<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1382</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T14:04:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1382</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/469</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1382">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1382</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1382 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 25-04-2001 / AWB 99/469</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1382:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1382:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/469						25 april 2001</para>
      <para>	33000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Examencommissie, bedoeld in artikel 7 van het Examenbesluit Wet op de </para>
      <para>architectentitel, te Den Haag, verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: dr H.A. Groeneveld, werkzaam voor verweerster. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 17 mei 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 31 maart 1999.</para>
      <para>Op 12 juli 1999 is een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 5 april 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Hierbij hebben partijen, bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader toegelicht; appellant in persoon en </para>
      <para>verweerster bij monde van haar gemachtigde.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt, voorzover hier van belang:</para>
      <para>"	Artikel 1:5</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de </para>
      <para>ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen </para>
      <para>een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 6:7</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes </para>
      <para>weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 6:8</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de </para>
      <para>voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 6:9</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. (.)</para>
      <para>2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend </para>
      <para>indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd (.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>Artikel 6:11</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of </para>
      <para>beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege </para>
      <para>indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is </para>
      <para>geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>Artikel 6:15</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd </para>
      <para>bestuursorgaan (.), wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is </para>
      <para>aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, </para>
      <para>onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.</para>
      <para>2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een </para>
      <para>bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>Artikel 7:1</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een </para>
      <para>administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen tegen dat </para>
      <para>besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit:</para>
      <para>a. op bezwaar (..) is genomen,</para>
      <para>(.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 7:2</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het </para>
      <para>belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.</para>
      <para>2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het </para>
      <para>bezwaarschrift op de hoogte (.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 7:3</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien indien:</para>
      <para>a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,</para>
      <para>(.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>Artikel 7:12</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, </para>
      <para>die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien </para>
      <para>ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke </para>
      <para>grond dat is geschied.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>Artikel 8:4</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>e. inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of </para>
      <para>leerling die terzake is ge‰xamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst </para>
      <para>(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21 van de Wet op de architectentitel luidt:</para>
      <para>"	1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</para>
      <para>2. Artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht is van </para>
      <para>toepassing."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 14, eerste lid, van het Examenbesluit Wet op de architectentitel (Stb. 1990, 577) </para>
      <para>bepaalt:</para>
