<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1385</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:20:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1385</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6695</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/939, 00/941, 00/942 en 00/955</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001507&amp;g=2001-03-30">Verdrag betreffende de Europese Unie</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002380&amp;artikel=2&amp;g=2001-03-30">Bestrijdingsmiddelenwet 1962 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002380&amp;artikel=2&amp;g=2001-03-30">Bestrijdingsmiddelenwet 1962 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002380&amp;artikel=5&amp;g=2001-03-30">Bestrijdingsmiddelenwet 1962 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002380&amp;artikel=174&amp;g=2001-03-30">Bestrijdingsmiddelenwet 1962 174</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 200 met annotatie van J.H. van der Veen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1385">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1385</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1385 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-03-2001 / AWB 00/939, 00/941, 00/942 en 00/955</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1385:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1385:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Nrs.	AWB 00/939, 00/941, 00/942 en 00/955	30 maart 2001</para>
      <para>	32010</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bayer B.V.,  te Mijdrecht,</para>
      <para>2. Sumitomo Benelux B.V., te Rotterdam,</para>
      <para>3. Sara Lee Household and Body Care Nederland B.V., te Veenendaal en</para>
      <para>4. Vemedia B.V., te Weesp, </para>
      <para>gemachtigden: mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda, en mr K. van Maldegem, advocaat </para>
      <para>te Brussel, voor appellanten sub 1 en 2,</para>
      <para>mr J.A. van der Kolk, advocaat te Rotterdam, voor appellante sub 3,</para>
      <para>en mr P. van der Putt, advocaat te Amsterdam, voor appellante sub 4,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.H. Geerdink, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op  5 december 2000 per fax en vervolgens op 6 december 2000 per poststuk heeft het </para>
      <para>College van appellanten sub 1, 2, 3, en 4 beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt </para>
      <para>ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 oktober 2000.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerder, na vernietiging door het College van verweerders eerdere </para>
      <para>beslissing van 8 juni 1999 op de bezwaren van appellanten, opnieuw op deze bezwaren </para>
      <para>beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verzoeken binnengekomen op 5 en 20 december 2000 hebben appellanten de president </para>
      <para>voorts verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
      <para>Genoemde bezwaren waren gericht tegen besluiten van verweerder tot het niet verlengen </para>
      <para>van de tot 1 september 1998 geldende toelatingen van appellanten van bestrijdings-middelen </para>
      <para>op basis van pyrethro‹den.</para>
      <para>Op 29 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend in alle zaken.</para>
      <para>Op 16 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Ter zitting is voorts door </para>
      <para>dr G.J. Burin, informant aan de zijde van appellanten, en dr J.H.C.M. Lammers, informant </para>
      <para>aan de zijde van verweerder, het woord gevoerd.</para>
      <para>Ter zitting hebben appellanten bevestigd dat zij hun verzoeken om voorlopige voorziening </para>
      <para>hebben ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>-	Het onderhavige geding is ontstaan door de weigering van verweerder de toelating </para>
      <para>van appellanten voor bepaalde door hen op de markt gebrachte bestrijdingsmiddelen </para>
      <para>ter bestrijding van muggen in woonruimten te verlengen na 1 september 1998. Het </para>
      <para>gaat hier om producten in electrische verdampers - hierna ook als muggenstekkers </para>
      <para>aangeduid - op basis van de pyrethro‹den d-allethrin en bio-allethrin.</para>
      <para>-	Voor de weergave van de aan het geschil ten grondslag liggende regelgeving, feiten </para>
      <para>en omstandigheden verwijst het College allereerst naar hetgeen is overwogen in </para>
      <para>rubriek 3 van zijn, aan partijen bekende, uitspraak van 18 juli 2000 in de gevoegde </para>
      <para>zaken AWB 99/611 t/m 99/614 (hiena ook aangeduid als: de eerdere uitspraak). </para>
      <para>-	Het College heeft in die eerdere uitspraak het beroep van appellante sub 2 tegen de </para>
