<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1381</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T15:15:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1381</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/1036</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008301&amp;artikel=4&amp;g=2001-04-25">Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 4</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1381">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1381</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1381 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 25-04-2001 / AWB 99/1036</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1381:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1381:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/1036					25 april 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maatschap A en B, te C, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: ir J.W.G.M. Loonen, agrarisch adviseur,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.T. Veldhuizen, werkzaam bij verweerders ministerie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 20 december 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 november 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van </para>
      <para>12 november 1998, waarbij haar aanvraag oppervlakten in het kader van de Regeling </para>
      <para>EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is afgewezen.</para>
      <para>Nadat op 28 februari 2000 de gronden voor het beroep zijn ontvangen, heeft verweerder op </para>
      <para>23 juni 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2001, waar partijen </para>
      <para>vertegenwoordigd door hun gemachtigden, hun standpunten hebben toegelicht. Ter zitting </para>
      <para>heeft drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas (het bedrijf dat de satellietopnames voor </para>
      <para>verweerder analyseert) met behulp van een laptopcomputer de op de onderhavige zaak </para>
      <para>betrekking hebbende satellietopnames getoond en een toelichting gegeven op de analyse </para>
      <para>daarvan door GeoRas.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is onder meer </para>
      <para>het volgende bepaald:</para>
      <para>"		Artikel 1</para>
      <para>In deze regeling wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni </para>
      <para>1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde </para>
      <para>akkerbouwgewassen (PbEG L 181);</para>
      <para>(.)</para>
      <para>n. akkerland:</para>
      <para>a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die </para>
      <para>gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als </para>
      <para>blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet </para>
      <para>agrarische doeleinden in gebruik was;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>						Artikel 4</para>
      <para>1. Onder de voorwaarden, die voortvloeien uit de in artikel 3 genoemde </para>
      <para>verordeningen alsmede onder de bepalingen van deze regeling, komt de </para>
      <para>producent in aanmerking voor een subsidie voor percelen akkerland:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. Indien de producent grond verkrijgt ter vervanging van akkerland</para>
      <para>	a. dat aan het bedrijf is onttrokken:</para>
      <para>    - in verband met een van overheidswege opgelegde wijziging van de </para>
      <para>    structuur van het bedrijf dan wel</para>
      <para>    vanwege een wijziging van de voor een subsidie in aanmerking komende </para>
      <para>    gronden die verband houdt met enigerlei vorm van overheidsinterventie dan </para>
      <para>    wel</para>
      <para>    b. in het kader van een met een overheidsinstantie gesloten </para>
      <para>    ruilverkavelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 119 van de </para>
      <para>    Landinrichtingswet ten behoeve van de natuur en het landschap </para>
      <para>    komt deze grond in aanmerking voor een subsidie voorzover de oppervlakte </para>
      <para>    van deze grond niet groter is dan de oppervlakte van het akkerland</para>
      <para>    dat aan het bedrijf van de producent is onttrokken in de onderdeel a bedoelde </para>
      <para>    gevallen respectievelijk</para>
      <para>    dat hij heeft ingebracht bij het sluiten van de overeenkomst als bedoeld in </para>
      <para>    onderdeel b."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante heeft op 6 mei 1998 een "aanvraag oppervlakten 1998 Vereenvoudigde </para>
