<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1464</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T19:15:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1464</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/69</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1464">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1464</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1464 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 17-04-2001 / AWB 99/69</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1464:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1464:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/69						17 april 2001</para>
      <para>	11200</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te X, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.T.C.A. Smets, advocaat te Waalre, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr G. de Goede, ambtenaar ten departemente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Feiten en procesverlooop</para>
      <para>Bij brief van 8 februari 1997 heeft appellante verweerder verzocht om vergoeding van </para>
      <para>schade welke zij had geleden als gevolg van de vernietiging van 240 varkens die op </para>
      <para>7 februari 1997 door haar transportbedrijf waren vervoerd. Deze vernietiging vond plaats </para>
      <para>na aanhouding van het transport van de varkens in een gebied, waar in verband met de </para>
      <para>uitbraak van klassieke varkenspest een vervoersverbod van kracht was.</para>
      <para>Verweerder heeft bij schrijven van 21 april 1997 voormeld verzoek afgewezen en daartoe </para>
      <para>onder meer overwogen dat de inbeslagneming en de vernietiging van de varkens het gevolg </para>
      <para>zijn van een overtreding van het vervoersverbod en dat derhalve de daaruit voortvloeiende </para>
      <para>schade door appellante moet worden gedragen.</para>
      <para>Tegen deze beslissing heeft appellante bij brief van 20 mei 1997 een bezwaarschrift </para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>Bij besluit van 10 maart 1998 heeft verweerder dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk </para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Appellante is van evenvermeld besluit in beroep gekomen bij de Arrondissements-</para>
      <para>rechtbank te Arnhem bij een op 20 april 1998 door de rechtbank ontvangen beroepschrift.</para>
      <para>Bij schrijven van 29 mei 1998 heeft appellante de gronden van haar beroep uiteengezet.</para>
      <para>Verweerder heeft onder dagtekening 14 juli 1998 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij uitspraak van 19 januari 1999 heeft de rechtbank, voorzover in deze van belang, zich </para>
      <para>onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep van appellante en bepaald dat het </para>
      <para>beroepschrift ter verdere behandeling wordt door gezonden aan het College.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting van het College heeft plaatsgevonden op 13 februari 2001.</para>
      <para>Partijen hebben aldaar hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader </para>
      <para>uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>	In artikel 106 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD) is het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	1. Onder de uitvoering van deze wet en de krachtens deze wet gestelde regelen </para>
      <para>is begrepen de bevoegdheid van een door Onze Minister aangewezen </para>
      <para>ambtenaar, indien dit ter voorkoming van verspreiding van smetstof </para>
      <para>noodzakelijk is, tot het op kosten van de overtreders doen verrichten van </para>
      <para>hetgeen in strijd met deze wet of die regelen is of wordt gedaan, ondernomen </para>
      <para>of nagelaten.</para>
      <para>2.	Tenzij in spoedeisende gevallen neemt een door Onze Minister aangewezen </para>
      <para>ambtenaar een in het eerste lid genoemde maatregel niet dan na een daartoe </para>
      <para>door hem aan betrokkene gegeven waarschuwing of gedane aanzegging."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para>"	Omtrent de ontvankelijkheid van Uw bezwaarschrift overweeg ik het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U meent dat schade is ontstaan door het onduidelijk aangeven van de </para>
      <para>toegestane rijroutes, in verband met het vervoersverbod rond Venhorst, </para>
