<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1413</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T16:00:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1413</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/283</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1413">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1413</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1413 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 19-04-2001 / AWB 01/283</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1413:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1413:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 01/283						19 april 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, verzoekster,</para>
      <para>gemachtigden: mr J. Roeleveld, advocaat te Heerlen, mr F.Th.M. Peters, juridisch medewerker </para>
      <para>en L.W.M. Lentjes, werkzaam bij appellante, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te 's-Gravenhage </para>
      <para>verweerder, gemachtigden: mr R. Ludding en mr M. Dijkstra, advocaten te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Verzoekster heeft verweerder bij faxberichten van 27 en 28 maart 2001 verzocht om de </para>
      <para>afgifte van de certificaten als genoemd in artikel 2, derde lid, van de Beschikking van de </para>
      <para>Europese Commissie 2001/223/EG ten aanzien van partijen door haar uitgebeend </para>
      <para>rundvlees, welke partijen in de periode van 20 februari 2001 tot en met 20 maart 2001 door </para>
      <para>haar naar Frankrijk zijn ge‰xporteerd en aldaar door de Franse autoriteiten zijn </para>
      <para>geblokkeerd in het kader van veterinair toezicht.</para>
      <para>Verweerder heeft bij brief van 29 maart 2001 op de brieven van verzoekster gereageerd en </para>
      <para>hierbij het volgende medegedeeld:</para>
      <para>"	1. Partijen vlees, die niet meer op de plaats aanwezig zijn waar het certificaat of </para>
      <para>een verklaring afgegeven dient te worden, worden door de RVV niet </para>
      <para>nagecertificeerd. Dit is in overeenstemming met de certificeringsrichtlijn.</para>
      <para>2. Vers vlees dat verzonden wordt vanuit de gebieden gelegen in Bijlage I en II </para>
      <para>van de beschikking 2001/223/EG, als dit als bestemming een andere lidstaat </para>
      <para>heeft, dient het vlees te voldoen aan de criteria die genoemd staan is de </para>
      <para>beschikking. Om dit aantoonbaar te maken is een kanalisatieprotocol nodig. </para>
      <para>Een protocol met basiscriteria wordt momenteel opgesteld door de COV. Zodra </para>
      <para>dit protocol beoordeeld en goedgekeurd is, dient u als bedrijf met de locale </para>
      <para>RVV afspraken te maken over de nadere invulling van dit basisprotocol. Tot </para>
      <para>dat dit basisprotocol goedgekeurd is, kan er geen export plaatsvinden naar </para>
      <para>lidstaten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder duiding van de brief van 29 maart 2001 als een weigering om het gevraagde </para>
      <para>certificaat af te geven, heeft verzoekster bij brief van 12 april 2001 bezwaar gemaakt tegen </para>
      <para>dit besluit.</para>
      <para>Verzoekster heeft bij verzoekschrift van 12 april 2001, dat dezelfde dag ter griffie is </para>
      <para>binnengekomen, aan de president van het College verzocht een voorlopige voorziening te </para>
      <para>treffen, inhoudende dat verweerder wordt bevolen om binnen 24 uur na de uitspraak op het </para>
      <para>onderhavige verzoek over te gaan tot de afgifte van het certificaat als genoemd in artikel 2, </para>
      <para>derde lid, van de Beschikking van de Europese Commissie 2001/223/EG ten aanzien de </para>
      <para>bovengenoemde partijen uitgebeend rundvlees die in de periode van 20 februari 2001 tot </para>
      <para>en met 20 maart 2001 door haar naar Frankrijk zijn ge‰xporteerd.  </para>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 19 april 2001, alwaar partijen hun </para>
      <para>standpunt bij monde van hun gemachtigde nader hebben toegelicht.</para>
      <para>2.	De toepasselijke regelgeving</para>
      <para>In de Beschikking van de Europese Commissie 2001/223/EG van 21 maart 2001 tot </para>
      <para>vaststelling van beschermende maatregelen in verband met mond- en klauwzeer in </para>
      <para>Nederland (verder te noemen: de Beschikking), wordt - ten tijde hier van belang - onder </para>
      <para>meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>1.	Nederland verzendt geen vers vlees van runderen, schapen, geiten, varkens </para>
