<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1294</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T19:47:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1294</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/250</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1294">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1294</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1294 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 18-04-2001 / AWB 00/250</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1294:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1294:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/250						18 april 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: A.A.M. van de Ven, werkzaam bij ABAB Accountants,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.T. Veldhuizen, werkzaam bij verweerders ministerie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 28 maart 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 maart 2000.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar, dat appellant heeft gemaakt tegen de </para>
      <para>beslissing op zijn aanvraag om steun op grond van de Regeling EG-steunverlening </para>
      <para>akkerbouwgewassen.</para>
      <para>Verweerder heeft op 6 juli 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 14 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar verweerder bij </para>
      <para>monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellant is niet ter </para>
      <para>zitting verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is onder meer </para>
      <para>het volgende bepaald</para>
      <para>"					Artikel 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze regeling wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni </para>
      <para>1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde </para>
      <para>akkerbouwgewassen (PbEG L 181);</para>
      <para>(.)</para>
      <para>m. akkerland:</para>
      <para>a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die </para>
      <para>gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als </para>
      <para>blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor van </para>
      <para>bouwland uit productie is geweest;</para>
      <para>niet agrarische doeleinden in gebruik was:</para>
      <para>b. grond die overeenkomstig de beschikking ter zake van het uit produktie </para>
      <para>nemen</para>
      <para>van bouwland uit productie is geweest. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>						Artikel 3</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening </para>
      <para>3887/92, (.) en deze regeling (.) worden jaarlijks op aanvraag de </para>
      <para>beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van </para>
      <para>akkerbouwgewassen(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verordening (EEG) nr. 1765/92 is - voor zover in dit geding van belang - het volgende </para>
      <para>bepaald:</para>
      <para>"					Artikel 10</para>
      <para>1. De compensatiebedragen voor granen en eiwithoudende gewassen en de </para>
      <para>compensatie voor de verplichting om grond uit productie te nemen worden </para>
      <para>uitbetaald in de periode van 16 oktober tot en met 31 december die volgt op de </para>
      <para>oogst.</para>
      <para>2. Om voor het compensatiebedrag in aanmerking te komen moet de producent </para>
      <para>uiterlijk op 15 mei voorafgaand aan de betrokken oogst:</para>
      <para>- hebben ingezaaid</para>
      <para>- een aanvraag hebben ingediend."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, is </para>
      <para>onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"				Artikel 4</para>
      <para>1. Onverminderd de eisen die in de sectori‰le verordeningen worden gesteld, </para>
      <para>moet een steunaanvraag "oppervlakten" alle benodigde gegevens bevatten, en </para>
      <para>met name:</para>
      <para>- de identificatie van het bedrijfshoofd,</para>
      <para>- de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf </para>
      <para>benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, het gebruik </para>
      <para>ervan, eventueel het feit dat het om een ge‹rrigeerd perceel gaat, en de </para>
      <para>betrokken steunregeling,</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.a De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de </para>
      <para>indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten </para>
      <para>de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van </para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag "oppervlakten" </para>
      <para>slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn </para>
      <para>gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of </para>
      <para>de sluiting van een pachtovereenkomst. De Lid-staten stellen de desbetreffende </para>
      <para>voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan </para>
      <para>de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, </para>
      <para>tenzij het een geval betreft dat </para>
      <para>overeenkomstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en </para>
      <para>op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was </para>
      <para>opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste </para>
