<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1287</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T14:33:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1287</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/203</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:2&amp;g=2001-04-10">Algemene wet bestuursrecht 3:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007952&amp;artikel=2&amp;g=2001-04-10">Winkeltijdenwet 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007952&amp;artikel=3&amp;g=2001-04-10">Winkeltijdenwet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007952&amp;artikel=10&amp;g=2001-04-10">Winkeltijdenwet 10</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1287">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1287</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1287 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 10-04-2001 / AWB 01/203</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1287:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1287:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 01/203						10 april 2001</para>
      <para>	12500</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, handelend onder de naam B, (statutair gevestigd) te C;</para>
      <para>D, handelend onder de naam E, (statutair gevestigd) te F;</para>
      <para>G, handelend onder de naam H, </para>
      <para>(statutair gevestigd) te I,</para>
      <para>verzoeksters,</para>
      <para>gemachtigde: mr H.J.M. Winkelhuijzen, te Alphen aan den Rijn, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>Burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn, te Alphen aan den Rijn, </para>
      <para>verweerders,</para>
      <para>gemachtigde: M. Schouten, werkzaam bij de gemeente Alphen aan den Rijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 12 februari 2001 (hierna ook: het bestreden besluit) hebben verweerders voor </para>
      <para>twaalf dagen in 2001 vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de </para>
      <para>Winkeltijdenwet (hierna: de Wet).</para>
      <para>Bij brief van 20 maart 2001 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen dit besluit.</para>
      <para>Op 20 maart 2001 hebben verzoeksters zich tot de president van het College gewend met </para>
      <para>het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hun wordt toegestaan op </para>
      <para>16 april 2001 (tweede Paasdag), 24 mei 2001 (Hemelvaartsdag) en 4 juni 2001 </para>
      <para>(tweede Pinksterdag) hun filialen te Alphen aan den Rijn geopend te hebben.</para>
      <para>Op 29 maart 2001 hebben verweerders een schriftelijke reactie op het verzoek ingediend. </para>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 9 april 2001, alwaar partijen hun </para>
      <para>standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Voorts waren ter </para>
      <para>zitting drie medewerkers van verzoeksters aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De toepasselijke wet- en regelgeving</para>
      <para>De Wet luidt - voorzover hier van belang - als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>1. Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:</para>
      <para>a. op zondag;</para>
      <para>b. op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op</para>
      <para>Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste </para>
      <para>en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3</para>
      <para>1. De gemeenteraad kan voor ten hoogste twaalf door hem aan te wijzen dagen </para>
      <para>per kalenderjaar vrijstelling verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden, voor </para>
      <para>zover deze betrekking hebben op de zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, </para>
      <para>Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste en tweede Kerstdag. De </para>
      <para>beperking tot twaalf dagen per kalenderjaar geldt voor elk deel van de gemeente </para>
      <para>afzonderlijk.</para>
      <para>2. De gemeenteraad kan, al dan niet onder het stellen van regels, de in het eerste </para>
      <para>lid bedoelde bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. </para>
      <para>(.) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 10</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De Verordening winkeltijden Alphen aan den Rijn bevat - voorzover hier van belang - de </para>