      <para>of andere evenhoevige dieren dat afkomstig is uit de in bijlage I vermelde delen </para>
      <para>van zijn grondgebied of dat is verkregen van dieren uit die delen van </para>
      <para>Nederland.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Het in lid 1 vastgestelde verbod geldt niet voor:</para>
      <para>a) vers vlees dat v¢¢r 20 februari 2001 is verkregen, op voorwaarde dat het </para>
      <para>vlees duidelijk is ge‹dentificeerd en dat het sedert die datum bij vervoer en </para>
      <para>opslag gescheiden is gehouden van vlees dat niet bestemd is om te worden </para>
      <para>verzonden uit de in bijlage I vermelde gebieden;</para>
      <para>b) vers vlees dat is verkregen van dieren die zijn gehouden buiten de in bijlage </para>
      <para>I vermelde gebieden en die, in afwijking van het bepaalde in artikel 1, punt 1, </para>
      <para>rechtstreeks, onder offici‰le controle, in verzegelde vervoermiddelen en voor </para>
      <para>onmiddellijke slachting zijn vervoerd naar een slachthuis dat ligt in een van de </para>
      <para>in bijlage I vermelde gebieden, maar buiten het beschermingsgebied: dit vlees </para>
      <para>mag alleen in Nederland op de markt worden gebracht;</para>
      <para>c) vers vlees dat in uitsnijderijen in de in bijlage I vermelde gebieden is </para>
      <para>verkregen met inachtneming van de volgende voorwaarden:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>d) vers vlees dat is verkregen van dieren van voor de ziekte gevoelige soorten </para>
      <para>van herkomst uit de in bijlage I vermelde gebieden, en dat onder veterinair </para>
      <para>toezicht wordt vervoerd naar een buiten de in bijlage I vermelde gebieden </para>
      <para>gelegen inrichting in Nederland om daar een behandeling te ondergaan </para>
      <para>overeenkomstig artikel 3, lid 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Vlees dat uit Nederland naar andere lidstaten wordt verzonden, gaat </para>
      <para>vergezeld van een door een offici‰le dierenarts afgeven certificaat. Op het </para>
      <para>certificaat wordt de volgende vermelding aangebracht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Dit vlees voldoet aan Beschikking 2001/223/EG van de Commissie van </para>
      <para>21 maart 2001 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met </para>
      <para>mond- en klauwzeer in Nederland."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 14</para>
      <para>Deze beschikking is van toepassing tot en met 4 april 2001 om middernacht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage I</para>
      <para>In Nederland, de provincies: </para>
      <para>Gelderland, Overijssel, Flevoland, Noord-Brabant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage II</para>
      <para>In Nederland:</para>
      <para>alle provincies van continentaal Nederland, met uitzondering van de in bijlage I </para>
      <para>vermelde provincies."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) wordt onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 80</para>
      <para>Indien er gevaar bestaat voor overbrenging van een in Nederland opgetreden </para>
      <para>besmettelijke dierziekte kan Onze Minister het buiten Nederland brengen van </para>
      <para>dieren en dierlijke produkten afkomstig uit Nederland of een door hem te </para>
      <para>bepalen gedeelte daarvan verbieden dan wel verbieden indien niet voldaan </para>
      <para>wordt aan door hem te stellen regelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 109</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 21 maart 2001 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij mede op </para>
      <para>grond van artikel 80 van de Wet de Regeling uitvoerverbod vee en bepaalde dierlijke </para>
      <para>producten mond- en klauwzeer 2001 (hierna: de Regeling) vastgesteld. Op 26 maart 2001 </para>
      <para>heeft de minister de Regeling - voor zover hier van belang - als volgt gewijzigd:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Gelet op Beschikking 2001/223/EG (.);</para>
      <para>Gelet op de artikelen (.) en 80 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor </para>
      <para>dieren:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Besluit:</para>
    <para />
    <para>Artikel I</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1 van de Regeling uitvoerverbod vee en bepaalde dierlijke producten </para>
      <para>mond- en klauwzeer 2001 komt te luiden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel I</para>