      <para>"	De kandidaat kan bij de examencommissie bezwaar maken tegen de door de </para>
      <para>commissie vastgestelde beoordeling van een afgelegd examenonderdeel."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Bij brief van 9 november 1998 heeft verweerster appellant bericht hem niet het </para>
      <para>getuigschrift toe te kennen waaruit blijkt dat hij het architectenexamen met goed </para>
      <para>gevolg heeft afgelegd.</para>
      <para>- Bij brief van 22 december 1998 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. </para>
      <para>Appellant heeft deze brief op 23 december 1998 ter post bezorgd.</para>
      <para>- Bij besluit van 12 januari 1999 heeft verweerster het bezwaarschrift niet-ontvankelijk </para>
      <para>verklaard, omdat het bezwaar niet binnen zes weken was ingediend. Hiertoe heeft zij </para>
      <para>overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De examencommissie stelt aan de hand van de dagtekening van de enveloppe </para>
      <para>van uw brief vast dat uw brief op 23 december 1998 ter post is bezorgd. Op 24 </para>
      <para>december 1998 is uw bezwaarschrift door de secretaris van de commissie </para>
      <para>ontvangen. Een en ander betekent dat u uw bezwaarschrift niet binnen de </para>
      <para>krachtens de Awb geldende termijn bij de examencommissie hebt ingediend."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij brief van 7 februari 1999 heeft appellant tegen het besluit van 12 januari 1999 </para>
      <para>opnieuw bezwaar gemaakt bij verweerster. Hierin is, voorzover hier van belang, </para>
      <para>aangevoerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De brief met de negatieve boodschap kwam bij mij ter tafel op 11 november </para>
      <para>1998. Zeer ontdaan door de uitspraken heb ik deze boodschap terzijde gelegd. </para>
      <para>(.) Ik heb toen in mijn agenda de datum 22 december geprikt zijnde de datum </para>
      <para>waarop mijn bezwaar verstuurd diende te worden. (.) Ik heb er geen seconde </para>
      <para>meer naar gekeken. Werk had voorrang (.). Op 22 december heb ik dan ook </para>
      <para>mijn bezwaarschrift geschreven en heb deze dezelfde dag aangetekend willen </para>
      <para>versturen (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat de secretaris van de commissie mijn schrijven van 22 december uiteindelijk </para>
      <para>24 december heeft ontvangen is juist, daar u in uw schrijven meldt dat de brief </para>
      <para>- volgens datum - op 23 december 1998 ter post is bezorgd. Dit is ontstaan </para>
      <para>door de persoonlijke omstandigheden waarin ik op dat moment verkeerde. Ik </para>
      <para>kan en wil u hier niet verder van op de hoogte stellen dan te melden dat het </para>
      <para>familiaire omstandigheden betrof. Het is mijns inziens niet van groot belang, </para>
      <para>mede omdat ik direct heb gereageerd door contact op te nemen met het </para>
      <para>Architectenregister.</para>
      <para>Ik heb op 23 december met de telefoniste/secretaresse van de Stichting Bureau </para>
      <para>Architectenregister gebeld om te weten of de post verzonden naar het </para>
      <para>postbusnummer (.) door medewerkers de volgende dag zou worden </para>
      <para>opgehaald. Ik heb toen gemeld dat mijn bezwaarschrift pas op 23 december kon </para>
      <para>worden verstuurd. Hier werd niet negatief op gereageerd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar van 7 februari 1999. Zij </para>
      <para>heeft besloten te blijven bij de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van 22 december </para>
      <para>1998. Zij heeft hierbij overwogen:</para>
      <para>"	Ter adstructie van haar opvatting wijst de examencommisie allereerst op het feit </para>
      <para>dat u zelf bevestigt dat uw bezwaarschrift op 23 december 1998 ter post is </para>
      <para>bezorgd, hetgeen, gelet op artikel 6:9 Awb, een dag te laat is. De voor deze </para>
      <para>termijnoverschrijding aangegeven reden, door u aangeduid als "familiaire </para>
      <para>omstandigheden", acht de commissie niet van dien aard dat om die reden de </para>
      <para>termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(.) Door op de allerlaatste dag van de termijn het bezwaarschrift te </para>
      <para>formuleren, hebt u zelf het risico genomen dat het bezwaarschrift buiten de </para>
      <para>termijn zou worden verzonden. Hieraan doet niet af dat u op 23 december 1998 </para>
      <para>de SBA hebt medegedeeld dat uw bezwaarschrift de volgende dag zou </para>
      <para>aankomen en dat de SBA u op 24 december telefonisch heeft bevestigd dat het </para>
      <para>inderdaad was binnengekomen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep aangevoerd:</para>
      <para>"	De niet ontvankelijk verklaring (.) is juridisch gezien een juiste beslissing van </para>
      <para>de examencommissie. Ik heb echter om een redelijke clementie gevraagd omdat </para>
