<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1320</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T10:31:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1320</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/170</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1320">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1320</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1320 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 28-03-2001 / AWB 01/170</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1320:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1320:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/170					28 maart 2001</para>
      <para>	17014</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. A, te B, </para>
      <para>2. C, te D,</para>
      <para>3. E, te F, verzoeksters,</para>
      <para>gemachtigde: mr W. Knibbeler, advocaat te Amsterdam, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, gevestigd te Rijswijk (Z-H), verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr L.A.D. Keus, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 5 maart 2001 heeft verweerder de invoer uit Cura‡ao door verzoekster sub 2 </para>
      <para>van een in vijf containers verpakte partij "cacoa-premix D", samengesteld als hierna in </para>
      <para>rubriek 2.2 te melden, met een netto gewicht van 119.801 kg, geweigerd met toepassing </para>
      <para>van artikel 16 van de Warenwetregeling Zuivelbereiding.</para>
      <para>Tegen dat besluit hebben verzoeksters tijdig bezwaar gemaakt.</para>
      <para>Voorts hebben zij bij een verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 14 maart 2001, aan de </para>
      <para>president van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in welk verband </para>
      <para>de president wordt verzocht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>I Primair:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit te schorsen tot de dag waarop het bezwaar van verzoeksters door de </para>
      <para>RVV gegrond is verklaard, dan wel het College einduitspraak zal hebben gedaan terzake </para>
      <para>een beroep door verzoeksters tegen een afwijzende beslissing op bezwaar door de RVV, </para>
      <para>dan wel de eerdere dag waarop deze bodemprocedure op andere wijze zal zijn ge‰indigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II Subsidiair:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(a)	Het bestreden besluit te schorsen tot de dag waarop het bezwaar van verzoeksters </para>
      <para>door de RVV gegrond is verklaard, dan wel het College einduitspraak zal hebben </para>
      <para>gedaan terzake een beroep door verzoeksters tegen een afwijzende beslissing op </para>
      <para>bezwaar door de RVV, dan wel de eerdere dag waarop deze bodemprocedure op </para>
      <para>andere wijze zal zijn ge‰indigd;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(b)	De voorziening te treffen dat verweerder de ten invoer aan te geven producten waar </para>
      <para>het bestreden besluit betrekking op heeft doet onderzoeken op eventuele </para>
      <para>tekortkomingen uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid en het leven </para>
      <para>van personen en dieren;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(c)	Te bepalen dat verweerder bedoelde producten toelaat tot het verkeer in de </para>
      <para>Gemeenschap, indien op grond van bedoeld onderzoek genoegzaam is gebleken dat </para>
      <para>van zodanige tekortkomingen geen sprake is, met dien verstande  dat de door </para>
      <para>verweerder te verrichten keuring niet mag leiden tot een ongebruikelijk of onredelijk </para>
      <para>oponthoud.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>III	Verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.</para>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 21 maart 2001. Partijen hebben </para>
      <para>daar bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1 In de Richtlijn 92/46/EEG van de Raad van 16 juni 1992 tot vaststelling van </para>
      <para>gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van rauwe melk, </para>
      <para>warmtebehandelde melk en produkten op basis van melk (PB 1992, L 268/1, verder te </para>
      <para>noemen: de Richtlijn), is het volgende bepaald:</para>
      <para>				"Artikel 2</para>
      <para>In deze richtlijn wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	"produkten op basis van melk", zuivelprodukten, dat wil zeggen produkten </para>
      <para>die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die </para>
      <para>voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits </para>
      <para>deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke </para>
      <para>vervanging van ‚‚n van de bestanddelen van de melk, en produkten die zijn </para>
      <para>samengesteld uit melk, dat wil zeggen produkten waarvan geen enkel </para>
      <para>element in de plaats komt van een melkbestanddeel of bedoeld is om </para>
      <para>daarvoor in de plaats te komen en waarvan de melk of een zuivelprodukt een </para>
      <para>essentieel bestanddeel is, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect </para>
      <para>kenmerkend is voor deze produkten."</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoofdstuk III van de Richtlijn ziet op de invoer uit derde landen van - onder meer - </para>
      <para>producten op basis van melk. In dit hoofdstuk is ter zake als volgt bepaald:</para>
      <para>					"Artikel 22</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorwaarden die gelden voor de invoer uit derde landen van rauwe melk, </para>
      <para>warmtebehandelde melk en produkten op basis van melk die onder deze richtlijn </para>
      <para>vallen moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen die in hoofdstuk </para>
      <para>II zijn vastgesteld voor de communautaire produktie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>				 Artikel 23</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.  Met het oog op een uniforme toepassing van artikel 22 zijn de bepalingen </para>