      <para>steunaanvraag dienovereenkomstig wordt gecorrigeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>				Artikel 5 bis</para>
      <para>Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, </para>
      <para>in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de </para>
      <para>indiening op elk moment worden aangepast."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellant heeft met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier op </para>
      <para>6 april 1999 steun aangevraagd op grond van de Regeling. Het aanvraagformulier </para>
      <para>heeft betrekking op in totaal zes percelen. Bij de percelen 1 en 2 heeft hij de </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bijdragecode 810, respectievelijk 815 vermeld en bij de percelen 3, 4, 5 en 6 steeds </para>
      <para>bijdragecode 999.</para>
      <para>- Blijkens de bij genoemd formulier behorende brochure betreffen de bijdragecodes 810 </para>
      <para>en 815 akkerbouwsteun en staat bijdragecode 999 voor percelen die niet voor </para>
      <para>bijdrage in aanmerking worden gebracht.</para>
      <para>- Bij besluit van 24 november 1999 heeft verweerders uitvoerende dienst LASER </para>
      <para>appellant bericht dat zijn aanvraag voor akkerbouwsubsidie is toegewezen en dat hij </para>
      <para>recht heeft op een bedrag van fl. 3.113,51.</para>
      <para>- Bij brief van 26 november 1999 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt met de </para>
      <para>mededeling dat hij het aanvraagformulier niet goed heeft ingevuld door bij de percelen </para>
      <para>5 en 6 bijdragecode 999 in plaats van bijdragecode 815 te vermelden.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellants bezwaar ongegrond verklaard en </para>
      <para>hiertoe onder meer als volgt overwogen:</para>
      <para>"	Het wijzigen van uw aanvraag is, op grond van artikel 4 lid 2 sub a en artikel 5 </para>
      <para>bis van Verordening (EEG) 3887/92, thans nog slechts mogelijk indien er </para>
      <para>sprake is van een klaarblijkelijke fout. De uitleg van het begrip klaarblijkelijke of </para>
      <para>"manifeste" fout is vastgelegd in het Werkdocument van de commissie </para>
      <para>"Manifeste fouten"/ Brussel, 18-1-'99 VI-7103/98 Rev2-NL. De vraag die moet </para>
      <para>worden gesteld is, of de fout die u maakte, op grond van de richtlijnen in het </para>
      <para>genoemd document, kan worden beschouwd als zijnde manifest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na een eerste bestudering van uw aanvraag leek deze volledig juist. De goede </para>
      <para>gebruikstitel, bijdragecodes en gewascodes waren gebruikt, de oppervlakten-</para>
      <para>totalen waren correct ingevuld, de aanvraag was ondertekend en de </para>
      <para>topografische kaarten waren bij de aanvraag gevoegd. Ook na een uitgebreider </para>
      <para>administratief onderzoek door LASER kwamen er geen andere afwijkingen of </para>
      <para>onjuistheden in uw aanvraag naar voren. Er was geen overdeclaratie op de </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>percelen, niet bestaande combinaties van bijdrage- en gewascode of anderszins </para>
      <para>onjuiste opgaven in uw aanvraag. LASER kon ook na dit uitgebreider </para>
      <para>onderzoek niet vermoeden dat u uw aanvraag anders wenste in te dienen dan </para>
      <para>dat u had gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat de fout die u in uw </para>
      <para>aanvraag maakte niet kan worden beschouwd als een manifeste fout en dat uw </para>
      <para>aanvraag derhalve niet meer kan worden gewijzigd. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft verweerder onder meer nog het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"	In het Werkdocument van de Europese Commissie over "manifeste fouten" </para>
      <para>wordt uiteengezet wat we onder een klaarblijkelijke fout moeten verstaan. Het </para>
      <para>fout invullen van de bijdragecode valt daar niet onder, tenzij dit ertoe zou leiden </para>
      <para>dat er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zou ontstaan, die bij aandachtiger </para>
      <para>onderzoek kan worden ontdekt. Hierbij moeten de in dezelfde aanvraag </para>
      <para>verstrekte gegevens onderling worden vergeleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In casu leiden de in de aanvraag verstrekte gegevens niet tot een </para>
      <para>tegenstrijdigheid in de aanvraag en kan dus niet gesproken worden van een </para>
      <para>klaarblijkelijke fout."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft bij beroepschrift onder meer het volgende tegen het bestreden besluit </para>
      <para>aangevoerd:</para>
      <para>"	Op de genoemde percelen werd door A snijma‹s geteeld, zoals ook blijkt uit de </para>
      <para>op het formulier versnelde gewascode, nl. 259, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de vereenvoudigde regeling kan in productieregio 2 maximaal </para>
      <para>voor 92 ton granen bijdrage worden aangevraagd, wat overeenkomt met </para>
      <para>maximaal 18,4 ha. De totale oppervlakte van de percelen met volgnummer 1 t/m </para>
      <para>4 op het formulier, die in aanmerking komt voor een bijdrage, bedraagt 5,20 ha. </para>
      <para>De totale oppervlakte van de percelen met volgnummer 5 t/m 6 bedraagt 3,80 </para>