      <para>niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren gegrond verklaard. De beroepen van </para>
      <para>appellanten sub 1, 3 (toen nog Kortman Intradal B.V., de rechtsvoorgangster van </para>
      <para>appellante sub 3) en 4 zijn eveneens gegrond verklaard, op grond van de overweging </para>
      <para>dat verweerders besluit tot ongegrondverklaring van hun bezwaren niet gedragen kan </para>
      <para>worden door de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd. Het College heeft </para>
      <para>verweerder opgedragen opnieuw op de bezwaren van genoemde appellanten te </para>
      <para>beslissen. </para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit is aan deze uitspraak gehecht en moet als hier herhaald en ingelast </para>
      <para>worden beschouwd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verloop van de </para>
      <para>besluitvorming en de standpunten van appellanten uitvoerig weergegeven en daarover zijn </para>
      <para>opvatting uiteengezet. Zijn conclusie houdt, samengevat, in dat een toelating van de onder-</para>
      <para>havige middelen - ook met een waarschuwingszin, als bedoeld in de eerdere uitspraak - niet </para>
      <para>voldoet aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wet, gelet </para>
      <para>op de gevonden effecten en het ontbreken van gegevens omtrent  het "no adverse effect </para>
      <para>level" (NOAEL), alsmede in aanmerking genomen dat niet is vastgesteld dat de middelen, </para>
      <para>voorzien van een door de toelatinghouders voorgesteld gebruiksvoorschrift, geen </para>
      <para>schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van de mens.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellanten</para>
      <para>Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep, samengevat, het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd. </para>
      <para>Zij handhaven hun grieven tegen het bestreden besluit, zoals zij deze in de eerdere </para>
      <para>procedure hebben verwoord. Het College verwijst daarvoor allereerst naar hetgeen in het </para>
      <para>bestreden besluit en in de eerdere uitspraak daarover is opgenomen. Vervolgens hebben </para>
      <para>appellanten deze grieven in hun beroepschrift en ter zitting uitvoerig toegelicht. Het College </para>
      <para>gaat daarop bij de beoordeling nader in.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Meer in het bijzonder hebben appellanten ter zitting nog benadrukt dat verweerder ten </para>
      <para>onrechte bepaalde waarnemingen van het gedrag van muizen aan zijn beslissing ten </para>
      <para>grondslag heeft gelegd. Aan de beschikbare waarnemingen zijn volgens appellanten geen </para>
      <para>wetenschappelijk verantwoorde conclusies te verbinden over het causaal verband tussen de </para>
      <para>blootstelling van de proefdieren aan de onderhavige middelen en die waarnemingen. Het </para>
      <para>waargenomen gedrag valt volgens de door appellanten geraadpleegde deskundigen binnen </para>
      <para>de "standaarddeviatie" bij gedragsverschijnselen van muizen en zou huns inziens moeten </para>
      <para>leiden tot de conclusie dat, op dit punt althans, wetenschappelijk is vastgesteld dat de </para>
      <para>middelen geen schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van de mens. </para>
      <para>In aanvulling op hun in de eerdere procedure reeds uiteengezette grieven van EG-rechtelijke </para>
      <para>aard, waarop verweerder in het bestreden besluit onder de punten 6.27 tot en met 6.31 is </para>
      <para>ingegaan, hebben zij meer in het bijzonder erop gewezen dat de datum van het nieuw </para>
      <para>genomen besluit thans gelegen is na het tijdstip waarop de lidstaten volgens artikel 34 van </para>
      <para>de Richtlijn 98/8/EG ( betreffende het op de markt brengen van biociden) de nodige </para>
      <para>bepalingen in werking hebben moeten laten treden om aan deze richtlijn te voldoen.</para>
      <para>Appellanten hebben zich in de eerdere procedure op het standpunt gesteld dat er sprake is </para>
      <para>van toepassing door verweerder van een beleidsregel, die verweerder zou hanteren met </para>
      <para>betrekking tot het gebruik van waarschuwingszinnen. In beroep en ter zitting is door </para>
      <para>appellanten betoogd dat deze "beleidsregel" als "technisch voorschrift" moet worden </para>
      <para>aangemerkt in de zin van richtlijn 83/189/EEG en dat daarvoor een voorafgaande </para>
      <para>kennisgeving had moeten worden verricht. Zij hebben verder betoogd dat verweerder in </para>
      <para>afwijking van zijnerzijds gedane mededelingen het "voorzorgsbeginsel" heeft toegepast.</para>