      <para>alsmede door het in beslag nemen en vernietigen van de vervoerde varkens.</para>
      <para>Het vaststellen van vervoersverboden en het plaatsen van </para>
      <para>waarschuwingsborden rondom het aldus verboden gebied gebeurt op grond van </para>
      <para>artikel 30 van de Wet (lees: de GWWD). Uw verzoek is derhalve op te vatten </para>
      <para>als een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het </para>
      <para>kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. </para>
      <para>De afwijzende beslissing van 21 april 1997 op Uw verzoek betreft derhalve een </para>
      <para>besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, en wel een zogenaamd zuiver </para>
      <para>schadebesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beroep tegen een zuiver schadebesluit is echter alleen mogelijk, indien </para>
      <para>eveneens beroep openstaat tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de </para>
      <para>publiekrechtelijke bevoegdheid zelf.</para>
      <para>De schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid </para>
      <para>bestaat naar Uw zeggen uit het ter plekke op onjuiste wijze aangeven van het </para>
      <para>gebied waarbinnen en waar vanuit het, op grond van het vervoersverbod </para>
      <para>Venhorst, verboden is om vee te vervoeren en uit het in beslag nemen en </para>
      <para>vernietigen van de vervoerde varkens. Het in beslag nemen en het vernietigen </para>
      <para>van de varkens berust niet op een schriftelijk genomen besluit. Reeds omdat er </para>
      <para>in deze situatie geen sprake is van enige schriftelijke beslissing, betreft dit </para>
      <para>vermeende schadeveroorzakende handelen geen besluit in de zin van artikel 1:3 </para>
      <para>van de Awb, waartegen op grond van art. 8:1 van de Awb beroep open staat. </para>
      <para>Derhalve kan tegen het besluit van 21 april 1997 geen beroep worden ingesteld </para>
      <para>en kan daartegen op grond van art. 7:1 van de Awb evenmin bezwaar worden </para>
      <para>gemaakt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift heeft verweerder nog te kennen gegeven dat in het door appellante </para>
      <para>genoemde artikel 106 van de GWWD geen grond is te vinden voor de opvatting dat hier </para>
      <para>sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb, aangezien </para>
      <para>zonder voorafgaande schriftelijke waarschuwing is overgegaan tot het toepassen van </para>
      <para>bestuursdwang en een dergelijke toepassing een louter feitelijk handelen betreft.</para>
      <para>Het is - aldus verweerder - vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie dat de schriftelijke </para>
      <para>waarschuwing dat tot bestuursdwang zal worden overgegaan een voor bezwaar en beroep </para>
      <para>vatbare beslissing betreft, daar zo'n waarschuwing een noodzakelijke voorwaarde is voor </para>
      <para>het rechtsgeldig kunnen uitoefenen van de bevoegdheid inzake bestuursdwang. In het </para>
      <para>onderhavige geval is echter van een dergelijke - voorafgaande - waarschuwing geen sprake </para>
      <para>geweest. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat artikel 106, tweede lid, van de </para>
      <para>GWWD in spoedeisende gevallen de mogelijkheid biedt een waarschuwing achterwege te </para>
      <para>laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft, samengevat weergegeven en voor zover van belang, ter ondersteuning </para>
      <para>van het beroep het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Het schadeveroorzakende besluit betreft, zoals intussen duidelijk door verweerder te </para>
      <para>kennen is gegeven, de toepassing van artikel 106 van de GWWD.</para>
      <para>Dit artikel geeft verweerder de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang. Derhalve </para>
      <para>ging het bij de vernietiging van de onderhavige varkens om de uitoefening van een </para>
      <para>publiekrechtelijke bevoegdheid. De uitoefening van deze bevoegdheid heeft een </para>
      <para>schriftelijke basis in de vorm van een verklaring van de inspecteurs-districtshoofden van de </para>
      <para>RVV, waarin onder verwijzing naar eerdergenoemd artikel is aangezegd dat bij overtreding </para>
      <para>van het vervoersverbod de betrokken varkens onverwijld worden gedood en vernietigd.</para>
      <para>Deze verklaring dient in verband met de destijds heersende hectiek en noodzaak tot </para>