      <para>regeling en Voederareaal " ingediend ter verkrijging van een bijdrage op grond van de </para>
      <para>Regeling. Daarbij heeft zij voor 11,48 hectare akkerbouwsteun aangevraagd.</para>
      <para>- Naar aanleiding van een analyse door GeoRas heeft verweerder appellante bij brief </para>
      <para>van 28 september 1998 verzocht om bewijsmateriaal over te leggen waaruit blijkt dat </para>
      <para>de door appellante voor akkerbouwsteun opgegeven percelen met volgnummers 3, 4 </para>
      <para>en 5 met een oppervlakte van in totaal 6,96 hectare, voldoen aan de definitie van </para>
      <para>akkerland als bedoeld in de Regeling. </para>
      <para>- Bij brief van 8 oktober 1998 heeft appellante op voormeld schrijven van verweerder </para>
      <para>gereageerd. </para>
      <para>- Bij besluit van 12 november 1998 heeft verweerder appellantes aanvraag geheel </para>
      <para>afgewezen. </para>
      <para>- Appellante heeft bij schrijven van 21 december 1998 tegen voormeld besluit bezwaar </para>
      <para>gemaakt.</para>
      <para>- Op 26 oktober 1999 is appellante gehoord. </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Overwegingen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Percelen die u opgeeft in uw aanvraag en in aanmerking brengt voor een </para>
      <para>bijdrage dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen. Uit artikel 9 van </para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 1765/92 en Bijlage I van Verordening (EG) 658/96 </para>
      <para>volgt dat aanvragen niet kunnen worden ingediend voor gronden die van 1987 </para>
      <para>tot en met 1991 permanent als weidegrond, voor meerjarigen teelten, als </para>
      <para>bosgrond of voor niet agrarische doeleinden in gebruik waren. Middels </para>
      <para>steekproeven controleert LASER jaarlijks een door de Europese Commissie </para>
      <para>vastgesteld percentage van de steunaanvragen op deze voorwaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de hand van satellietfoto's uit de periode 1987 tot en met 1991 heeft </para>
      <para>LASER vastgesteld dat de percelen 3, 4 en 5 uit uw aanvraag oppervlakten </para>
      <para>1998 niet voldoen aan bovengenoemde voorwaarde. De foto's wezen uit dat de </para>
      <para>drie percelen in de referentieperiode permanent in gebruik als grasland waren. U </para>
      <para>bent door LASER in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat uw percelen </para>
      <para>wel op enig moment in gebruik zijn geweest als akkerland. Gedurende de </para>
      <para>behandeling van uw aanvraag overlegde u enkele loonwerknota's en ook bij </para>
      <para>indiening van uw bezwaarschrift stuurde u deze nota's mee. Tijdens de </para>
      <para>hoorzitting, op 26 oktober 1999, overlegde u opnieuw facturen van </para>
      <para>loonwerkers alsmede een ondertekende verklaring van drie loonwerkers, waarin </para>
      <para>zij verklaren getuige te zijn geweest van het feit dat u een rotatiesysteem op uw </para>
      <para>gronden hanteert. Ook overhandigde u facturen uit 1987, 1988 en 1990 voor </para>
      <para>onder meer het huren van een bulldozer, de aanleg van een drainagesysteem en </para>
      <para>de aankoop van een drainbuis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met voornoemde facturen toonde u aan dat u rekeningen heeft ontvangen voor </para>
      <para>het zaaien van een aantal hectaren ma‹s, het huren van een machine of het </para>
      <para>aanleggen van een drainagesysteem. De facturen vermelden geen van allen waar </para>
      <para>deze activiteiten hebben plaatsgevonden. Dit geldt tevens voor de verklaring </para>
      <para>van uw loonwerkers. Ik stel derhalve vast dat deze documenten niet kunnen </para>
      <para>worden beschouwd als objectief bewijsmateriaal dat u op perceel 3, 4 en 5 in de </para>
      <para>jaren 1987 tot en met 1991 op enig moment ma‹s heeft geteeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de hoorzitting overlegde u opgaven van de Landinrichtingscommissie </para>
      <para>omtrent tijdelijke kavelovergangen. Ook deze documenten kunnen niet worden </para>
      <para>geaccepteerd als bewijs van het gebruik van de drie percelen in kwestie in de </para>
      <para>periode 1987 tot en met 1991. De opgaven hebben allen betrekking op het </para>
      <para>"oogstjaar 1987 tot en met de kavelovergang". De cultuurtoestand vermeld op </para>
      <para>de verkavelingsopgaven, die zijn opgemaakt in 1986, refereren aan de toestand </para>
      <para>van de grond in de periode v¢¢r 1987. Zij kunnen derhalve niet dienen als </para>