      <para>1.	Het buiten Nederland brengen van vee is verboden.</para>
      <para>2.	Het brengen van producten van evenhoevigen buiten het gebied, bedoeld in </para>
      <para>bijlage I van Beschikking 2001/223/EG (.) is verboden.</para>
      <para>3.	Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van de in de </para>
      <para>artikelen 2 tot en met 8 van voornoemde beschikking bedoelde producten, </para>
      <para>indien, voorzover van toepassing, wordt voldaan aan de in de artikelen 1 tot en </para>
      <para>met 11 van die beschikking gestelde voorwaarden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Feiten en omstandigheden</para>
      <para>Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president op grond </para>
      <para>van de stukken en het onderzoek er zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Verzoekster exploiteert een vleesverwerkingsbedrijf te B (provincie Limburg), in </para>
      <para>welk bedrijf aldus runderkarkassen worden verwerkt dat deze daar worden </para>
      <para>uitgebeend, uitgesneden (het zogenaamde "snitsnijden") en verpakt, waarna </para>
      <para>verzoekster deze producten verkoopt en distribueert. Naar gesteld betrekt </para>
      <para>verzoekster, althans in ieder geval sinds 1 januari 2001, al haar grondstoffen (de </para>
      <para>runderkarkassen en onderdelen daarvan) van slachterijen uit MKZ-vrije landen. Naar </para>
      <para>gesteld wordt door verzoeksters binnen haar bedrijf gebruik gemaakt van officieel </para>
      <para>erkende kwaliteitswaarborgingsystemen op grond waarvan sprake is van volledige en </para>
      <para>eenvoudige 'traceability' met betrekking tot het door verzoekster gebruikte en </para>
      <para>verwerkte vlees.</para>
      <para>- Verzoekster heeft in de periode van 20 februari 2001 tot 20 maart 2001 vlees </para>
      <para>ge‰xporteerd naar Frankrijk met inachtneming van de daarvoor (op dat moment) </para>
      <para>geldende exportvereisten.  </para>
      <para>- Op 21 maart 2001 heeft de Minister van Landbouw en Visserij van Frankrijk, naar </para>
      <para>aanleiding van de Beschikking, een maatregel uitgevaardigd die - kort samengevat - </para>
      <para>bepaalt dat alle uit Nederland ingevoerde vlees in de periode van 20 februari tot </para>
      <para>21 maart 2001 in beslag wordt genomen, waarna het vlees gere‰xporteerd, vernietigd </para>
      <para>of een warmtebehandeling gegeven dient te worden dan wel een aanvullend </para>
      <para>Nederlands certificaat conform de Beschikking ontvangen dient te worden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verzoekster</para>
      <para>Verzoekster heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>De Regeling treedt buiten het bereik van artikel 80 van de Wet. De Regeling is immers ook </para>
      <para>van toepassing op dieren die niet uit Nederland afkomstig zijn en in zoverre is de Regeling </para>
      <para>in het onderhavige geval niet van toepassing, aangezien het vlees dat door verzoekster </para>
      <para>wordt verwerkt steeds afkomstig is uit MKZ-vrije landen en niet uit Nederland. Ook op </para>
      <para>grond van de Beschikking gaat de Nederlandse overheid te ver bij de onderhavige </para>
      <para>weigering, aangezien vlees als in het onderhavige geval wel degelijk mag dan wel mocht </para>
      <para>worden ge‰xporteerd, mits voorzien van een verklaring.</para>
      <para>Frankrijk mag met betrekking tot de onderhavige partijen vlees aanvullende voorwaarden, </para>
      <para>als door verzoekster weergegeven, stellen, aangezien in de Beschikking terugwerkende </para>
      <para>kracht tot 20 februari 2001 kan worden ingelezen op grond van het bepaalde in artikel 2, </para>
      <para>tweede lid, onder a en volgende in samenhang met artikel 2, eerste en derde lid van de </para>
      <para>Beschikking. </para>
      <para>Hieruit volgt immers dat van het exportverbod is uitgesloten vlees dat v¢¢r 20 februari </para>
      <para>2001 is verkregen en niet vermengd is met een partij vlees voor zover afkomstig uit een </para>
      <para>gebied als vermeld in bijlage I die na die datum is verkregen. Frankrijk zou anders immers </para>
      <para>geen zekerheid hebben of aan de voorwaarden van artikel 2 (niet uit bijlage I gebied, tenzij </para>
      <para>van v¢¢r 20 februari 2001) is voldaan. Frankrijk eist dan ook terecht voor de partij(en) </para>
      <para>vlees verzonden na 20 februari 2001 een certificaat conform de Beschikking.</para>
      <para>Re-export van het door verzoekster naar Frankrijk uitgevoerde vlees naar Nederland is </para>