      <para>volgende bepalingen:</para>
      <para>"	Artikel 1</para>
      <para>(.)</para>
      <para>In deze verordening wordt verstaan onder:</para>
      <para>a de wet: de Winkeltijdenwet;</para>
      <para>b feestdagen: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede </para>
      <para>Pinksterdag, eerste Kerstdag en tweede Kerstdag.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3</para>
      <para>(.)</para>
      <para>1. Burgemeester en wethouders kunnen voor ten hoogste twaalf per </para>
      <para>kalenderjaar door hen aan te wijzen zon- en feestdagen vrijstelling verlenen van </para>
      <para>de verboden, vervat in artikel 2, eerste lid, onder a en b van de wet. </para>
      <para>2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geldt voor elk deel van de </para>
      <para>gemeente afzonderlijk."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter vergadering van 6 februari 2001 hebben verweerders beslist voor welke dagen in 2001 </para>
      <para>vrijstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 3 van de Wet en de Verordening. </para>
      <para>Verweerders hebben deze beslissing neergelegd in hun besluit van 12 februari 2001, waarbij </para>
      <para>de volgende twaalf dagen zijn aangewezen:</para>
      <para>- 18 februari;</para>
      <para>- 4 en 11 maart;</para>
      <para>- 1 april;</para>
      <para>- 6 mei;</para>
      <para>- 16 september;</para>
      <para>- 7 oktober;</para>
      <para>- 4 en 25 november;</para>
      <para>- 2, 23 en 30 december.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts hebben verweerders voor Winkelcentrum Ridderhof 16 december 2001 aangewezen.</para>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek gaat de president uit van de volgende feiten en </para>
      <para>omstandigheden.</para>
      <para>- Bij brief van 1 september 2000 heeft B verweerders verzocht om toestemming tot </para>
      <para>openstelling van haar filiaal te Alphen aan den Rijn op 16, 29 en 30 april, 5 en </para>
      <para>24 mei en 4 juni 2001. </para>
      <para>- Voorts hebben J, de middenstandsvereniging K en de gezamenlijke </para>
      <para>grootwinkelbedrijven te Alphen aan den Rijn verweerders verzocht om vrijstelling als </para>
      <para>bedoeld in artikel 3 van de Wet voor een aantal dagen in 2001.</para>
      <para>- Bij brief van 6 september 2000 hebben verweerders B bericht dat na ontvangst van </para>
      <para>een definitief verzoek van K een standpunt zal worden bepaald, waarbij ook het </para>
      <para>verzoek van B zal worden betrokken. Voorts hebben verweerders B medegedeeld dat </para>
      <para>30 april en 5 mei 2001 niet onder het in artikel 2 van de Wet neergelegde verbod </para>
      <para>vallen, zodat winkelbedrijven op deze dagen in ieder geval geopend mogen zijn. </para>
      <para>- Op 29 november 2000 hebben verweerders in het Witte Weekblad bekendgemaakt </para>
      <para>voor welke dagen in 2001 om vrijstelling als bovenbedoeld is verzocht, en kenbaar </para>
      <para>gemaakt dat uit deze verzoeken twaalf zondagen zullen worden aangewezen, waarop </para>
      <para>de winkels open mogen zijn. Verweerders hebben hierbij eenieder in de gelegenheid </para>
      <para>gesteld binnen veertien dagen na de bekendmaking bedenkingen met betrekking tot de </para>
      <para>ontvangen verzoeken in te brengen.</para>
      <para>- E en H hebben geen verzoek om vrijstelling ingediend en ook niet gereageerd op de </para>
      <para>publicatie van 29 november 2000.</para>
      <para>- Op 31 januari 2001 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de verantwoordelijke </para>
      <para>wethouder, de heer M, en een afvaardiging van K, de L en J. </para>
      <para>- Aan verweerders is, voorzover hier van belang, het volgende schriftelijke verslag van </para>
      <para>deze bespreking uitgebracht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Tijdens deze bespreking zijn alle gedane verzoeken om extra winkelopenstelling </para>
      <para>kritisch tegen het licht gehouden en door de aanwezigen van een argumentatie </para>
      <para>voorzien. Bedoeling is het verkrijgen van overeenstemming tussen de partijen. </para>
      <para>Knelpunt is dat alle verzoeken bij elkaar opgeteld een aantal omvat van 18. De </para>