      <para>bewijs voor het gebruik in 1987 en de daarop volgende jaren. Daaraan voeg ik </para>
      <para>toe dat onderzoek heeft uitgewezen dat de benaming 'bwl' (bouwland) geen </para>
      <para>zekerheid biedt over de cultuurtoestand van het betreffende perceel. Er waren </para>
      <para>destijds drie aanduidingen voor percelen: bouwland (hetgeen wilde zeggen: </para>
      <para>akkerbouwland), tuinbouwland en grasland. In het geval de bestemming van de </para>
      <para>grond veranderde, bijvoorbeeld van bouwland naar grasland, diende men dit in </para>
      <para>principe door te geven aan de Landinrichtingscommissie. In de praktijk werd dit </para>
      <para>meestal achterwege gelaten. Slechts wanneer het een wijziging van akker- of </para>
      <para>grasland in tuinbouwland betrof, werd dit doorgaans gemeld, aangezien voor </para>
      <para>tuinbouwgrond een hogere bijdrage werd uitgekeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de hoorzitting wees u erop dat de herverkaveling van het gebied waarin </para>
      <para>uw percelen zich bevinden een controle met teledetectie erg moeilijk en wellicht </para>
      <para>onbetrouwbaar maakt. Door de ingrijpende veranderingen in de indeling van </para>
      <para>kavels is het naar uw mening hoogst onwaarschijnlijk dat er in al die jaren op </para>
      <para>geen enkel moment een akkerbouwgewas op het perceel zou hebben gestaan. </para>
      <para>Hierbij vroeg u zich af of de controle met de satellietfoto's ook in voorziet in de </para>
      <para>mogelijkheid dat slechts een percentage van het perceel voldoet. Ten aanzien </para>
      <para>hiervan het volgende. De verkaveling en het definitieve plan van toedeling in </para>
      <para>Overloon-Merselo werd voltooid in december 1987. Tijdens de </para>
      <para>referentieperiode, die liep van 1987 tot en met 1991, was ( op het kalenderjaar </para>
      <para>1987 na) de nieuwe indeling reeds van kracht. De situatie die u schetst van een </para>
      <para>perceelsindeling in de jaren waarin de foto's zijn genomen, die zeer sterk afwijkt </para>
      <para>van de huidige perceelsindeling, is dus feitelijk onjuist. Zelfs al zou er sprake </para>
      <para>zijn van een gewijzigde verkaveling, kan ik u mededelen dat dit geen invloed </para>
      <para>heeft op de juistheid van de diagnose gesteld aan de hand van de satellietfoto's. </para>
      <para>Met betrekking tot uw opmerking over het eventueel gedeeltelijk voldoen van </para>
      <para>uw percelen, heeft navraag uitgewezen dat in een dergelijk geval aantekening </para>
      <para>hiervan zou zijn gemaakt in uw dossier. Aangezien de drie betreffende percelen </para>
      <para>volledig zijn afgewezen verbind ik hieraan de conclusie dat zij dus voor 100% </para>
      <para>beteeld waren met een niet conform gewas.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De teledetectiecontrole van LASER op de percelen uit uw aanvraag heeft </para>
      <para>vastgesteld dat drie percelen met een totale grootte van 6.96 ha niet voldoen </para>
      <para>aan de genoemde voorwaarde uit de Regeling. U heeft middels de stukken die u </para>
      <para>indiende de uitkomst van deze controle niet kunnen weerleggen. Op grond van </para>
      <para>het bovenstaande kom ik dan ook, na heroverweging van het besluit van de </para>
      <para>teammanager, tot de conclusie dat zijn besluit juist is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende </para>
      <para>tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>"	3. Gronden in landinrichtingsproject:</para>
      <para>Uit productie 3 van ons bezwaarschrift kunt u opmaken dat Mts. A in de jaren </para>
      <para>80 heeft deelgenomen aan een landinrichtingsproject; ruilverkaveling Overloon-</para>
      <para>Merselo. Daarbij heeft diverse malen een kavelruil plaatsgevonden, ook voor de </para>
      <para>gronden die in de onderhavige aanvraag ter discussie staan. Op de bijlage van de </para>
      <para>kavelruilen (datumstempel 17 maart 1988) ziet u een overzicht van de </para>
      <para>uitgeruilde percelen voor het jaar 1987. De desbetreffende percelen zijn weer </para>
      <para>terug te vinden in de afzonderlijke bijlagen en daar is ook uit af te leiden wat de </para>
      <para>cultuurtoestand van deze gronden is. In totaal is op deze manier 14 ha </para>
      <para>ingebracht waarvan minimaal 6 ha als bouwland is gekwalificeerd. Overal staat </para>
      <para>op deze stukken aangegeven dat dit geldt voor het oogstjaar 1987 (zijnde ‚‚n </para>
