<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1289</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T01:52:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1289</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/246</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=30&amp;g=2001-04-12">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 30</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=80&amp;g=2001-04-12">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 80</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=107&amp;g=2001-04-12">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 107</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=109&amp;g=2001-04-12">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 109</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1289">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1289</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1289 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 12-04-2001 / AWB 01/246</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1289:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1289:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/246						12 april 2001</para>
      <para>	11229</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, alsmede 93 bij deze organisatie aangesloten leden, verzoeksters,</para>
      <para>gemachtigde: mr drs K.J. Defares, advocaat te Amsterdam, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij schrijven van 28 maart 2001 hebben verzoeksters verweerder verzocht te bevestigen dat </para>
      <para>hun is toegestaan:</para>
      <para>a) vers vlees, verkregen uit dieren afkomstig uit bijlage I-gebied, buiten dit gebied te </para>
      <para>brengen, met dien verstande dat het vlees Nederland niet verlaat;</para>
      <para>b) vers vlees, verkregen uit dieren afkomstig uit het buitenland en verwerkt in een </para>
      <para>uitsnijderij in bijlage I-gebied, naar bijlage II-gebied te brengen.</para>
      <para>Voorts hebben verzoeksters verweerder verzocht de terzake geldende instructies aan de </para>
      <para>Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) voor zover noodzakelijk aan </para>
      <para>te passen met het oog op het vorenstaande.</para>
      <para>Op 2 en 4 april 2001 hebben verzoeksters hun verzoek aan verweerder herhaald.</para>
      <para>Bij faxbericht van 4 april 2001 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen "de weigering </para>
      <para>om in te stemmen met de verzoeken zoals uiteengezet in (.) brieven van 28 maart, 2 april </para>
      <para>en 4 april 2001 (.)".</para>
      <para>Bij faxbericht van 4 april 2001 hebben verzoeksters zich tot de president van het College </para>
      <para>gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder </para>
      <para>en de RVV wordt geboden zich te onthouden van het verhinderen van hierboven onder a en </para>
      <para>b omschreven handelingen.</para>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 10 april 2001, alwaar partijen hun </para>
      <para>standpunt bij monde van hun gemachtigde nader hebben toegelicht. Voorts waren ter zitting </para>
      <para>aanwezig de heer C, werkzaam bij A, alsmede de heer W. Pelgrim, als veterinair </para>
      <para>beleidsmedewerker werkzaam bij verweerder.</para>
      <para>Ter zitting is namens verweerder verklaard dat de hierboven onder b omschreven handeling </para>
      <para>is toegestaan, voor zover aan alle in de tot de lidstaten gerichte Beschikking 2001/223/EG </para>
      <para>van 21 maart 2001 van de Europese Commissie tot vaststelling van beschermende </para>
      <para>maatregelen in verband met mond- en klauwzeer in Nederland (hierna: de Beschikking) </para>
      <para>gestelde voorwaarden wordt voldaan, alsook dat de instructie aan de RVV </para>
      <para>dienovereenkomstig is verduidelijkt. </para>
      <para>Namens verzoeksters is hierop verklaard dat het betreffende onderdeel van het verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening als ingetrokken kan worden beschouwd. Derhalve resteert nog </para>
      <para>slechts het verzoek met betrekking tot het hierboven onder a omschrevene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Toepasselijke regelgeving</para>
      <para>In de considerans van de Beschikking wordt onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	(4) De situatie met betrekking tot mond- en klauwzeer in bepaalde delen van </para>
      <para>Nederland kan, in verband met het op de markt brengen van en de handel in </para>
      <para>levende evenhoevige dieren en bepaalde producten daarvan, een gevaar </para>
      <para>opleveren voor de veebeslagen in andere delen van het grondgebied van </para>
      <para>Nederland en in andere lidstaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(7) Aangezien sommige categorie‰n behandelde producten van dierlijke </para>
      <para>oorsprong geen risico's op verspreiding van de ziekte opleveren, is het dienstig </para>
      <para>bepalingen op te nemen die de handel in dergelijke producten mogelijk maken </para>
      <para>op voorwaarde dat voor een adequate certificering wordt gezorgd. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In de Beschikking wordt - ten tijde hier van belang - onder meer het volgende bepaald:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para> 	1.	Nederland verzendt geen vers vlees van runderen, schapen, geiten, varkens </para>
      <para>of andere evenhoevige dieren dat afkomstig is uit de in bijlage I vermelde delen </para>
      <para>van zijn grondgebied of dat is verkregen van dieren uit die delen van Nederland.</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	2.	Het in lid 1 vastgestelde verbod geldt niet voor:</para>
      <para>	a) vers vlees dat v¢¢r 20 februari 2001 is verkregen, op voorwaarde dat het </para>