      <para>ik aangegeven heb richting de examencommissieleden dat ik mij er bewust van </para>
      <para>was dat mijn indiening van mijn bezwaar om persoonlijke redenen een dag te </para>
      <para>laat is verstuurd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Verweerster heeft de brief van appellant van 7 februari 1999 aangemerkt en afgehandeld als </para>
      <para>overeenkomstig artikel 7:1, eerste lid, Awb ingediend bezwaarschrift tegen verweersters </para>
      <para>besluit van 12 januari 1999. Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, Awb stond hieraan </para>
      <para>evenwel in de weg, aangezien het besluit van 12 januari 1999 zelf een op bezwaar genomen </para>
      <para>besluit is. De omstandigheid dat dit besluit geen oordeel geeft over de beoordeling van het </para>
      <para>kennen en kunnen van appellant, maar enkel betrekking heeft op de tijdigheid van het </para>
      <para>gemaakte bezwaar, doet hieraan niet af.</para>
      <para>Verweerster had dan ook overeenkomstig artikel 6:15 Awb het bezwaarschrift van </para>
      <para>7 februari 1999 ter behandeling als beroepschrift dienen door te zenden aan het College.</para>
      <para>Nu verweerster niet bevoegd was zelf op het bezwaar van 7 februari 1999 te beslissen, dient </para>
      <para>het bestreden besluit te worden vernietigd.</para>
      <para>Het voorgaande brengt mee dat het College thans heeft te beslissen op de als beroepschrift </para>
      <para>aan te merken brief van 7 februari 1999. Ter beoordeling staat hierbij het besluit van </para>
      <para>12 januari 1999, waarbij is beslist op het bezwaarschrift van 22 december 1998.</para>
      <para>Niet in geschil is dat het besluit waartegen het bezwaar van 22 december 1998 zich richtte </para>
      <para>bekend is gemaakt op 9 november 1998. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:8 Awb is</para>
      <para>- anders dan partijen veronderstellen - de laatste dag waarop tegen dit besluit bezwaar kon </para>
      <para>worden gemaakt  21 december 1998.</para>
      <para>Aangezien appellant zijn bezwaar eerst op 22 december 1998 op schrift heeft gesteld en </para>
      <para>- uiteraard - pas na deze opschriftstelling heeft verzonden, is het bezwaar na verstrijken van </para>
      <para>de hiertoe openstaande termijn gemaakt.</para>
      <para>Aan de orde is dus of verweerster, met toepassing van artikel 6:11 Awb, heeft moeten </para>
      <para>aannemen dat redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat appellant in verzuim was. </para>
      <para>Verweerster heeft, voorafgaand aan het besluit van 12 januari 1999, appellant niet </para>
      <para>schriftelijk gevraagd waarom de termijn is overschreden. Verweerster heeft appellant </para>
      <para>evenmin de gelegenheid gegeven hierover te worden gehoord. Bovendien is in het besluit </para>
      <para>van 12 januari 1999 niet aangegeven op welke grond van het horen is afgezien.</para>
      <para>Het voorgaande brengt mee dat het besluit van 12 januari 1999 genomen is in strijd met </para>
      <para>artikel 7:2 in samenhang met artikel 7:12, eerste lid, Awb en dientengevolge in aanmerking </para>
      <para>komt om te worden vernietigd.</para>
      <para>Het College ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van </para>
      <para>12 januari 1999 in stand te laten. Hiertoe wordt als volgt overwogen.</para>
      <para>Blijkens het als beroepschrift aan te merken bezwaarschrift van 7 februari 1999 heeft </para>
      <para>appellant ervoor gekozen tot 22 december 1998 aan zijn werk voorrang te geven boven het </para>
      <para>opstellen van een bezwaarschrift. Tengevolge van deze keuze was appellant niet meer in </para>
      <para>staat tijdig (uiterlijk op 21 december 1998) bezwaar te maken. De gevolgen van deze keuze </para>
      <para>komen voor rekening en risico van appellant. In dit verband overweegt het College nog dat </para>
      <para>appellant ter zitting heeft verklaard dat zijn misvatting omtrent de datum waarop de </para>
      <para>bezwaartermijn afliep geen gevolg is van door verweerster aan hem gegeven informatie. </para>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene behoeven de door appellant ter zitting nader aangeduide </para>
      <para>omstandigheden waardoor hij stelt verhinderd te zijn geweest zijn bezwaarschrift op 22 december 1998 te verzenden, geen bespreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt de besluiten van verweerster van 12 januari 1999 en van 31 maart 1999;</para>
      <para>-	bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 12 januari 1999 in stand blijven;</para>
      <para>-	bepaalt dat de Staat aan appellant het griffierecht ten	 bedrage van fl. 225,-- (zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden) vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr Th. J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. C.J. Borman				w.g. Th. J. van Gessel</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>