      <para>Appellanten hebben voorts een aantal prejudici‰le vragen geformuleerd voor het geval het </para>
      <para>College zou menen tot het stellen van zodanige vragen aan het Hof van Justitie EG over te </para>
      <para>moeten gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1   		In zijn uitspraak van 18 juli 2000 heeft het College overwogen dat verweerder geen </para>
      <para>toereikende motivering heeft gegeven, waarom een toelating  in samenhang met een </para>
      <para>door de toelatinghouders voorgesteld gebruiksvoorschrift, vast te stellen op grond </para>
      <para>van artikel 5, tweede lid, van de Wet, onverantwoord moet worden geacht. Het zou </para>
      <para>daarbij  gaan om een voorschrift in de vorm van een waarschuwingszin, die ertoe </para>
      <para>strekt dat jonge kinderen en ongeboren kinderen in de laatste periode van de </para>
      <para>zwangerschap niet aan het onderhavige middel worden blootgesteld (hierna ook te </para>
      <para>noemen: de waarschuwingszin).</para>
      <para>	In het bestreden besluit  heeft verweerder een nadere motivering gegeven voor zijn </para>
      <para>hiervoor bedoelde standpunt. Verweerder leest in de uitspraak van het College een </para>
      <para>veronderstelling, namelijk dat ouders van kinderen zich wel zullen houden aan de </para>
      <para>waarschuwingszin op de verpakking. Verweerder laat in het midden of die </para>
      <para>veronderstelling juist is. Er blijft dan echter, naar het oordeel van verweerder, een </para>
      <para>potenti‰le blootstelling over, namelijk (kortdurende) blootstelling elders dan thuis, </para>
      <para>bijvoorbeeld bij een logeerpartij of een bezoek aan openbare ruimten. In dat </para>
      <para>verband, zo is in het bestreden besluit opgemerkt, is van belang dat, zodra de </para>
      <para>stekker uit de verpakking in het stopcontact wordt gestoken er sprake is van een </para>
      <para>"volautomatische en voortdurende toepassing" waarbij het middel zonder activiteit </para>
      <para>van de toepasser en zonder dat de toepasser daarbij aanwezig hoeft te zijn, via </para>
      <para>verdamping onopgemerkt (zonder lawaai, geur- en kleurloos) in een ruimte wordt </para>
      <para>gebracht.  </para>
      <para>	De conclusie die verweerder mede op grond daarvan trekt is dat, nu (a) de gevonden </para>
      <para>effecten bij de muis irreversibel zijn, (b) niet uitgesloten kan worden dat de effecten </para>
      <para>ook kunnen optreden bij de mens, (c) er geen gegevens zijn omtrent de minimale </para>
      <para>duur van de blootstellingsperiode of de duur van de dagelijkse blootstelling tijdens </para>
      <para>de blootstellingsperiode (bij inhalatoire blootstelling) die nodig is voor het induceren </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>van effecten en (d) niet vastgesteld is dat de middelen, voorzien van een door de </para>
      <para>toelatinghouders voorgesteld gebruiksvoorschrift, geen schadelijke uitwerking </para>
      <para>hebben op de gezondheid van de mens, hetzij direct, hetzij indirect, de toelating </para>
      <para>- ook met een dergelijk gebruiksvoorschrift - niet voldoet aan het bepaalde in artikel </para>
      <para>3,  eerste lid , onder a, sub 3, van de Wet. </para>
      <para>5.2   		Voor de beoordeling van dit geschil dienen in elk geval de volgende twee vragen te </para>
      <para>worden onderscheiden.</para>
      <para>	Allereerst is er de vraag of verweerder de norm, vervat in artikel 3, eerste lid, aanhef </para>
      <para>en onder a, sub 3, van de Wet, juist heeft gehanteerd. Dat wil zeggen: of hij op </para>
      <para>goede grond heeft geoordeeld dat, gelet op de wettelijke criteria ter zake, niet is </para>
      <para>vastgesteld dat het middel, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of </para>
      <para>krachtens de Wet wordt gebruikt, geen schadelijke uitwerking heeft op de </para>
      <para>gezondheid van de mens, hetzij direct, hetzij indirect.</para>
      <para>	Ten tweede is er de vraag of verweerder terecht heeft afgezien van het vaststellen </para>
      <para>van een waarschuwingszin bij wege van een gebruiksvoorschrift, als bedoeld in </para>
      <para>artikel 5, tweede lid, van de Wet.</para>
      <para>	De noodzaak tot beantwoording van de eerste vraag wordt mede bepaald door het </para>
      <para>antwoord op de tweede. Het College heeft zich in zijn eerdere uitspraak beperkt tot </para>
      <para>de tweede vraag, gelet op de instemming van appellanten met een toelating van de </para>
      <para>middelen, waaraan het voorschrift van de waarschuwingszin zou zijn verbonden, en </para>
      <para>gelet op de uitkomst van zijn overwegingen ter beantwoording van die vraag.</para>