      <para>Winkeltijdenwet en de daarop gebaseerde Winkeltijdenverordening kent slechts </para>
      <para>de mogelijkheid om maximaal 12 zon- en/of feestdagen per kalenderjaar aan te </para>
      <para>wijzen.</para>
      <para>Tijdens de bespreking van 31 januari jongstleden is met name vanuit K en L </para>
      <para>benadrukt dat het honoreren van onder andere een drietal feestdagen die door B </para>
      <para>zijn ingediend niet in verhouding staat tot de daardoor vervallen drie zondagen </para>
      <para>die juist door K en L zijn verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>K stelt tijdens het gesprek dat haar verzoeken instemming hebben van vele </para>
      <para>tientallen bedrijven die gevestigd zijn in het centrum. K stelt vervolgens dat de </para>
      <para>door B aangevraagde dagen slechts betrekking heeft en ook slechts is ingediend </para>
      <para>door de B.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vanuit de B is namelijk verzocht om 16 april, 24 mei en 4 juni. Honorering van </para>
      <para>deze verzoeken zou dus betekenen dat de dagen die door K en L te weten: 18 </para>
      <para>februari, 4 maart en 30 december geen doorgang kan hebben. K stelt dat dit </para>
      <para>"oorlog onder de leden" betekent. K verzoekt om aanpassing van de aan uw </para>
      <para>college voorgestelde dagen in die zin dat de dagen zoals verzocht door B </para>
      <para>komen te vervallen ten gunste van de dagen die zijn verzocht door K (18/2, 4/3 </para>
      <para>en 30/12). De portefeuillehouder stemt hier mee in en geeft aan dat een voorstel </para>
      <para>aan het college zal worden aangeboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de aanwezigen wordt wel opgemerkt dat geen afvaardiging van B bij deze </para>
      <para>bespreking aanwezig is. Enig weerwoord op het voorstel is dus niet mogelijk. </para>
      <para>Artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht geeft wel aan dat indien een </para>
      <para>aanvraag geheel of voor een gedeelte wordt afgewezen, de aanvrager in de </para>
      <para>gelegenheid wordt gesteld om zijn of haar zienswijze naar voren te brengen. Op </para>
      <para>dit moment verkeert B naar alle waarschijnlijkheid in de veronderstelling dat </para>
      <para>voor een deel haar verzoek gehonoreerd zal worden. Hoewel slechts 12 dagen </para>
      <para>zijn aan te wijzen en in totaliteit een 18-tal dagen zijn aangevraagd lig het voor </para>
      <para>de hand dat er keuzes gemaakt moeten worden. Netter zou het echter wel </para>
      <para>geweest zijn als ook B in de gelegenheid zou zijn gesteld om een reactie te </para>
      <para>geven evenzo als de andere aanvragers in de gelegenheid zijn gesteld om te </para>
      <para>reageren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij het bestreden besluit hebben verweerders conform het advies van 31 januari 2001 </para>
      <para>voor de in rubriek 2.1 van deze uitspraak genoemde dagen vrijstelling verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoeksters</para>
      <para>Verzoeksters hebben het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Betwijfeld wordt of verweerders voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit de </para>
      <para>nodige kennis hebben vergaard omtrent de af te wegen feiten en belangen. Bedrijven als die </para>
      <para>van verzoeksters zijn hier te lande doorgaans op tweede Paasdag, Hemelvaartsdag en </para>
      <para>tweede Pinksterdag geopend en het winkelend publiek gaat hier ook van uit. Het financieel </para>
      <para>belang van verzoeksters bij openstelling op deze dagen is groot. Met dit belang hebben </para>
      <para>verweerders geen rekening gehouden: geen van de gewenste dagen is aangewezen, zulks in </para>
      <para>contrast met de door K aangevraagde dagen. </para>
      <para>Verweerders hebben nagelaten de mogelijkheid te onderzoeken de gemeente Alphen aan </para>
      <para>den Rijn in deelgebieden onder te verdelen, in welk geval de in de periferie gelegen </para>
      <para>winkelbedrijven, zoals die van verzoeksters, op andere dagen vrijstelling kan worden </para>
      <para>verleend dan de winkelbedrijven die K vertegenwoordigt. </para>
      <para>Verweerders hebben hun oren laten hangen naar de wensen van K. Verzoeksters hebben op </para>
