf, nu het tijdsverloop </para>
      <para>sinds de verdachtverklaring op 4 april 2001 meer dan eenentwintig dagen bedraagt, niet </para>
      <para>langer als verdacht in de zin van de Wet en het Besluit zijn aan te merken.</para>
      <para>	De president volgt verzoekster niet in dit betoog. Hij overweegt daartoe het volgende. </para>
      <para>	Ingevolge de artikelen 21 juncto 22, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet kunnen de </para>
      <para>maatregelen ter bestrijding van de ziekte die door het bevoegd gezag nodig worden geacht </para>
      <para>zijn: het doden van zieke en verdachte dieren.  </para>
      <para>	Het besluit tot het doden van de dieren maakt deel uit van een besluit waarin de dieren van </para>
      <para>verzoekster als verdacht werden aangemerkt. Op basis van die verdenking is, naast nog een </para>
      <para>aantal andere beslissingen over te nemen maatregelen, onder meer tot de maatregel tot </para>
      <para>doden van de dieren besloten. </para>
      <para>	Wat er zij van de vraag of, zoals verzoekster stelt, de beslissing inzake de verdenking van </para>
      <para>de dieren inmiddels volgens het Besluit is uitgewerkt, die omstandigheid leidt niet zonder </para>
      <para>meer tot de conclusie dat de - in de beslissingen in primo eveneens genomen - beslissingen </para>
      <para>de betrokken dieren te doden, hun geldigheid hebben verloren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Uit deze bepaling kan wellicht worden afgeleid dat er geen grondslag is voor het nemen </para>
      <para>van een beslissing tot het doden van dieren, indien zo'n beslissing eerst wordt genomen na </para>
      <para>ommekomst van de daar genoemde termijn van eenentwintig dagen, er geen nieuwe </para>
      <para>beslissing tot verdenking is genomen en de verdenking niet, met toepassing van artikel 5, </para>
      <para>derde lid, van het Besluit is verlengd. Naar voorlopig oordeel volgt echter uit tekst noch </para>
      <para>strekking van de Wet of het Besluit dat de geldigheidsduur van zo'n besluit tot doden aan </para>
      <para>dezelfde termijnen is gebonden als die, welke zijn vastgesteld voor de duur van de </para>
      <para>verdenking.</para>
      <para>	Voor het oordeel dat de tekst van het bepaalde bij artikel 22, eerste lid, onder f, van de </para>
      <para>Wet, inhoudende dat de in artikel 21 bedoelde maatregel kan zijn het doden van verdachte </para>
      <para>dieren, geen andere uitleg toelaat dan dat de betrokken dieren niet alleen ten tijde van het </para>
      <para>nemen van het voor beroep vatbare besluit, maar ook ten tijde van het uitvoering geven </para>
      <para>daaraan de status 'verdacht ' in de zin van het Besluit moeten hebben, ziet de president </para>
      <para>voorshands onvoldoende reden. Denkbaar is dat aan een besluit tot doden nog geen </para>
      <para>uitvoering is gegeven, terwijl uit een oogpunt van bestrijding van de dierziekte de </para>
      <para>noodzaak, in de zin van artikel 21 van de Wet, tot het nemen van die maatregel nog steeds </para>
      <para>bestaat. Voor de conclusie dat de wetgever beoogd zou hebben dat verweerder in dergelijke </para>
      <para>gevallen steeds - en dus ook hier - telkenmale na het verstrijken van de termijn van </para>
      <para>eenentwintig dagen een nieuw besluit tot verdachtverklaring zou moeten nemen, ziet de </para>
      <para>president voorshands onvoldoende aanknopingspunt in tekst en strekking van de </para>
      <para>onderhavige bepalingen. </para>
      <para>	Aan het besluit van 4 april 2001, zoals nader ingevuld bij brief van 17 april 2001, tot het </para>
      <para>doden is de grondslag dus niet zonder meer komen te ontvallen doordat de periode waarin </para>
      <para>dieren volgens artikel 5 van het Besluit verdacht blijven inmiddels is verstreken.</para>
      <para>4.4	Of verweerder, gesteld voor de vraag of hij direct verder uitvoering moet geven aan de </para>
      <para>aangezegde maatregel tot doding, bij een belangenafweging bijvoorbeeld mede de </para>
      <para>omstandigheid betrekt dat het College bij zijn uitspraak van 26 april 2001 in de zaak B </para>
      <para>(zaak AWB 01/282) het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen via een </para>
      <para>spoedprocedure prejudici‰le vragen heeft gesteld over de geldigheid van het </para>
      <para>vaccinatieverbod als bedoeld in artikel 13 van de Richtlijn en de entingsbeschikkingen van </para>
      <para>de Europese Commissie, ligt primair bij verweerder ter beantwoording. Het moge zo zijn </para>
      <para>dat uit het stellen van deze vragen blijkt van twijfel bij het College omtrent de geldigheid </para>
      <para>van het vaccinatieverbod en de wijze waarop de Commissie toepassing heeft gegeven aan </para>
      <para>voormeld artikel 13, maar deze twijfel is niet zo groot dat hier voor de president, gelet op </para>
      <para>de terzake geldende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese </para>
      <para>gemeenschappen (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 1991 in de zaken C-143/88 en </para>
      <para>C-92/89) de vrijheid zou bestaan een mede op een gemeenschapshandeling gebaseerd </para>
      <para>bestuursbesluit te schorsen. </para>
      <para>4.5	Al het vorenstaande in aanmerking genomen ziet de president geen aanleiding tot het </para>
      <para>treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.</para>
      <para>De president acht geen termen aanwezig ‚‚n der partijen onder toepassing van artikel 8:75 </para>
      <para>van de Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling </para>
      <para>van het verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Toepassing gevend aan het bepaalde bij artikel 8:83, vierde lid, van de Awb wordt beslist als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5	De beslissing</para>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. R.R. Winter					w.g. B. van Velzen</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>