<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1303</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T18:03:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1303</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/950</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1303">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1303</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1303 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 12-04-2001 / AWB 99/950</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1303:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1303:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/950						12 april 2001</para>
      <para>	20010</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en </para>
      <para>Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 20 </para>
      <para>september 1999,</para>
      <para>gemachtigde: mr R. Verdonk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 20 september 1999 heeft de raad van tucht een beslissing genomen op een klacht, op </para>
      <para>28 april 1999 ingediend tegen appellant door C, maatschap voor administratieve </para>
      <para>dienstverlening (hierna: klaagster).</para>
      <para>Bij een op 17 november 1999 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen </para>
      <para>die beslissing beroep bij het College ingesteld. </para>
      <para>De raad van tucht heeft bij brief van 29 november 1999 op de zaak betrekking hebbende </para>
      <para>stukken doen toekomen aan de griffier van het College.</para>
      <para>Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 8 februari 2001. Appellant heeft </para>
      <para>zijn standpunt doen toelichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De toepasselijke regelgeving</para>
      <para>	Artikel 11, eerste lid, van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants </para>
      <para>1994 (hierna: GBR 1994), luidt als volgt:</para>
      <para>"	De registeraccountant doet slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn </para>
      <para>arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden </para>
      <para>daarvoor een deugdelijke grondslag vormen. Hij draagt er zorg voor dat </para>
      <para>zodanige mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomst van zijn </para>
      <para>arbeid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 33 van de GBR 1994 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Het is de registeraccountant verboden een oordeel te geven omtrent de arbeid </para>
      <para>van een andere accountant alvorens hem in de gelegenheid te hebben gesteld </para>
      <para>inlichtingen te geven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	De vaststaande feiten</para>
      <para>Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van </para>
      <para>de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De bestreden tuchtbeslissing</para>
      <para>Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt </para>
      <para>beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en aan appellant de </para>
      <para>maatregel van berisping opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De middelen van beroep</para>
      <para>Appellant heeft - samengevat - tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen </para>
      <para>voorgedragen.</para>
      <para>4.1	De raad van tucht heeft in zijn beslissing blijkbaar een analoge toepassing van artikel 33 </para>
      <para>GBR 1994 voor ogen gestaan. Dit ten onrechte. Uit de jurisprudentie aangaande dit artikel </para>
      <para>blijkt dat in alle gevallen waarin dit artikel tot een tuchtrechtelijke maatregel leidde, sprake </para>
      <para>was van een "onderzoek" of een "overzicht van tekortkomingen" door een accountant naar </para>
      <para>of over een andere accountant. In onderhavig geval is geen sprake van een oordeel over de </para>
      <para>werkzaamheden van een andere accountant. Appellant kende deze werkzaamheden niet </para>
      <para>maar heeft een urenraming onder voorbehoud verstrekt. De second opinion zou alleen dan </para>
      <para>als oordeel kunnen worden aangemerkt indien de declaratie van klaagster zou zijn </para>
      <para>onderzocht en becommentarieerd. Daarvan is geen sprake geweest.</para>
      <para>	Het enkele feit dat geen voorafgaand overleg met klaagster heeft plaatsgevonden omtrent </para>
      <para>de in de brief van 12 februari 1999 opgenomen urenraming, hoeft op zich niet te betekenen </para>
      <para>dat appellant een ongefundeerd oordeel zou hebben uitgesproken. Appellant heeft zich </para>
