<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T17:55:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1295</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/531</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1295">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1295 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 18-04-2001 / AWB 00/531</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1295:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1295:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/531							18 april 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellante,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr I. Opsomer, werkzaam bij verweerders ministerie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 23 juni 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 mei 2000.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar, dat appellante heeft gemaakt tegen </para>
      <para>de vaststelling van appellantes oppervlakte voederareaal  naar aanleiding van haar aanvraag </para>
      <para>oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal in het kader van de Regeling </para>
      <para>EG-steunverlening akkerbouwgewassen en de Regeling dierlijke EG-premies.</para>
      <para>Verweerder heeft op 3 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 14 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Hierbij hebben partijen </para>
      <para>hun standpunten nader toegelicht, verweerder bij monde van zijn gemachtigde. Appellante </para>
      <para>werd ter zitting vertegenwoordigd door C en D.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is onder meer </para>
      <para>het volgende bepaald</para>
      <para>"				Artikel 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze regeling wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni </para>
      <para>1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde </para>
      <para>akkerbouwgewassen (PbEG L 181);</para>
      <para>(.)</para>
      <para>m. akkerland:</para>
      <para>a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die </para>
      <para>gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als </para>
      <para>blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet </para>
      <para>agrarische doeleinden in gebruik was:</para>
      <para>b. grond die overeenkomstig de beschikking ter zake van het uit produktie </para>
      <para>nemen van bouwland uit productie is geweest;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 3</para>
      <para>Overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening </para>
      <para>3887/92, (.) en deze regeling (.) worden jaarlijks op aanvraag de </para>
      <para>beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van </para>
      <para>akkerbouwgewassen(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij Verordening (EEG) nr. 1765/92 is - voor zover in dit geding van belang - het volgende </para>
      <para>bepaald:</para>
      <para>"					Artikel 10</para>
      <para>1. De compensatiebedragen voor granen en eiwithoudende gewassen en de </para>
      <para>compensatie voor de verplichting om grond uit productie te nemen worden </para>
      <para>uitbetaald in de periode van 16 oktober tot en met 31 december die volgt op de </para>
      <para>oogst.</para>
      <para>2. Om voor het compensatiebedrag in aanmerking te komen moet de producent </para>
      <para>uiterlijk op 15 mei voorafgaand aan de betrokken oogst:</para>
      <para>- hebben ingezaaid</para>
      <para>- een aanvraag hebben ingediend."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, is </para>
      <para>onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"			Artikel 4</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Onverminderd de eisen die in de sectori‰le verordeningen worden gesteld, </para>
      <para>moet een steunaanvraag "oppervlakten" alle benodigde gegevens bevatten, en </para>
      <para>met name:</para>
      <para>- de identificatie van het bedrijfshoofd,</para>
      <para>- de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf </para>
      <para>benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, het gebruik </para>
      <para>ervan, eventueel het feit dat het om een ge‹rrigeerd perceel gaat, en de </para>
      <para>betrokken steunregeling,</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.a De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de </para>
      <para>indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten </para>
      <para>de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van </para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag "oppervlakten" </para>
      <para>slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn </para>
      <para>gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of </para>
      <para>de sluiting van een pachtovereenkomst. De Lid-staten stellen de desbetreffende </para>
      <para>voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan </para>
      <para>de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, </para>
      <para>tenzij het een geval betreft dat </para>
      <para>overeenkomstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en </para>
      <para>op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was </para>
      <para>opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste </para>