      <para>	Zoals uit het hierna overwogene zal blijken, is thans echter de aangewezen volgorde </para>
      <para>van de behandeling van de hiervoor bedoelde vragen, dat met de beantwoording van </para>
      <para>de eerste vraag wordt begonnen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3		Voor de beantwoording van de eerste vraag zal het College allereerst ingaan op het </para>
      <para>geschilpunt tussen partijen over de opvatting van verweerder dat de hierna te </para>
      <para>bespreken waarnemingen inzake de zogeheten motoractiviteit bij proefdieren tot de </para>
      <para>conclusie moeten leiden - de mogelijkheid van een gebruiksvoorschrift in dit </para>
      <para>onderdeel van de beoordeling buiten beschouwing latend - dat niet is voldaan aan de </para>
      <para>in artikel 3 van de Wet bedoelde criteria voor toelating van de onderhavige </para>
      <para>middelen. De vraag is daarbij dus of die opvatting berust op een juiste hantering van </para>
      <para>de in die wettelijke bepaling vervatte norm. Het College beantwoordt die vraag </para>
      <para>bevestigend en overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para>5.3.1		Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wet gaat uit van een bepaalde, </para>
      <para>aan  regels gebonden, procedure tot vaststelling dat een middel geen schadelijke </para>
      <para>uitwerking heeft op de gezondheid.</para>
      <para>	De wetgever gaat uit van de mogelijkheid van een - "positieve" - vaststelling op </para>
      <para>grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis, dat het middel </para>
      <para>geen schadelijke uitwerking heeft, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of </para>
      <para>krachtens de wet wordt gebruikt. Het moet daarbij  gaan om een vaststelling, die </para>
      <para>heeft plaatsgevonden aan de hand van onderzoek van bepaalde, ingevolge artikel 4, </para>
      <para>tweede lid, van de Wet door verweerder verlangde, gegevens en met inachtneming </para>
      <para>van bij of krachtens artikel 3a van de Wet vastgestelde regels en beginselen voor de </para>
      <para>beoordeling. </para>
      <para>	Uit een en ander volgt, naar het oordeel van het College, dat een enkele, </para>
      <para>wetenschappelijk niet zonder meer te verwerpen, hypothese van mogelijke </para>
      <para>schadelijkheid van een middel onvoldoende grondslag vormt voor de conclusie dat </para>
      <para>een toelating moet worden geweigerd omdat niet is vastgesteld dat het middel geen </para>
      <para>schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens. Er moet tenminste een </para>
      <para>wetenschappelijk te funderen aanwijzing bestaan dat het middel nadelige gevolgen </para>
      <para>kan hebben voor de humane gezondheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de achtergrond van dit wettelijk stelsel is het College van oordeel dat de door </para>
      <para>appellanten aangevoerde grieven met betrekking tot de conclusies die verweerder uit </para>
      <para>de beschikbare waarnemingen over de muizenmotoriek heeft getrokken, geen doel </para>
      <para>treffen. Daartoe overweegt het College dat de omstandigheid dat door </para>
      <para>wetenschappers verschillend wordt gedacht over de interpretatie van die </para>
      <para>waarnemingen en over de waardering van de risico's niet tot het oordeel leidt dat er </para>
      <para>wetenschappelijk onvoldoende fundament voor die conclusies van verweerder </para>
      <para>bestaat.</para>
      <para>	Naar het oordeel van het College kan voorts niet worden volgehouden dat </para>
      <para>verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat op basis van de hiervoor bedoelde </para>
      <para>waarnemingen inzake de muizenmotoriek geen NOAEL kon worden vastgesteld. </para>
      <para>		Daartoe overweegt het College meer in het bijzonder als volgt.</para>
      <para>5.3.2		Onder 6.18 van het bestreden besluit  heeft verweerder onderkend dat de effecten op </para>
      <para>motoractiviteit geen nette dosis-effectrelatie vertonen en dat zij door de onder-</para>
      <para>zoekers als niet relevant worden aangemerkt. Echter - zo is aldaar overwogen - op </para>
      <para>grond van vergelijkbare effecten die in andere studies met pyrethro‹den gevonden </para>
      <para>zijn, is er gerede twijfel of deze effecten niet relevant zijn. Het is daardoor moeilijk </para>
      <para>te beoordelen of de lage dosis van 0,18 mg/m3 als NOEL of als Lowest Observed </para>
      <para>Effect Level (LOEL) kan worden aangemerkt.</para>
      <para>	In dit verband zijn naar het oordeel van het College vooral de volgende </para>
      <para>constateringen van belang.</para>
      <para>	Aan verweerders beslissing hebben een tweetal te onderscheiden typen </para>