      <para>geen re‰le optie. Het betreft vlees dat vacum verpakt is en een gegarandeerde </para>
      <para>houdbaarheid heeft van zes weken, welke termijn voor een belangrijk deel dreigt te </para>
      <para>verstrijken of reeds is verstreken. Het vlees zou na terugontvangst moeten worden </para>
      <para>uitgepakt, omgepakt en van nieuwe etikettering moeten worden voorzien. Door het </para>
      <para>verstrijken van de tijd verandert de bacteriologische toestand van het vlees en is daarom </para>
      <para>voor dat vlees de facto nagenoeg geen markt te vinden. Een warmtebehandeling van het </para>
      <para>vlees is voor verzoekster evenmin een optie omdat daarmee het gebruiksdoel van het vlees </para>
      <para>volledig verloren zou gaan en dit vlees alleen nog geschikt zou zijn voor industri‰le </para>
      <para>verwerking, hetwelk tot een grote waardevermindering van dit vlees zou leiden. </para>
      <para>Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder voldoende gronden heeft </para>
      <para>voor weigering van de afgifte van de certificaten als genoemd in de Beschikking ten </para>
      <para>aanzien van de meergenoemde partijen vlees van verzoekster die thans in Frankrijk zijn </para>
      <para>geblokkeerd. Naar het oordeel van verzoekster bestaan er voor verweerder evenwel geen of </para>
      <para>onvoldoende gronden om deze certificaten niet (alsnog en achteraf) af te geven. </para>
      <para>Richtlijn 89/662/EG betreffende de veterinaire controles in het intracommunautaire </para>
      <para>handelsverkeer voorziet in artikel 7 expliciet in (het stellen van een termijn voor) </para>
      <para>aanvullende certificering indien met betrekking tot een bepaalde zending blijkt dat de </para>
      <para>begeleidende certificaten en/of handelsdocumenten gebreken vertonen, waarbij in het </para>
      <para>onderhavige geval het ontbreken van een certificaat als bedoeld in artikel 2, derde lid, van </para>
      <para>de Beschikking als een dergelijk gebrek moet worden beschouwd. </para>
      <para>Verder bestaan er vanuit het oogpunt van feitelijke controle geen beletselen om de door </para>
      <para>verzoekster benodigde certificaten af te geven. In het onderhavige geval is immers alleen </para>
      <para>de herkomst van het vlees van belang, hetwelk thans door de bevoegde Nederlandse </para>
      <para>autoriteiten probleemloos kan worden geverifieerd op grond van de gegevens afkomstig uit </para>
      <para>de door verzoeksters binnen haar bedrijf gebruikte officieel erkende </para>
      <para>kwaliteitsborgingsystemen, welke volledige en eenvoudige 'traceabilty' van het door het </para>
      <para>bedrijf be- en verwerkte vlees garanderen. Deze gegevens hebben verweerder bovendien </para>
      <para>reeds eerder ter beschikking gestaan, op grond waarvan de oorspronkelijke certificaten en </para>
      <para>handelsdocumenten voor de betrokken partijen vlees zijn verstrekt. Voor deze </para>
      <para>(aanvullende) controle die reeds mogelijk is op basis van de onderliggende documentatie is </para>
      <para>het om geen enkele reden noodzakelijk om het vlees eerst terug naar Nederland te brengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Verweerder heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Uit de door verzoekster overgelegde stukken blijkt dat de Franse veterinaire autoriteiten op </para>
      <para>basis van de Beschikking per 21 maart 2001 de consignatie gelasten van vers vlees dat </para>
      <para>tussen 20 februari en 21 maart 2001 in Frankrijk is ingevoerd met oorsprong Nederland, </para>
      <para>waarna een viertal vervolgstappen mogelijk zijn. Het is evenwel bepaald discutabel of </para>
      <para>Frankrijk door een certificaat als bedoeld in de Beschikking te eisen, niet een verdere </para>
      <para>inbreuk op het vrije verkeer van goederen maakt dan de Beschikking haar toestaat. Vlees </para>
      <para>dat rechtmatig in Frankrijk in het vrije verkeer werd gebracht v¢¢r 21 maart 2001 onttrekt </para>
      <para>Frankrijk niettemin aan het vrije verkeer met een beroep op de Beschikking die evenwel </para>
      <para>niet terugwerkt. De datum 20 februari 2001, genoemd in onder andere artikel 2, tweede lid, </para>
      <para>sub a, van de Beschikking betreft slechts een uitzondering op het verbod vers vlees uit </para>
      <para>bijlage I-gebieden te verzenden, niet op het verzenden van vers vlees uit bijlage II-</para>
      <para>gebieden.</para>
      <para>De vraag is dus of verzoekster niet in Frankrijk in kort geding de rechtmatigheid van de </para>