      <para>van de referentiejaren.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Laser gaat bij de afwijzing van dit argument erg kort door de bocht door te </para>
      <para>stellen dat de cultuurtoestand is opgemaakt in 1986 en dat derhalve geen </para>
      <para>zekerheid hieruit kan worden afgeleid over de cultuurtoestand van deze gronden </para>
      <para>in 1987. Voorts wordt geschermd met "onderzoek dat heeft uitgewezen dat de </para>
      <para>benaming 'bwl' (bouwland) geen zekerheid biedt over de cultuurtoestand van het </para>
      <para>betreffende perceel".</para>
      <para>Bovenstaande interpretatie van Laser van de feiten doet wel erg veel geweld aan </para>
      <para>de werkelijke situatie.(.) Ik heb op 15 februari 2000 contact opgenomen met </para>
      <para>de Dienst Landelijk gebied in Roermond (.).</para>
      <para>Dhr. D gaf aan dat hij de enige persoon is die nog wat informatie zou kunnen </para>
      <para>verstrekken over de ruilverkaveling Overloon - Merselo. (.) Het is volgens </para>
      <para>hem niet na te gaan welke percelen precies zijn uitgeruild en in welke </para>
      <para>cultuurtoestand deze destijds verkeerden.</para>
      <para>Mij is daarom derhalve niet duidelijk waarom Laser gemakshalve de negatieve </para>
      <para>interpretatie kiest en schermt met onderzoek waarvan de onderbouwing niet is </para>
      <para>aangegeven en volgens de DLG niet aangegeven kan worden.</para>
      <para>Op basis van de stukken zoals die voorliggen (tot het tegendeel is bewezen) kan </para>
      <para>niet anders geconcludeerd worden deze gronden als bouwland gekwalificeerd </para>
      <para>zijn in het referentiejaar 1987. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Percelen vallende onder de definitie akkerland</para>
      <para>In de brief van Laser wordt duidelijk aangegeven wat de definities zijn van </para>
      <para>akkerland of geen akkerland. Bij de definitie "blijvend grasland" wordt </para>
      <para>gesproken over het al dan niet in vruchtwisseling opgenomen zijn van percelen </para>
      <para>en ook over andere criteria die nodig zijn voor de beoordeling.</para>
      <para>Uit productie 1, 2 en 4 kunt u opmaken dat de onderhavige percelen allen waren </para>
      <para>opgenomen in een vruchtwisselingssysteem. Hiervoor is zeer uitgebreide </para>
      <para>bewijsvoering opgevoerd. Uit deze stukken valt duidelijk op te maken dat alle </para>
      <para>percelen in feite onder de definitie akkerland vallen (gedurende de </para>
      <para>referentieperiode). Het is in ieder geval geen blijvend grasland geweest.</para>
      <para>Laser reageert op deze stukken met een zeer formeel standpunt. Er kan niet </para>
      <para>aangetoond worden "waar" deze activiteiten zijn uitgevoerd, niet op </para>
      <para>perceelsniveau. Zij accepteren dit niet als objectief bewijsmateriaal.</para>
      <para>Wanneer echter de stukken op hun werkelijke meritus worden beoordeeld is </para>
      <para>geen andere conclusie mogelijk dan dat een vruchtwisseling heeft </para>
      <para>plaatsgevonden. Alle bewijsvoering wijst daarop en het getuigt van weinig </para>
      <para>landbouwkundig inzicht deze argumentatie en bewijsvoering zo eenvoudig af te </para>
      <para>wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Methode van beoordelen van percelen</para>
      <para>Laser voert geen argumenten aan of de kwaliteit van teledetectie voldoende is. </para>
      <para>Er wordt voetstoots vanuit gegaan dat de beoordeling foutloos is.</para>
      <para>Op de opmerking onzerzijds aangaande de gewijzigde perceelsindelingen en </para>
      <para>perceelsverbeteringswerkzaaamheden (drainage/egaliseren) wordt niet ingegaan. </para>
      <para>Ons inziens kan voor die percelen geen eenduidige beoordeling grasland worden </para>
      <para>afgegeven en dit is bovendien ook niet gebeurd. Daar waar onze bewijsvoering </para>
      <para>door Laser als niet objectief wordt aangemerkt lijkt het met de beoordeling wat </para>
      <para>door Laser zelf wordt aangevoerd anders te liggen. De eigen informatie wordt </para>
      <para>namelijk wel onvoorwaardelijk voor waar aangenomen.</para>
      <para>Ook de argumentatie dat mais in 1991m in de periode tussen 3 maart en 30 </para>
      <para>november kan zijn geteeld wordt niet weerlegd. Ook na herhaalde verzoeken </para>
      <para>voor nadere duiding omtrent deze manier van kwalificeren wordt geen </para>
      <para>aanvullende bewijsvoering aangevoerd anders dan dat alleen de foto's het bewijs </para>
