<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1384</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-06T13:02:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1384</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/523</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003818">Diergeneesmiddelenwet</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1384">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1384</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1384 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 17-04-2001 / AWB 00/523</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1384:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1384:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/523							17 april 2001</para>
      <para>	11300</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Fort Dodge Animal Health Benelux B.V., te Weesp, appellante, gemachtigde </para>
      <para>mr M.J.E. Boudesteijn, advocaat te Rotterdam,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr R.A.M.M. Gijselaers en mr drs H.C.A. Leemans, beiden werkzaam ten </para>
      <para>departemente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 21 juni 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij op </para>
      <para>nader aan te voeren gronden beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van </para>
      <para>11 mei 2000.</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in overeenstemming met de Staatssecretaris van </para>
      <para>Volksgezondheid, Welzijn en Sport, beslist op het bezwaarschrift van appellante tegen zijn </para>
      <para>besluit van 28 juni 1999, strekkende tot afwijzing van registratie van het diergeneesmiddel </para>
      <para>'FEL-O-VAX CHP Chlam' (NL 1265).</para>
      <para>Bij schrijven van 13 september 2000 heeft appellante de gronden van beroep ingediend. </para>
      <para>Op 4 oktober 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2001. Daarbij heeft </para>
      <para>verweerder bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunt nader uiteengezet. Appellante </para>
      <para>is, zoals zij voorafgaand had bericht, niet ter zitting verschenen.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	In de Diergeneesmiddelenwet (hierna: DGW) is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 4</para>
      <para>Diergeneesmiddelen worden behoudens het bepaalde in artikel 5 geregistreerd </para>
      <para>indien:</para>
      <para>a. op grond van onderzoek van de door de aanvrager overgelegde gegevens met </para>
      <para>redelijke zekerheid mag worden aangenomen, dat zij bij gebruik overeenkomstig </para>
      <para>de door de aanvrager opgegeven voorschriften:</para>
      <para>1. de gestelde werking bezitten;</para>
      <para>2. geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens; en</para>
      <para>3. niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren;</para>
      <para>b. zij de opgegeven eigenschappen en kwalitatieve en kwantitatieve </para>
      <para>samenstelling bezitten en de voor het controleren daarvan opgegeven </para>
      <para>methodieken adequaat zijn;</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Regeling registratie diergeneesmiddelen 1995 (hierna: RRD) bepaalt in artikel 5, vijfde </para>
      <para>lid:</para>
      <para>"	Het dossier en het ingevulde vragenformulier bevatten te samen tenminste de </para>
      <para>gegevens, bedoeld in artikel 5, onderdelen 1 tot en met 14, van richtlijn nr. </para>
      <para>81/851/EEG (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 7 RRD bepaalt onder meer:</para>
      <para>"	Een beslissing dat een aanvraag niet geldig is ingediend en derhalve niet wordt </para>
      <para>behandeld, wordt genomen indien:</para>
      <para>a. (.);</para>
      <para>b. met in achtneming van artikel 5 het aanvraagformulier onvolledig is ingevuld, </para>
      <para>‚‚n of meer bij het formulier behorende bijlagen dan wel het dossier niet zijn </para>
      <para>overgelegd dan wel deze documenten niet voldoen aan de eisen welke in de bij </para>
      <para>het formulier behorende instructie zijn neergelegd;</para>
      <para>c (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 11 RRD is onder meer bepaald:</para>
      <para>"	Het in artikel 5 bedoelde dossier wordt overeenkomstig titel I, deel 1, onderdeel </para>
      <para>C, deel 2, 3, 4, dan wel, in voorkomend geval, titel II, deel 5, onderdeel C, deel </para>
      <para>6, 7, 8 en 9 van de bijlage van richtlijn nr. 81/852/EEG opgesteld, met dien </para>
      <para>verstande dat:</para>
      <para>a. (.);</para>
      <para>b. de aanvrager geen resultaten van toxicologische, farmacologsche en klinische </para>
      <para>proeven hoeft voor te leggen indien hij kan aantonen:</para>