      <para>van de volgende leden van toepassing.</para>
      <para>2.  In de Gemeenschap mogen alleen worden ingevoerd melk of produkten op </para>
      <para>basis van melk:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a) die afkomstig zijn uit een derde land dat voorkomt op een lijst die </para>
      <para>overeenkomstig lid 3, onder a), zal worden opgesteld</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>3.	Volgens de procedure van artikel 31 worden vastgesteld:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>a) een voorlopige lijst van derde landen of delen van derde landen die de Lid-</para>
      <para>Staten en de Commissie garanties kunnen bieden die gelijkwaardig zijn aan </para>
      <para>die bedoeld in hoofdstuk II alsmede de lijst van de inrichtingen waarvoor zij </para>
      <para>deze garanties kunnen bieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze voorlopige lijst wordt opgesteld aan de hand van de lijsten van de door </para>
      <para>de bevoegde autoriteiten erkende en ge‹nspecteerde inrichtingen nadat de </para>
      <para>Commissie zich er van tevoren van heeft vergewist dat deze inrichtingen in </para>
      <para>overeenstemming zijn met de algemene beginselen en voorschriften van deze </para>
      <para>richtlijn"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Warenwetregeling Zuivelbereiding (Stcrt. 1994, 243), laatstelijk gewijzigd per </para>
      <para>16 april 1997, Stcrt. 1997, 71)  is als volgt bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 16</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Melk en producten op basis van melk worden slechts binnen Nederlands </para>
      <para>grondgebied gebracht vanuit landen die niet behoren tot de Europese Unie en </para>
      <para>ook geen partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische </para>
      <para>Ruimte, indien zij:</para>
      <para>a. afkomstig zijn uit een derde land dat voorkomt op de lijst in beschikking </para>
      <para>95/340/EG; en</para>
      <para>b. vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat overeenkomstig het </para>
      <para>desbetreffende model, bedoeld in beschikking 95/343/EG, dat is ondertekend </para>
      <para>door de bevoegde autoriteit van het exporterende land."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij Koninklijk Besluit van 27 november 2000, houdende vaststelling van het tijdstip van </para>
      <para>inwerkingtreding van de Wet van 11 november 1999 tot wijziging van de Warenwet in </para>
      <para>verband met de invoering van bestuursrechtelijke boeten wegens overtredingen van </para>
      <para>voorschriften bij of krachtens de Warenwet gesteld (Stb. 502), Stb. 526, is dit tijdstip </para>
      <para>bepaald op 1 februari 2001. Artikel 23 van de Warenwet luidt sedertdien als volgt:</para>
      <para>"Artikel 23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor </para>
      <para>beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam </para>
      <para>bevoegd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met bovengenoemde Wet van 11 november 1999 tot wijziging van de Warenwet is op </para>
      <para>1 februari 2001 tevens in werking getreden artikel IV van deze wet, welk artikel luidt als </para>
      <para>volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"Artikel IV</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt een </para>
      <para>onderdeel toegevoegd, luidende: 7. Warenwet"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), </para>
      <para>juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, kan, </para>
      <para>hangende de beslissing op een ingediend bezwaarschrift, de president van het College een </para>
      <para>voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen </para>
      <para>dat vereist.</para>
      <para>Indien het College bevoegd is of na het nemen van de beslissing op bezwaar zal worden om </para>
      <para>van een geschil kennis te nemen, ligt het treffen van een voorlopige voorziening binnen het </para>
      <para>bereik van de president. Met betrekking tot het onderhavige verzoek om een voorlopige </para>
      <para>voorziening moet de president constateren dat met de inwerkingtreding op 1 februari 2001 </para>
      <para>van de Wet van 11 november 1999 tot wijziging van de Warenwet en dan met name door de </para>
      <para>wijziging van artikel 23 van de Warenwet per genoemde datum, het College niet bevoegd is </para>
      <para>om van het onderliggende geschil kennis te nemen, zulks gelet op de stand waarin dit </para>
      <para>geschil zich thans bevindt. In aanmerking genomen dat het besluit ten aanzien waarvan thans </para>
      <para>om een voorlopige voorziening wordt gevraagd zijn grondslag vindt in de Warenwet en </para>
      <para>dateert van na 1 februari 2001 (te weten 23 februari 2001) moet gelet op artikel 23 van de </para>
      <para>Warenwet worden aangenomen dat de (president van de) rechtbank te Rotterdam in deze </para>
      <para>bevoegd is. </para>
      <para>Gelet op vorenstaande overwegingen moet de president zich onbevoegd verklaren om </para>
      <para>kennis te nemen van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening. Dientengevolge </para>
      <para>zal de president het onderhavige verzoekschrift om voorlopige voorziening doen </para>
      <para>doorzenden aan de rechtbank te Rotterdam.</para>
      <para>Voor toepassing van artikel 8:75 Awb acht de president geen termen aanwezig. Dit leidt tot de volgende beslissing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president:</para>
      <para>- verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen;</para>
      <para>draagt de griffier op het verzoekschrift om voorlopige voorziening door te zenden aan de rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. van Wagtendonk, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. B. van Wagtendonk				w.g. R.P.H. Rozenbrand</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>