      <para>leveren.</para>
      <para>De argumentatie die gebruikt tegen de wisselende perceelsindeling is eveneens </para>
      <para>zeer discutabel. De toewijzing van de percelen heeft in 1987 plaatsgevonden </para>
      <para>echter de definitieve indeling op bedrijfsniveau heeft later plaatsgevonden. De </para>
      <para>indeling kan dus ook na toewijzing hebben afgeweken. De conclusie van Laser </para>
      <para>dat de foto's niet genomen kunnen zijn van sterk afwijkende indelingen is ons </para>
      <para>inziens dan ook uit de lucht gegrepen. Mede ook omdat Laser de wisselende </para>
      <para>indelingen niet kende en op de foto's zijn voor alle jaren dezelfde stippellijnen </para>
      <para>als perceelsgrenzen ingetekend. Hun conclusie kan dan zijn dat er alleen maar </para>
      <para>grasland is geweest op alle percelen. U kunt zich voorstellen dat ons dit zeer </para>
      <para>verbaasd, gezien het al eerder beschreven vruchtwisselsysteem wat door Mts. A </para>
      <para>werd toegepast.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu wordt er zonder nader onderzoek van uit gegaan dat de gestelde  diagnose </para>
      <para>volledig klopt. Er wordt ook geen toelichting op gegeven. In algemene </para>
      <para>bewoordingen komt het op ons over dat het systeem van teledetectie langs alle </para>
      <para>wegen als een sluitende bewijsvoering dient te worden gehandhaafd. Alle </para>
      <para>argumenten die daarmee in tegenspraak zijn worden zondermeer als niet </para>
      <para>objectief of niet kloppend beschouwd. Het heeft er alle schijn van dat </para>
      <para>onderhavige kwestie geen precedenten mag scheppen voor deze </para>
      <para>beoordelingssystematiek."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is van de zijde van appellante met name beklemtoond, dat niet onderzocht is of </para>
      <para>de percelen die appellant in 1987 nog bezat en die daarna zijn  uitgeruild tegen de huidige </para>
      <para>percelen, als akkerland beschouwd konden worden. Zou dat zo zijn, dan zou op grond van </para>
      <para>het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Regeling het huidige land reeds op die titel als </para>
      <para>akkerland beschouwd kunnen worden.</para>
      <para>Voorts is met name de geringe bewijskracht van de satellietopnamen voor het jaar 1991, die </para>
      <para>respectievelijk op 3 maart en 30 november genomen zijn, benadrukt. Teelt van ma‹s tussen </para>
      <para>deze beide data is, aldus appellante, alleszins verenigbaar met een beeld op de </para>
      <para>satellietopnames, dat ter plaatse volgroeid gras laat zien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Aan de orde is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit zijn eerdere afwijzing van de </para>
      <para>aanvraag  van appellante op grond van de Regeling kon handhaven. Het College </para>
      <para>beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 1, onder n, sub a van de Regeling wordt onder akkerland </para>
      <para>verstaan het geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die </para>
      <para>gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland, </para>
      <para>grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet agrarische doeleinden in gebruik </para>
      <para>was.</para>
      <para>Gelet op hetgeen appellante met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 4, tweede lid </para>
      <para>van de Regeling in haar situatie heeft aangevoerd zal het College allereerst de vraag moeten </para>
      <para>beantwoorden, of verweerder wel de juiste gronden in zijn beoordeling betrokken heeft.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College strekt het bepaalde in genoemd artikel 4, tweede lid, van </para>
      <para>de Regeling ertoe te voorkomen dat een bedrijf, dat over akkerland in de zin van de </para>
      <para>Regeling beschikt door de in dat artikel genoemde (overheids-)ingrepen in een situatie zou </para>
      <para>komen dat het in plaats van dit akkerland vervangende grond verkrijgt, die niet als </para>
      <para>akkerland aangemerkt kan worden en die vervolgens niet bij de verlening van steun </para>
      <para>ingevolge de Regeling in aanmerking gebracht kan worden. Dat zou de medewerking aan </para>
      <para>maatschappelijk nuttige wijzigingen in beheer en gebruik van grond onnodig belasten.</para>
      <para>De tekst noch de strekking van genoemde bepaling biedt echter enig aanknopingspunt om </para>
      <para>aan te nemen, dat daarmee de definitie van het begrip akkerland als gegeven in artikel 1, </para>
