<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1415</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T14:42:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1415</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/311 en 01/320</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009198&amp;artikel=3&amp;g=2001-04-27">Besluit gebruik sera en entstoffen 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009198&amp;artikel=4&amp;g=2001-04-27">Besluit gebruik sera en entstoffen 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001895&amp;artikel=2&amp;g=2001-04-27">Besluit vaststelling bekomen, wijziging, enz. wapens voor provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001895&amp;artikel=5&amp;g=2001-04-27">Besluit vaststelling bekomen, wijziging, enz. wapens voor provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=3&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=15&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 15</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=17&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=21&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=111&amp;g=2001-04-27">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 111</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1415">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1415</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1415 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 27-04-2001 / AWB 01/311 en 01/320</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1415:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1415:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/311 en 01/320						27 april 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. A, B, C, D, E, F, G, H, en I, te Kootwijkerbroek,</para>
      <para>2. 	J, K, L, M, N, O, P, Q, R, S, te Nijbroek, </para>
      <para>T, te Oene, </para>
      <para>U, te Welsum, </para>
      <para>V, W, te Terwolde, en </para>
      <para>X, te Vaassen,</para>
      <para>3. 	Y, te Heerde,</para>
      <para>verzoekers,</para>
      <para>gemachtigde: mr H.J. Bronkhorst, advocaat te 's-Gravenhage, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>1. de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage,</para>
      <para>2. de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, hierna individueel en </para>
      <para>gezamenlijk mede aan te duiden als verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr E.J. Daalder, advocaat te 's-Gravenhage, en mr G. de Goede, werkzaam bij </para>
      <para>verweerders ministerie,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij, wat betreft aard en strekking, gelijkluidende besluiten - welke ten aanzien van verzoekers </para>
      <para>sub 1 zijn genomen op 29 maart 2001, ten aanzien van verzoekers sub 2 zijn genomen tussen </para>
      <para>26 maart 2001 en 1 april 2001 en ten aanzien van verzoeker sub 3 op 28 maart 2001 - heeft </para>
      <para>verweerder verzoekers, onder verwijzing naar artikel 24 van de Gezondheids- en welzijnswet </para>
      <para>voor dieren (hierna: de Wet), medegedeeld dat alle evenhoevigen dan wel voor mond- en </para>
      <para>klauwzeer (hierna: mkz) gevoelige dieren op de bedrijven van verzoekers op grond van artikel </para>
      <para>2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Besluit van 15 juli 1994, houdende regels </para>
      <para>betreffende verdachte dieren, Stb. 1994, 731, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 augustus </para>
      <para>1998, Stb. 1998, 667, hierna: het Besluit) met ingang van die datum als verdacht van mkz </para>
      <para>worden aangemerkt. Tevens heeft verweerder verzoekers, onder verwijzing naar artikel 21, </para>
      <para>derde lid, van de Wet, medegedeeld dat hij het noodzakelijk acht dat de dieren worden inge‰nt </para>
      <para>en gedood.</para>
      <para>Tegen deze besluiten hebben verzoekers sub 1 bij brieven van 30 maart 2001 en verzoekers </para>
      <para>sub 2 en 3 bij brieven van 23 april 2001 elk van hen afzonderlijk bezwaar gemaakt. Bij </para>
      <para>brieven van 23 april 2001 hebben verzoekers sub 1 elk van hen afzonderlijk hun bezwaren </para>
      <para>nader aangevuld. Voorts hebben verzoekers bij gelijkluidende verzoekschriften van </para>
      <para>23 april 2001 aan de president van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, </para>
      <para>strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de aangekondigde doding van de </para>
      <para>gevaccineerde dieren. </para>
      <para>Diezelfde dag heeft de president van het College de tenuitvoerlegging van bovengenoemde </para>
      <para>besluiten telefonisch geschorst totdat uitspraak is gedaan in de onderhavige verzoeken om </para>
      <para>voorlopige voorziening. </para>
      <para>Op 24 april 2001 heeft verweerder de president van het College een schriftelijke reactie op de </para>
      <para>verzoeken om voorlopige voorziening doen toekomen, strekkende tot afwijzing van de </para>
      <para>verzoeken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president heeft de verzoeken vervolgens behandeld ter zitting van 24 april 2001, alwaar </para>
      <para>partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. Aan de </para>
      <para>zijde van verweerder is tevens het woord gevoerd door drs F.H. Pluimers, werkzaam bij </para>
      <para>verweerder.</para>
      <para>Desgevraagd heeft verweerder de president bij faxbericht van 26 april 2001 een aantal </para>
      <para>feitelijke inlichtingen doen toekomen. Deze inlichtingen zijn diezelfde dag eveneens aan de </para>
      <para>gemachtigde van verzoekers toegezonden. </para>
      <para>De gemachtigde van verzoekers heeft erin toegestemd dat vorenbedoelde nadere stukken aan </para>
      <para>de onderhavige dossiers worden toegevoegd en dat de president zonder een nadere </para>
      <para>behandeling ter zitting uitspraak doet.</para>
      <para>De president heeft ter zitting van 27 april 2001 aan partijen het dictum van deze uitspraak, </para>
      <para>met daarbij een vorlopige formulering van de belangrijkste overwegingen die hem tot die </para>
      <para>uitspraak hebben geleid, meegedeeld. Daarbij heeft hij aangegeven dat de volledige tekst van </para>
      <para>de uitspraak binnen enkele dagen zal worden toegestuurd aan partijen. </para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1 In de considerans van Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen </para>
      <para>van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding </para>
      <para>van mond- en klauwzeer (PbEG L315, hierna: de Richtlijn) is onder meer het volgende </para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend te </para>
      <para>kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen; (.)</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de considerans van Richtlijn 90/423/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen </para>
      <para>van 26 juni 1990 tot wijziging van onder meer de Richtlijn, wordt onder meer het volgende </para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Overwegende dat uit een door de Commissie uitgevoerde studie inzake de </para>
      <para>bestrijding van mond- en klauwzeer is gebleken dat een niet-vaccinatiebeleid voor </para>
      <para>de Gemeenschap als geheel de voorkeur verdient boven een vaccinatiebeleid (.)</para>
      <para>Overwegende dat uit de studie van de Commissie over het toekomstige </para>
      <para>communautaire beleid inzake vaccinatie duidelijk is gebleken dat vanaf een </para>
      <para>bepaalde datum de vaccinatie tegen deze ziekte officieel moet worden stopgezet </para>
      <para>en dat die stopzetting vergezeld moet gaan van een beleid waarbij besmette dieren </para>
      <para>systematisch worden afgemaakt en afgevoerd voor destructie (.)</para>
      <para>Overwegende dat het in extreme situaties waarin de epizo”tie zich op grote schaal </para>
      <para>dreigt te verspreiden, noodzakelijk kan zijn noodvaccinaties uit te voeren (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 1, 2, 5 en 13 van de Richtlijn, luiden, voorzover hier van belang, als volgt:</para>
      <para>				" Artikel 1</para>
      <para>In deze richtlijn worden de communautaire bestrijdingsmaatregelen vastgesteld </para>
      <para>die bij het uitbreken van mond- en klauwzeer, ongeacht de betrokken virussoort, </para>
      <para>moeten worden toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 2</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Voorts wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop:</para>
      <para>- klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op mond- </para>
      <para>en klauwzeer kunnen duiden, of</para>
      <para>- de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na </para>
      <para>laboratoriumonderzoek;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 5</para>
      <para>Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in </para>
      <para>artikel 2, onder c, bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde autoriteit </para>
      <para>de volgende maatregelen neemt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. de offici‰le dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met het </para>
      <para>oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, wanneer </para>
      <para>deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de periode van </para>
      <para>verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;</para>
      <para>2. naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de </para>
      <para>volgende maatregelen getroffen:</para>