      <para>steunaanvraag dienovereenkomstig wordt gecorrigeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>				Artikel 5 bis</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, </para>
      <para>in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de </para>
      <para>indiening op elk moment worden aangepast."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 7 mei 1999 heeft verweerder van appellante een formulier aanvraag oppervlakten </para>
      <para>vereenvoudigde regeling en voederareaal ontvangen, waarbij appellante 33 ha </para>
      <para>voederareaal heeft opgegeven. Met betrekking tot de percelen 15, 16, 19 en 20 heeft </para>
      <para>appellant de gewascode 259 en de bijdragecode 999 (geen bijdrage) ingevuld.</para>
      <para>- In de periode tussen 15 mei 1999 en 27 november 1999 heeft verweerder appellante </para>
      <para>diverse malen gewezen op de omstandigheid dat haar aanvraag onvolledig en deels </para>
      <para>onjuist was. Op aanwijzing van appellante zijn vervolgens veranderingen in de </para>
      <para>aanvraag aangebracht. De meldingen van verweerder en de aanwijzingen van </para>
      <para>appellante betroffen niet de bijdragecode van de percelen 15, 16, 19 en 20.</para>
      <para>- Bij brief van 27 november 1999 (verzonden op 13 december 1999) heeft verweerder </para>
      <para>aan appellante medegedeeld dat haar aanvraag is goedgekeurd. Voor haar is de </para>
      <para>definitieve oppervlakte voederareaal vastgesteld op 33 ha.</para>
      <para>- Bij schrijven van 11 januari 2000 heeft appellante bezwaar gemaakt. In haar </para>
      <para>bezwaarschrift spreekt appellante de hoop uit dat verweerder alsnog bereid zal zijn de </para>
      <para>bijdragecode voor de percelen 15, 16, 19 en 20 te wijzigen.</para>
      <para>- Bij besluit van 9 mei 2000 heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond </para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.</para>
      <para>De brief van 27 november 1999 beoogt slechts de oppervlakte van het voederareaal vast te </para>
      <para>stellen. Deze vaststelling van het voederareaal is niet op rechtsgevolg gericht. Het betreft </para>
      <para>geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).</para>
      <para>In feite wordt bezwaar gemaakt tegen het feit dat de aanvraag van appellante is aangemerkt </para>
      <para>als een opgave voederareaal; appellante stelt met haar aanvraag te hebben beoogd in </para>
      <para>aanmerking te komen voor subsidie op grond van de Regeling. Hierom is het bezwaar </para>
      <para>ontvankelijk.</para>
      <para>Appellante is verantwoordelijk voor het juist invullen van de aanvraag. De gevolgen van een </para>
      <para>onjuiste opgave dienen voor haar rekening te blijven tenzij sprake is van een duidelijke </para>
      <para>vergissing.</para>
      <para>In het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999, VI/7103/98 </para>
      <para>Rev2-NL wordt gepreciseerd wanneer sprake is van een duidelijke vergissing. Hierbij gaat </para>
      <para>het, kort gezegd, om vergissingen, die bij enkele vergelijking van de op het </para>
      <para>aanvraagformulier verstrekte gegevens reeds blijken. </para>
      <para>Er is hier geen sprake van een zodanige fout. De aanvraag als zodanig is niet onlogisch, niet </para>
      <para>onvolledig en consequent ingevuld. Het staat de ondernemer vrij om al dan niet steun aan te </para>
      <para>vragen.</para>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>"	Uit het besluit van bureau Laser van 9 mei 2000 blijkt dat zij van mening is dat </para>
      <para>cli‰nte haar aanvraag voor de subsidie op grond van EG-regelingsteunverlening </para>
      <para>akkerbouwgewassen onvolledig en/of deels onjuist heeft ingevuld. Vervolgens </para>
      <para>somt bureau Laser een aantal van de onjuistheden en/of onvolledigheden in de </para>
      <para>aanvraag van cli‰nte op. Cli‰nte bestrijdt de beweringen van bureau Laser </para>
      <para>omtrent de invulling van het aanvraagformulier voor de EG-regeling </para>
      <para>steunverlening akkerbouwgewassen. (.)</para>
      <para>Cli‰nte concludeert dat er sprake is van een duidelijke fout in de aanvraag </para>
      <para>oppervlakten ten behoeve van de subsidie in het kader van EG-regeling </para>
      <para>steunverlening akkerbouwgewassen. Cli‰nte stelt derhalve dat zij voor meer </para>
      <para>percelen grond in aanmerking komt voor een subsidie op grond van </para>
      <para>bovengenoemde regeling dan is opgegeven in het besluit van de teammanager </para>
      <para>van bureau Laser van 27 november 1999.</para>
      <para>Cli‰nte verzoekt u, gelet op het vorengaande, het beroep van cli‰nte gegrond te </para>
      <para>verklaren en het besluit van bureau Laser van 9 mei 2000 met betrekking tot de </para>
      <para>toewijzing van het voederareaal van cli‰nte en de daaruit voortvloeiende </para>
      <para>subsidie op grond van EG-regeling steunverlening akkerbouwgewassen te </para>
      <para>vernietigen en te bepalen, dat cli‰nte alsnog het juiste aantal hectare </para>
      <para>voederareaal krijgt toegewezen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ten behoeve van de subsidie op grond van de EG-regeling steunverlening </para>
      <para>akkerbouwgewassen. (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is benadrukt, dat vanuit LASER Groningen aan appellante is medegedeeld, dat </para>
