<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1468</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T16:00:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1468</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/254</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1468">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1468</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1468 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 26-04-2001 / AWB 99/254</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1468:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1468:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/254					26 april 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te Deurne, appellante,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr  L.P. de Wit, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 15 maart 1999, heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 februari 1999.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante had gemaakt tegen </para>
      <para>een beslissing inzake het verstrekken van tegemoetkoming in schade ingevolge artikel 86 </para>
      <para>van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd).</para>
      <para>Met schrijven van 7 april 1999 heeft appellante de beroepsgronden aangevuld.</para>
      <para>Verweerder heeft op 3 juni 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 15 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid </para>
      <para>hebben partijen, appellante bij monde van haar vennoten B en </para>
      <para>C, en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunten nader toegelicht. </para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Wettelijk kader en gehanteerde beleidsregels</para>
      <para>In de artikelen 86 tot en met 90 van de Gwd zijn voorschriften gegeven, betreffende het </para>
      <para>verlenen van een tegemoetkoming in nader omschreven vormen van schade die voor </para>
      <para>eigenaren van de betrokken dieren voortvloeit uit maatregelen, als bedoeld in afdeling 3 </para>
      <para>van hoofdstuk II van deze wet, gegeven ter voorkoming en bestrijding van ingevolge </para>
      <para>artikel 15 aangewezen besmettelijke dierziekten bij onder andere vee.</para>
      <para>Hieromtrent is in artikel 86, eerste lid, aanhef en onder a, bepaald dat uit 's Rijks kas aan </para>
      <para>de eigenaar een tegemoetkoming in de schade wordt uitgekeerd, indien de dieren krachtens </para>
      <para>het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood.</para>
      <para>Ingevolge artikel 87 wordt, voordat dieren krachtens laatstvermeld voorschrift worden </para>
      <para>gedood, de waarde daarvan vastgesteld.</para>
      <para>Bedoelde waardevaststelling geschiedt op grond van artikel 88, eerste lid, door een be‰digd </para>
      <para>deskundige.</para>
      <para>Terstond nadat de waarde is vastgesteld, deelt verweerder - zo bepaalt artikel 89 - de </para>
      <para>eigenaar het bedrag van de waardevaststelling mede.</para>
      <para>Ingevolge artikel 91 kan schade, veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als </para>
      <para>bedoeld in artikel 17 of artikel 21, voor zover deze niet uit hoofde van artikel 86 of artikel </para>
      <para>90 voor vergoeding in aanmerking komt, in door verweerder te bepalen bijzondere gevallen </para>
      <para>geheel of gedeeltelijk uit 's Rijks kas worden vergoed.</para>
      <para>Met betrekking tot de wijze waarop verweerder gebruik maakt van de hem bij voornoemd </para>
      <para>artikel 91 toegekende discretionaire bevoegdheid is uit de gedingstukken en het </para>
      <para>verhandelde ter zitting van het College het volgende gebleken.</para>
      <para>Verweerder acht in ieder geval geen bijzonder geval, als bedoeld in dat artikel, aanwezig </para>
      <para>indien de schade:</para>
      <para>- gering is;</para>
      <para>- niet onevenredig groot is gezien de omstandigheden van het geval;</para>
      <para>- tot het normaal te achten maatschappelijk risico moet worden gerekend;</para>
      <para>- behoort tot het normale bedrijfsrisico.</para>
      <para>Schade als gevolg van preventief ruimen ter bestrijding van de varkenspest die in 1997 is </para>