      <para>- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel toezicht </para>
      <para>ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het </para>
      <para>mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht vernietigd, </para>
      <para>op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en </para>
      <para>klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de </para>
      <para>onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging hiervan, </para>
      <para>de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf waar de ziekte </para>
      <para>werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 13</para>
      <para>1. De Lid-Staten zien erop toe dat:</para>
      <para>- het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van mond- </para>
      <para>en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te voeren op </para>
      <para>een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, wanneer de </para>
      <para>aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte zich op grote </para>
      <para>schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen maatregelen hebben met </para>
      <para>name betrekking op:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>-	andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.</para>
      <para>Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de Commissie, </para>
      <para>in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de procedure van artikel 16. </para>
      <para>Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening gehouden met de dichtheid van de </para>
      <para>veebezetting in sommige gebieden en de noodzaak speciale rassen te beschermen.</para>
      <para>In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de </para>
      <para>ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid-Staat </para>
      <para>na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de </para>
      <para>Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt onmiddellijk </para>
      <para>ge‰valueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comit‚ volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De considerans, alsmede de artikelen 1, 2 en 3 van de Beschikking van de Europese </para>
      <para>Commissie van 27 maart 2001, nr. 2001/246/EG, houdende vaststelling van voorschriften  </para>
      <para>voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland op grond van </para>
      <para>artikel 13 van Richtlijn 85/511 (PbEG L88/21, hierna: de Beschikking), luiden, voorzover hier </para>
      <para>van belang, als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>(6) Het op grote schaal doden van dieren op besmette of verontreinigde bedrijven </para>
      <para>kan er al snel toe leiden dat de capaciteit voor het veilig vernietigen van karkassen </para>
      <para>is opgebruikt waardoor onvermijdelijk vertraging ontstaat bij het preventief </para>
      <para>doden, wat dan weer kan leiden tot verdere verspreiding van het virus.</para>
      <para>(7) De bevoegde autoriteiten van Nederland hebben bij de Commissie een </para>
      <para>programma ingediend inzake de toepassing van vaccinatie als aanvullend </para>
      <para>instrument bij de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in </para>
      <para>combinatie met het preventief doden van dieren van gevoelige soorten. Hoewel </para>
      <para>het gebruik van vaccin in het kader van preventieve doding alleen nut heeft </para>
      <para>wanneer de periode waarmee het doden naar verwachting moet worden uitgesteld, </para>
      <para>langer is dan de periode die nodig is om voldoende immuniteit op te bouwen om </para>
      <para>virusverspreiding effectief tegen te gaan, mag vaccinatie er in geen enkel geval </para>
      <para>leiden tot een vertraging van het tempo waarin het aantal dieren van gevoelige </para>
      <para>soorten rond een uitbraak wordt gereduceerd.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>(11) Deze beschikking heeft ten doel vast te stellen onder welke voorwaarden </para>
      <para>Nederland noodvaccinatie mag toepassen.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 1</para>
      <para>Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:</para>
      <para>1. Preventieve doding: het doden van gevoelige dieren op bedrijven in een gebied </para>
      <para>met een bepaalde straal rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of 5 van Richtlijn </para>
      <para>85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen van toepassing zijn.</para>
      <para>Deze doding heeft ten doel het aantal dieren van gevoelige soorten  in een besmet </para>
      <para>gebied snel te doen dalen.</para>
      <para>2. Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op </para>
      <para>ge‹dentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die </para>
      <para>uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als </para>
      <para>omschreven in punt 1.</para>
      <para>Deze vaccinatie heeft ten doel de hoeveelheid circulerend virus en het risico van </para>
      <para>virusverspreiding buiten het omschreven gebied dringend te verminderen, zonder </para>
      <para>evenwel vertraging bij het preventief doden te veroorzaken.</para>
      <para>Deze vaccinatie mag uitsluitend worden uitgevoerd wanneer het preventief doden </para>
      <para>van dieren van gevoelige soorten om een van de onderstaande redenen moet </para>
      <para>worden uitgesteld voor een periode die waarschijnlijk langer is dan de periode die </para>
      <para>nodig is om virusverspreiding effectief tegen te gaan door immunisatie:</para>
      <para>- beperkingen inzake de capaciteit om dieren van gevoelige soorten te doden </para>
      <para>overeenkomstig Richtlijn 93/119/EEG,</para>
      <para>- beperkingen inzake de beschikbare capaciteit om de gedode dieren te vernietigen </para>
      <para>overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede streepje, van Richtlijn 85/511/EEG.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 2</para>
      <para>1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEG, en met name de artikelen 4, 5 en 9, mag </para>
      <para>Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder de in de </para>
      <para>bijlage vastgestelde voorwaarden.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 3</para>
      <para>Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>		Bijlage</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de </para>
      <para>bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel </para>
      <para>13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>Omvang van het geografische gebied </para>
      <para>waar suppressievaccinatie wordt </para>
      <para>toegepast</para>
      <para>Het vaccinatiegebied omvat een gebied met een </para>
      <para>straal van maximaal 2 km rond een bedrijf </para>
      <para>waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van </para>
      <para>Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende </para>
      <para>maatregelen worden toegepast."</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De considerans, alsmede artikel 1 van de Beschikking van de Europese Commissie van </para>
      <para>5 april 2001, nr. 2001/279/EG, tot wijziging van Beschikking 2001/246/EG houdende </para>
      <para>vaststelling van voorschriften  voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in </para>
      <para>Nederland op grond van artikel 13 van Richtlijn 85/511 (PbEG L96/19), luiden, voorzover </para>
      <para>hier van belang, als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>	(3) De bevoegde autoriteiten van Nederland hebben bij de Commissie een </para>
      <para>programma ingediend inzake de toepassing, onverminderd de bij Beschikking </para>
      <para>2001/246/EG vastgestelde maatregelen, van beschermende vaccinatie als </para>
      <para>aanvullend instrument bij de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer, </para>
      <para>waarbij rekening wordt gehouden met de epizo”tiologische situatie en met de </para>
      <para>hoge dichtheid van gevoelige dieren in bepaalde delen van het grondgebied.</para>
      <para>	(4) Krachtens de in artikel 13 van Richtlijn 85/511/EEG vastgelegde beginselen </para>
      <para>moet het besluit om tot vaccinatie over te gaan, worden afgewogen tegen de </para>
      <para>wezenlijke belangen van de Gemeenschap, die niet in gevaar mogen worden </para>
      <para>gebracht.</para>
      <para>	(5) Toepassing van vaccinatie zal onvermijdelijk de status ten aanzien van mond- </para>
      <para>en klauwzeer in het internationale handelsverkeer in het gedrang brengen, niet </para>
      <para>alleen voor de lidstaat of het deel van het grondgebied van de lidstaat waar </para>
      <para>vaccinatie wordt uitgevoerd.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 1</para>
      <para>Beschikking 2001/246/EG van de Commissie wordt als volgt gewijzigd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Aan artikel 1 wordt het volgende punt 3 toegevoegd:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"3. Beschermende vaccinatie: noodvaccinatie van runderen op ge‹dentificeerde </para>
      <para>bedrijven in het vaccinatiegebied, die uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie </para>
      <para>met de preventieve doding van bepaalde categorie‰n andere dieren van gevoelige </para>
      <para>soorten, als omschreven in punt 1, en al dan niet in combinatie met </para>
      <para>suppressievaccinatie als omschreven in punt 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vaccinatie heeft ten doel de hoeveelheid circulerend virus en het risico van </para>