      <para>onder n, sub a van de Regeling wordt uitgebreid. </para>
      <para>Dat wil zeggen dat grond die in de jaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland, grond </para>
      <para>voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet agrarische doeleinden in gebruik was, </para>
      <para>geen akkerland is, ook als deze grond, indien artikel 4, tweede lid, van de Regeling destijds </para>
      <para>reeds had gegolden, wel als akkerland voor steun in aanmerking gebracht had kunnen </para>
      <para>worden. Er is immers geen reden aan te wijzen, waarom de wetgever voor in het verleden </para>
      <para>spelende situaties een onderscheid zou willen maken tussen de wijzen van verkrijging </para>
      <para>waarop artikel 4, tweede lid, van de Regeling betrekking heeft en andere wijzen van </para>
      <para>verkrijging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt het College tot de conclusie, dat verweerder in dit geval terecht zijn </para>
      <para>beoordeling beperkt heeft tot de vraag of appellantes huidige percelen in de jaren 1987 tot </para>
      <para>en met 1991 gebruikt zijn anders dan als blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, </para>
      <para>bosgrond of voor niet agrarische doeleinden.</para>
      <para>Met betrekking tot die percelen geldt, dat verweerder in eerdere jaren steun verstrekt heeft </para>
      <para>met betrekking tot op deze grond verbouwde gewassen en deze dus als akkerland in </para>
      <para>aanmerking genomen heeft. Het College acht het niet onjuist, dat verweerder - nu hij door </para>
      <para>de satellietopnames over gedetailleerdere informatie beschikt dan voordien het geval was - </para>
      <para>opnieuw beoordeelt of de door appellante opgegeven percelen wel als akkerland in de zin </para>
      <para>van de Regeling kunnen gelden. </para>
      <para>Als de satellietopnames er stellig op wijzen, dat zulks niet het geval is, is het in beginsel aan </para>
      <para>de aanvrager om bewijsmateriaal aan te dragen op basis waarvan verweerder de grond toch </para>
      <para>als akkerland in aanmerking zou moeten nemen. Hoewel gelet op het tijdsverloop aan de </para>
      <para>door de aanvrager te produceren bewijzen minder hoge eisen gesteld kunnen worden, dan </para>
      <para>wanneer deze kwestie enkele jaren eerder aan de orde gekomen zou zijn, houdt verweerder </para>
      <para>naar het oordeel van het College niet ten onrechte vast aan het vereiste, dat het bewijs, dat </para>
      <para>een perceel voldoet aan de definitie van akkerland ook per perceel geleverd zal moeten </para>
      <para>worden. </para>
      <para>Naar ter zitting uitgebreid is toegelicht hebben de satellietopnames uit de jaren 1987 tot en </para>
      <para>met 1991 zichtbaar gemaakt, dat op de data waarop die foto's genomen werden, zijnde </para>
      <para>5 mei en 2 oktober 1987, 14 juni en 9 september 1988, 23 mei en 21 september 1989, </para>
      <para>1 april en 2 augustus 1990, en 31 maart en 30 november 1991 volgroeid gras op de </para>
      <para>betrokken percelen 3, 4 en 5 aanwezig was. Daarbij wordt uitgegaan van de percelen met </para>
      <para>hun huidige grenzen, die op de opname worden uitgezet.</para>
      <para>Het College heeft geen aanleiding gevonden om de door drs M. Honig van GeoRas over de </para>
      <para>interpretatie van deze opnames gegeven uiteenzetting in twijfel te trekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante verkeert in de positie, dat zij ondersteunend bewijsmateriaal heeft voor haar </para>
      <para>stelling, dat zij in al deze jaren op een gedeelte van haar bedrijf ma‹s teelde en dat daarbij </para>
      <para>een roulatiesysteem gehanteerd werd. Zij heeft echter geen concrete, op de nu aan de orde </para>
      <para>zijnde drie percelen betrekking hebbende, bewijzen kunnen produceren, die aannemelijk </para>
      <para>maken, dat deze concrete percelen in die jaren anders dan als grasland in gebruik zijn </para>
      <para>geweest.</para>
      <para>De conclusie uit het voorgaande is, dat niet is komen vast te staan, dat verweerder bij de </para>
      <para>beoordeling van appellantes aanvraag over het jaar 1998 ten onrechte het standpunt heeft </para>
      <para>ingenomen dat de betrokken percelen niet als akkerland voor steun ingevolge de Regeling in </para>
      <para>aanmerking gebracht kunnen worden. Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. W.E. Doolaard	w.g. Th.J. van Gessel</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>