      <para>1). (.)</para>
      <para>2). (.)</para>
      <para>3).dat het diergeneesmiddel in wezen gelijk is aan een diergeneesmiddel dat, </para>
      <para>afhankelijk van de regelgeving van de betreffende lid-staat of EER-staat, </para>
      <para>tenminste 6 of 10 jaar, voor zover het betreft de gevallen, bedoeld in artikel 5, </para>
      <para>onderdeel 10, sub a, onder iii, van richtlijn nr. 81/851/EEG, volgens de geldende </para>
      <para>communautaire bepalingen in die lid-staat is toegelaten of in Nederland ten </para>
      <para>minste 10 jaar is geregistreerd en dat in Nederland in de handel is gebracht;</para>
      <para>c. (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Door middel van een op 14 januari 1987 ondertekend formulier heeft appellante bij </para>
      <para>het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen (hierna: BRD) van verweerder een </para>
      <para>aanvraag ingediend tot eerste registratie van het immunobiologisch diergeneesmiddel </para>
      <para>'FEL-O-VAX CHP CHLAM' (NL1265), aanvankelijk genaamd 'DOHYVAC CHP </para>
      <para>CHLAM'. Het middel dient ter actieve immunisatie van gezonde katten tegen door </para>
      <para>calicivirus, herpesvirus en katte-chlamydia veroorzaakte kattenniesziekte en </para>
      <para>kattenziekte. De registratie van het middel is derhalve aangevraagd voor toepassing </para>
      <para>bij dieren, waarvan de producten niet worden geconsumeerd.</para>
      <para>- Bij brief van 15 mei 1997 heeft het BRD appellante medegedeeld dat het door haar </para>
      <para>aangeleverde dossier onvoldoende gegevens bevat en heeft appellante verzocht voor </para>
      <para>25 augustus 1997 de gevraagde gegevens aan het BRD te zenden. </para>
      <para>- Bij brief van 11 augustus 1997 heeft het BRD appellante eraan herinnerd dat nog geen </para>
      <para>aanvullende gegevens waren ontvangen.</para>
      <para>- Bij besluit van 28 juni 1999 heeft verweerder de gevraagde registratie afgewezen </para>
      <para>omdat de aanvraag niet voldoet aan de in artikel 4, onderdeel a, onder 1, en 3, en </para>
      <para>onderdeel b, DGW opgegeven criteria omdat, samengevat, het BRD gebreken aan, of </para>
      <para>afwezigheid van gegevens heeft geconstateerd inzake de tolerantie bij het doeldier, de </para>
      <para>geclaimde werkzaamheid en de opgegeven eigenschappen, kwalitatieve en </para>
      <para>kwantitatieve samenstelling en de opgegeven controlemethodieken.</para>
      <para>- Appellante heeft bij brief van 6 augustus 1999 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing </para>
      <para>van het verzoek om registratie. Onder verwijzing naar artikel 5, tiende lid, iii van </para>
      <para>Richtlijn 81/851/EEG van de Raad van 28 september 1981 betreffende de onderlinge </para>
      <para>aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake geneesmiddelen voor </para>
      <para>diergeneeskundig gebruik (Pb. 1981, L 317, blz. 1, gewijzigd door Richtlijn </para>
      <para>93/40/EEG van de Raad van 14 juni 1993, Pb. 1993, L 214, blz. 31) heeft appellante </para>
      <para>zich beroepen op de omstandigheid dat Fel-O-Vax CHP Chlam sinds het begin van de </para>
      <para>jaren '80 in diverse Europese landen is toegelaten en verkrijgbaar zonder dat enige </para>
      <para>bijwerking is gerapporteerd.</para>
      <para>- Op 7 april 2000 is appellante in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van het </para>
      <para>ingediende bezwaarschrift te worden gehoord. Hiervan is geen gebruik gemaakt.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.</para>
      <para>"	Indien U gebruik had willen maken van artikel 5, tiende lid, iii van Richtlijn </para>
      <para>81/851/EEG, dan had dit expliciet naar voren moeten komen in het </para>
      <para>aanvraagformulier. U had voorts gegevens dienen te leveren waaruit bljkt dat </para>
      <para>het middel Fel-O-Fax CHP CHLAM 6 jaar volgens de geldende communautaire </para>
      <para>eisen is toegelaten in de door u genoemde Europese landen. Dit heeft u niet </para>
      <para>gedaan. In de bijlagen bij het aanvraagformulier zitten geen </para>
      <para>registratiebeschikkingen van Fel-O-Fax CHP CHLAM uit diverse Europese </para>
      <para>landen. Overigens heeft u ook bij uw bezwaarschrift geen stukken geleverd </para>
      <para>waaruit blijkt dat het onderhavige middel volgens geldende communautaire </para>
      <para>eisen is toegelaten in diverse Lidstaten.</para>
      <para>Het wijzigen van de beoordelingsprocedure tijdens een aanvraag tot registratie </para>
      <para>is dan ook niet mogelijk. U dient een nieuwe aanvraag tot registratie in te </para>
      <para>dienen.</para>
      <para>Voorts merk ik nog op dat het feit dat een middel elders in Europa is </para>