      <para>virusverspreiding buiten het omschreven gebied snel te verminderen, en mag </para>
      <para>slechts plaatsvinden op voorwaarde dat de in het kader van de beschermende </para>
      <para>vaccinatie gevaccineerde dieren van gevoelige soorten niet preventief worden </para>
      <para>gedood."</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>  					Artikel 2</para>
      <para>Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para>		</para>
    <para>		Bijlage II</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorwaarden voor de toepassing van beschermende vaccinatie bij de </para>
      <para>bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel </para>
      <para>13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>Omvang van het geografische gebied </para>
      <para>waar beschermende vaccinatie wordt </para>
      <para>toegepast</para>
      <para>Het vaccinatiegebied moet gelegen zijn in het </para>
      <para>in bijlage III, deel B, omschreven gebied.</para>
      <para>In het vaccinatiegebied gelden de in bijlage IV </para>
      <para>bij deze beschikking vastgestelde beperkende </para>
      <para>maatregelen, onverminderd het bepaalde in </para>
      <para>artikel 9 van Richtlijn 85/511/EEG.</para>
      <para>		(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>		Bijlage III</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>		(.)</para>
      <para>		B. Gebied voor beschermende vaccinatie:</para>
      <para>Een gebied van ongeveer 25 km rond Oene, als omschreven en gemeld </para>
      <para>overeenkomstig artikel 2, lid 2."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij de Wet is onder meer het volgende bepaald:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 3</para>
      <para>	1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel </para>
      <para>aangewezen categorie‰n van houders van dieren of levende dierlijke producten </para>
      <para>van bij die maatregel aangewezen soorten of categorie‰n van dieren dan wel van </para>
      <para>levende dierlijke producten regelen gesteld omtrent:</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	f. het gebruik van sera, entstoffen, antibiotica en chemotherapeutica;</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 15</para>
      <para>	1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen </para>
      <para>besmettelijke dierziekten bij:</para>
      <para>a. vee;</para>
      <para>(.)</para>
      <para>4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als </para>
      <para>verdachte dieren moeten worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 17</para>
      <para>1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten </para>
      <para>daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden </para>
      <para>aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend worden </para>
      <para>behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of aangelijnd, dan wel voor die </para>
      <para>dieren andere maatregelen bevelen ter voorkoming van overbrenging van </para>
      <para>besmetting.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21</para>
      <para>1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo </para>
      <para>nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich heeft </para>
      <para>voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of ingestelde </para>
      <para>gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot </para>
      <para>bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.</para>
      <para>2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>3. In spoedeisende gevallen  neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze</para>
      <para>maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 22</para>
      <para>1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>(.);</para>
      <para>f. het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>(.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 109</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 111</para>
      <para>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van </para>
      <para>krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap </para>
      <para>vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing </para>
      <para>is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van bepalingen van </para>
      <para>deze wet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het Besluit, waarbij in de intitul‚ onder meer wordt verwezen naar de Richtlijn, alsmede </para>
      <para>naar de artikelen 15, vierde lid, en 111, van de Wet, is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>	Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de</para>
      <para>gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de </para>
      <para>desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 5</para>
      <para>1. Dieren die op grond van artikel 2, onderdelen b of c, als verdacht worden </para>
      <para>aangemerkt, blijven verdacht gedurende een periode van:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>b. 21 dagen bij mond- en klauwzeer;</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het Besluit gebruik sera en entstoffen (Besluit van 17 december 1997, houdende regelen </para>
      <para>betreffende voor het gebruik van sera en entstoffen, Stb. 1997, 750, laatstelijk gewijzigd bij </para>
      <para>besluit van 6 mei 1998, Stb. 1998, 316), waarbij in de intitul‚ onder meer wordt verwezen </para>
      <para>naar de Richtlijn, alsmede naar artikel 3, eerste lid, onder f, van de Wet, is onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 3</para>
      <para>	Het is voor alle categorie‰n van houders van dieren verboden vee, (.) te </para>
      <para>behandelen of door middel van derden te behandelen met niet levende entstoffen </para>
      <para>en met sera tegen mond- en klauwzeer, (.) tenzij Onze Minister het gebruik van </para>
      <para>bepaalde niet levende entstoffen en sera heeft toegelaten in aangewezen gebieden </para>
      <para>met betrekking tot bepaalde diersoorten of dieren of Onze Minister ontheffing </para>
      <para>heeft verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 4</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	2. Aan de  ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan onder </para>
      <para>beperkingen worden verleend."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1 van de door de minister van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij </para>
      <para>bij besluit van 3 april 2001, (in werking getreden op 3 april 2001 om 20.00 uur) vastgestelde </para>
      <para>wijziging van de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001, waarbij in de intitul‚ </para>
      <para>onder meer is verwezen naar artikel 13, derde lid, van de Richtlijn (hierna: de Regeling), luidt </para>
      <para>als volgt:</para>
      <para>"	Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de </para>
      <para>artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen </para>
      <para>toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door de directeur </para>
      <para>van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen zone rond de </para>
      <para>ziektehaard, dan wel in het in de bijlage omschreven gebied, overeenkomstig de </para>
      <para>door hem gegeven aanwijzingen gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- In de periode van 26 maart 2001 tot en met 1 april 2001 heeft verweerder besluiten </para>
      <para>genomen waarvan thans de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn gedaan. In </para>
      <para>deze wat aard en strekking betreft gelijkluidende besluiten heeft verweerder als reden </para>
      <para>van verdenking van mkz vermeld dat in de omgeving van de bedrijven van verzoekers </para>
      <para>sub 1 (te weten in Kootwijkerbroek op 29 maart 2001) en van de bedrijven van </para>
      <para>verzoekers sub 2 en 3 (te weten in Nijbroek op 23 maart 2001, in Oene op 25 maart </para>
      <para>2001, in Terwolde op 27 maart 2001 en in Vaassen op 1 april 2001) gevallen van mkz </para>
      <para>zijn vastgesteld en dat daardoor niet kan worden uitgesloten dat de dieren op de </para>
      <para>bedrijven van verzoekers in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met mkz. </para>
      <para>Tevens zijn onder meer de volgende maatregelen aangekondigd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	1. Ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van </para>
      <para>verspreiding ervan is het noodzakelijk dat alle evenhoevigen op uw bedrijf, </para>
      <para>overeenkomstig artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de GWWD, worden </para>
      <para>gedood. Over het precieze tijdstip van het doden van de dieren zult u nog nader </para>
      <para>ge‹nformeerd worden.</para>
      <para>In afwachting van het doden van de op uw bedrijf aanwezige evenhoevige dieren </para>
      <para>zullen zij overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de GWWD worden </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer. Het vaccineren geschiedt namens de </para>
      <para>Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees. De gevaccineerde dieren worden </para>
      <para>terstond na de vaccinatie voorzien van een daartoe door de directeur van de </para>
      <para>Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees aangewezen identificatiemerk. Over </para>
      <para>het precieze  tijdstip waarop uw dieren gevaccineerd zullen worden, zult u nog </para>