      <para>vlees duidelijk is ge‹dentificeerd en dat het sedert die datum bij vervoer en </para>
      <para>opslag gescheiden is gehouden van vlees dat niet bestemd is om te worden </para>
      <para>verzonden uit de in bijlage I vermelde gebieden;</para>
      <para>	b) vers vlees dat is verkregen van dieren die zijn gehouden buiten de in bijlage I </para>
      <para>vermelde gebieden en die, in afwijking van het bepaalde in artikel 1, punt 1, </para>
      <para>rechtstreeks, onder offici‰le controle, in verzegelde vervoermiddelen en voor </para>
      <para>onmiddellijke slachting zijn vervoerd naar een slachthuis dat ligt in een van de in </para>
      <para>bijlage I vermelde gebieden, maar buiten het beschermingsgebied: dit vlees mag </para>
      <para>alleen in Nederland op de markt worden gebracht;</para>
      <para>	c) vers vlees dat in uitsnijderijen in de in bijlage I vermelde gebieden is </para>
      <para>verkregen met inachtneming van de volgende voorwaarden:</para>
      <para>	- in de inrichting wordt alleen vers vlees als omschreven onder a) en b) verwerkt </para>
      <para>of vers vlees afkomstig van dieren die zijn gehouden en geslacht buiten de in </para>
      <para>bijlage I vermelde gebieden;</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 14</para>
      <para>Deze beschikking is van toepassing tot en met 4 april 2001 om middernacht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage I</para>
      <para>In Nederland, de provincies: </para>
      <para>Gelderland, Overijssel, Flevoland, Noord-Brabant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage II</para>
      <para>In Nederland:</para>
      <para>alle provincies van continentaal Nederland, met uitzondering van de in bijlage I </para>
      <para>vermelde provincies."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Europese Commissie heeft de geldigheidsduur van de Beschikking ten tijde hier van </para>
      <para>belang verlengd tot 25 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) wordt - voor zover hier </para>
      <para>van belang - het volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Artikel 30</para>
      <para>	1.	Onze Minister kan het vervoeren van dieren van een door hem te bepalen </para>
      <para>soort, van deze diersoort afkomstige produkten, diervoeder alsmede andere </para>
      <para>produkten en voorwerpen welke dragers van smetstof kunnen zijn, uit, naar of </para>
      <para>binnen Nederland of bepaalde gedeelten van Nederland verbieden dan wel </para>
      <para>verbieden indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regelen.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 80</para>
      <para>Indien er gevaar bestaat voor overbrenging van een in Nederland opgetreden </para>
      <para>besmettelijke dierziekte kan Onze Minister het buiten Nederland brengen van </para>
      <para>dieren en dierlijke produkten afkomstig uit Nederland of een door hem te </para>
      <para>bepalen gedeelte daarvan verbieden dan wel verbieden indien niet voldaan wordt </para>
      <para>aan door hem te stellen regelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 107</para>
      <para>1.	Onze Minister kan, voor zover het belang van de gezondheid of het welzijn </para>
      <para>van dieren zich daartegen niet verzet, van het bij of krachtens deze wet bepaalde </para>
      <para>vrijstelling of ontheffing verlenen.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 109</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 21 maart 2001 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de Regeling </para>
      <para>uitvoerverbod vee en bepaalde dierlijke producten mond- en klauwzeer 2001 (hierna: de </para>
      <para>Regeling) vastgesteld. Op 26 maart 2001 heeft de minister de Regeling - voor zover hier </para>
      <para>van belang - als volgt gewijzigd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" (.)</para>
      <para>	Gelet op Beschikking 2001/223/EG (.);</para>
      <para>	Gelet op de artikelen 30 (.) en 80 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor </para>
      <para>dieren:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	</para>
    <para>Besluit:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel I</para>
      <para>	Artikel 1 van de Regeling uitvoerverbod vee en bepaalde dierlijke producten </para>
      <para>mond- en klauwzeer 2001 komt te luiden:</para>
      <para>	Artikel I</para>
      <para>	1.	Het buiten Nederland brengen van vee is verboden.</para>
      <para>	2.	Het brengen van producten van evenhoevigen buiten het gebied, bedoeld in </para>
      <para>bijlage I van Beschikking 2001/223/EG (.) is verboden.</para>
      <para>3.	Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van de in de </para>
      <para>artikelen 2 tot en met 8 van voornoemde beschikking bedoelde producten, </para>
      <para>indien, voorzover van toepassing, wordt voldaan aan de in de artikelen 1 tot en </para>
      <para>met 11 van die beschikking gestelde voorwaarden. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de instructie van 5 april 2001 van de Directeur van de RVV met kenmerk MKZ-006, van </para>
      <para>toepassing ten tijde hier van belang, wordt onder meer het volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" 4.2 vers vlees (.)</para>
      <para>	4.2.3 vlees voor de nationale markt (.)</para>
      <para>	De uitvoer van vlees verkregen van dieren die zijn gehouden in bijlage 1 of 2 </para>
      <para>gebieden, maar zijn geslacht in een slachthuis gelegen in het gebied genoemd in </para>
      <para>bijlage 1 (.) is niet mogelijk. De afzet van onder deze voorwaarden verkregen </para>
      <para>vlees is alleen mogelijk in bijlage 1 gebied.</para>
      <para>	(.) "</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoeksters</para>