      <para>waarnemingen bij proefdieren (muizen) ten grondslag gelegen: waarnemingen inzake </para>
      <para>de muscarinereceptoren van daartoe gedode en opengesneden proefdieren (muizen) </para>
      <para>en waarnemingen inzake motoractiviteit van de (overgebleven) proefdieren </para>
      <para>(muizen). Voor verweerders hiervoor bedoelde vaststelling dat er geen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>NOAEL kan worden bepaald, zijn slechts de gegevens inzake waarnemingen van de </para>
      <para>motoractiviteit van belang geweest, zo is ter zitting bevestigd. Ter zitting is van de </para>
      <para>kant van verweerder eveneens bevestigd dat er geen wetenschappelijk verband </para>
      <para>wordt gelegd tussen deze twee typen waarneming. Blootstelling van pasgeboren </para>
      <para>proefdieren aan stoffen die bestanddeel vormen van de onderhavige middelen of </para>
      <para>daaraan verwant zijn, leidt  vanaf een bepaalde hoeveelheid tot een verandering in de </para>
      <para>muscarinereceptorendichtheid bij pasgeboren muizen, zo is waargenomen. Niet in </para>
      <para>geschil is, zo is ter zitting bevestigd, dat hiervoor een NOAEL kan worden </para>
      <para>vastgesteld. Voorts is er de waarneming bij een aantal van de onderzoeken, dat in </para>
      <para>een latere fase bij de proefdieren een verandering in de motoriek is gevonden. </para>
      <para>Verweerder heeft geconstateerd dat, wat betreft deze waarneming, geen NOAEL is </para>
      <para>vast te stellen. Op deze basis heeft hij geconcludeerd dat er geen betrouwbare </para>
      <para>risicobeoordeling kan worden opgesteld.</para>
      <para>	De ter zake aan het College overgelegde stukken geven, zoals appellanten terecht </para>
      <para>hebben opgemerkt, geen eenduidige indicaties over de gedragsverandering. De </para>
      <para>waarnemingen spreken elkaar tegen bij bepaalde onderzoeken; bij andere </para>
      <para>onderzoeken zijn er geen veranderingen waargenomen. Het College leidt voorts uit </para>
      <para>hetgeen hierover door appellanten is gesteld na raadpleging van de door hen </para>
      <para>ingeschakelde deskundigen, af dat zij van mening zijn dat de hier waargenomen </para>
      <para>gedragingen vallen binnen het "normale" gedragspatroon van muizen, en dat die </para>
      <para>gedragingen verklaard kunnen worden door een veelheid van andere factoren dan </para>
      <para>blootstelling aan de onderhavige stoffen. Verweerder heeft het College er niet van </para>
      <para>kunnen overtuigen dat het hier gaat om waarnemingen die reeds voldoende steun </para>
      <para>bieden voor de conclusie dat niet volgens de eisen van de Wet is vastgesteld dat er </para>
      <para>geen schadelijke werking is. Veeleer lijkt het te gaan om waarnemingen die kunnen </para>
      <para>leiden tot de conclusie dat op dit punt nader onderzoek of aanvullende gegevens </para>
      <para>nodig zijn. </para>
      <para>5.3.3		Door appellanten is aangevoerd dat de onduidelijkheden rond de waarnemingen van </para>
      <para>de motoractiviteit verweerder er ten minste toe hadden moeten brengen om, </para>
      <para>alvorens  te beslissen over al dan niet verlengen van de toelatingen, aan hen </para>
      <para>aanvullend onderzoek op te dragen. Aldus zouden zij in de gelegenheid zijn geweest </para>
      <para>hun opvatting te onderbouwen dat de muizenmotoriek geen wijziging van betekenis </para>
      <para>ondergaat na toediening van de relevante stoffen. Daarbij zou - nu het om </para>
      <para>verlengingen gaat - verweerder zonodig hebben kunnen beslissen dat de toelatingen </para>
      <para>worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot </para>
      <para>verlenging is gemoeid. Dienaangaande overweegt het College het volgende.</para>
      <para>Uit het wettelijk stelstel volgt dat het op de weg van de aanvrager van een toelating </para>
      <para>ligt om aan te tonen dat, voorzover hier van belang, het middel geen schadelijke </para>
      <para>uitwerking heeft op de gezondheid van de mens, dan wel dat het middel bij bepaalde </para>
      <para>toepassing die uitwerking niet heeft. </para>
      <para>	Uit dit wettelijk stelsel volgt voorts, dat de toelating kan worden geweigerd, indien </para>
      <para>de aanvrager niet de door verweerder noodzakelijk geachte gegevens overlegt, op </para>
      <para>grond waarvan kan worden vastgesteld dat het middel geen schadelijke uitwerking </para>
      <para>heeft op de gezondheid van de mens. </para>
      <para>	Uit de vaststaande feiten blijkt dat verweerder door TNO een inventarisatie en een </para>
      <para>evaluatie heeft laten uitvoeren van de bevindingen van de workshop in Berlijn van </para>