      <para>ha. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Als zodanig komt in totaal 9 ha. in aanmerking, </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit, dat de bijdragecode van de percelen met volgnummer 5 en 6 </para>
      <para>abusievelijk niet juist werd ingevuld, kan op grond van het bovenstaande o.i. </para>
      <para>duidelijk als een vergissing worden aangewerkt. Het kan in redelijkheid niet </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwacht worden dat voor percelen die aan alle voorwaarden voor de </para>
      <para>bijdrageregeling voldoen, geen bijdrage wordt gevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat had in elk geval bij de beoordeling van de aanvrage door Bureau Laser </para>
      <para>vragen op moeten roepen die de mogelijkheid van aanpassing van de aanvrage </para>
      <para>v¢¢r de definitieve toekenning ervan mogelijk hadden moeten maken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat </para>
      <para>slechts aan het bezwaar van appellant tegemoet had kunnen worden gekomen, indien door </para>
      <para>appellant bij de aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in </para>
      <para>dit geval is het blijkens artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van </para>
      <para>de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen en zou het </para>
      <para>onrechtmatig zijn appellante aan haar oorspronkelijke opgave te houden.</para>
      <para>De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van </para>
      <para>18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de </para>
      <para>zin van genoemd artikel 5 bis vastgesteld. Als manifeste fouten worden in dit werkdocument </para>
      <para>aangemerkt direct in het oog springende fouten en tegenstrijdigheden, die bij een </para>
      <para>aandachtiger onderzoek van de in de aanvraag verstrekte gegevens geconstateerd worden, </para>
      <para>alsmede eigenaardigheden, die betrekking hebben op aanduidingen of nummers van percelen </para>
      <para>of dieren. Benadrukt wordt dat het moet gaan om identificatiefouten. Fouten met </para>
      <para>betrekking tot de teelt gelden in beginsel niet als duidelijke fouten. Bij verwisseling van </para>
      <para>percelen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, mits het niet gaat om een perceel, </para>
      <para>dat wordt gebruikt als braakgrond of met voedergewassen beteelde oppervlakte. </para>
      <para>Het College overweegt dat genoemd werkdocument niet is aan te merken als een </para>
      <para>verordening, een richtlijn of een beschikking in de zin van artikel 249 EG en dat derhalve </para>
      <para>aan dit werkdocument niet de verbindende kracht toekomt die verweerder hieraan wenst te </para>
      <para>verbinden. Naar zijn inhoud betreft dit werkdocument bovendien niet een limitatief systeem </para>
      <para>van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te laten.</para>
      <para>Dit neemt niet weg dat verweerder de bevoegdheid om aan de hand van dit werkdocument </para>
      <para>en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten, binnen de door </para>
      <para>Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen, </para>
      <para>zeker niet ontzegd kan worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de "aanvraag oppervlakten 1999 </para>
      <para>vereenvoudigde regeling en voederareaal" geen tegenstrijdigheden bevat. Uit dien hoofde </para>
      <para>bestond er derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die aanvraag.</para>
      <para>Het is ook geenszins eigenaardig dat een producent percelen waarop hij in het betreffende </para>
      <para>jaar akkerbouwgewassen zal telen, in een aanvraag zou vermelden zonder voor deze </para>
      <para>percelen subsidie te (willen) vragen. Immers, subsidie wordt slechts verleend voor percelen </para>
      <para>"akkerland", waaronder blijkens de definitie van "akkerland" in artikel 1 van de Regeling, </para>
      <para>niet vallen de percelen die gedurende de achtereenvolgende kalanderjaren 1987 tot en met </para>
      <para>1991 als blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet </para>
      <para>agrarische doeleinden in gebruik was. Of een perceel voor subsidie in aanmerking zou </para>
      <para>kunnen komen is dus bij enkele kennisname van de aanvraag niet vast te stellen.</para>
      <para>Nu de aanvrager blijkens artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 verplicht is alle </para>
      <para>percelen van het bedrijf in de aanvraag te vermelden, kan het argument dat vermelding op </para>
      <para>het formulier zinloos zou zijn als het niet de bedoeling was subsidie aan te vragen, ook geen </para>
      <para>doel treffen.</para>
      <para>In het licht van deze overwegingen biedt, hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen grond </para>
      <para>voor het oordeel, dat verweerder de aanwezigheid van een klaarblijkelijke fout, als bedoeld</para>
      <para>in artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 had moeten erkennen en naar aanleiding </para>
      <para>van appellants bezwaarschrift wijziging van de aanvraag had moeten toestaan.</para>
      <para>Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr  D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers				w.g. R.P.H. Rozenbrand</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>