      <para>Verzoeksters hebben - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeksters hebben belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, omdat </para>
      <para>afzet van vers vlees van dieren afkomstig uit bijlage I-gebied elders in Nederland het </para>
      <para>geleden en nog te lijden verlies aan omzet althans ten dele kan compenseren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De spoedeisendheid van het verzoek is gelegen in het feit dat de koelhuizen in bijlage I-</para>
      <para>gebied vol liggen met vers vlees, dat thans in onvoldoende mate kan worden afgevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Krachtens artikel 2, eerste lid, van de Beschikking is het Nederland verboden van zijn </para>
      <para>grondgebied vers vlees van runderen, schapen, geiten, varkens of andere evenhoevige dieren </para>
      <para>te verzenden dat afkomstig is uit de in bijlage I vermelde delen of dat is verkregen van </para>
      <para>dieren uit die delen van Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van deze bepaling is het (inderdaad) niet toegestaan vers vlees buiten Nederland </para>
      <para>te brengen. Voor de opvatting als zou het verboden zijn de in de Beschikking genoemde </para>
      <para>producten die afkomstig zijn uit de in bijlage I genoemde provincies naar andere delen van </para>
      <para>Nederland te brengen, is in deze bepaling evenwel geen enkel aanknopingspunt te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beschikking bepaalt dat vers vlees van </para>
      <para>evenhoevige dieren, afkomstig van buiten de in bijlage I genoemde gebieden, onder </para>
      <para>bepaalde voorwaarden uit bijlage I-gebied mag worden verzonden, mits dit vlees in </para>
      <para>Nederland op de markt wordt gebracht. Dat dit vlees alleen in bijlage I-gebied op de markt </para>
      <para>zou mogen worden gebracht, blijkt uit niets. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook uit de eerdere instructie van 30 maart 2001 van de RVV en persberichten nummer 89 </para>
      <para>en 90 van verweerder blijkt dat vers vlees van evenhoevigen uit bijlage I-gebied wel degelijk </para>
      <para>naar bijlage II-gebied mag worden verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeksters betogen dat ontheffing van de Regeling niet kan worden geweigerd, nu de </para>
      <para>Regeling - voor zover hier van belang - stringenter is dan de Beschikking, hetgeen in strijd </para>
      <para>is met de "‚‚n op ‚‚n" implementatie van de Beschikking die verweerder met het vaststellen </para>
      <para>van de Regeling voor ogen heeft gestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Verweerder heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Onder de huidige omstandigheden is het, gelet op de grote drukte in verband met de mond- </para>
      <para>en klauwzeercrisis, voor verweerder niet haalbaar schriftelijk en vaak ook niet mondeling te </para>
      <para>antwoorden op verzoeken als het onderhavige verzoek van 28 maart 2001. Verweerder </para>
      <para>heeft er geen bezwaar tegen als hier het bestaan van een fictieve weigering wordt </para>
      <para>aangenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens haar intitul‚ strekt de Beschikking tot vaststelling van algemeen beschermende </para>
      <para>maatregelen in verband met mond- en klauwzeer in Nederland. De Beschikking ziet niet </para>
      <para>uitsluitend op export naar het buitenland: het spreekt voor zich dat ook de rest van </para>
      <para>Nederland gevrijwaard moet blijven van verdere verspreiding van het virus. Uit de </para>
      <para>considerans (sub 4) van de Beschikking blijkt dat de maatregelen ook strekken tot </para>
      <para>bescherming van de overige (niet-bijlage I) gebieden in Nederland. Ook uit de artikelen 1 en </para>
      <para>6 van de Beschikking blijkt dat de te treffen maatregelen een breder bereik hebben dan </para>
      <para>verzoeksters betogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan verzoeksters stellen, vormen de woorden "van zijn grondgebied" in artikel 2, </para>
      <para>eerste lid, van de Beschikking ‚‚n geheel met de woorden "de in bijlage I vermelde delen".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat het begrip 'verzenden' niet slechts betrekking heeft op verzending naar het buitenland, </para>
      <para>blijkt ook uit de formulering van de in het tweede lid, aanhef en onder a en b, van de </para>
      <para>Beschikking gegeven uitzonderingen op het verbod van artikel 2, eerste lid. De in het </para>
      <para>tweede lid, aanhef en onder b, opgenomen voorwaarde dat het vlees uitsluitend in </para>
      <para>Nederland op de markt dient te worden gebracht, zou overbodig zijn indien verzoeksters </para>
      <para>interpretatie van het begrip 'verzenden' juist zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook in de tot het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk gerichte Beschikkingen van 1 </para>
      <para>respectievelijk 14 maart 2001 van de Europese Commissie in verband met de bestrijding van </para>
      <para>het mond- en klauwzeervirus is een verbod opgenomen vers vlees te verzenden "uit de in </para>
      <para>bijlage I vermelde delen van zijn grondgebied". Ook hier ziet 'verzenden' derhalve mede op </para>
      <para>binnenlands vervoer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Gelet op het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) </para>
      <para>juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, </para>
      <para>hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College </para>
      <para>openstaat, de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, </para>
      <para>indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.</para>
      <para>5.2	Naar voorlopig oordeel van de president hebben verzoeksters met hun faxbericht van </para>