      <para>uitgebroken, moet - naar de mening van verweerder - met uitzondering van schade waarop </para>
      <para>artikel 86 of artikel 90 van de Gwd betrekking heeft, worden gerekend tot het normale </para>
      <para>bedrijfsrisico. Immers, het houden van vee sluit het risico in, dat bij verdenking van een </para>
      <para>besmetting met varkenspest moet worden overgegaan tot het treffen van maatregelen. Bij </para>
      <para>preventief geruimde bedrijven wordt daarom in beginsel geen aanvullende </para>
      <para>tegemoetkoming ingevolge artikel 91 van de wet worden verstrekt.</para>
      <para>Op dat uitgangspunt is een uitzondering gemaakt in die zin, dat bij preventief geruimde </para>
      <para>fokvarkensbedrijven (ook wel zeugenbedrijven genoemd) normbedragen voor zeugen </para>
      <para>worden toegekend.</para>
      <para>Verweerder heeft, wat betreft het al dan niet toekennen van aanvullende tegemoet-</para>
      <para>komingen ingevolge artikel 91, een onderscheid gemaakt tussen varkensmesterijen </para>
      <para>enerzijds en zeugenbedrijven anderzijds, op de grond dat met het mesten van varkens na </para>
      <para>staking van het betrokken bedrijf op betrekkelijk korte termijn weer een aanvang kan </para>
      <para>worden gemaakt, maar dat het weer opstarten van een zeugenbedrijf aanzienlijk meer tijd, </para>
      <para>inspanning en financi‰le middelen vergt.</para>
      <para>Voorts heeft verweerder met betrekking tot genoemde tegemoetkomingen een differentiatie </para>
      <para>toegepast, waarbij het normbedrag per zeug afhankelijk is gesteld van de ondernemings-</para>
      <para>categorie waartoe het desbetreffende zeugenbedrijf kan worden gerekend. In dat verband is </para>
      <para>een onderscheid gemaakt tussen topfokbedrijven (ook wel basisfokbedrijven genoemd), </para>
      <para>subfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven.</para>
      <para>Deze categorie‰n van bedrijven vormen als het ware de geledingen van de piramidale </para>
      <para>structuur waarin de varkensbedrijven zijn onder te brengen.</para>
      <para>Bedrijven van de eerstgenoemde categorie, waarvan er in 1997 slechts ongeveer 15 </para>
      <para>bestonden, leggen zich toe op het produceren van fokvarkens en de levering daarvan aan </para>
      <para>subfokbedrijven, welke met deze dieren doorfokken en fokdieren leveren aan </para>
      <para>vermeerderingsbedrijven. In laatstbedoelde bedrijven worden de biggen geproduceerd, die </para>
      <para>in de vleesvarkensbedrijven worden afgemest voor de slacht.</para>
      <para>Voor zeugen in preventief geruimde bedrijven, behorend tot een der genoemde categorie‰n, </para>
      <para>golden aanvankelijk normbedragen van onderscheidenlijk fl. 1.900.--, fl. 1.800,-- en</para>
      <para>fl. 1.500,--.</para>
      <para>Verweerder heeft dat onderscheid gebaseerd op het verschil in tijd, inspanning en </para>
      <para>financi‰le investeringen dat het weer opstarten van zeugenbedrijven behorend tot de </para>
      <para>verschillende hiervoor genoemde ondernemingscategorie‰n, met zich brengt.</para>
      <para>Bij de preventieve ruiming van een zeugenbedrijf wordt de op grond van artikel 87 van de </para>
      <para>Gwd vastgestelde taxatiewaarde van de zeugen vervangen door het normbedrag voor </para>
      <para>zeugen, dat ingevolge voornoemde categorie-indeling voor het betrokken bedrijf geldt. </para>
      <para>Indien het aldus bepaalde bedrag hoger is dan de getaxeerde waarde, wordt dat hogere </para>
      <para>bedrag toegekend. In verreweg de meeste gevallen heeft dat - aldus verweerder - geleid tot </para>
      <para>aanzienlijk hogere tegemoetkomingen</para>
      <para>Verweerder is bij de besluitvorming inzake de verstrekking van aanvullende </para>
      <para>tegemoetkomingen, voor de beantwoording van de vraag tot welke ondernemingscategorie </para>
      <para>een zeugenbedrijf moet worden gerekend, in eerste instantie afgegaan op de </para>
      <para>registratiegegevens die berustten bij de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna: GD). Die </para>