      <para>geregistreerd, onvoldoende is om de werkzaamheid, risico's voor het doeldier en </para>
      <para>de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling van dit middel zonder meer aan </para>
      <para>te nemen. Nederland heeft een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de </para>
      <para>vereisten van registratie en de communautaire regelgeving op het gebied van </para>
      <para>diergeneesmiddelen bevatte ten tijde van de indiening van de aanvraag niet de </para>
      <para>verplichting voor de Lidstaat om bij registratie van een middel in een andere </para>
      <para>Lidstaat de aanvraag reeds daarom in te willigen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het beroep van appellant op artikel 5, tiende lid, iii, van Richtlijn </para>
      <para>81/851/EEG heeft verweerder gesteld dat het feit dat een middel elders in Europa is </para>
      <para>geregistreerd, onvoldoende is om de veiligheid voor het doeldier van dit middel zonder </para>
      <para>meer aan te nemen. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de communautaire </para>
      <para>regelgeving ten tijde van de indiening van de onderhavige aanvrage en de beslissing daarop </para>
      <para>niet de verplichting voor de lidstaten bevat om in hun nationale voorschriften neer te leggen </para>
      <para>dat indien de aanvrager opgeeft dat hetzelfde diergeneesmiddel al in een of meer lidstaten is </para>
      <para>geregistreerd door de aanvrager minder gegevens behoeven te worden overgelegd. </para>
      <para>Verweerder heeft hierbij gerefereerd aan de uitspraak van het College van </para>
      <para>24 augustus 1999 (Pfizer Animal Health, Avuloxil, AWB 97/495).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>In artikel 4 DGW zijn geen specifieke eisen opgenomen ten aanzien van de wijze, waarop </para>
      <para>moet worden aangetoond dat het middel niet schadelijk is voor de gezondheid van het </para>
      <para>doeldier. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gegevens dienen te worden verstrekt </para>
      <para>op basis van experimenten met dit middel bij het doeldier om te kunnen aantonen dat het </para>
      <para>middel niet schadelijk is voor de gezondheid van het doeldier. Het middel wordt reeds sinds </para>
      <para>de jaren '80 op brede schaal toegepast volgens voorschrift in diverse Europese landen. Het </para>
      <para>middel is in deze Europese landen sinds die tijd geregistreerd. Met betrekking tot dit middel </para>
      <para>zijn vanaf de jaren '80 tot heden geen bijwerkingen gerapporteerd. In voldoende mate is de </para>
      <para>veiligheid van het middel voor het doeldier kat onderbouwd met de in het dossier aanwezige </para>
      <para>gegevens, tezamen met het gegeven dat voor het middel geen bijwerkingen zijn </para>
      <para>gerapporteerd. Op basis hiervan kan met redelijke zekerheid worden </para>
      <para>aangenomen dat het middel veilig is voor katten, zodat is voldaan aan de eis in artikel 4 </para>
      <para>DGW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat </para>
      <para>appellante indien zij aan artikel 5, tiende lid, iii, van Richtlijn 81/851/EEG rechten wil </para>
      <para>ontlenen zich hetzij in het aanvraagformulier uitdrukkelijk op deze bepaling had dienen te </para>
      <para>beroepen dan wel een nieuwe aanvraag (had) moet(en) indienen.</para>
      <para>Aan de door appellante in haar bezwaar- en beroepsschrift ingeroepen bepaling van Richtlijn </para>
      <para>81/851/EEG is uitvoering gegeven in artikel 11, sub b, onder 3, RRD. Deze regeling trad in </para>
      <para>werking met ingang van 1 januari 1995, derhalve nadat door appellante de aanvraag tot </para>
      <para>eerste registratie van Fel-O-Vax CHP Chlam was ingediend doch voordat de behandeling </para>
      <para>van deze aanvraag bij beslissing van 15 mei 1997 werd geschorst en evenzeer voordat </para>
      <para>verweerder tot afwijzing van de aanvraag tot registratie en ongegrondverklaring van de </para>
      <para>hiertegen door appellante ingebrachte bezwaren besloot.</para>
      <para>Ingevolge deze bepaling kan van de aanvrager onder omstandigheden niet de overlegging </para>
      <para>van de resultaten van toxicologische, farmacologische en klinische proeven worden </para>
      <para>verlangd indien hij kan aantonen dat het diergeneesmiddel in wezen gelijk is aan een </para>
      <para>diergeneesmiddel dat, afhankelijk van de regelgeving van de betreffende lidstaat of EER-</para>
      <para>staat, tenminste 6 of 10 jaar, voor zover het betreft de gevallen, bedoeld in artikel 5, </para>
      <para>onderdeel 10, sub a, onder iii, van Richtlijn 81/851/EEG, volgens de geldende </para>
      <para>communautaire bepalingen in die lidstaat is toegelaten of in Nederland ten minste 10 jaar is </para>