      <para>11 november 1997, waarin de eerder uitgevoerde onderzoekingen, o.a. die van </para>
      <para>prof. dr P. Eriksson, waren besproken. Aangezien de workshop de twijfel met </para>
      <para>betrekking tot het risico voor de gezondheid van de mens niet heeft weggenomen, </para>
      <para>heeft verweerder, zo is onder 6.7 van het bestreden besluit  overwogen, </para>
      <para>geconcludeerd dat de toelatingen niet verlengd konden worden. </para>
      <para>	Het College ziet geen plaats voor het oordeel dat verweerder aldus heeft gehandeld </para>
      <para>in strijd met de Wet of met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.</para>
      <para>	Verweerders conclusie dat de beschikbare gegevens over de diverse waarnemingen </para>
      <para>inzake de muizenmotoriek een voldoende betrouwbare basis vormen voor het </para>
      <para>trekken van de conclusie dat, zolang  nader onderzoek niet uitwijst dat de </para>
      <para>desbetreffende waarnemingen anders geinterpreteerd moeten worden, een NOAEL </para>
      <para>voor de onderhavige middelen niet is vast te stellen, acht het College niet onjuist. </para>
      <para>Gelet op de aard van de gezondheidsrisico's, welke aan de orde zijn wanneer, </para>
      <para>hangende nader onderzoek, zou worden uitgegaan van een NOAEL, afgeleid uit de </para>
      <para>gegevens van de muscarinereceptoren, heeft verweerder niet ten onrechte beslist dat </para>
      <para>op basis van de thans voorliggende gegevens uitgegaan moet worden van het </para>
      <para>ontbreken van een NOAEL en heeft hij, daarvan uitgaande, zijn beslissing omtrent </para>
      <para>toelating kunnen nemen.</para>
      <para>	Niet valt overigens in te zien dat appellanten niet in staat zouden zijn geweest om </para>
      <para>nader onderzoek zelf reeds te verrichten, bijvoorbeeld door het onderzoek van </para>
      <para>Ericsson te herhalen, maar dan met orale toediening van de onderhavige stoffen, al </para>
      <para>dan niet aangevuld met andere onderzoekingen. Zodanige onderzoeksresultaten van </para>
      <para>na de besluiten in primo uit 1998 zijn in de loop van de onderhavige procedure(s) </para>
      <para>evenwel niet overgelegd. </para>
      <para>5.3.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen naar het oordeel van het College de </para>
      <para>overige grieven van appellanten, welke betrekking hebben op de conclusies van </para>
      <para>verweerder die hij, met toepassing van bepaalde extrapolaties van muis naar mens, </para>
      <para>trekt uit de waarnemingen inzake de muscarinereceptoren, evenmin slagen. De </para>
      <para>grieven van appellanten over de door verweerder gehanteerde veiligheidsmarges </para>
      <para>kunnen hier onbesproken blijven, nu zij slechts betekenis hebben in het geval dat een </para>
      <para>NOAEL kan worden vastgesteld. Dat laatste is, zo heeft verweerder - naar uit het </para>
      <para>hiervoor overwogene volgt - niet ten onrechte geoordeeld, nu juist niet het geval.  </para>
      <para>5.4		Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder terecht heeft afgezien van </para>
      <para>toelating van de middelen onder het stellen van een voorschrift betreffende het </para>
      <para>gebruik van een waarschuwingszin. Zoals het College in zijn eerdere uitspraak heeft </para>
      <para>overwogen, gaat het wettelijk stelsel ervan uit dat het door de Wet beoogde doel, te </para>
      <para>weten het voorkomen van schadelijke uitwerkingen van bestrijdingsmiddelen op de </para>
      <para>gezondheid van de mens, onder omstandigheden ook kan worden bereikt door het </para>
      <para>verbinden van een voorschrift aan een te verlenen toelating.</para>
      <para>5.4.1		Artikel 5, tweede lid, van de Wet geeft geen specifieke criteria voor de beoordeling </para>
      <para>van de vraag of een gebruiksvoorschrift vastgesteld kan worden. Aangezien de Wet </para>
      <para>de mogelijkheid biedt het met het stellen van het toelatingsvereiste beoogde doel </para>
      <para>ook te bereiken met het verbinden van een gebruiksvoorschrift aan een toelating, is </para>
      <para>het aan verweerder om de risico's dat een gebruiksvoorschrift niet zal worden </para>
      <para>nageleefd te beoordelen, alsmede de ernst van de risico's die gepaard gaan met een </para>
      <para>mogelijke niet naleving van het voorschrift. Op basis van zo'n beoordeling moet </para>
      <para>verweerder vervolgens een beslissing nemen over de toereikendheid en </para>
      <para>aanvaardbaarheid van een dergelijk voorschrift om het doel van de Wet te bereiken. </para>
      <para>5.4.2		Verweerder  heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval het vaststellen van een </para>