      <para>nader ge‹nformeerd worden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- De bedrijven van verzoekers sub 1 en 2 zijn allen gelegen binnen een straal van </para>
      <para>2 kilometer rond een bedrijf waar een besmetting met mkz is vastgesteld. Het bedrijf </para>
      <para>van verzoeker sub 3 is gelegen op een afstand van m‚‚r dan 2 kilometer van een bedrijf </para>
      <para>waar mkz is vastgesteld.</para>
      <para>- Vaccinatie van de op de bedrijven van verzoekers sub 1 en 2 als verdachte dieren </para>
      <para>aangemerkte dieren heeft plaatsgevonden in de periode van 24 maart 2001 tot en met </para>
      <para>5 april 2001. Vaccinatie van de op het bedrijf van verzoeker sub 3 als verdachte dieren </para>
      <para>aangemerkte dieren heeft plaatsgevonden op 9 april 2001.</para>
      <para>- Alvorens de als verdachte dieren aangemerkte dieren zijn gevaccineerd, zijn bij </para>
      <para>bedoelde dieren steekproefsgewijs bloedmonsters afgenomen.</para>
      <para>- Verzoekers hebben elk afzonderlijk tegen het desbetreffende tot hen gerichte besluit een </para>
      <para>bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Op deze bezwaarschriften is door verweerder </para>
      <para>nog niet beslist.</para>
      <para>- Bij uitspraak van 28 maart 2001 (AWB 01/209) heeft de president een verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening afgewezen van onder meer enkele verzoekers als genoemd </para>
      <para>onder 2.</para>
      <para>- Bij uitspraak van 7 april 2001 (AWB 01/242) heeft de president een verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening van onder meer verzoekers sub 1, waarbij het ging om dezelfde </para>
      <para>besluiten van verweerder als die waarvan thans schorsing van de tenuitvoerlegging </para>
      <para>wordt verzocht, afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoekers</para>
      <para>Verzoekers hebben aangegeven dat hun belang bij het treffen van de voorlopige voorziening </para>
      <para>als verzocht zowel stoffelijk als onstoffelijk is. Verzoekers prefereren de eventuele uit de </para>
      <para>huidige mkz-crisis voortvloeiende financi‰le consequenties die aan het behoud van hun </para>
      <para>gevaccineerde veestapels verbonden zijn. Voor verzoekers is eigenlijk geen sprake van een </para>
      <para>handicap van het hebben van inge‰nte dieren, omdat de geproduceerde melk nog steeds kan </para>
      <para>worden verkocht en afgezet. Voorts zijn verzoekers emotioneel gehecht aan hun veestapels.</para>
      <para>De spoedeisendheid van het vorenomschreven belang van verzoekers is gelegen in de </para>
      <para>omstandigheid dat verweerder naar verwachting binnen korte tijd zal overgaan tot de in de </para>
      <para>desbetreffende beschikkingen aangekondigde doding van de dieren op de bedrijven van </para>
      <para>verzoekers.</para>
      <para>Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun verzoeken om voorlopige voorziening primair </para>
      <para>gesteld dat de handhaving van de bestreden besluiten in strijd is met de Wet en het Besluit. </para>
      <para>Immers, dieren die, zoals bij verzoekers, op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit, </para>
      <para>als verdacht zijn aangemerkt, blijven ingevolge artikel 5 van het Besluit verdacht gedurende </para>
      <para>een periode van 21 dagen bij mkz. Nu sinds de data waarop de dieren van verzoekers verdacht </para>
      <para>zijn verklaard in ieder geval 21 dagen zijn verstreken, zijn de dieren niet meer verdacht in de </para>
      <para>zin van de Wet. Dit betekent dat verweerder thans geen maatregelen meer mag treffen tegen </para>
      <para>de bedrijven van verzoekers, aangezien artikel 22, eerste lid, onder f, van de Wet bepaalt dat </para>
      <para>het doden van dieren betrekking moet hebben op zieke en verdachte dieren.</para>
      <para>Subsidiair hebben verzoekers betoogd dat verweerder in redelijkheid niet kan besluiten om </para>
      <para>over te gaan tot verlenging van de bestreden besluiten tot verdachtverklaring. Daarbij is van </para>
      <para>belang dat moet worden aangenomen dat de dieren van verzoekers niet besmet zijn met het </para>
      <para>mkz-virus. Ten aanzien van al deze dieren zijn alvorens tot vaccinatie tegen mkz over te gaan </para>
      <para>immers bloedmonsters genomen. Aangenomen moet worden dat de uitslag van de met deze </para>
      <para>bloedmonsters genomen testen negatief was. Indien zulks anders zou zijn geweest, dan </para>
      <para>zouden zijdens verweerder onverwijld maatregelen zijn genomen en zou tot ruiming van de </para>
      <para>bedrijven zijn overgegaan.</para>
      <para>Bovendien zijn de dieren op de bedrijven van verzoekers gevaccineerd tegen mkz en zij zijn </para>
      <para>derhalve volledig immuun voor de ziekte. Dit wordt bevestigd door dr F. Brown, een groot </para>
      <para>kenner van mkz in de Verenigde Staten.</para>
      <para>Voorts hebben verzoekers een verklaring overgelegd van prof. dr J.P.T.M. Noordhuizen, </para>
      <para>verbonden aan de Faculteit der Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, welke als volgt </para>
      <para>luidt:</para>
      <para>"	Ondergetekende, (.), verklaart hierbij:</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Dat koeien die eenmalig zijn gevaccineerd tegen de mond- en klauwzeer-</para>
      <para>virusinfectie een immuunrespons in de vorm van anti-stoffen geven na ongeveer 3 </para>
      <para>dagen;</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Dat deze immuunrespons een plafond bereikt op ongeveer 10 a 14 dagen na </para>
      <para>vaccinatie;</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Dat middels voornoemde vaccinatie de koeien beschermd zijn tegen genoemde </para>
      <para>virusinfectie gedurende ongeveer 6 a 9 maanden, er van uit gaande dat de </para>
      <para>vaccinatie heeft plaatsgevonden bij koeien die niet al besmet waren met het </para>
      <para>genoemde virus en dat vaccinatie heeft plaatsgevonden op grond van correct </para>
      <para>gediagnostiseerde virustypen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers concluderen dat de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening </para>
      <para>toewijsbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Het standpunt van verweerder, zoals dat onder meer is verwoord in de ter zitting overgelegde </para>
      <para>pleitnota, luidt onder meer als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>	Europese regelgeving </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Verweerder stelt zich op het standpunt dat de communautaire regelgeving niet de </para>
      <para>ruimte biedt om alsnog af te zien van het ruimen van de betreffende dieren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Op grond van artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 85/511/EEG is het verboden </para>
      <para>dieren tegen MKZ te vaccineren. Artikel 13, derde lid, van deze richtlijn voorziet </para>
      <para>in de mogelijkheid om in noodsituaties rond een ziektehaard te vaccineren. Omdat </para>
      <para>het feitelijk onmogelijk was om grote hoeveelheden dieren te ruimen heeft de </para>
      <para>Minister aan de Commissie toestemming verzocht om tot zogenaamde </para>
      <para>suppressievaccinatie over te gaan. Bij beschikking van </para>
      <para>27 maart 2001 (2001/246/EG) is dit toegestaan. Deze beschikking stelt evenwel </para>
      <para>als absolute voorwaarde voor suppressievaccinatie dat de gevaccineerde dieren </para>
      <para>binnen twee maanden worden gedood. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Nadat is gebleken dat de getroffen maatregelen onvoldoende waren om </para>
      <para>verspreiding van het MKZ-virus te voorkomen heeft de Minister besloten om een </para>
      <para>groter gebied (het gebied rond Oene) als geheel tot vaccinatiegebied te duiden. De </para>
      <para>Commissie heeft vervolgens de beschikking van 27 maart gewijzigd. Bij </para>
      <para>beschikking van 5 april 2001, nr. 2001/279/EG, is de reeds bestaande </para>
      <para>mogelijkheid van suppressievaccinatie uitgebreid en aangevuld met de </para>
      <para>mogelijkheid van beschermende vaccinatie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Minister heeft, na een debat met de Tweede Kamer en met instemming het </para>
      <para>Kabinet, op 13 april 2001 besloten om in Nederland geen beschermende </para>
      <para>vaccinatie toe te passen. In een brief aan de Tweede Kamer van 10 april 2001 </para>
      <para>heeft de Minister aangegeven welke belangen bij het nemen van dat besluit een rol </para>
      <para>zullen spelen. Bij de afweging van die belangen heeft de Minister een zeer grote </para>
      <para>mate van beleidsvrijheid, waarbij de Minister stelling binnen de </para>
      <para>redelijkheidsgrenzen is gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Beschikking is ten aanzien van suppressievaccinatie volstrekt duidelijk. De </para>
      <para>dieren moeten zo snel mogelijk na vaccinatie worden gedood. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Nationale regelgeving </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artt. 3 en 5 Besluit verdachte dieren mist toepassing. Het gaat hier om een besluit </para>
      <para>op grond van art. 17 GWWD. Op grond van het Besluit gebruik sera en entstoffen </para>
      <para>(Stb. 1994, 732) geldt het vaccinatieverbod in art. 13 van de richtlijn in </para>
      <para>Nederland. Dit besluit, dat is gebaseerd op art. 3, onder f, GWWD. Bevat een </para>