      <para>geregistreerd en dat in Nederland in de handel is gebracht.</para>
      <para>Appellante heeft op het door haar ingediende aanvraagformulier niet uitdrukkelijk een </para>
      <para>beroep gedaan op de bedoelde bepaling. Deze bepaling was toentertijd ook nog niet tot </para>
      <para>stand gekomen. De stelling van verweerder dat appellante slechts rechten kan ontlenen aan </para>
      <para>artikel 10, sub b, onder iii, van Richtlijn 81/851/EEG dan wel aan artikel 11, sub b, onder 3, </para>
      <para>RRD, indien daarop uitdrukkelijk een beroep is gedaan, dient te worden gepasseerd, omdat </para>
      <para>uit de genoemde artikelen niet kon worden afgeleid dat zij geen onmiddellijke werking </para>
      <para>hebben.</para>
      <para>Hoewel appellante in de aanvraag om registratie geen uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op </para>
      <para>artikel 11, sub b, onder 3, RRD heeft zij op de daarvoor bestemde plaats van het </para>
      <para>aanvraagformulier wel vermeld dat het middel in onder meer Portugal was geregistreerd </para>
      <para>voor de indicaties en diersoorten waarvoor registratie werd gevraagd. Appellante heeft </para>
      <para>evenwel geen melding gemaakt van de nummers van de betreffende registraties. </para>
      <para>Overlegging van fotocopie‰n is blijkens de tekst van het aanvraagformulier weliswaar </para>
      <para>gewenst, doch niet verplicht.</para>
      <para>Indien verweerder niet op basis van deze gegevens toepassing had kunnen geven aan artikel </para>
      <para>11, sub b, onder 3, RRD, had hij in het schorsingsverzoek dienen te verzoeken om </para>
      <para>overlegging van de voor toepassing van deze bepaling vereiste, maar ontbrekende, </para>
      <para>gegevens. Uit de vermelding van registraties in een andere lidstaat, die reeds ten tijde van </para>
      <para>het indienen van de aanvraag waren verkregen, had verweerder immers moeten begrijpen </para>
      <para>dat op het moment dat op de aanvraag werd beslist een gerede mogelijkheid bestond dat aan </para>
      <para>de vereisten van artikel 11, sub b, onder 3, RRD zou kunnen zijn voldaan. De brief van het </para>
      <para>BRD d.d. 15 mei 1997 bevat desondanks niet een dergelijk verzoek noch wordt in de </para>
      <para>bestreden beslissing enig gevolg gegeven aan artikel 11, sub b, onder 3, RRD. Naar het </para>
      <para>oordeel van het College ten onrechte.</para>
      <para>De bestreden beslissing verschilt in dit opzicht van die welke aan de orde was in de door </para>
      <para>appellant aangehaalde uitspraak van het College van 24 augustus 1999 (Pfizer Animal </para>
      <para>Health BV - Avuloxil, AWB 97/495). In laatstgenoemde zaak waren de schorsingsvragen </para>
      <para>gesteld en de primaire beslissing op de aanvraag al genomen geruime tijd voordat de RRD, </para>
      <para>en met name artikel 11, sub b, onder 3, van deze regeling, van toepassing was.</para>
      <para>Het College herinnert er overigens aan dat artikel 11, sub b, onder 3, RRD slechts </para>
      <para>meebrengt dat de aanvrager ontslagen is van de verplichting resultaten van toxicologische, </para>
      <para>farmacologische en klinische proeven voor te leggen indien het diergeneesmiddel waarvan </para>
      <para>registratie wordt verzocht in wezen gelijk is aan een middel dat tenminste 6 of 10 jaar, voor </para>
      <para>zover het betreft de gevallen bedoeld in artikel 5, onderdeel 10, sub a, iii, van Richtlijn </para>
      <para>81/851/EEG volgens de geldende communautaire bepalingen in die lidstaat is toegelaten. Of </para>
      <para>zulks wel dan niet het geval is, zal door verweerder moeten worden onderzocht.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met </para>
      <para>artikel 11, sub b, onder 3, RRD tot stand is gekomen. Het beroep is deswege gegrond.</para>
      <para>Het College acht termen aanwezig met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant, </para>
      <para>welke op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op fl. 710,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij d.d. 11 mei 2000, waarvan beroep;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaarschrift van appellante;</para>
      <para>-	bepaalt dat de Staat aan appellante vergoedt het door haar gestorte griffierecht ad fl. 450,-- (zegge: vierhonderdvijftig gulden);</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure, aan de zijde van appellante begroot op fl 710,-- (zegge:zevenhonderdentien gulden), onder aanwijzing van de </para>
      <para>Staat als de rechtspersoon die deze kosten aan appellante dient te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell					w.g. M.S. Hoppener</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>