      <para>gegevens zijn verkregen op grond van de registratie van alle vestigingen waar varkens </para>
      <para>aanwezig waren, alsmede van de categorie-aanduiding per vestiging. De melding van </para>
      <para>dergelijke gegevens was voor de varkenshouders verplicht gesteld bij de Verordening </para>
      <para>registratie varkenshouderijen 1990 van het Landbouwschap. Deze, door de varkenshouders </para>
      <para>zelf geleverde, gegevens waren - aldus verweerder - de meest betrouwbare die destijds </para>
      <para>voorhanden waren.</para>
      <para>Verweerder acht deze gegevens evenwel niet volledig bepalend voor de vaststelling van de </para>
      <para>aard van een bedrijf. De betrokken ondernemer kan door middel van zijnerzijds te </para>
      <para>verstrekken gegevens, waarbij kan worden gedacht aan boekhoudkundige en fiscale </para>
      <para>gegevens, aannemelijk maken dat een van voornoemde registratie afwijkende categorie-</para>
      <para>indeling moet worden gehanteerd. Indien daaromtrent een kwestie aan de orde is, wordt de </para>
      <para>ondernemer in de bezwaarprocedure de gelegenheid geboden zijn standpunt aannemelijk te </para>
      <para>maken.</para>
      <para>Voor een bedrijfstypering in voormelde betekenis acht verweerder de economische </para>
      <para>hoofdactiviteit van de betrokken onderneming beslissend. In dat verband wordt gelet op de </para>
      <para>aard van de productie en van de producten die de onderneming afzet op de markt. Gezien </para>
      <para>het voorafgaande is derhalve van belang of de onderneming zich in overwegende mate </para>
      <para>toelegt op het fokken en verkopen van varkens voor de subfok of de vermeerdering, dan </para>
      <para>wel op het fokken en verkopen van mestvarkens.</para>
      <para>Hieruit volgt - aldus verweerder - dat bijvoorbeeld het op beperkte schaal houden van </para>
      <para>fokzeugen om te voorzien in een eigen behoefte aan vermeerderingszeugen in een bedrijf, </para>
      <para>dat zijn inkomsten verwerft met het afzetten op de markt van mestvarkens, niet betekent </para>
      <para>dat zulk een bedrijf aanspraak kan maken op toekenning van het normbedrag voor </para>
      <para>subfokzeugen.</para>
      <para>Verweerder heeft ter toelichting op het onderhavige beleid voorts naar voren gebracht dat </para>
      <para>met het stelsel van normbedragen niet is beoogd rekening te houden met verschillen in </para>
      <para>kosten van het weer opstarten van een zeugenbedrijf, die optreden tussen individuele </para>
      <para>bedrijven, behorend tot eenzelfde ondernemingscategorie.</para>
      <para>Derhalve is de bedrijfstypering beslissend voor de te hanteren normbedragen en wordt geen </para>
      <para>rekening gehouden met omstandigheden betreffende de wijze van produceren binnen een </para>
      <para>individuele onderneming.</para>
      <para>Het verdisconteren van dergelijke specifieke omstandigheden zou geen recht doen aan het </para>
      <para>karakter van de onderhavige tegemoetkomingsregeling, welke niet strekt tot een volledige </para>
      <para>vergoeding van geleden schade. Bovendien zou een dergelijke aanpak, in verband met de </para>
      <para>grote problemen die zich voordeden als gevolg van de varkenspest, leiden tot een te grote </para>
      <para>belasting van het bestuurlijk apparaat.</para>
      <para>Met ingang van 1 augustus 1997 zijn de normprijzen voor vermeerderingszeugen verlaagd </para>
      <para>van fl. 1.500,-- naar fl. 1.150,--. In eerstgenoemd bedrag was inbegrepen een </para>
      <para>tegemoetkoming voor biggen, waarbij werd uitgegaan van een vast, fictief, aantal biggen </para>
      <para>per zeug. In de loop van 1997 liep het aantal biggen per zeug terug, terwijl men nog wel de </para>
      <para>standaardvergoeding van fl. 1500,-- kreeg. Met ingang van 1 augustus 1997 is de </para>
      <para>tegemoetkoming voor vermeerderingszeugen en biggen losgekoppeld. Voor </para>
      <para>vermeerderingszeugen werd een tegemoetkoming van fl. 1.150,-- vastgesteld, terwijl voor </para>
      <para>biggen vanaf dat moment de werkelijke waarde per dier werd vergoed.</para>
      <para>2.2	De vaststaande feiten</para>