      <para>uitdrukkelijk baserend op door zijn opdrachtgever verstrekte informatie een urenraming </para>
      <para>gegeven over reeds verrichte werkzaamheden. Het vermelden van een uur-tarief is bewust </para>
      <para>achterwege gelaten. Appellant heeft vooraf de kolommenbalansen van de firma D </para>
      <para>beoordeeld. Nu klaagster de door haar verrichte werkzaamheden had gedeclareerd, heeft de </para>
      <para>urenraming van appellant de status van "second opinion" gekregen. </para>
      <para>4.2	De raad van tucht oordeelt dat het verstrekken van een urenraming in de wetenschap dat </para>
      <para>tussen klaagster en haar cli‰nt een geschil bestond over de declaratie voor verrichte </para>
      <para>werkzaamheden, onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar was. Kern van de klacht was </para>
      <para>dat appellant eerst overleg had moeten voeren met de accountant/administrateur die de </para>
      <para>declaratie had opgesteld. Door dit buiten beschouwing te laten komt de raad van tucht tot </para>
      <para>de zeer verstrekkende uitspraak dat in alle gevallen waarin een geschil is over een </para>
      <para>declaratie een urenraming niet op een enkel verzoek van de opdrachtgever mag worden </para>
      <para>uitgevoerd op straffe van het verwijt dat de accountant onzorgvuldig handelt. In een </para>
      <para>andere, eerdere beslissing komt de raad nog tot een andere conclusie. </para>
      <para>Met name nu appellant zich tot objectief vast te stellen feiten heeft beperkt en de raming op </para>
      <para>deugdelijke grondslag is geschied, valt niet goed te begrijpen waarom appellant </para>
      <para>desondanks onzorgvuldig zou hebben gehandeld.</para>
      <para>4.3	Appellant is van oordeel dat hij geen oordeel gegeven over een declaratie, omdat door hem </para>
      <para>geen onderzoek is ingesteld naar de werkzaamheden of declaratie van klaagster. Sterker </para>
      <para>nog: appellant kende de declaratie niet en is evenmin bekend met de door klaagster </para>
      <para>verrichte werkzaamheden in dezen. Het vermelden van tarieven in de verklaring is dan ook </para>
      <para>bewust achterwege gelaten. </para>
      <para>In de verklaring van 12 februari 1999 heeft appellant voorts expliciet het voorbehoud </para>
      <para>gemaakt dat bij het verstrekken van de urenraming is uitgegaan van de door de </para>
      <para>opdrachtgever verstrekte informatie. Op basis van deze informatie was het goed mogelijk </para>
      <para>een urenraming te maken, zonder in het bezit te zijn van de declaratie.</para>
      <para>4.4	De maatregel van berisping is zwaarder dan de maatregel die in andere artikel 33 </para>
      <para>GBR-1994 kwesties, is opgelegd. Appellant verwijst naar een aantal uitspraken van de raad </para>
      <para>van beroep, waarbij enkel (schriftelijke) waarschuwingen werden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling</para>
      <para>5.1	De raad van tucht heeft in de bestreden beslissing onder 5.2 overwogen dat appellant een </para>
      <para>ernstig tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, waarbij de raad in aanmerking heeft </para>
      <para>genomen dat appellant op het enkele verzoek van een firmant van de firma D is overgegaan </para>
      <para>tot het verstrekken van de urenraming, terwijl hij op de hoogte was van het feit dat het hier </para>
      <para>een urenraming betrof inzake werkzaamheden die door C reeds waren verricht en </para>
      <para>gedeclareerd en dat over de hoogte van deze declaratie een geschil bestond. </para>
      <para>Met appellant is het College van oordeel dat de raad van tucht ten onrechte heeft </para>
      <para>geoordeeld dat het verstrekken van een urenraming, ook als deze raming werkzaamheden </para>
      <para>betreft die reeds door klaagster zijn verricht en gedeclareerd, onzorgvuldig en </para>
      <para>tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Hierbij is van belang dat het betreft een raming van het </para>
      <para>aantal uren dat door (medewerkers van) appellant besteed zou zijn aan het samenstellen </para>
      <para>van de jaarrapporten uitdrukkelijk uitgaande van informatie verstrekt door de </para>
      <para>desbetreffende onderneming. Appellant heeft daarmee geen oordeel gegeven over de wijze </para>
      <para>waarop deze werkzaamheden door klager zijn verricht noch over het tijdbeslag dat daarmee </para>
      <para>gemoeid is geweest doch slechts het aantal uren dat hij, uitgaande van de uitdrukkelijke </para>
      <para>aannames, zou hebben begroot voor de desbetreffende werkzaamheden. De omstandigheid </para>