      <para>28 maart 2001 aan verweerder beoogd voor zichzelf en als groep ontheffing als bedoeld in </para>
      <para>artikel 107, eerste lid, van de Wet te vragen van het in artikel 1, tweede lid, van de Regeling </para>
      <para>neergelegde verbod. In zoverre kan het faxbericht van 28 maart 2001 worden geduid als een </para>
      <para>aanvraag tot het nemen van een beschikking in de zin van de Awb.</para>
      <para>Hiervan uitgaande was, ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift op 4 april 2001, </para>
      <para>naar voorlopig oordeel sprake van het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om </para>
      <para>ontheffing. Weliswaar is de periode van de indiening van het verzoek tot het maken van </para>
      <para>bezwaar kort, maar onder omstandigheden als hier aan de orde en gezien de grote en </para>
      <para>urgente belangen die op het spel staan, is snel reageren van de zijde van verweerder vereist. </para>
      <para>Gelet hierop is de president voorlopig van oordeel dat ten tijde van de indiening van het </para>
      <para>bezwaarschrift een redelijke termijn voor het nemen van een besluit op het verzoek was </para>
      <para>verstreken.</para>
      <para>Nu verweerder meermalen heeft benadrukt dat de Beschikking onverkort wordt nageleefd </para>
      <para>en dat de Regeling strekt tot implementatie van deze Beschikking, was ten tijde van het </para>
      <para>indienen van het bezwaarschrift naar voorlopig oordeel duidelijk dat verweerder het verzoek </para>
      <para>om ontheffing zou afwijzen. </para>
      <para>Gelet op het vorenstaande, mede in aanmerking genomen het belang van verzoeksters bij </para>
      <para>effectieve rechtsbescherming tegen stilzitten door verweerder, acht de president in dit </para>
      <para>bijzondere geval termen aanwezig het niet tijdig nemen van een besluit (mede) te duiden als </para>
      <para>een fictieve afwijzing van het verzoek om ontheffing.</para>
      <para>5.3	Naar voorlopig oordeel zijn de belangen van verzoeksters rechtstreeks betrokken bij de in </para>
      <para>het geding zijnde fictieve afwijzing van het verzoek om ontheffing. Hierbij is in aanmerking </para>
      <para>genomen dat A blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten tot doel heeft (.). Ten </para>
      <para>aanzien van de leden bestaat naar voorlopig oordeel voldoende grond voor het oordeel dat </para>
      <para>zij door het thans bestreden besluit rechtstreeks in hun (bedrijfseconomische) belangen zijn </para>
      <para>getroffen.</para>
      <para>5.4	Naar het voorlopige oordeel van de president strekt de Beschikking er onmiskenbaar toe dat </para>
      <para>de verspreiding van het mond- en klauwzeervirus zo effectief mogelijk wordt bestreden. </para>
      <para>Reeds hierom ligt het niet voor de hand aan te nemen dat de Beschikking uitsluitend zou </para>
      <para>zien op voorkoming van verspreiding naar het buitenland en niet tevens tot doel zou hebben </para>
      <para>verspreiding naar die delen van Nederland waar tot op heden geen mond- en klauwzeer is </para>
      <para>vastgesteld, het bijlage II-gebied, te voorkomen. De president komt te gereder tot dit </para>
      <para>oordeel nu de Europese Commissie, blijkens de considerans onder 4 van de Beschikking, </para>
      <para>het gevaar van verspreiding van het virus naar nog niet getroffen delen van het Nederlandse </para>
      <para>grondgebied bij het vaststellen van de Beschikking uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien.</para>
      <para>Mede gelet op het vorenstaande kan er naar voorlopig oordeel geen twijfel over bestaan dat </para>
      <para>de zinsnede "de in bijlage I genoemde delen van zijn grondgebied" in artikel 2, eerste lid, </para>
      <para>van de Beschikking als ‚‚n geheel moet worden gelezen. Deze lezing ligt niet alleen in </para>
      <para>grammaticaal opzicht het meest voor de hand, maar is ook het meest in overeenstemming </para>
      <para>met de strekking van de Beschikking, te weten het voorkomen van verdere verspreiding van </para>
      <para>het mond- en klauwzeervirus. Niet valt in te zien waarom andere landen wel zouden moeten </para>
      <para>worden gevrijwaard van vers vlees dat, gelet op zijn afkomst, mogelijk het mond- en </para>
      <para>klauwzeervirus met zich draagt, maar de tot op heden niet door het virus getroffen delen </para>
      <para>van Nederland niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar voorlopig oordeel kunnen verzoeksters aan artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, </para>
      <para>van de Beschikking geen valide argumenten ontlenen die dwingen tot een andere conclusie. </para>
      <para>In dit verband zij allereerst opgemerkt dat het in die bepaling gaat om vers vlees afkomstig </para>
      <para>van dieren die zijn gehouden buiten bijlage I-gebied, terwijl het verzoek om voorlopige </para>
      <para>voorziening betrekking heeft op vers vlees afkomstig van dieren die zijn gehouden binnen </para>
      <para>bijlage I-gebied. Voorts is niet zonder belang dat in de laatste zinsnede van laatstgenoemde </para>
      <para>bepaling is bepaald dat in die bepaling omschreven vlees alleen in Nederland op de markt </para>
      <para>mag worden gebracht. Deze beperking van het afzetgebied zou, naar verweerder naar </para>
      <para>voorlopig oordeel terecht betoogt, zinledig zijn indien 'verzenden' in het eerste lid van </para>
      <para>artikel 2 slechts betrekking zou hebben op vervoer naar het buitenland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Regeling, anders dan verzoeksters hebben betoogd, </para>
      <para>- voor zover hier van belang - in overeenstemming is met de Beschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5	Al het voorgaande doet zien dat het verweerder, naar voorlopig oordeel, niet vrijstond de </para>
      <para>gevraagde ontheffing te verlenen. </para>