      <para>- Het bedrijf van appellante is in verband met de uitbraak van klassieke varkenspest in </para>
      <para>augustus 1997 preventief geruimd.</para>
      <para>- Verweerder heeft op grond van informatie van de GD het bedrijf van appellante </para>
      <para>aangemerkt als een vermeerderingsbedrijf in vorenomschreven zin en appellante op </para>
      <para>basis daarvan een tegemoetkoming toegekend in de schade in verband met de </para>
      <para>ruiming van haar bedrijf.</para>
      <para>- In het bedrijf van appellante waren ten tijde van de ruiming onder meer aanwezig 499 </para>
      <para>vermeerderingszeugen, 30 subfokzeugen en 566 biggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Met ingang van 1 augustus 1997 zijn de normprijzen verlaagd en zijn de op het </para>
      <para>bedrijf aanwezige biggen overeenkomstig het getaxeerde bedrag uitbetaald. </para>
      <para>Indien het aldus bepaalde bedrag hoger is dan de getaxeerde waarde, wordt dit </para>
      <para>hogere bedrag toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om te bepalen wat de aard is van het desbetreffende zeugenbedrijf wordt de </para>
      <para>registratie van de varkenshouderijen bij de Stichting Gezondheidsdienst voor </para>
      <para>dieren (hierna: GD) gehanteerd. Op grond van de Registratieverordening bevat </para>
      <para>dit register immers de verplichte registratie van alle vestigingen waar varkens </para>
      <para>aanwezig zijn alsmede de categorie(‰n) varkenshouderij die er per vestiging is. </para>
      <para>Het register bevat gegevens die door de varkenshouder zelf zijn verstrekt en </para>
      <para>betreft de meest betrouwbare informatie die omtrent de </para>
      <para>varkenshouderijcategorie‰n voorhanden was en is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter discussie staat in dit geval niet of er inderdaad 30 subfokzeugen op uw </para>
      <para>bedrijf aanwezig waren tijdens de taxatie. Dit staat immers in het </para>
      <para>taxatierapport. Voor de toepassing van normprijzen moet worden gekeken naar </para>
      <para>de aard van het bedrijf. Op grond van de door u overgelegde stukken is mij </para>
      <para>gebleken dat de registratie bij de 	GD als vermeerderingsbedrijf juist was en is </para>
      <para>mij gebleken dat u geen subfokbedrijf had ten tijde van het ruimen van uw </para>
      <para>bedrijf. De hoofdactiviteit van uw bedrijf bestaat immers uit vermeerderen, het </para>
      <para>produceren van varkens die op ander bedrijven worden afgemest ten behoeve </para>
      <para>van de slacht. Er vindt, zoals u zelf ook stelt in uw bezwaarschrift, slechts </para>
      <para>aanvoer van fokmateriaal plaats en geen afvoer (verkoop) van fokmateriaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu uit de reeds beschikbare gegevens en de door u overgelegde stukken niet </para>
      <para>gebleken is dat de registratie bij de GD als vermeerderaar onjuist zou zijn, moet </para>
      <para>geconcludeerd worden dat de juiste normprijs is gehanteerd bij het vaststellen </para>
      <para>van de schadeloosstelling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wanneer, afhankelijk van het bedrijfstype, een normprijs van toepassing is, </para>
      <para>geldt deze voor alle op het bedrijf aanwezige zeugen. De normprijzen voor de </para>
      <para>verschillende typen bedrijven zijn gerelateerd aan de tijdsduur en de kosten die </para>
      <para>verbonden zijn aan het weer opstarten van een bepaald type bedrijf. Uw </para>
      <para>schadeloosstelling is afgestemd op het weer opstarten van een </para>
      <para>vermeerderingsbedrijf en u bent derhalve niet in aanmerking gekomen voor een </para>
      <para>hogere vergoeding voor subfokzeugen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het doel van de normprijzen is het tegemoetkomen aan het feit dat </para>
      <para>fokbedrijven en vermeerderaars gemiddeld meer tijd nodig hebben om tot de </para>
      <para>gebruikelijke productie terug te keren dan vleesvarkensbedrijven. Om de </para>
      <para>bedrijfsactiviteiten weer op te vatten hebben subfok- en basisfokbedrijven meer </para>