      <para>Franse maatregelen ter discussie dient te stellen. Nergens in de Beschikking valt de ruimte </para>
      <para>te lezen die de Franse veterinaire autoriteiten zich hier toe‰igenen.</para>
      <para>Voorts valt evenmin in te zien waarom verzoekster geen gebruik maakt van (de door de </para>
      <para>Franse autoriteiten toegestane) retourregeling. Het gerepatrieerde vlees kan dan (in ieder </para>
      <para>geval) steeds op de Nederlandse markt worden afgezet, mogelijk met enig (commercieel) </para>
      <para>waardeverlies.</para>
      <para>Verweerder heeft niet de ruimte de reeds ge‰xporteerde partijen alsnog te certificeren. Het </para>
      <para>gevraagde certificaat kan volgens de Beschikking worden afgegeven voor partijen die </para>
      <para>vanaf 21 maart 2001 vanuit Nederland worden verzonden. De onderhavige partijen zijn </para>
      <para>v¢¢r die datum verzonden, zodat de Beschikking geen grondslag kan bieden voor de </para>
      <para>gevraagde voorziening van verzoekster.</para>
      <para>Bovendien is in het onderhavige geval certificering zoals door verzoekster gevraagd reeds </para>
      <para>uitgesloten, aangezien het desbetreffende vlees Nederland reeds lang heeft verlaten. </para>
      <para>Certificering is slechts mogelijk indien en voor zolang dit dieren of producten betreft die </para>
      <para>door de bevoegde autoriteiten zijn ge‹nspecteerd en nog onder controle van deze </para>
      <para>autoriteiten staan. Een eventuele mogelijkheid van de afgifte van een certificaat nadat het </para>
      <para>desbetreffende product reeds is uitgevoerd, zoals door verzoekster voorgesteld, zou de </para>
      <para>keuringsarts de mogelijkheid ontnemen om desgeraden het te certificeren vlees - al is het </para>
      <para>slechts steekproefsgewijs - te onderzoeken. De ter zake vigerende regelingen, zowel op </para>
      <para>nationaal niveau als op het niveau van het gemeenschapsrecht, veronderstellen dan ook dat </para>
      <para>een afgegeven certificaat het vlees begeleid gedurende de verzending naar het land van </para>
      <para>bestemming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet </para>
      <para>bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep </para>
      <para>is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op </para>
      <para>verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op </para>
      <para>de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>Alleen indien het College bevoegd is of na het nemen van de beslissing op bezwaar zal </para>
      <para>worden om van een geschil kennis te nemen, ligt het treffen van een voorlopige </para>
      <para>voorziening binnen het bereik van de president. </para>
      <para>De president constateert allereerst dat op nationaal niveau niet uitdrukkelijk is voorzien in </para>
      <para>een procedure tot afgifte van de specifieke certificaten als genoemd in de Beschikking </para>
      <para>onder aanwijzing van een daartoe bevoegd bestuursorgaan. De afgifte van certificaten als </para>
      <para>hier bedoeld kan niet worden aangemerkt als het houden van het toezicht op de naleving </para>
      <para>van de Wet en de daarop berustende bepalingen of de opsporing van besmettelijke </para>
      <para>dierziekten als bedoeld in artikel 114 van de Wet. In aanmerking genomen dat op grond </para>
      <para>van de Beschikking beschermende maatregelen worden vastgesteld in verband met mond- </para>
      <para>en klauwzeer in Nederland, wordt in de Regeling voor wat betreft - onder meer - de </para>
      <para>toelaatbaarheid van vleesexporten in het kader van de bestrijding van mond- en klauwzeer </para>
      <para>echter wel verwezen naar de voorwaarden als genoemd in de Beschikking. Deze Regeling </para>
      <para>is gebaseerd op (onder meer artikel 80 van) de Wet. De president constateert voorts dat het </para>
      <para>certificaat als genoemd in artikel 2, derde lid, van de Beschikking wordt afgegeven door </para>
      <para>"een offici‰le dierenarts". De president overweegt dienaangaande dat offici‰le dierenartsen </para>
      <para>opererend in het kader van veterinair toezicht in verband met de bestrijding van </para>
      <para>besmettelijke dierziekten doorgaans onder verweerder ressorteren en dat de Regeling voor </para>
      <para>wat betreft de afgifte van certificaten als hier bedoeld ook niet verwijst naar een ander dan </para>
      <para>verweerder. Gelet op het vorenstaande kan derhalve naar voorlopig oordeel van de </para>
      <para>president worden aangenomen dat het al dan niet afgeven van certificaten als hier bedoeld </para>