      <para>het, als zij een bezwaarschrift zou indienen, voor haar wel in orde zou komen, hetgeen haar </para>
      <para>gezien de andere wijzigingen die na indiening nog in de aanvraag zijn aangebracht, ook zeer </para>
      <para>aannemelijk was voorgekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat </para>
      <para>slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet had kunnen worden gekomen, indien door </para>
      <para>appellante bij de aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen </para>
      <para>in dat geval is het blijkens artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop </para>
      <para>van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen en zou </para>
      <para>het onrechtmatig zijn appellante aan haar oorspronkelijke opgave te houden.</para>
      <para>De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van </para>
      <para>18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de </para>
      <para>zin van genoemd artikel 5 bis vastgesteld. Als manifeste fouten worden in dit werkdocument </para>
      <para>aangemerkt direct in het oog springende fouten en tegenstrijdigheden, die bij een </para>
      <para>aandachtiger onderzoek van de in de aanvraag verstrekte gegevens geconstateerd worden, </para>
      <para>alsmede eigenaardigheden, die betrekking hebben op aanduidingen of nummers van percelen </para>
      <para>of dieren. Benadrukt wordt dat het moet gaan om identificatiefouten. Fouten met </para>
      <para>betrekking tot de teelt gelden in beginsel niet als duidelijke fouten. Bij verwisseling van </para>
      <para>percelen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, mits het niet gaat om een perceel, </para>
      <para>dat wordt gebruikt als braakgrond of met voedergewassen beteelde oppervlakte. </para>
      <para>Het College overweegt dat genoemd werkdocument niet is aan te merken als een </para>
      <para>verordening, een richtlijn of een beschikking in de zin van artikel 249 EG en dat derhalve </para>
      <para>aan dit werkdocument niet de verbindende kracht toekomt die verweerder hieraan wenst te </para>
      <para>verbinden. Naar zijn inhoud betreft dit werkdocument bovendien niet een limitatief systeem </para>
      <para>van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te laten.</para>
      <para>Dit neemt niet weg dat verweerder de bevoegdheid om aan de hand van dit werkdocument </para>
      <para>en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten, binnen de door </para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen, </para>
      <para>zeker niet ontzegd kan worden.</para>
      <para>Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de "aanvraag oppervlakten 1999 </para>
      <para>vereenvoudigde regeling en voederareaal" geen tegenstrijdigheden bevat. Uit dien hoofde </para>
      <para>bestond er derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die aanvraag.</para>
      <para>Het is ook geenszins eigenaardig dat een producent percelen waarop hij in het betreffende </para>
      <para>jaar akkerbouwgewassen zal telen, in een aanvraag zou vermelden zonder voor deze </para>
      <para>percelen subsidie te (willen) vragen. Immers, subsidie wordt slechts verleend voor percelen </para>
      <para>"akkerland", waaronder blijkens de definitie van "akkerland" in artikel 1 van de Regeling, </para>
      <para>niet vallen de percelen die gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met </para>
      <para>1991 als blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet </para>
      <para>agrarische doeleinden in gebruik was. Of een perceel voor subsidie in aanmerking zou </para>
      <para>kunnen komen is dus bij enkele kennisname van de aanvraag niet vast te stellen.</para>
      <para>Nu de aanvrager blijkens artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 verplicht is alle </para>
      <para>percelen van het bedrijf in de aanvraag te vermelden, kan het argument dat vermelding op </para>
      <para>het formulier zinloos zou zijn als het niet de bedoeling was subsidie aan te vragen, ook geen </para>
      <para>doel treffen.</para>
      <para>In het licht van deze overwegingen biedt, hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen grond </para>
      <para>voor het oordeel, dat verweerder de aanwezigheid van een klaarblijkelijke fout, als bedoeld</para>
      <para>in artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 had moeten erkennen en naar aanleiding </para>
      <para>van appellants bezwaarschrift wijziging van de aanvraag had moeten toestaan.</para>
      <para>Het College merkt tenslotte op, dat hetgeen appellante eerst ter zitting naar voren heeft </para>
      <para>gebracht aangaande de door LASER Groningen bij haar gewekte verwachting, dat haar </para>
      <para>probleem door indiening van een bezwaarschrift zou worden opgelost, reeds omdat de </para>
      <para>beweerde uitspraak te vaag en algemeen is geen grond kan opleveren voor het oordeel dat </para>
      <para>verweerder anders heeft moeten beslissen dan bij het bestreden besluit gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep dient gelet op het vorengaande ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr  D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers				w.g. R.P.H. Rozenbrand</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>