      <para>tijd nodig dan vermeerderaars. De aanwezigheid van een relatief klein aantal </para>
      <para>subfok- en basisfokzeugen op een vermeerderingsbedrijf is in de normprijs </para>
      <para>verdisconteerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de praktijk blijkt dat vermeerderingsbedrijven overgaan tot het zelf houden </para>
      <para>van subfokzeugen om de kans op de zogeheten 'insluip' van ziekten (zoals </para>
      <para>varkenspest) te verkleinen. Indien er geen subfok- en basisfokzeugen aanwezig </para>
      <para>zijn, dienen de moederdieren direct te worden aangekocht. De kosten van deze </para>
      <para>twee vormen van bedrijfsvoering op vermeerderingsbedrijven lopen niet sterk </para>
      <para>uiteen, zodat er geen gerechtvaardigd belang aanwezig is om een extra </para>
      <para>vergoeding toe te kennen voor de subfok- en basisfokzeugen die op </para>
      <para>vermeerderingsbedrijven worden gehouden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende </para>
      <para>tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Verweerder heeft niet aangegeven hoe de hoogte van de aanvullende schadevergoeding tot </para>
      <para>stand is gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door bij de vaststelling van de aanvullende schadeloosstelling geen onderscheid te maken </para>
      <para>tussen gewone vermeerderingsbedrijven en bedrijven met een eigen aanfoksysteem handelt </para>
      <para>verweerder voorts in strijd met het formele en materi‰le zorgvuldigheidsbeginsel, het </para>
      <para>evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Appellante dient meer kosten te maken </para>
      <para>dan een gewoon vermeerderingsbedrijf om weer op het oude niveau te kunnen produceren.</para>
      <para>Een aanvullende schadeloosstelling per zeug afhankelijk van de aard van de zeug op grond </para>
      <para>van het taxatierapport had meer recht gedaan aan de individuele omstandigheden van het </para>
      <para>bedrijf.</para>
      <para>Voorts bestaat bij appellante sterk het vermoeden dat verweerder zijn bevoegdheid </para>
      <para>ingevolge artikel 91 Gwd in casu heeft gehanteerd om het bedrijfsleven "mee te krijgen" in </para>
      <para>zijn preventieve ruimingsbeleid en niet voor het doel waarvoor deze bevoegdheid in de </para>
      <para>Gwd is opgenomen, namelijk het toekennen van extra schadevergoeding indien bijzondere </para>
      <para>omstandigheden van het bedrijf daarom vragen. Ten opzichte van appellante heeft </para>
      <para>verweerder in dat geval gehandeld in strijd met het verbod van d‚tournement de pouvoir.</para>
      <para>Tenslotte heeft appellante erop gewezen dat zij als gevolg van de hantering van de </para>
      <para>normprijzen die per 1 augustus 1997 golden, een aanzienlijk lagere vergoeding heeft </para>
      <para>gekregen dan het geval zou zijn geweest bij hantering van de normprijzen welke voordien </para>
      <para>golden. Appellante acht dat niet redelijk.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Met betrekking tot het door verweerder gehanteerde beleid, dat hiervoor onder 2.1 is </para>
      <para>uiteengezet, overweegt het College in de eerste plaats dat, gezien de motivering die </para>
      <para>verweerder heeft gegeven voor het maken van een onderscheid tussen </para>
      <para>vleesvarkensbedrijven en fokvarkensbedrijven, waarbij in geval van preventieve ruiming </para>
      <para>aan laatstvermelde bedrijven ingevolge artikel 91 van de Gwd een zogenoemde </para>
      <para>aanvullende tegemoetkoming wordt verstrekt, niet kan worden staande gehouden dat voor </para>
      <para>die keuze geen redelijke rechtvaardigheidsgrond is aan te wijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College ziet, gelet op de door verweerder gegeven uiteenzetting omtrent verschillen in </para>
      <para>karakter en bedrijfsvoering tussen de door hem onderscheiden categorie‰n van </para>
      <para>zeugenbedrijven, evenmin grond voor het oordeel dat verweerder er niet in redelijkheid toe </para>
      <para>heeft kunnen komen het normbedrag afhankelijk te stellen van de aard van het bedrijf, dan </para>
      <para>wel dat verweerder de normbedragen voor de onderscheiden ondernemingscategorieen niet </para>