      <para>deze wensen geen invloed kunnen uitoefenen. Een verzoek van B lid te mogen worden van </para>
      <para>K is in januari 2001 afgewezen. Nu B als enige indienster van een verzoek om vrijstelling </para>
      <para>niet is uitgenodigd voor de bespreking op 31 januari 2001, kan niet worden gezegd dat zij </para>
      <para>even zorgvuldig is behandeld als de andere indiensters van een dergelijk verzoek. Tot aan de </para>
      <para>toezending van het procesdossier was verzoeksters niet bekend dat op 31 januari 2001 een </para>
      <para>bespreking heeft plaatsgevonden.</para>
      <para>Mede gelet op verweerders brief van 6 september 2000 mochten verzoeksters erop </para>
      <para>vertrouwen dat verweerders een aantal voor de bouwmarkten aantrekkelijke dagen zouden </para>
      <para>aanwijzen.</para>
      <para>Voorts hebben verweerders gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu een verzoek </para>
      <para>van J om extra vrijstelling wel (gedeeltelijk) is gehonoreerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verweerders </para>
      <para>In hun schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening hebben verweerders </para>
      <para>onder meer het volgende opgemerkt.</para>
      <para>"	Ons uitgangspunt ten aanzien van het aanwijzen van zon- en feestdagen voor </para>
      <para>extra winkelopenstelling is dat zoveel mogelijk ondernemers in de mogelijkheid </para>
      <para>moeten kunnen zijn om hiervan te profiteren. Leidraad is dan ook dat vooraf </para>
      <para>voor ons duidelijk moet zijn dat de voorgestelde dagen de wens is van vele </para>
      <para>ondernemers. Het is -gezien het beperkt aantal aan te wijzen zon- en </para>
      <para>feestdagen- dus niet de bedoeling dat de wens van ‚‚n bedrijf allesbepalend is, </para>
      <para>doch de collectieve wens is maatgevend. Met andere woorden: voor ons is dat </para>
      <para>dan ook reden om slechts dagen aan te wijzen waarvoor er binnen de </para>
      <para>plaatselijke middenstandsvereniging een zo groot mogelijk draagvlak aanwezig </para>
      <para>is. Daarom is binnen de Gemeente Alphen aan den Rijn het initiatief om dagen </para>
      <para>voor te stellen overgelaten aan de plaatselijke middenstandsvereniging, te weten </para>
      <para>K. Nogmaals: in ieder geval tracht ons college met dit uitgangspunt te </para>
      <para>voorkomen dat iedere ondernemer zelfstandig een verzoek aan ons richt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vanwege het verschil in enerzijds het aantal dagen waarop wij op grond van </para>
      <para>artikel 3 van de wet en artikel 3 van de verordening bevoegd zijn om deze aan </para>
      <para>te wijzen, te weten 12 en anderzijds het totaal aantal dagen dat ons verzocht </para>
      <para>werd om te aan te wijzen, te weten 18 in totaal, heeft op 31 januari 2001 </para>
      <para>namens ons college een bespreking plaatsgevonden met een afvaardiging van de </para>
      <para>verenigde ondernemers. Doel van het gesprek was om met deze collectieve </para>
      <para>afvaardiging te bereiken dat een eensluidend verzoek aan ons college werd </para>
      <para>voorgelegd: dus geen versnippering maar een breed en collectief gedragen </para>
      <para>verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voornoemde gesprek heeft uiteindelijk geleid tot een verzoek om 12 dagen </para>
      <para>aan te wijzen welk de instemming geniet van K, L en J."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het verzoek</para>
      <para>Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende de </para>
      <para>beslissing op bezwaar en indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, de </para>
      <para>president op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op </para>
      <para>de betrokken belangen, zulks vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu verzoeksters openstelling van hun filialen in de gemeente Alphen aan den Rijn verlangen </para>
      <para>op - onder meer - 16 april 2001 en verweerders deze toestemming hebben geweigerd, acht </para>
      <para>de president het belang van verzoeksters voldoende spoedeisend.</para>
      <para>Omtrent de toewijsbaarheid van het verzoek overweegt de president als volgt.</para>
      <para>Allereerst wordt opgemerkt dat de wetgever de gemeenteraad dan wel burgemeester en </para>