      <para>onverwijld handelen, te worden aangemerkt als een waarschuwing dan wel aanzegging in </para>
      <para>de zin van artikel 106, tweede lid, van de GWWD. Immers, destijds was het ondoenlijk per </para>
      <para>geval een aanzegging te doen, zodat is volstaan met een algemene aanzegging.</para>
      <para>Appellante stelt zich subsidiair op het standpunt dat bij wege van anticipatie op het per </para>
      <para>1 januari 1998 in werking getreden artikel 5:24, zesde lid, van de Awb, het primaire besluit </para>
      <para>van 21 april 1997 moet worden aangemerkt als een na de toepassing van spoedeisende </para>
      <para>bestuursdwang op schrift gestelde beschikking, waartegen voorziening op grond van de </para>
      <para>Awb kan worden gevraagd.</para>
      <para>Appellante is in verband met het voorafgaande van mening dat verweerder hem in zijn </para>
      <para>bezwaren had behoren te ontvangen.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College stelt voorop dat, blijkens hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is </para>
      <para>gebracht, gelijk ook door appellante is aangenomen, met het treffen van de door appellante </para>
      <para>gewraakte maatregel - vorenomschreven vernietiging van de door appellante vervoerde </para>
      <para>varkens - is beoogd toepassing te geven aan meergenoemd artikel 106 van de GWWD.</para>
      <para>Voor de beantwoording van de in dit geding aan de orde zijnde vraag betreffende de </para>
      <para>ontvankelijkheid van appellante in haar bezwaren tegen de weigering van verweerder d.d. </para>
      <para>21 april 1997 om de uit voormelde vernietiging voortvloeiende schade aan appellante te </para>
      <para>vergoeden, is beslissend of ter zake van deze schade een besluit is aan te wijzen waartegen </para>
      <para>voorziening op grond van de Awb openstond.</para>
      <para>Het College beantwoordt de laatstgeformuleerde vraag ontkennend en overweegt daartoe </para>
      <para>dat aan voormelde uitoefening van bestuursdwang geen aan appellante gedane schriftelijke </para>
      <para>waarschuwing of aanzegging, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is voorafgegaan. </para>
      <para>Als waarschuwing dan wel aanzegging, gericht aan de betrokkene, kan niet worden </para>
      <para>aangemerkt de door appellante bedoelde algemene verklaring van de inspecteurs-</para>
      <para>districtshoofden.</para>
      <para>Derhalve moet worden geoordeeld dat aan het door appellante gestelde </para>
      <para>schadeveroorzakend handelen geen besluit in de betekenis van artikel 1:3 van de Awb, </para>
      <para>zijnde een schriftelijke beslissing inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, ten </para>
      <para>grondslag lag.</para>
      <para>Het beroep dat appellante heeft gedaan op artikel 5:24, zesde lid, van de Awb faalt reeds </para>
      <para>omdat genoemd voorschrift eerst op 1 januari 1998 in werking is getreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag of  met betrekking tot de in het geding zijnde uitoefening van bestuursdwang een </para>
      <para>voor voorziening vatbaar besluit is aan te wijzen, dient te worden beantwoord aan de hand </para>
      <para>van de bestuursrechtelijke jurisprudentie van v¢¢r genoemd tijdstip. Die jurisprudentie </para>
      <para>hield, kort gezegd, in dat ter zake van bestuursdwang geen voorziening mogelijk werd </para>
      <para>geacht, indien geen sprake was van een, aan de tenuitvoerlegging van de dwangmaatregel </para>
      <para>voorafgaande, schriftelijke waarschuwing of aanzegging.</para>
      <para>In verband met het vorenstaande dient, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:3, 8:1 en 7:1 </para>
      <para>van de Awb te worden geoordeeld dat appellante niet kon worden ontvangen in haar </para>
      <para>bezwaren tegen vorenomschreven schadebesluit van verweerder d.d. 21 april 1997.</para>
      <para>Het beroep van appellante dient derhalve ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:71 van de Awb merkt het College op dat </para>
      <para>een vordering betreffende de in geding zijnde schade uitsluitend bij de burgerlijke rechter </para>
      <para>kan worden ingesteld.</para>
      <para>Tenslotte acht het College geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar </para>
      <para>op 17 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell					w.g. B. van Velzen</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>