      <para>5.6	Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om voorlopige voorziening niet voor </para>
      <para>toewijzing in aanmerking.</para>
      <para>De president acht geen termen aanwezig een der partijen onder toepassing van artikel 8:75 </para>
      <para>Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het </para>
      <para>verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. R.R. Winter	w.g. B. van Velzen</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Verzonden op:</para>
    <para> </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>IV	</para>
      <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>No.AWB	01/246	12 april 2001</para>
      <para>	11229</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, alsmede 93 bij deze organisatie aangesloten leden, verzoeksters,</para>
      <para>gemachtigde: mr drs K.J. Defares, advocaat te Amsterdam, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij schrijven van 28 maart 2001 hebben verzoeksters verweerder verzocht te bevestigen dat </para>
      <para>hun is toegestaan:</para>
      <para>a) vers vlees, verkregen uit dieren afkomstig uit bijlage I-gebied, buiten dit gebied te </para>
      <para>brengen, met dien verstande dat het vlees Nederland niet verlaat;</para>
      <para>b) vers vlees, verkregen uit dieren afkomstig uit het buitenland en verwerkt in een </para>
      <para>uitsnijderij in bijlage I-gebied, naar bijlage II-gebied te brengen.</para>
      <para>Voorts hebben verzoeksters verweerder verzocht de terzake geldende instructies aan de </para>
      <para>Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) voor zover noodzakelijk aan </para>
      <para>te passen met het oog op het vorenstaande.</para>
      <para>Op 2 en 4 april 2001 hebben verzoeksters hun verzoek aan verweerder herhaald.</para>
      <para>Bij faxbericht van 4 april 2001 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen "de weigering </para>
      <para>om in te stemmen met de verzoeken zoals uiteengezet in (.) brieven van 28 maart, 2 april </para>
      <para>en 4 april 2001 (.)".</para>
      <para>Bij faxbericht van 4 april 2001 hebben verzoeksters zich tot de president van het College </para>
      <para>gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder </para>
      <para>en de RVV wordt geboden zich te onthouden van het verhinderen van hierboven onder a en </para>
      <para>b omschreven handelingen.</para>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 10 april 2001, alwaar partijen hun </para>
      <para>standpunt bij monde van hun gemachtigde nader hebben toegelicht. Voorts waren ter zitting </para>
      <para>aanwezig de heer C, werkzaam bij A, alsmede de heer W. Pelgrim, als veterinair </para>
      <para>beleidsmedewerker werkzaam bij verweerder.</para>
      <para>Ter zitting is namens verweerder verklaard dat de hierboven onder b omschreven handeling </para>
      <para>is toegestaan, voor zover aan alle in de tot de lidstaten gerichte Beschikking 2001/223/EG </para>
      <para>van 21 maart 2001 van de Europese Commissie tot vaststelling van beschermende </para>
      <para>maatregelen in verband met mond- en klauwzeer in Nederland (hierna: de Beschikking) </para>
      <para>gestelde voorwaarden wordt voldaan, alsook dat de instructie aan de RVV </para>
      <para>dienovereenkomstig is verduidelijkt. </para>
      <para>Namens verzoeksters is hierop verklaard dat het betreffende onderdeel van het verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening als ingetrokken kan worden beschouwd. Derhalve resteert nog </para>
      <para>slechts het verzoek met betrekking tot het hierboven onder a omschrevene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Toepasselijke regelgeving</para>
      <para>In de considerans van de Beschikking wordt onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	(4) De situatie met betrekking tot mond- en klauwzeer in bepaalde delen van </para>
      <para>Nederland kan, in verband met het op de markt brengen van en de handel in </para>
      <para>levende evenhoevige dieren en bepaalde producten daarvan, een gevaar </para>
      <para>opleveren voor de veebeslagen in andere delen van het grondgebied van </para>
      <para>Nederland en in andere lidstaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(7) Aangezien sommige categorie‰n behandelde producten van dierlijke </para>
      <para>oorsprong geen risico's op verspreiding van de ziekte opleveren, is het dienstig </para>
      <para>bepalingen op te nemen die de handel in dergelijke producten mogelijk maken </para>
      <para>op voorwaarde dat voor een adequate certificering wordt gezorgd. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In de Beschikking wordt - ten tijde hier van belang - onder meer het volgende bepaald:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para> 	1.	Nederland verzendt geen vers vlees van runderen, schapen, geiten, varkens </para>
      <para>of andere evenhoevige dieren dat afkomstig is uit de in bijlage I vermelde delen </para>
      <para>van zijn grondgebied of dat is verkregen van dieren uit die delen van Nederland.</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	2.	Het in lid 1 vastgestelde verbod geldt niet voor:</para>
      <para>	a) vers vlees dat v¢¢r 20 februari 2001 is verkregen, op voorwaarde dat het </para>
      <para>vlees duidelijk is ge‹dentificeerd en dat het sedert die datum bij vervoer en </para>
      <para>opslag gescheiden is gehouden van vlees dat niet bestemd is om te worden </para>
      <para>verzonden uit de in bijlage I vermelde gebieden;</para>
      <para>	b) vers vlees dat is verkregen van dieren die zijn gehouden buiten de in bijlage I </para>
      <para>vermelde gebieden en die, in afwijking van het bepaalde in artikel 1, punt 1, </para>
      <para>rechtstreeks, onder offici‰le controle, in verzegelde vervoermiddelen en voor </para>