      <para>verbod tot vaccinatie en de mogelijkheid tot ontheffing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de toelichting is het Besluit mede bedoeld voor de implementatie van art. </para>
      <para>13, derde lid, van de richtlijn en beoogt het een basis te geven voor </para>
      <para>noodvaccinatie. De toelichting verwijst uitdrukkelijk naar art. 17 GWWD. </para>
      <para>Art. 4, tweede lid, van het Besluit biedt de mogelijkheid tot het stellen van </para>
      <para>voorschriften en beperkingen. Dat opent de mogelijkheid om ter uitvoering van de </para>
      <para>beschikking van de Commissie op grond van art. 13, derde lid, van de beschikking </para>
      <para>de daarin genoemde voorwaarden aan de vaccinatie te verbinden. Een </para>
      <para>afzonderlijke bevoegdheid is derhalve niet nodig. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Een besluit tot noodvaccinatie moet gepaard gaan met de ruiming van dieren. In </para>
      <para>alle gevallen is een besluit tot suppressieve vaccinatie genomen. In ieder geval ligt </para>
      <para>een weigering voor om beschermend te vaccineren. Men kan geen onderscheid </para>
      <para>maken tussen het besluit tot vaccinatie en de daaropvolgende ruiming. Dat zijn </para>
      <para>twee onderdelen van een geheel. Toen het besluit werd genomen waren de dieren </para>
      <para>in ieder geval verdacht. Daarmee is de grondslag, ook wanneer wordt </para>
      <para>teruggevallen op artt. 21 en 22 GWWD, gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De betreffende dieren zijn nog steeds verdacht. Art. 2 onder c Besluit verdachte </para>
      <para>dieren bepaalt dat dieren verdachte zijn als er reden bestaat om aan te nemen dat </para>
      <para>de dieren in de gelegenheid zijn geweest besmet te raken. Ingevolge art. 5 van dit </para>
      <para>Besluit blijft de verdenking bestaan gedurende 21 dagen. Die periode gaat pas </para>
      <para>lopen op het moment dat de dieren niet langer besmet kunnen raken. Dat is </para>
      <para>wellicht bij vaccinatie het geval na een periode van veertien dagen. Vgl. art. 3 </para>
      <para>onder b van dit Besluit. Dat betekent dat de 21 dagen pas gaan lopen veertien </para>
      <para>dagen na de enting. Die heeft plaatsgevonden vanaf op zijn vroegst </para>
      <para>28 maart 2001 (Kootwijkerbroek) of 6 april 2001 (Noord-Veluwe). Dat betekent </para>
      <para>dat de dieren van verzoekers in ieder geval nog verdacht zijn en dat art. 22 lid 1 </para>
      <para>onder f de basis voor ruiming biedt en voorlopig blijft bieden. Overigens voorziet </para>
      <para>art. 5 lid 3 in demogelijkheid tot verlenging van de termijn. Daarvan zal zeker </para>
      <para>gebruik worden gemaakt en is de facto ook gebruik gemaakt door het besluit van </para>
      <para>de Minister niet beschermend te vaccineren, hetgeen op grond van de beschikking </para>
      <para>van de Commissie betekent dat de ruiming binnen twee maanden moet </para>
      <para>plaatsvinden. </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Als dit allemaal al anders zou zijn dan geldt dat art. 5 lid 1 van het Besluit moet </para>
      <para>wijken voor de Beschikking en de ontheffing op grond van het Besluit sera en </para>
      <para>entstoffen. Tenminste een communautair-conforme interpretatie dwingt daartoe. </para>
      <para>Bedacht dient te worden dat toewijzing van het verzoek van verzoekers betekent </para>
      <para>dat Nederland de op hem rustende verplichtingen niet nakomt. Dat is in strijd met </para>
      <para>art. 249 EU. De consequenties kunnen zeer groot zijn. Zo is Nederland, wegens </para>
      <para>het uitvoeren van onvoldoende ruimingen door bij de varkenspest-crisis door de </para>
      <para>Europese Commissie gekort. Vgl. ook de problematiek met verboden staatssteun.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	(.)</para>
    <para />
    <para>	</para>
    <para />
    <para />
    <para>Gevolgen toewijzing verzoek; belangenafweging </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	In de brief van 10 april 2001 heeft de Minister aangegeven welke belangen bij het </para>
      <para>door hem te nemen besluit omtrent het al dan niet beschermend vaccineren spelen. </para>
      <para>Uiteindelijk hebben de belangen die tegen beschermend vaccineren pleiten voor </para>
      <para>de Minister de doorslag gegeven. Het gaat hier onder meer om de volgende </para>
      <para>belangen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Bij suppressievaccinatie komen de beperkende maatregelen in beginsel 30 dagen </para>
      <para>na de ruiming van alle gevaccineerde dieren in het betreffende gebied te vervallen. </para>
      <para>Bij beschermende vaccinatie (die alleen op runderen betrekking heeft; alle andere </para>
      <para>evenhoevigen worden wel gedood) gelden vergaande beperkingen met betrekking </para>
      <para>tot onder meer de handel in evenhoevigen en de daarvan afkomstige producten. </para>
      <para>Die maatregelen blijven minimaal twaalf maanden na voltooiing van de vaccinatie </para>
      <para>in het gebied van kracht. De opheffing is in handen van het Permanent Veterinair </para>
      <para>Comit‚. Nederland is derhalve afhankelijk van de opstelling van andere lidstaten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Bij suppressievaccinatie kan na 30 dagen en na desinfectie van de stallen weer </para>
      <para>begonnen worden met de herbevolking van het gebied. De Minister gaat er van uit </para>
      <para>dat deze termijn maximaal drie maanden zal beslaan. Bij beschermende vaccinatie </para>
      <para>daarentegen zal herbevolking pas na een periode die tenminste vier maal langer is </para>
      <para>mogelijk zijn, zodat de veehouders in het bestreffende gebied in dat geval </para>
      <para>aanzienlijk grotere schade leiden. De schade bij suppressief vaccineren wordt </para>
      <para>geschat op ca. 120 mln. Bij beschermend vaccineren zal dit bijna 500 mln. </para>
      <para>bedragen. Datzelfde geldt voor andere sectoren die ook door de MKZ-crisis </para>
      <para>worden getroffen, zoals het midden- en kleinbedrijf en de recreatiesector. Ook </para>
      <para>deze sectoren leiden bij beschermend vaccineren veel meer schade dan wanneer </para>
      <para>wordt gekozen voor suppressievaccinatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Beschermende vaccinatie bij andere dieren dan runderen, zoals varkens of </para>
      <para>schapen, is niet mogelijk. In het betreffende gebied worden ook veel varkens </para>
      <para>gehouden. Deze dieren worden suppressief gevaccineerd en geruimd. Zij kunnen </para>
      <para>evenwel niet met herbevolking een aanvang nemen zolang de maatregelen nog </para>
      <para>gelden. Nu moeten zij drie maanden op herbevolking wachten; bij beschermende </para>
      <para>vaccinatie in ieder geval 12 maanden of meer. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De Commissie heeft de Nederlandse regering er uitdrukkelijk op gewezen dat de </para>
      <para>keuze voor beschermend vaccineren er toe kan leiden dat zowel Europese landen </para>
      <para>als andere landen een invoerverbod voor Nederlands vee, vers vlees en </para>
      <para>vleesproducten zullen instellen. Het grootste deel van de export van Nederland is </para>
      <para>naar andere EU-Ianden. Afgezien van het feit dat bij beschermend vaccineren de </para>
      <para>vraag in deze landen al zeer beperkt zal zijn, is te vrezen voor een importverbod </para>
      <para>voor Nederlands vlees en vleesproducten in andere EU-Ianden. De reden hiervan </para>
      <para>is de angst van dergelijke landen hun MKZ-vrije status anders te verliezen. Dat </para>
      <para>dreigt overigens in dat geval ook voor Nederland. Wanneer wordt bedacht dat </para>
      <para>circa 90% van het Nederlandse kalfsvlees en 75% van het Nederlandse </para>
      <para>varkensvlees voor de export is bestemd dreigt, bij een keuze voor beschermend </para>
      <para>vaccineren, een uitzonderlijk grote economische schade voor de sector. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het is van belang te benadrukken dat het in deze niet, zoals de Minister wel eens </para>
      <para>(ten onrechte) wordt verweten, gaat om een afweging van het welzijn van de </para>
      <para>runderen in het vaccinatiegebied tegenover economische belangen. Veeleer is er </para>
      <para>sprake van een afweging van belangen van ‚‚n categorie veehouders in een </para>
      <para>beperkt gebied, die runderen houden, tegenover het belang van veel meer andere </para>
      <para>veehouders met alle soorten van evenhoevigen zowel binnen als buiten het gebied. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	In het betreffende gebied is sprake van ca. 55.000 runderen. Het gaat om ca. </para>
      <para>18.500 koeien, 15.000 jongvee, 17.000 vleeskalveren en 4000 stuks vleesvee. De </para>
      <para>laatste twee categorie‰n zijn dieren die voor de slacht bestemd zijn. Te </para>
      <para>verwachten is dat dit zo spoedig mogelijk zal gebeuren, omdat de </para>
      <para>afzetmogelijkheden van het betreffende vlees en vleesproducten uiterst beperkt </para>
      <para>zijn en niet opwegen tegen de kosten van het onderhoud van de betreffende </para>
      <para>dieren. Voor het melkvee geldt dat de huidige inkoopprijs van melk zeer </para>
      <para>aanzienlijk lager ligt dan de gebruikelijke prijs. Het is de vraag of onder deze </para>
      <para>omstandigheden het houden van dit melkvee nog wel economisch rendabel is, </para>
      <para>hetgeen er toe leidt dat de betrokken veehouders ertoe overgaan ook deze dieren te </para>
      <para>laten doden. Tegenover de variabele kosten staan immers niet voldoende baten. </para>