      <para>in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.</para>
      <para>Evenmin ziet het College, gelet op de door verweerder gegeven uiteenzetting </para>
      <para>dienaangaande, grond voor het oordeel dat verweerder er niet in redelijkheid toe heeft </para>
      <para>kunnen komen de normbedragen per 1 augustus 1997 vast te stellen, zoals hiervoor is </para>
      <para>weergegeven.</para>
      <para>Het College acht het voorts niet rechtens onaanvaardbaar dat verweerder de </para>
      <para>bedrijfstypering in eerste instantie heeft gebaseerd op de registratiegegevens van de GD, in </para>
      <para>aanmerking genomen dat de betrokken varkenshouders de gelegenheid hebben gehad aan </para>
      <para>de hand van de door henzelf naar voren te brengen administratieve en fiscale gegevens een </para>
      <para>van de registratie afwijkende typering aannemelijk te maken.</para>
      <para>Voorts heeft verweerder bij genoemde typering de economische hoofdactiviteit van de </para>
      <para>onderneming in redelijkheid beslissend kunnen achten, daarbij uitgaande van de aard van </para>
      <para>de productie en van de producten die op de markt worden afgezet.</para>
      <para>Bij het voorgaand heeft het College mede in overweging genomen dat verweerder in </para>
      <para>verband met de belasting waaraan het bestuurlijk apparaat in verband met de varkenspest </para>
      <para>was blootgesteld, in het kader van de toepassing van artikel 91 van de Gwd heeft gekozen </para>
      <para>voor een duidelijke en strikt te hanteren regeling. In verband met de ter zake dienende </para>
      <para>feiten en omstandigheden is die benadering niet van redelijkheid ontbloot te achten.</para>
      <para>Mitsdien komt het College tot de slotsom dat verweerder de grenzen van een redelijke </para>
      <para>beleidsbepaling niet heeft overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2	Het College is, wat onderhavig geval betreft, van oordeel dat verweerder, die is afgegaan </para>
      <para>op registratiegegevens van de GD, het bedrijf van appellante terecht heeft aangemerkt als </para>
      <para>een vermeerderingsbedrijf.</para>
      <para>Op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat de economische </para>
      <para>hoofdactiviteit van appellantes onderneming, gezien de aard van de productie en de </para>
      <para>producten die worden afgezet op de markt, het fokken en verkopen van mestvarkens betrof.</para>
      <para>Van de zijde van appellant zijn geen gegevens naar voren gebracht, die aanleiding geven </para>
      <para>tot het innemen van een andersluidend standpunt.</para>
      <para>Zoals uit het vorenoverwogene blijkt, voorziet vorenomschreven beleid van verweerder </para>
      <para>niet in het, in afwijking van het ingevolge de bedrijfstypering geldende normbedrag, </para>
      <para>hanteren van een bijzondere, casu quo hogere, tegemoetkoming in verband met de </para>
      <para>omstandigheid dat een vermeerderingsbedrijf op beperkte schaal fokzeugen houdt ter </para>
      <para>voorziening in de eigen behoefte aan vermeerderingszeugen. Evenmin voorziet dit beleid </para>
      <para>in een hogere dan de per 1 augustus 1997 geldende tegemoetkoming in verband met de </para>
      <para>omstandigheid dat appellantes bedrijf kort na 1 augustus 1997 werd geruimd.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College kan in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond </para>
      <para>worden gevonden voor de opvatting dat verweerder aanleiding had behoren te vinden in </para>
      <para>een voor appellant gunstige zin af te wijken van de hierboven weergegeven beleidsregels. </para>
      <para>Evenmin is het College gebleken dat verweerder zijn bevoegdheid ingevolge artikel 91 </para>
      <para>Gwd voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.</para>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van appellant niet kan slagen.</para>
      <para>Het College acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2001</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell						w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>