      <para>onmiddellijke slachting zijn vervoerd naar een slachthuis dat ligt in een van de in </para>
      <para>bijlage I vermelde gebieden, maar buiten het beschermingsgebied: dit vlees mag </para>
      <para>alleen in Nederland op de markt worden gebracht;</para>
      <para>	c) vers vlees dat in uitsnijderijen in de in bijlage I vermelde gebieden is </para>
      <para>verkregen met inachtneming van de volgende voorwaarden:</para>
      <para>	- in de inrichting wordt alleen vers vlees als omschreven onder a) en b) verwerkt </para>
      <para>of vers vlees afkomstig van dieren die zijn gehouden en geslacht buiten de in </para>
      <para>bijlage I vermelde gebieden;</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 14</para>
      <para>Deze beschikking is van toepassing tot en met 4 april 2001 om middernacht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage I</para>
      <para>In Nederland, de provincies: </para>
      <para>Gelderland, Overijssel, Flevoland, Noord-Brabant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage II</para>
      <para>In Nederland:</para>
      <para>alle provincies van continentaal Nederland, met uitzondering van de in bijlage I </para>
      <para>vermelde provincies."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Europese Commissie heeft de geldigheidsduur van de Beschikking ten tijde hier van </para>
      <para>belang verlengd tot 25 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) wordt - voor zover hier </para>
      <para>van belang - het volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Artikel 30</para>
      <para>	1.	Onze Minister kan het vervoeren van dieren van een door hem te bepalen </para>
      <para>soort, van deze diersoort afkomstige produkten, diervoeder alsmede andere </para>
      <para>produkten en voorwerpen welke dragers van smetstof kunnen zijn, uit, naar of </para>
      <para>binnen Nederland of bepaalde gedeelten van Nederland verbieden dan wel </para>
      <para>verbieden indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regelen.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 80</para>
      <para>Indien er gevaar bestaat voor overbrenging van een in Nederland opgetreden </para>
      <para>besmettelijke dierziekte kan Onze Minister het buiten Nederland brengen van </para>
      <para>dieren en dierlijke produkten afkomstig uit Nederland of een door hem te </para>
      <para>bepalen gedeelte daarvan verbieden dan wel verbieden indien niet voldaan wordt </para>
      <para>aan door hem te stellen regelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 107</para>
      <para>1.	Onze Minister kan, voor zover het belang van de gezondheid of het welzijn </para>
      <para>van dieren zich daartegen niet verzet, van het bij of krachtens deze wet bepaalde </para>
      <para>vrijstelling of ontheffing verlenen.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 109</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 21 maart 2001 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de Regeling </para>
      <para>uitvoerverbod vee en bepaalde dierlijke producten mond- en klauwzeer 2001 (hierna: de </para>
      <para>Regeling) vastgesteld. Op 26 maart 2001 heeft de minister de Regeling - voor zover hier </para>
      <para>van belang - als volgt gewijzigd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" (.)</para>
      <para>	Gelet op Beschikking 2001/223/EG (.);</para>
      <para>	Gelet op de artikelen 30 (.) en 80 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor </para>
      <para>dieren:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	</para>
    <para>Besluit:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel I</para>
      <para>	Artikel 1 van de Regeling uitvoerverbod vee en bepaalde dierlijke producten </para>
      <para>mond- en klauwzeer 2001 komt te luiden:</para>
      <para>	Artikel I</para>
      <para>	1.	Het buiten Nederland brengen van vee is verboden.</para>
      <para>	2.	Het brengen van producten van evenhoevigen buiten het gebied, bedoeld in </para>
      <para>bijlage I van Beschikking 2001/223/EG (.) is verboden.</para>
      <para>3.	Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van de in de </para>
      <para>artikelen 2 tot en met 8 van voornoemde beschikking bedoelde producten, </para>
      <para>indien, voorzover van toepassing, wordt voldaan aan de in de artikelen 1 tot en </para>
      <para>met 11 van die beschikking gestelde voorwaarden. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de instructie van 5 april 2001 van de Directeur van de RVV met kenmerk MKZ-006, van </para>
      <para>toepassing ten tijde hier van belang, wordt onder meer het volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" 4.2 vers vlees (.)</para>
      <para>	4.2.3 vlees voor de nationale markt (.)</para>
      <para>	De uitvoer van vlees verkregen van dieren die zijn gehouden in bijlage 1 of 2 </para>
      <para>gebieden, maar zijn geslacht in een slachthuis gelegen in het gebied genoemd in </para>
      <para>bijlage 1 (.) is niet mogelijk. De afzet van onder deze voorwaarden verkregen </para>
      <para>vlees is alleen mogelijk in bijlage 1 gebied.</para>
      <para>	(.) "</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoeksters</para>
      <para>Verzoeksters hebben - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeksters hebben belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, omdat </para>
      <para>afzet van vers vlees van dieren afkomstig uit bijlage I-gebied elders in Nederland het </para>
      <para>geleden en nog te lijden verlies aan omzet althans ten dele kan compenseren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De spoedeisendheid van het verzoek is gelegen in het feit dat de koelhuizen in bijlage I-</para>