      <para>valt aan te merken als een op grond van de Wet genomen besluit en dat verweerder het </para>
      <para>(meest) aangewezen bestuursorgaan lijkt om op aanvragen om een dergelijk besluit te </para>
      <para>beslissen. Aldus kan bovengenoemde brief van 29 maart 2001 van verweerder aan </para>
      <para>verzoekster naar voorlopig oordeel van de president worden opgevat als een besluit op </para>
      <para>grond van de Wet van het daartoe bevoegde bestuursorgaan dat, gelet op zijn </para>
      <para>bewoordingen, strekt tot niet-inwilliging van de aanvraag van verzoekster om een </para>
      <para>certificaat als genoemd in artikel 2, derde lid, van de Beschikking. Bij zijn voorlopig </para>
      <para>oordeel weegt de president mede dat de conclusie dat geen Nederlands overheidsorgaan </para>
      <para>bevoegd is tot afgifte van het certificaat als bedoeld in de Beschikking tot onaanvaardbare </para>
      <para>resultaten zou leiden.</para>
      <para>Naar voorlopig oordeel van de president moet dan ook worden aangenomen dat na de </para>
      <para>beslissing op het bezwaarschrift het College op grond van artikel 109 van de Wet bevoegd </para>
      <para>zal zijn om kennis te nemen van het onderhavige geschil. Derhalve zal de president tot </para>
      <para>verdere beoordeling van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening overgaan.</para>
      <para>Verzoeker beoogt met de gevraagde voorziening verweerder te dwingen tot afgifte van het </para>
      <para>certificaat als genoemd in artikel 2, derde lid, van de Beschikking ten behoeve van partijen </para>
      <para>door haar in de periode van 20 februari tot 21 maart 2001 naar Frankrijk ge‰xporteerd </para>
      <para>rundvlees.</para>
      <para>De president overweegt dienaangaande allereerst dat de voorwaarden van de Beschikking </para>
      <para>slechts betrekking hebben op (onder meer) vlees dat met ingang van 21 maart 2001 uit </para>
      <para>Nederland is of wordt verzonden. Anders dan verzoekster heeft gesteld, kunnen naar </para>
      <para>voorlopig oordeel van de president in de Beschikking geen aanknopingspunten worden </para>
      <para>gevonden voor het oordeel dat deze voorwaarden terugwerkende kracht zouden hebben tot </para>
      <para>20 februari 2001. Artikel 2, tweede lid, onder a, van de Beschikking maakt weliswaar </para>
      <para>melding van deze datum, doch dit doet niet af aan de omstandigheid dat dit slechts een </para>
      <para>uitzonderingsbepaling betreft met betrekking tot partijen die met ingang van 21 maart 2001 </para>
      <para>vanuit Nederland worden verzonden. Aldus moet naar voorlopig oordeel van de president</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>worden aangenomen dat het verweerder op grond van het bepaalde bij de Beschikking dan </para>
      <para>ook slechts is toegestaan om een certificaat als (onder meer) bedoeld in artikel 2, derde lid, </para>
      <para>van de Beschikking  af te geven als dit certificaat betrekking heeft op een partij die met </para>
      <para>ingang van 21 maart 2001 uit Nederland wordt verzonden.</para>
      <para>In het onderhavige geval zijn de desbetreffende partijen rundvlees v¢¢r 21 maart 2001 met </para>
      <para>inachtneming van de ter zake op dat moment geldende exportvoorschriften door </para>
      <para>verzoekster naar Frankrijk ge‰xporteerd. In het onderhavige geval is naar voorlopig </para>
      <para>oordeel van de president geen sprake van gebreken met betrekking tot de oorspronkelijke </para>
      <para>certificaten en/of handelsdocumenten, op grond waarvan sprake kan zijn van een termijn </para>
      <para>voor het verstrekken van aanvullende gegevens zoals door verzoeksters gesteld.</para>
      <para>Naar voorlopig oordeel bestaat, gelet op het vorenstaande, voor het treffen van een  </para>
      <para>voorziening als door verzoeksters gevraagd derhalve geen grond en zou verweerder in </para>
      <para>strijd handelen met het bepaalde in de Beschikking bij de afgifte van het hier bedoelde </para>
      <para>certificaat ten behoeve van de door verzoekster in deze omschreven partijen rundvlees. Er </para>
      <para>is immers  geen sprake van een exportzending van na 21 maart 2001.</para>
      <para>De slotsom moet zijn dat het verzoek moet worden afgewezen. Voor een veroordeling van </para>
      <para>een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht ziet de president geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. R.P.H. Rozenbrand</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>