      <para>Dat betekent dat de groep runderen die van beschermende vaccinatie uiteindelijk </para>
      <para>zal profiteren aanzienlijk kleiner is dan de 55.000. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Tegelijkertijd zijn er aan beschermend vaccineren ook een aantal welzijnsaspecten </para>
      <para>verbonden. De beperkingen aan of zelfs het verbod op de export in andere </para>
      <para>gebieden leidt tot overvolle stallen. Er is geen vraag naar dieren en hun producten </para>
      <para>uit dit gebied. Economisch gezien is er dan geen reden de betreffende dieren in </para>
      <para>leven te houden en zullen veehouders zijn gedwongen te kiezen voor vrijwillige </para>
      <para>doding van deze dieren. In dat geval zullen zij, anders dan eisers, overigens voor </para>
      <para>hun dieren geen vergoeding ontvangen. Wanneer door de overheid </para>
      <para>opkoopregelingen zouden worden getroffen heeft dat precies hetzelfde effect: de </para>
      <para>opgekochte dieren worden immers ook gedood. Illustratief hiervoor is de situatie </para>
      <para>bij de varkenshouders in het (ruimere) toezichtsgebied. Het gaat hierbij om ca. </para>
      <para>240.000 mestvarkens en biggen, die niet buiten het betreffende gebied mogen </para>
      <para>worden gebracht. Drie maanden bij suppressieve vaccinatie zijn overzienbaar, </para>
      <para>twaalf maanden niet. Ook daar zullen vrijwillige doding of eventueel </para>
      <para>opkoopregelingen uitkomst moeten bieden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Ten aanzien van al deze categorie‰n geldt dat deze dieren worden gedood anders </para>
      <para>dan met het oog op consumptie. Daarvoor gelden dezelfde bezwaren als bij de </para>
      <para>dieren van eisers. </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Bij de keuze voor deze belangen heeft meegespeeld dat deze beslissing wordt </para>
      <para>ondersteund door de sector: de LTO, de Centrale Organisatie van de Vleessector </para>
      <para>en de Nederlandse Zuivel Organisatie. Daarnaast is betekenis toegekend aan het </para>
      <para>feit dat de betrokken veehouders, waaronder eisers, voor de geruimde dieren een </para>
      <para>vergoeding op basis van de taxatiewaarde zullen ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat hierbij om een afweging van belangen waarbij de Minister een zeer grote </para>
      <para>mate van beleidsvrijheid heeft. Daarbij geldt op grond van de communautaire </para>
      <para>wetgeving het uitgangspunt dat in eerste instantie moet worden geruimd en dat </para>
      <para>vaccinatie niet, althans beperkt en onder strenge voorwaarden mogelijk is. De </para>
      <para>Minister is bij zijn keuze geheel in lijn met dit uitgangspunt en mede daarom </para>
      <para>stellig binnen de redelijkheidsgrenzen gebleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij monde van drs F.H. Pluimers ter zitting op vragen van de president </para>
      <para>nader uiteengezet welke veterinaire redenen bestaan om de gevaccineerde dieren te doden en </para>
      <para>daarmee uitvoering te geven aan de Beschikking van de Europese Commissie. </para>
      <para>Deze redenen zijn gebaseerd op de omstandigheid dat zeer moeilijk aantoonbaar is dat in een </para>
      <para>koppel of op een bedrijf g‚‚n besmetting met het mkz-virus heerst. Dieren die tegen het mkz-</para>
      <para>virus zijn gevaccineerd in een omgeving waar een mkz-besmetting heerst, kunnen namelijk </para>
      <para>reeds met het mkz-virus besmet zijn geraakt v¢¢rdat vaccinatie heeft plaatsgevonden. Deze </para>
      <para>dieren zijn dan zelf wel beschermd en tonen geen klinische ziekteverschijnselen, maar zij zijn </para>
      <para>wel gedurende lange tijd - langer dan maanden - drager (carrier) van het mkz-virus in hun </para>
      <para>lichaam en kunnen de besmetting op andere, niet gevaccineerde dieren, overbrengen. De </para>
      <para>eerste maanden na vaccinatie ontstaan nog geen problemen omdat vanwege het van kracht </para>
      <para>blijvende vervoersverbod van het desbetreffende bedrijf geen dieren mogen worden aan- of </para>
      <para>afgevoerd. Wel worden echter op dat bedrijf dieren geboren. Deze jonge dieren zijn </para>
      <para>gedurende de eerste maanden van hun leven ongevoelig voor mkz, omdat zij nog beschermd </para>
      <para>worden door de anti-lichamen die zich in de moedermelk bevinden. Nadat deze maternale </para>
      <para>anti-lichamen na verloop van tijd uit het lichaam van het jonge dier zijn verdwenen, wordt het </para>
      <para>dier volledig gevoelig voor mkz. Het jonge dier kan vervolgens door ‚‚n van de carrier-dieren </para>
      <para>uit de koppel of op het bedrijf met het mkz-virus worden besmet, waarna zich de sluimerend </para>
      <para>aanwezige mkz-besmetting zal openbaren.</para>
      <para>Een mogelijke nog sluimerend aanwezige mkz-besmetting als vorenomschreven is de reden </para>
      <para>dat in de internationale codes - zoals die zijn opgesteld door de wereldorganisatie van </para>
      <para>dierziektenbestrijding (OIE) - is vastgelegd dat een land dat de status heeft van 'vaccinerend </para>
      <para>tegen mkz' op zijn vroegst na een periode van 12 maanden nadat het vaccineren is gestopt als </para>
      <para>'mkz-vrij' kan worden aangemerkt. Deze regels van de OIE zijn vertaald in de Beschikking </para>
      <para>van de Europese Commissie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door verzoekers overgelegde verklaring van dr F. Brown, inhoudende dat het hoogst </para>
      <para>onwaarschijnlijk is dat carrier-dieren het mkz-virus op andere dieren kunnen overbrengen, </para>
      <para>geeft de mening van een wetenschapper weer. Er zijn andere wetenschappers die dr Brown </para>
      <para>bijvallen, maar zijn ook vele andere wetenschappers die de opinie van dr Brown gemotiveerd </para>
      <para>in twijfel trekken.</para>
      <para>Op het moment dat de dieren gevaccineerd gaan worden, worden steekproefsgewijs </para>
      <para>bloedmonsters genomen en deze bloedmonsters worden op de aanwezigheid van </para>
      <para>anti-lichamen tegen het mkz-virus onderzocht. Een negatieve uitslag van zulk een bloedtest </para>
      <para>kan echter slechts tot de conclusie leiden dat het desbetreffende dier 5 dagen v¢¢r het moment </para>
      <para>van vaccinatie niet besmet was met het mkz-virus. De reden hiervoor is dat de vorming van </para>
      <para>anti-lichamen tegen het mkz-virus eerst 5 dagen na het infectiemoment plaatsvindt. In de </para>
      <para>korte periode van 5 tot 0 dagen voorafgaand aan de vaccinatie, kan het dier derhalve een mkz-</para>
      <para>besmetting hebben opgelopen zonder dat dit middels bloedonderzoek aantoonbaar is. Een </para>
      <para>dergelijke besmetting is theoretisch heel goed mogelijk. De uitslag van vorenbedoelde </para>
      <para>bloedtesten is derhalve geen bewijs dat een dier niet besmet is met het mkz-virus, maar heeft </para>
      <para>vooral epidemiologische waarde. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) </para>
      <para>juncto artikel 19, eerste lid van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien </para>
      <para>tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk </para>
      <para>beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>5.2.	Verzoekers sub 1 (A c.s.) hebben het verzoek gedaan de tenuitvoerlegging te schorsen van de </para>
      <para>ten aanzien van elk van hen afzonderlijk genomen besluiten van verweerder, welke genomen </para>
      <para>zijn op 29 maart 2001. </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De president wijst erop dat, gelet op de bevoegdheden van de bestuursrechter, deze verzoeken </para>
      <para>worden opgevat als verzoeken om de besluiten te schorsen, voorzover daarin de beslissing tot </para>
      <para>het doden van de verdachte dieren wordt meegedeeld. Bij een toewijzing van dat verzoek </para>
      <para>wordt bereikt, dat aan de rechtmatigheid van feitelijk handelen, te weten een daadwerkelijke  </para>
      <para>uitvoering van het voornemen tot doden, voorshands de grondslag komt te ontvallen. </para>
      <para>	De president stelt vast dat bij uitspraak van 7 april 2001 (AWB 01/242)  het verzoek om een </para>
      <para>voorlopige voorziening  van onder meer deze zelfde verzoekers is afgewezen.</para>
      <para>	Het ging daarbij om dezelfde besluiten van verweerder als die waarvan thans de schorsing van </para>
      <para>de tenuitvoerlegging wordt verzocht.</para>
      <para>	Aan de in de genoemde besluiten eveneens aangekondigde maatregel dat de dieren, in </para>
      <para>afwachting van het doden, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de Wet zullen worden </para>
      <para>gevaccineerd is bij de dieren van de onderscheidene verzoekers in de periode tussen 31 maart </para>
      <para>en 5 april 2001 uitvoering gegeven.      </para>
      <para>	Voorzover verzoekers thans opnieuw de argumenten aan de orde stellen die al in de eerdere </para>
      <para>door hen gevoerde schorsingsprocedures aan de orde zijn geweest, merkt de president opdat </para>
      <para>die argumenten in onder meer genoemde uitspraak AWB 01/242 zijn gewogen. Zij hebben </para>
      <para>niet ertoe geleid dat de verzoeken tot schorsing werden toegewezen. De president verwijst </para>
      <para>voor het procesverloop, de regelgeving, de feiten en de overwegingen naar genoemde </para>
      <para>uitspraak.</para>
      <para>5.3	In de zaken van de verzoekers onder 2.(J c.s.) verschillen de hiervoor bedoelde data van </para>