      <para>gebied vol liggen met vers vlees, dat thans in onvoldoende mate kan worden afgevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Krachtens artikel 2, eerste lid, van de Beschikking is het Nederland verboden van zijn </para>
      <para>grondgebied vers vlees van runderen, schapen, geiten, varkens of andere evenhoevige dieren </para>
      <para>te verzenden dat afkomstig is uit de in bijlage I vermelde delen of dat is verkregen van </para>
      <para>dieren uit die delen van Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van deze bepaling is het (inderdaad) niet toegestaan vers vlees buiten Nederland </para>
      <para>te brengen. Voor de opvatting als zou het verboden zijn de in de Beschikking genoemde </para>
      <para>producten die afkomstig zijn uit de in bijlage I genoemde provincies naar andere delen van </para>
      <para>Nederland te brengen, is in deze bepaling evenwel geen enkel aanknopingspunt te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beschikking bepaalt dat vers vlees van </para>
      <para>evenhoevige dieren, afkomstig van buiten de in bijlage I genoemde gebieden, onder </para>
      <para>bepaalde voorwaarden uit bijlage I-gebied mag worden verzonden, mits dit vlees in </para>
      <para>Nederland op de markt wordt gebracht. Dat dit vlees alleen in bijlage I-gebied op de markt </para>
      <para>zou mogen worden gebracht, blijkt uit niets. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook uit de eerdere instructie van 30 maart 2001 van de RVV en persberichten nummer 89 </para>
      <para>en 90 van verweerder blijkt dat vers vlees van evenhoevigen uit bijlage I-gebied wel degelijk </para>
      <para>naar bijlage II-gebied mag worden verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeksters betogen dat ontheffing van de Regeling niet kan worden geweigerd, nu de </para>
      <para>Regeling - voor zover hier van belang - stringenter is dan de Beschikking, hetgeen in strijd </para>
      <para>is met de "‚‚n op ‚‚n" implementatie van de Beschikking die verweerder met het vaststellen </para>
      <para>van de Regeling voor ogen heeft gestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Verweerder heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Onder de huidige omstandigheden is het, gelet op de grote drukte in verband met de mond- </para>
      <para>en klauwzeercrisis, voor verweerder niet haalbaar schriftelijk en vaak ook niet mondeling te </para>
      <para>antwoorden op verzoeken als het onderhavige verzoek van 28 maart 2001. Verweerder </para>
      <para>heeft er geen bezwaar tegen als hier het bestaan van een fictieve weigering wordt </para>
      <para>aangenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens haar intitul‚ strekt de Beschikking tot vaststelling van algemeen beschermende </para>
      <para>maatregelen in verband met mond- en klauwzeer in Nederland. De Beschikking ziet niet </para>
      <para>uitsluitend op export naar het buitenland: het spreekt voor zich dat ook de rest van </para>
      <para>Nederland gevrijwaard moet blijven van verdere verspreiding van het virus. Uit de </para>
      <para>considerans (sub 4) van de Beschikking blijkt dat de maatregelen ook strekken tot </para>
      <para>bescherming van de overige (niet-bijlage I) gebieden in Nederland. Ook uit de artikelen 1 en </para>
      <para>6 van de Beschikking blijkt dat de te treffen maatregelen een breder bereik hebben dan </para>
      <para>verzoeksters betogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan verzoeksters stellen, vormen de woorden "van zijn grondgebied" in artikel 2, </para>
      <para>eerste lid, van de Beschikking ‚‚n geheel met de woorden "de in bijlage I vermelde delen".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat het begrip 'verzenden' niet slechts betrekking heeft op verzending naar het buitenland, </para>
      <para>blijkt ook uit de formulering van de in het tweede lid, aanhef en onder a en b, van de </para>
      <para>Beschikking gegeven uitzonderingen op het verbod van artikel 2, eerste lid. De in het </para>
      <para>tweede lid, aanhef en onder b, opgenomen voorwaarde dat het vlees uitsluitend in </para>
      <para>Nederland op de markt dient te worden gebracht, zou overbodig zijn indien verzoeksters </para>
      <para>interpretatie van het begrip 'verzenden' juist zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook in de tot het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk gerichte Beschikkingen van 1 </para>
      <para>respectievelijk 14 maart 2001 van de Europese Commissie in verband met de bestrijding van </para>
      <para>het mond- en klauwzeervirus is een verbod opgenomen vers vlees te verzenden "uit de in </para>
      <para>bijlage I vermelde delen van zijn grondgebied". Ook hier ziet 'verzenden' derhalve mede op </para>
      <para>binnenlands vervoer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Gelet op het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) </para>
      <para>juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, </para>
      <para>hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College </para>
      <para>openstaat, de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, </para>
      <para>indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.</para>
      <para>5.2	Naar voorlopig oordeel van de president hebben verzoeksters met hun faxbericht van </para>
      <para>28 maart 2001 aan verweerder beoogd voor zichzelf en als groep ontheffing als bedoeld in </para>
      <para>artikel 107, eerste lid, van de Wet te vragen van het in artikel 1, tweede lid, van de Regeling </para>
      <para>neergelegde verbod. In zoverre kan het faxbericht van 28 maart 2001 worden geduid als een </para>
      <para>aanvraag tot het nemen van een beschikking in de zin van de Awb.</para>
      <para>Hiervan uitgaande was, ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift op 4 april 2001, </para>