      <para>gebruiksvoorschrift in de vorm van een waarschuwingszin geen geschikte methode </para>
      <para>is om de risico's voor de gezondheid van de mens bij de beoogde toepassingen van </para>
      <para>de middelen te vermijden. Daarbij is onder meer van belang geacht dat er zijns </para>
      <para>inziens in casu geen NOAEL is te bepalen. Indien dat niet mogelijk is, is het risico, </para>
      <para>dat verbonden is aan een blootstelling aan het middel reeds bij een kortdurende </para>
      <para>blootstelling aanwezig te achten. Verweerder heeft niet ten onrechte geoordeeld dat </para>
      <para>dat laatste de risico's bij niet (juiste) naleving van het gebruiksvoorschrift </para>
      <para>aanmerkelijk kan vergroten. </para>
      <para>	Gelet op de door verweerder getrokken conclusie inzake NOAEL en de uitwerking </para>
      <para>van de middelen op de gezondheid van kleine kinderen, acht het College  de nadere </para>
      <para>motivering die verweerder in het bestreden besluit  heeft gegeven, voldoende </para>
      <para>draagkrachtig.</para>
      <para>	Niet kan worden staande gehouden, gelet op de norm van artikel 3 van de Wet, dat </para>
      <para>verweerder op dit punt een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.</para>
      <para>	Indien wegens het ontbreken van een NOAEL bedoelde risico's ook bij kortdurende </para>
      <para>blootstelling aanwezig kunnen worden geacht, is het oordeel dat er een </para>
      <para>onaanvaardbaar risico bestaat dat in geval van bijvoorbeeld onoplettendheid niet </para>
      <para>toelaatbare blootstelling aan het middel plaatsvindt, niet onjuist te achten.</para>
      <para>	Verweerders hier te verrichten beoordeling heeft vooral betrekking op de mate </para>
      <para>waarin aanvaard kan worden dat de verantwoordelijkheid voor eventuele </para>
      <para>ongelukken met het middel als gevolg van het niet volgen van gebruiksvoorschriften </para>
      <para>bij de toepasser wordt gelaten. Het College stelt voorop dat het hier gaat om </para>
      <para>middelen ten aanzien waarvan  niet conform de wettelijke eisen is vastgesteld dat, bij </para>
      <para>gevoelige groepen, blootstelling aan het middel geen schadelijke uitwerking heeft op </para>
      <para>de menselijke gezondheid. De uitwerking zou kunnen bestaan in een onomkeerbare </para>
      <para>aantasting van het centrale zenuwstelsel. Voorts zijn het middelen waarbij de </para>
      <para>toepassing plaatsvindt door niet-professionele gebruikers, namelijk door willekeurig </para>
      <para>welke consument in Nederland dan ook. De naleving van het voorschrift is dus mede </para>
      <para>afhankelijk van de - niet zonder meer in alle gevallen positief te beantwoorden vraag </para>
      <para>- of de betrokken gebruikers bereid en in staat zijn het gebruiksvoorschrift goed tot </para>
      <para>zich te laten doordringen en ernaar te handelen.  Het College ziet dan ook geen  </para>
      <para>plaats voor het oordeel dat verweerder ten onrechte tot de beslissing is gekomen dat </para>
      <para>bij middelen als de onderhavige een grote terughoudendheid moet worden betracht </para>
      <para>bij het leggen van de verantwoordelijkheid van het voorkomen van schadelijke </para>
      <para>effecten bij de gebruiker zelf. Evenmin ziet het College  plaats voor het oordeel dat </para>
      <para>verweerders beslissing te dezen op een rechtens niet aanvaardbare wijze zou </para>
      <para>afwijken van hetgeen verweerder heeft beslist ten aanzien van andere </para>
      <para>insectenbestrijdingsmiddelen, die een soortgelijke samenstelling hebben. Op goede </para>
      <para>gronden heeft verweerder in dit verband gewezen op een  relevant te achten verschil </para>
      <para>tussen die middelen en de onderhavige. Dat verschil is dat door het systeem van </para>
      <para>verdamping via een stekker-apparaatje het middel in een ruimte wordt gebracht </para>
      <para>zonder verdere activiteit van de toepasser. Doordat toepassing mogelijk is zonder </para>
      <para>dat de toepasser daarbij aanwezig hoeft te zijn, is het risico dat het middel </para>
      <para>onopgemerkt - verdamping geschiedt immers zonder geluid, geur of kleur - in </para>
      <para>aanmerkelijk grotere concentraties dan toelaatbaar wordt geacht in de ruimte wordt </para>
      <para>gebracht bepaald niet denkbeeldig. Dit is wezenlijk anders dan bij de middelen, </para>
      <para>waarbij de toepasser het middel slechts kan toepassen door het zelf te spuiten in de </para>
      <para>desbetreffende ruimte waar hij muggen wil doden of verdrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5		Ook de grieven van appellanten van Europeesrechtelijke aard kunnen niet leiden tot </para>