      <para>besluit en inenting. Voor de beoordeling van het geschil zijn de verschillen evenwel niet van </para>
      <para>belang.  De  navolgende overwegingen gelden derhalve evenzeer voor deze verzoekers.</para>
      <para> 5.4.1 Namens verzoekers is  primair als nieuw argument aangevoerd, dat door het tijdsverloop </para>
      <para>sinds de dag dat de bestreden besluiten werden genomen, de dieren waarvan de doding in de </para>
      <para>besluiten van 29 maart 2001 is aangekondigd, niet meer verdachte dieren zijn in de zin van de </para>
      <para>Wet en het Besluit.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Immers, dieren die, zoals bij verzoekers, op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit </para>
      <para>als verdacht zijn aangemerkt, blijven ingevolge artikel 5 van het Besluit verdacht gedurende </para>
      <para>een periode van 21 dagen bij mond-en klauwzeer.</para>
      <para>	Sinds het nemen van de bestreden besluiten zijn meer dan 21 dagen verstreken.</para>
      <para>5.4.2 De president volgt verzoekers niet in dit betoog. Hij  overweegt daartoe het volgende.</para>
      <para>	Ingevolge de artikelen 21 juncto 22, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet, kunnen de </para>
      <para>maatregelen tot de bestrijding van de ziekte die door het bevoegd gezag nodig worden geacht </para>
      <para>zijn:  het doden van  zieke en verdachte dieren.  </para>
      <para>	De besluiten tot het doden van de dieren maken deel uit van een besluit waarin de dieren van </para>
      <para>verzoekers als verdacht werden aangemerkt. Op basis van die verdenking is, naast nog een </para>
      <para>aantal andere beslissingen over te nemen maatregelen, onder meer tot de maatregel tot doden </para>
      <para>van de dieren besloten. </para>
      <para>	De beslissing tot verdachtverklaring - en ook tot het doden - is in eerderbedoelde uitspraken </para>
      <para>op verzoeken om een voorlopige voorziening door de president  niet kennelijk onrechtmatig </para>
      <para>geacht. </para>
      <para>	Wat er zij van de vraag of, zoals verzoekers stellen, de beslissing inzake de verdenking van de </para>
      <para>dieren inmiddels volgens het Besluit is uitgewerkt, die omstandigheid leidt  niet zonder meer </para>
      <para>tot de conclusie dat de - in de beslissingen in primo eveneens genomen - beslissingen om de </para>
      <para>betrokken dieren te doden, hun geldigheid  hebben verloren. </para>
      <para>	Uit deze bepaling kan wellicht worden afgeleid dat er geen grondslag is voor het  nemen van </para>
      <para>een beslissing tot het doden van dieren, indien zo'n beslissing eerst wordt genomen na </para>
      <para>ommekomst van de daar genoemde termijn van 21 dagen, er geen nieuwe beslissing tot </para>
      <para>verdenking is genomen en de verdenking niet, met toepassing van artikel 5, derde lid van het </para>
      <para>Besluit, is verlengd. Naar voorlopig oordeel volgt echter uit tekst noch strekking van de Wet </para>
      <para>of het Besluit dat de geldigheidsduur van zo'n besluit tot doden aan dezelfde termijnen is </para>
      <para>gebonden als die, welke zijn vastgesteld voor de duur van de verdenking.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>Voor het oordeel dat de tekst van het bepaalde bij artikel 22, eerste lid, onder f  van de Wet, </para>
      <para>inhoudende dat de in artikel 21 bedoelde maatregel kan zijn het doden van verdachte dieren, </para>
      <para>geen andere uitleg toelaat dan dat de betrokken dieren niet alleen ten tijde van het nemen van </para>
      <para>het voor beroep vatbare besluit, maar ook ten tijde van het uitvoering geven daaraan de status </para>
      <para>'verdacht ' in de zin van het Besluit moeten hebben, ziet de president voorshands onvoldoende </para>
      <para>reden. Denkbaar is dat aan een besluit tot doden nog geen uitvoering is gegeven, terwijl uit </para>
      <para>een oogpunt van bestrijding van de dierziekte de noodzaak, in de zin van artikel 21 van de </para>
      <para>Wet, tot het nemen van die maatregel nog steeds bestaat. Voor de conclusie dat de wetgever </para>
      <para>beoogd zou hebben dat verweerder in dergelijke gevallen steeds - en dus ook hier telkenmale - </para>
      <para>na het verstrijken van de 21-dagen termijn een nieuw besluit tot verdachtverklaring zou </para>
      <para>moeten nemen, ziet de president voorshands onvoldoende aanknopingspunt in tekst en </para>
      <para>strekking van de onderhavige bepalingen. </para>
      <para>	Aan de besluiten van 29 maart 2001 tot het doden is de grondslag dus niet zonder meer komen </para>
      <para>te ontvallen doordat nu, inmiddels  meer dan 21 dagen later, de periode waarin dieren volgens </para>
      <para>artikel 5 van het Besluit verdacht blijven, is verstreken.</para>
      <para>5.5	Met betrekking tot de aangevoerde argumenten van verzoekers, in het bijzonder de subsidiair </para>
      <para>aangevoerde argumenten - waarin vooral gewezen is op het feit dat inmiddels de dieren zijn </para>
      <para>gevaccineerd, waardoor uit een oogpunt van veterinaire risico's huns inziens een andere </para>
      <para>situatie is ontstaan met betrekking tot de verdenking en de noodzaak tot slachten van de </para>
      <para>dieren - overweegt de president voorts het volgende. </para>
      <para>	Gelet op het bepaalde bij artikel 7:11 Awb dient verweerder in het kader van de </para>
      <para>bezwaarprocedure het bestreden besluit te heroverwegen en herroept hij het besluit als de </para>
      <para>heroverweging daartoe aanleiding geeft. Feiten en omstandigheden van na de besluiten in </para>
      <para>primo, zoals het feit dat de betrokken dieren inmiddels zijn gevaccineerd, spelen derhalve, </para>
      <para>gelet op het bepaalde bij artikel 8:81 Awb, bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken </para>
      <para>om een voorlopige voorziening een rol, voorzover zij ertoe  kunnen leiden dat in bezwaar de </para>
      <para>bestreden besluiten zullen worden herroepen.  Verweerder ziet, blijkens zijn reactie ter zitting </para>
      <para>op hetgeen verzoekers in hun bezwaarschrift en ter zitting hebben aangevoerd, thans geen </para>
      <para>aanleiding  om onder meer in de omstandigheid dat  de dieren inmiddels zijn gevaccineerd,  </para>
      <para>terug te komen op zijn besluiten in primo tot het doden van de dieren. Hoewel niet zonder </para>
      <para>meer valt uit te sluiten dat in de bezwaarfase verweerder op basis van nadere argumentatie </para>
      <para>van verzoekers anders beslist, ziet de president in hetgeen verzoekers thans hebben </para>
      <para>aangevoerd geen termen om tot schorsing van de besluiten in primo - ook niet in afwachting </para>
      <para>van de nog te nemen beslissingen op bezwaar- over te gaan.   </para>
      <para>	Daartoe wordt als volgt overwogen.</para>
      <para>5.5.1 Allereerst zij benadrukt dat de taken en bevoegdheden van de bestuursrechter, oordelend op </para>
      <para>een verzoek om een voorlopige voorziening, beperkt zijn. Bij zijn toetsing van bestreden </para>
      <para>besluiten gaat het niet primair om de vraag of verweerder wellicht andere beslissingen zou </para>
      <para>kunnen nemen, maar vooral of  bij de uitoefening van bevoegdheden verweerder is gebleven  </para>
      <para>binnen de daarvoor bestemde wettelijk kaders en of zijn beslissingen een juiste feitelijke </para>
      <para>grondslag hebben.</para>
      <para>	De  ingrijpende gevolgen van de mond- en klauwzeeruitbraak plaatsen verweerder voor </para>
      <para>vergaande beleidsbeslissingen bij zijn bestrijding daarvan. Onder meer de opmerkingen van </para>
      <para>de  minister, zoals die zijn neergelegd in een verslag van het overleg met de vaste Commissie </para>
      <para>voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 27 maart 2001(vastgesteld op 18 april 2001, </para>
      <para>TK.27622, nr 32) geven een beeld van de belangen, die bij de afwegingen van verweerder een </para>
      <para>rol spelen. Het gaat daarbij onder meer om, ook door verzoekers genoemde, aspecten als de </para>
      <para>individuele zorgen en het verdriet van betrokkenen om het verlies van  de dieren, de morele </para>
      <para>en ethische aspecten van het doden van dieren, mede in relatie tot de achtergrond van het EU-</para>
      <para>vaccinatieverbod, en ook om de macro-economische aspecten van het wel of niet doden van al </para>
      <para>dan niet gevaccineerde dieren. Het is mogelijk dat van de door verweerder gemaakte </para>
      <para>beleidskeuzen, omdat het nu eenmaal keuzen zijn, gezegd kan worden dat zij ook anders </para>
      <para>hadden kunnen uitvallen. Waar het bij de toetsing van verweerders beleid door de president </para>
      <para>echter in deze gedingen om gaat is de vraag of zij naar voorlopig oordeel - rechtens - anders </para>
      <para>hadden moeten uitvallen. Voor dat laatste oordeel is slechts plaats als gezegd moet worden dat </para>
      <para>die keuze kennelijk onredelijk is.     </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij dient bovendien in aanmerking te worden genomen verweerder over dit onderwerp </para>
      <para>zich regelmatig verstaat met de Tweede Kamer, over de door hem gemaakte keuzen overleg </para>
      <para>voert en over de hoofdlijnen van zijn beleid politiek verantwoording aflegt. Het is primair de </para>
      <para>taak van de volksvertegenwoordiging om verweerders algemene beleid te toetsen. Daar, waar </para>
      <para>die toetsing van verweerders beleid in de politieke gremia thuishoort en  heeft plaatsge-</para>