      <para>dat appellant op de hoogte was van een tussen klaagster en haar cli‰nte bestaand geschil </para>
      <para>over de hoogte van de declaratie met betrekking tot deze werkzaamheden en </para>
      <para>laatstgenoemde in haar opvattingen over de juistheid van deze declaratie zou worden </para>
      <para>gesterkt doet hieraan niet af. De hoogte van deze declaratie was immers afhankelijk van de </para>
      <para>terzake tussen klager en haar cli‰nte gemaakte afspraken bijvoorbeeld met betrekking tot </para>
      <para>het te hanteren tarief, de ervaring van (medewerkers van) klager en de juistheid van de </para>
      <para>veronderstellingen die aan de opgave ten grondslag werden gelegd. De uitspraak van de </para>
      <para>raad van tucht ontbeert om die reden deugdelijke grondslag en dient derhalve te worden </para>
      <para>vernietigd.</para>
      <para>5.2	Het College ziet aanleiding om de zaak zelf af te doen en overweegt daartoe als volgt. </para>
      <para>De klacht luidt - samengevat - dat de brief van 12 februari 1999 oordelend en implicerend </para>
      <para>van karakter is; dat appellant het verhaal van de firma D niet heeft geverifieerd, althans dat </para>
      <para>vooraf geen contact is gezocht met klaagster en dat appellant ook naderhand niet openstond </para>
      <para>voor een inhoudelijk gesprek met klaagster.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College moet de verklaring van 12 februari 1999 worden </para>
      <para>aangemerkt als een mededeling in de zin va artikel 11 van de GBR 1994. Ingevolge het </para>
      <para>eerste lid van dit artikel doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de </para>
      <para>uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte </para>
      <para>werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen. Hij draagt er zorg voor dat </para>
      <para>zodanige mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid.</para>
      <para>In haar algemeenheid is naar het oordeel  van het College onjuist de opvatting dat een </para>
      <para>verklaring deugdelijke grondslag reeds zou ontberen, op grond van het enkele feit dat geen </para>
      <para>hoor en wederhoor is toegepast. </para>
      <para>In onderhavig geval heeft appellant - conform de opdracht van de firma D - bij brief van 12 </para>
      <para>februari 1999 een raming gemaakt van het aantal uren dat door medewerkers van </para>
      <para>appellants kantoor besteed zou zijn aan het samenstellen van de jaarrapporten van </para>
      <para>genoemde firma. Genoegzaam is komen vast te staan dat appellant, alvorens daartoe over </para>
      <para>te gaan, kolommenbalansen heeft ingezien en beoordeeld. Derhalve kan niet gezegd </para>
      <para>worden dat appellant de mededelingen van de firma D niet heeft geverifieerd. Bovendien </para>
      <para>heeft appellant door vermelding van de informatie waarvan hij is uitgegaan alvorens de </para>
      <para>mededeling werd opgemaakt, naar het oordeel van het College voldoende voorbehoud </para>
      <para>gemaakt.</para>
      <para> Voorts heeft appellant zich naar het oordeel van het College beperkt tot het geven van een </para>
      <para>urenraming en zich afzijdig gehouden van het geven van een oordeel over het gehanteerde </para>
      <para>uurtarief en de hoogte van de declaratie van klaagster. Appellant was - op de hoogte zijnde </para>
      <para>van het tussen klaagster en de firma D bestaande geschil - niet genoodzaakt contact op te </para>
      <para>nemen met klaagster, nu een dergelijk contact, gezien de aard van de opdracht, afbreuk zou </para>
      <para>hebben gedaan aan het onafhankelijke en objectieve karakter van een urenraming. </para>
      <para>Gezien deze omstandigheden is het College van oordeel dat appellant bij het opstellen van </para>
      <para>zijn verklaring van 12 februari 1999 de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en </para>
      <para>dat de verklaring op een deugdelijke grondslag berust, als bedoeld in artikel 11, eerste lid,  </para>
      <para>GBR 1994.</para>
      <para>De hiervoor weergegeven klacht is mitsdien ongegrond. </para>
      <para>Derhalve is geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel.</para>
      <para>Na te melden beslissing berust op de artikelen 40, 52, 53 en 54a tot en met g van de Wet op </para>
      <para>de registeraccountants en op artikel 11, eerste lid, en 33 van de GBR 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;</para>
      <para>- verklaart de klacht ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen					w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>