      <para>het door hen beoogde doel.</para>
      <para>		Daartoe overweegt het College als volgt.</para>
      <para>	Van de kant van appellanten is erop gewezen dat verweerder, in elk geval ten tijde </para>
      <para>van  het nemen van zijn thans bestreden beslissing op de bezwaren van appellanten, </para>
      <para>te maken heeft met de Richtlijn  98/8/EG (hierna: de biocidenrichtlijn), die gelet op </para>
      <para>artikel 34 van deze richtlijn geimplementeerd diende te zijn ten tijde van het nemen </para>
      <para>van het bestreden besluit .</para>
      <para>	Naar het oordeel van het College valt niet in te zien dat de bepalingen van de Wet, </para>
      <para>waaraan verweerder in het onderhavige geval toepassing heeft gegeven, leidend tot </para>
      <para>zijn afwijzend besluit,  niet zijn op te vatten als bepalingen die een implementatie </para>
      <para>inhouden van de biocidenrichtlijn.</para>
      <para>	Ook blijkens de stukken inzake het wetsvoorstel  implementatie  biocidenrichtlijn </para>
      <para>(TK, 1999-2000, 27 085, nrs 1 e.v.)  is  ten aanzien van de in het onderhavige geval </para>
      <para>toegepaste bepalingen geen verandering van wetgeving voorzien.</para>
      <para>	Dat het begrip "onaanvaardbare effecten op de gezondheid van de mens" in artikel 5 </para>
      <para>van de biocidenrichtlijn mogelijk niet onder alle omstandigheden bij de beoordeling </para>
      <para>van de aanvraag om toelating samen behoeft te vallen met het begrip "schadelijke </para>
      <para>uitwerking op de gezondheid van de mens" doet hier in de onderhavige gevallen niet </para>
      <para>aan af. Waar het om gaat is dat verweerder, naar uit het voorgaande volgt, op basis </para>
      <para>van de tekst van de Wet, wanneer die tekst richtlijn-conform  uitgelegd wordt, heeft </para>
      <para>mogen oordelen dat, zoals artikel 5 van de biocidenrichtlijn bepaalt, onder meer "- </para>
      <para>rekening houdend met alle omstandigheden waaronder een biocide normaliter </para>
      <para>gebruikt wordt - (. niet is vastgesteld) dat het biocide zelf of via zijn residuen geen </para>
      <para>onaanvaardbare effecten heeft op de gezondheid van de mens".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Als mogelijk effect heeft verweerder mogen aanmerken het effect op het centrale </para>
      <para>zenuwstelsel van de mens. Een dergelijk effect moet naar het oordeel van het </para>
      <para>College onmiskenbaar als onaanvaardbaar effect in de zin van de biocidenrichtlijn </para>
      <para>worden aangemerkt.</para>
      <para>	Naar het oordeel van het College stuiten deze grieven van appellante hierop af.</para>
      <para>	Het College ziet voorts geen plaats voor het oordeel dat verweerder een </para>
      <para>"waarschuwingszinnenbeleid" heeft gehanteerd, dat als "technisch voorschrift" in </para>
      <para>aanmerking zou komen om te worden aangemeld in het kader van ‚‚n der door </para>
      <para>appellanten bedoelde europeesrechtelijke aanmeldingsprocedures (met name die </para>
      <para>voorzien in Richtlijn 83/189/EG). Een beleidsregel als door appellanten bedoeld, is </para>
      <para>naar het oordeel van het College in de gedragslijn van verweerder op dit gebied niet </para>
      <para>te ontwaren. Echter, al aangenomen dat de gedragslijn bij waarschuwingszinnen van </para>
      <para>verweerder waar het andere middelen betreft als een beleidsregel zou kunnen </para>
      <para>worden aangemerkt, dan moet vastgesteld worden dat het in het onderhavige beroep </para>
      <para>gaat om een beslissing die op de muggenstekkermiddelen is toegesneden en die </para>
      <para>geheel is gekoppeld aan de specifieke kenmerken van deze producten. Verweerders </para>
      <para>beslissing kan niet worden beschouwd als een beslissing die steunt op enig beleid, als </para>
      <para>door appellanten bedoeld. Reeds op die grond moeten de ter zake door appellanten </para>
      <para>geformuleerde grieven worden verworpen. De grief van appellanten dat ten onrechte </para>
      <para>toepassing is gegeven aan het voorzorgsbeginsel, dat ook is omschreven in artikel </para>
      <para>174, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, kan gelet op de </para>
      <para>norm die is neergelegd in voormeld artikel 3 geen doel treffen.</para>
      <para>5.6		De conclusie is dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is, zodat de  beroepen </para>
      <para>ongegrond dienen te worden verklaard.</para>
      <para>	Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr B.Verwayen, mr C.M.Wolters en mr H.C.Cusell in </para>
      <para>tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. B.Verwayen 					w.g. M.S.Hoppener</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>