      <para>vonden, past de bestuursrechter in kort geding terughoudendheid bij zijn beoordeling daarvan.</para>
      <para>5.5.2 Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene dient allereerst de noodzaak (bedoeld in </para>
      <para>artikel 21 van de Wet ) tot het doden van de dieren ( als maatregel tot de bestrijding van de </para>
      <para>ziekte) te worden beoordeeld in het licht van de door verzoekers aangevoerde argumenten.  </para>
      <para>	De president stelt voorts voorop dat het inschatten van hier aan de orde zijnde veterinaire </para>
      <para>risico's tot de bevoegdheid  van verweerder behoort.</para>
      <para>	Het is niet aan het College, laat staan aan de president in een voorlopige voorziening </para>
      <para>procedure om een zodanige inschatting in zich zelf na te wegen.</para>
      <para>	Voor de president komt het treffen van een voorlopige voorziening in dit opzicht eerst binnen </para>
      <para>handbereik wanneer het hiervoor weergegeven expos‚ van verweerder over de veterinaire </para>
      <para>aspecten zo evident en overtuigend door de verzoekende partij op losse schroeven wordt </para>
      <para>gezet, dat dit expos‚ niet langer als basis voor het door verweerder ingezette en gehandhaafde </para>
      <para>beleid kan dienen.</para>
      <para>	Geplaatst tegen deze achtergrond neemt de president het volgende in aanmerking.</para>
      <para>	Van de zijde van verweerder is ter zitting een  uiteenzetting gegeven over de gevaren van </para>
      <para>besmetting, die gevaccineerde dieren van verzoekers kunnen opleveren na verloop van enige </para>
      <para>maanden. Die uiteenzetting is hiervoor onder rubriek 4 weergegeven. </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gewicht daarvan is door verzoekers gemachtigde gerelativeerd.  Hij heeft daartoe </para>
      <para>verwezen naar de bloedmonsters die voor vaccinatie zijn genomen en waarvan niet is gesteld </para>
      <para>dat die positief zijn bevonden op mkz.  De juistheid van verweerders uiteenzetting over de </para>
      <para>veterinaire aspecten  is naar voorlopig oordeel evenwel in essentie door verzoekers </para>
      <para>gemachtigde niet, dan wel onvoldoende overtuigend bestreden. Ook de door verzoekers in het </para>
      <para>geding gebrachte verklaring van prof. Noordhuizen, hiervoor aangehaald, leidt niet tot een </para>
      <para>ander oordeel, gelet op de clausulering van zijn verklaring aan het slot ervan.</para>
      <para>Verweerder acht, blijkens zijn ter zitting gegeven uiteenzetting, de bezwaren tegen het niet </para>
      <para>uitvoering geven aan zijn besluiten in primo zo zwaarwegend dat hij in de door verzoekers </para>
      <para>genoemde argumenten geen aanleiding ziet om thans (zonder meer) tot herroepen van de </para>
      <para>besluiten in primo tot het doden van de dieren over te gaan. </para>
      <para>5.5.3 Naar voorlopig oordeel moet bij de huidige stand van zaken, waarin vooralsnog moet worden </para>
      <para>uitgegaan van een voortzetting van het non-vaccinatiebeleid van de EU, geoordeeld worden </para>
      <para>dat verweerder zich niet kennelijk ten onrechte op dat standpunt stelt.</para>
      <para>	Daartoe overweegt de president meer in het bijzonder het volgende. </para>
      <para>	Verzoekers zijn, zoals uit het vorenoverwogene volgt, naar zijn voorlopig oordeel er niet in </para>
      <para>geslaagd  het veterinaire fundament van verweerders beleid aan te tasten in de hiervoor </para>
      <para>omschreven zin. Bovendien zijn hier eveneens in aanmerking te nemen de belangen van met </para>
      <para>name (macro-) economische aard die verweerder heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn </para>
      <para>standpunt dat hij zich bij de huidige stand van zaken gehouden acht in deze gevallen </para>
      <para>uitvoering te geven aan de voorwaarden die de Europese Commissie in de (hiervoor in rubriek </para>
      <para>2 aangehaalde) Beschikking heeft verbonden aan het suppressief vaccineren van dieren, naar </para>
      <para>voorlopig oordeel zeer zwaarwegend te achten. De bedrijfseconomische belangen van </para>
      <para>verzoekers dienen naar voorlopig oordeel daarvoor te wijken. Ten aanzien van de andere, </para>
      <para>immateri‰le, door verzoekers genoemde belangen moeten worden voorop gesteld dat zij </para>
      <para>eerder zijn afgewogen door verweerder in overleg met  de politieke gremia. Afgewogen tegen </para>
      <para>de  door verweerder genoemde belangen ziet de president geen plaats voor het oordeel dat </para>
      <para>deze immateri‰le belangen, in afwijking van de hiervoor bedoelde eerder gemaakte </para>
      <para>afwegingen van verweerder ter zake, moeten leiden  tot een schorsing - eventueel van </para>
      <para>beperkte duur - van de in geding zijnde besluiten. </para>
      <para>	Het is  primair aan verweerder om, zonodig en zo mogelijk, tempo en volgorde van zijn </para>
      <para>bestrijdingsmaatregelen te beoordelen en daarvoor, indien daarvoor aanleiding is, een beleid </para>
      <para>vast te stellen. Het is niet aan de president om daarop vooruit te lopen. Daarbij neemt  de </para>
      <para>president meer in het bijzonder in aanmerking dat hij geen aanknopingspunt ziet voor het </para>
      <para>oordeel dat verweerder bij de planning van zijn bestrijdingsactiviteiten niet de veterinaire </para>
      <para>noodzaak als uitgangspunt hanteert voor onder meer het bepalen van het tijdstip waarop en bij </para>
      <para>welke bedrijven de maatregel tot het doden van de daar verdachte dieren tenuitvoer moet </para>
      <para>worden gelegd.      </para>
      <para>	Ook de vraag derhalve of verweerder bij de door hem ter zake te verrichten belangenafweging </para>
      <para>bijvoorbeeld mede de omstandigheid betrekt dat het College op  26 april 2001 bij zijn </para>
      <para>uitspraak in de zaak Z (zaak AWB 01/282) via een spoedprocedure aan het Hof prejudiciele </para>
      <para>vragen heeft gesteld over de geldigheid van de non-vaccinatierichtlijn en de </para>
      <para>entingsbeschikkingen van de Europese Commissie ligt primair  bij verweerder ter </para>
      <para>beantwoording. Het moge zo zijn dat uit het stellen van deze vragen blijkt van twijfel bij het </para>
      <para>College omtrent de geldigheid van het vaccinatieverbod en de wijze waarop de Commissie </para>
      <para>toepassing heeft gegeven aan voormeld artikel 13, maar deze twijfel is niet zo groot dat hier </para>
      <para>voor de president, gelet op de terzake geldende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de </para>
      <para>Europese Gemeenschappen (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 1991 in de zaken </para>
      <para>C-143/88 en C-92/89) de vrijheid zou bestaan de opschorting van een mede op een </para>
      <para>gemeenschapshandeling gebaseerd bestuursbesluit te gelasten.</para>
      <para>5.5.4 Gelet op het hiervoor overwogene komen de verzoeken om voorlopige voorziening van </para>
      <para>verzoekers sub 1 en 2 niet voor toewijzing in aanmerking. De argumenten van verweerder, </para>
      <para>voorzover die in het voorgaande niet aan de orde zijn geweest, kunnen dan ook verder </para>
      <para>onbesproken blijven.</para>
      <para>5.6	Het voorgaande is ten aanzien van verzoeker sub 3. in zoverre anders dat naar voorlopig </para>
      <para>oordeel in dat geval, vanwege de vastgestelde afstand van verzoekers bedrijf tot het primaire </para>
      <para>bedrijf, welke meer dan twee kilometer bedraagt, het onderzoek moet worden voortgezet. In </para>
      <para>eerdere uitspraken op verzoeken om voorlopige voorziening (onder meer in de zaken Awb </para>
      <para>01/204 en 205) heeft de president geoordeeld dat verweerders beleid om tot het als verdacht </para>
      <para>aanmerken en, op basis daarvan, tot het nemen van de maatregel doden van dieren over te </para>
      <para>gaan bij bepaalde bedrijven niet onrechtmatig is te achten. Het ging daarbij dan om bedrijven </para>
      <para>in een straal van 1 kilometer ( later 2 kilometer) rond een bedrijf  ten aanzien waarvan een </para>
      <para>bevestiging, in de zin van de Richtlijn, is gegeven dat er een of meer met mkz besmette dieren </para>
      <para>aanwezig zijn. Dit oordeel was gebaseerd op de toenmalige stand van zaken met betrekking </para>
      <para>tot de mond-en klauwzeer epidemie. Een oordeel over het als verdacht aanmerken van dieren </para>
      <para>buiten genoemde straal van 2 kilometer is toen niet gegeven.    </para>
      <para>	Naar voorlopig oordeel biedt hetgeen verweerder thans heeft aangevoerd voorshands </para>
      <para>onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat in het geval van verzoeker sub 3. zich </para>
      <para>omstandigheden voordoen op grond waarvan verweerder ook buiten genoemde straal van 2 </para>
      <para>kilometer zijn hiervoor bedoelde beleid van toepassing heeft kunnen achten.   </para>
      <para>	De president houdt de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening van deze </para>
      <para>verzoeker derhalve aan voor nader onderzoek, onder handhaving van de eerder telefonisch </para>
      <para>uitgesproken schorsing van het besluit waarvan schorsing is gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers sub 1 en 2 af en heft de op 23 april 2001 telefonisch uitgesproken schorsing op;</para>
      <para>-	houdt de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker sub 3 aan en zet de op 23 april 2001 telefonisch uitgesproken schorsing voort. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen						w.g. M.S. Hoppener</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>