      <para>naar voorlopig oordeel sprake van het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om </para>
      <para>ontheffing. Weliswaar is de periode van de indiening van het verzoek tot het maken van </para>
      <para>bezwaar kort, maar onder omstandigheden als hier aan de orde en gezien de grote en </para>
      <para>urgente belangen die op het spel staan, is snel reageren van de zijde van verweerder vereist. </para>
      <para>Gelet hierop is de president voorlopig van oordeel dat ten tijde van de indiening van het </para>
      <para>bezwaarschrift een redelijke termijn voor het nemen van een besluit op het verzoek was </para>
      <para>verstreken.</para>
      <para>Nu verweerder meermalen heeft benadrukt dat de Beschikking onverkort wordt nageleefd </para>
      <para>en dat de Regeling strekt tot implementatie van deze Beschikking, was ten tijde van het </para>
      <para>indienen van het bezwaarschrift naar voorlopig oordeel duidelijk dat verweerder het verzoek </para>
      <para>om ontheffing zou afwijzen. </para>
      <para>Gelet op het vorenstaande, mede in aanmerking genomen het belang van verzoeksters bij </para>
      <para>effectieve rechtsbescherming tegen stilzitten door verweerder, acht de president in dit </para>
      <para>bijzondere geval termen aanwezig het niet tijdig nemen van een besluit (mede) te duiden als </para>
      <para>een fictieve afwijzing van het verzoek om ontheffing.</para>
      <para>5.3	Naar voorlopig oordeel zijn de belangen van verzoeksters rechtstreeks betrokken bij de in </para>
      <para>het geding zijnde fictieve afwijzing van het verzoek om ontheffing. Hierbij is in aanmerking </para>
      <para>genomen dat A blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten tot doel heeft (.). Ten </para>
      <para>aanzien van de leden bestaat naar voorlopig oordeel voldoende grond voor het oordeel dat </para>
      <para>zij door het thans bestreden besluit rechtstreeks in hun (bedrijfseconomische) belangen zijn </para>
      <para>getroffen.</para>
      <para>5.4	Naar het voorlopige oordeel van de president strekt de Beschikking er onmiskenbaar toe dat </para>
      <para>de verspreiding van het mond- en klauwzeervirus zo effectief mogelijk wordt bestreden. </para>
      <para>Reeds hierom ligt het niet voor de hand aan te nemen dat de Beschikking uitsluitend zou </para>
      <para>zien op voorkoming van verspreiding naar het buitenland en niet tevens tot doel zou hebben </para>
      <para>verspreiding naar die delen van Nederland waar tot op heden geen mond- en klauwzeer is </para>
      <para>vastgesteld, het bijlage II-gebied, te voorkomen. De president komt te gereder tot dit </para>
      <para>oordeel nu de Europese Commissie, blijkens de considerans onder 4 van de Beschikking, </para>
      <para>het gevaar van verspreiding van het virus naar nog niet getroffen delen van het Nederlandse </para>
      <para>grondgebied bij het vaststellen van de Beschikking uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien.</para>
      <para>Mede gelet op het vorenstaande kan er naar voorlopig oordeel geen twijfel over bestaan dat </para>
      <para>de zinsnede "de in bijlage I genoemde delen van zijn grondgebied" in artikel 2, eerste lid, </para>
      <para>van de Beschikking als ‚‚n geheel moet worden gelezen. Deze lezing ligt niet alleen in </para>
      <para>grammaticaal opzicht het meest voor de hand, maar is ook het meest in overeenstemming </para>
      <para>met de strekking van de Beschikking, te weten het voorkomen van verdere verspreiding van </para>
      <para>het mond- en klauwzeervirus. Niet valt in te zien waarom andere landen wel zouden moeten </para>
      <para>worden gevrijwaard van vers vlees dat, gelet op zijn afkomst, mogelijk het mond- en </para>
      <para>klauwzeervirus met zich draagt, maar de tot op heden niet door het virus getroffen delen </para>
      <para>van Nederland niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar voorlopig oordeel kunnen verzoeksters aan artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, </para>
      <para>van de Beschikking geen valide argumenten ontlenen die dwingen tot een andere conclusie. </para>
      <para>In dit verband zij allereerst opgemerkt dat het in die bepaling gaat om vers vlees afkomstig </para>
      <para>van dieren die zijn gehouden buiten bijlage I-gebied, terwijl het verzoek om voorlopige </para>
      <para>voorziening betrekking heeft op vers vlees afkomstig van dieren die zijn gehouden binnen </para>
      <para>bijlage I-gebied. Voorts is niet zonder belang dat in de laatste zinsnede van laatstgenoemde </para>
      <para>bepaling is bepaald dat in die bepaling omschreven vlees alleen in Nederland op de markt </para>
      <para>mag worden gebracht. Deze beperking van het afzetgebied zou, naar verweerder naar </para>
      <para>voorlopig oordeel terecht betoogt, zinledig zijn indien 'verzenden' in het eerste lid van </para>
      <para>artikel 2 slechts betrekking zou hebben op vervoer naar het buitenland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Regeling, anders dan verzoeksters hebben betoogd, </para>
      <para>- voor zover hier van belang - in overeenstemming is met de Beschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5	Al het voorgaande doet zien dat het verweerder, naar voorlopig oordeel, niet vrijstond de </para>
      <para>gevraagde ontheffing te verlenen. </para>
      <para>5.6	Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om voorlopige voorziening niet voor </para>
      <para>toewijzing in aanmerking.</para>
      <para>De president acht geen termen aanwezig een der partijen onder toepassing van artikel 8:75 </para>
      <para>Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het </para>
      <para>verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. R.R. Winter						w.g. B. van Velzen</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>