      <para>wethouders, indien - zoals ook in dit geval - delegatie heeft plaatsgevonden, een ruime </para>
      <para>beoordelingsvrijheid laat bij het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 3 van de Wet. </para>
      <para>Gegeven deze vrijheid ziet de president, voorlopig oordelend, geen grond voor het oordeel </para>
      <para>dat de door verweerders gehanteerde uitgangspunten, zoals weergegeven in rubriek 4 van </para>
      <para>deze uitspraak, als zodanig de grenzen van een redelijke beleidsbepaling overschrijden. </para>
      <para>Naar voorlopig oordeel hebben verweerders evenwel bij de voorbereiding van het besluit </para>
      <para>van 12 februari 2001 ten opzichte van B het beginsel van behoorlijk bestuur vervat in artikel </para>
      <para>3:2 van de Awb geschonden. Verweerders hadden in dit geval, nu zij (de </para>
      <para>vertegenwoordigers van) de overige belanghebbenden door middel van de bespreking op 31 </para>
      <para>januari 2001 alle bij de voorbereiding van de besluitvorming hebben betrokken en gelet ook </para>
      <para>op het resultaat van deze besluitvorming, niet zonder ook B in de gelegenheid te stellen haar </para>
      <para>zienswijze naar voren te brengen, tot een besluit omtrent de zondagopenstelling mogen </para>
      <para>komen.</para>
      <para>Het vorenstaande vormt op zichzelf echter onvoldoende reden om de door verzoeksters </para>
      <para>gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Daartoe zou slechts aanleiding bestaan indien </para>
      <para>zou moeten worden geoordeeld dat verweerders rechtens gehouden zouden zijn alle door B </para>
      <para>aan gevraagde dagen aan te wijzen. Naar voorlopig oordeel is van een zodanige </para>
      <para>gehoudenheid geen sprake. Het door verzoeksters gestelde noopt daartoe naar voorlopig </para>
      <para>oordeel, mede gelet op de grote beleidsvrijheid die verweerders ten deze toekomt, </para>
      <para>geenszins. Met name kan niet worden gesteld dat bij B een gerechtvaardigd vertrouwen kon </para>
      <para>bestaan dat alle door haar gevraagde dagen zouden worden gehonoreerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de door verzoeksters gevorderde openstelling op de </para>
      <para>door haar gewenste dagen in deze procedure niet kan worden gehonoreerd, maar dat ter </para>
      <para>voorkoming van onevenredig nadeel van het besluit van 12 februari 2001 wel verzekerd </para>
      <para>dient te worden dat door verweerders op korte termijn een beslissing op het door </para>
      <para>verzoeksters ingediende bezwaarschrift wordt genomen.</para>
      <para>Nu het bestreden besluit aldus onvoldoende zorgvuldig is totstandgekomen en verweerders </para>
      <para>het treffen van een procedurele voorziening door de president in zoverre over zichzelf </para>
      <para>hebben afgeroepen, bestaat aanleiding verweerders op grond van artikel 8:75 juncto 8:84, </para>
      <para>vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede op grond </para>
      <para>van artikel 8:74, tweede lid, juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Awb te bepalen dat aan </para>
      <para>verzoeksters het door hen betaalde griffierecht wordt vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president:</para>
      <para>wijst de door verzoeksters gevorderde openstelling op 16 april 2001 af;</para>
      <para>bepaalt dat verweerders in verband met de door verzoeksters</para>
      <para>   gevorderde openstelling op 24 mei 2001 en 4 juni 2001 zo spoedig</para>
      <para>   mogelijk, doch uiterlijk op 8 mei 2001 beslissen op het</para>
      <para>   bezwaarschrift van verzoeksters tegen het besluit van verweerders </para>
      <para>   van 12 februari 2001;</para>
      <para>veroordeelt verweerders in de kosten van deze procedure aan de</para>
      <para>zijde van verzoeksters, vastgesteld op fl. 1.420,-- (zegge: eenduizendvierhonderdtwintig gulden) en te vergoeden aan verzoeksters door de gemeente Alphen aan den Rijn;</para>
      <para>- bepaalt dat aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 450,-- (zegge: vierhonderdvijftig gulden) wordt vergoed door de gemeente Alphen aan de Rijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. H.G. Lubberdink				w.g. B. van Velzen</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>