<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1283</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T21:30:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1283</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL2269</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/01 t/m 01/05</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:2">Algemene wet bestuursrecht 8:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003994">Wet bodembescherming</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003994&amp;artikel=18">Wet bodembescherming 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009755">Elektriciteitswet 1998</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009755&amp;artikel=36">Elektriciteitswet 1998 36</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009755&amp;artikel=41">Elektriciteitswet 1998 41</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009755&amp;artikel=82">Elektriciteitswet 1998 82</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/138</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1283">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1283</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1283 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 22-03-2001 / AWB 01/01 t/m 01/05</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1283:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1283:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nrs AWB 01/01 t/m 01/05						22 maart 2001</para>
      <para>	18050</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. A, te B, </para>
      <para>2. C, gevestigd te D,</para>
      <para>3. E, gevestigd te F,</para>
      <para>4. G, gevestigd te H, verder te noemen verzoeksters,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.K. de Pree, advocaat te 's-Gravenhage, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>I   de Minister van Economische Zaken (zaaknummer AWB 01/01)</para>
      <para>II de  directeur van de Dienst uitvoering en toezicht Electriciteitswet (Dte) (zaken AWB </para>
      <para>01/02, 01/03, 01/04, 01/05, ook namens de Minister van Economische Zaken (zaaknummer </para>
      <para>AWB 01/01),</para>
      <para>hierna ook gezamenlijk aan te duiden als verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr E.J. Daalder en mr A.Th. Meijer, advocaten te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>1.1	Het besluit tariefdrager (zaak AWB 01/01)</para>
      <para>Bij besluit van 1 juli 1999 (Stcrt. 6 juli 1999, nr 126) heeft de Minister van Economische </para>
      <para>Zaken op grond van artikel 29, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998, de tariefdrager </para>
      <para>vastgesteld voor het transport van elektriciteit, zoals bedoeld in het eerste lid van </para>
      <para>voornoemd wetsartikel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen genoemde beslissing van de Minister van Economische Zaken hebben verzoeksters </para>
      <para>bij brief van 27 juli 1999 een bezwaarschrift ingediend. </para>
      <para>De Minister van Economische Zaken heeft bij besluit van 19 mei 2000 het door </para>
      <para>verzoeksters ingediende bezwaarschrift deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond </para>
      <para>verklaard. </para>
      <para>Op 28 juni 2000 heeft het College van verzoeksters een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen het besluit van 19 mei 2000.</para>
      <para>Op 3 januari 2001 heeft de Minister van Economische Zaken in het kader van </para>
      <para>bovengenoemde beroepsprocedure een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>1.2	Het besluit tot vaststelling van de Tarievencode (zaak AWB 01/02).</para>
      <para>Bij besluit van 30 september 1999 (Stcrt. 4 oktober 1999, nr 190) heeft verweerder op </para>
      <para>grond van artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 de Tarievencode vastgesteld.</para>
      <para>Tegen genoemde beslissing van verweerder hebben verzoeksters bij brief van </para>
      <para>10 november 1999 een bezwaarschrift ingediend. </para>
      <para>Verweerder heeft bij besluit van 19 juni 2000 het door verzoeksters ingediende </para>
      <para>bezwaarschrift ongegrond verklaard. </para>
      <para>Op 31 juli 2000 heeft het College van verzoeksters een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen het besluit van 19 juni 2000.</para>
      <para>Op 28 februari 2001 heeft verweerder in het kader van laatstgenoemde beroepsprocedure </para>
      <para>een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>1.3	Het besluit tot vaststelling van het Landelijk Uniform Producenten transporttarief voor het </para>
      <para>jaar 2000, hierna: het LUP-besluit 2000 (zaak AWB 01/03) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 december 1999 (Stcrt. 10 december 1999, nr 239) heeft verweerder op </para>
      <para>grond van artikel IV, derde lid, van de Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 het </para>
      <para>Landelijk Uniform Producenten transporttarief voor het jaar 2000 vastgesteld.</para>
      <para>Tegen genoemde beslissing van verweerder hebben verzoeksters bij brief van </para>
      <para>12 januari 2000 een bezwaarschrift ingediend. </para>
      <para>Verweerder heeft bij besluit van 31 augustus 2000 het door verzoeksters ingediende </para>
      <para>bezwaarschrift ongegrond verklaard. </para>
      <para>Op 11 oktober 2000 heeft het College van verzoeksters een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen het besluit van 31 augustus 2000.</para>
      <para>1.4	Het besluit tot wijziging van de Tarievencode, hierna: het Wijzigingsbesluit (zaak AWB </para>
      <para>01/04).</para>
      <para>Bij besluit van 16 november 2000 (Stcrt. 17 november 2000, nr 224) heeft verweerder op </para>
      <para>grond van artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 de Tarievencode gewijzigd.</para>
      <para>Tegen genoemde beslissing van verweerder hebben verzoeksters bij brief van 22 december </para>
      <para>2000 een bezwaarschrift ingediend. </para>
      <para>1.5	Het besluit tot vaststelling van het Landelijk Uniform Producenten transporttarief voor het </para>
      <para>jaar 2001, hierna: het LUP-besluit 2001 (zaak AWB 01/05).</para>
      <para>Bij besluit van 13 december 2000 (Stcrt. 19 december 2000, nr 246) heeft verweerder op </para>
      <para>grond van artikel 41 van de Elektriciteitswet 1998 het Landelijk Uniform Producenten </para>
      <para>transporttarief voor het jaar 2001 vastgesteld.</para>
      <para>Tegen genoemde beslissing van verweerder hebben verzoeksters bij brief van 22 december </para>
      <para>2000 een bezwaarschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.6 De verzoeken om voorlopige voorziening.</para>
      <para>Verzoeksters hebben zich op 22 december 2000 tot de president van het College gewend </para>
      <para>met het verzoek bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat de bovengenoemde </para>
      <para>besluiten van 19 mei 2000, 19 juni 2000, 31 augustus 2000, 16 november 2000 en </para>
      <para>13 december 2000 (gedeeltelijk) worden geschorst en:</para>
      <para>-primair de voorlopige voorziening te treffen dat de bijdrage van de producenten van </para>
      <para>elektriciteit in de transportafhankelijke kosten op 0% wordt gesteld, in ieder geval </para>
      <para>totdat in Europees verband een volledige harmonisatie van de bij producenten in </para>
      <para>rekening gebrachte transporttarieven heeft plaatsgevonden, en daarbij te bepalen dat </para>
      <para>bij het op enig moment heffen van een Landelijk Uniform Producenten transporttarief </para>
      <para>(LUP) alle producenten met een aansluiting op het net daaraan dienen bij te dragen; </para>
      <para>dan wel</para>
      <para>-subsidiair de voorziening te treffen dat de werking van het Wijzigingsbesluit en het </para>
      <para>LUP-besluit 2001 wordt opgeschort, in afwachting van definitieve beslissingen op de </para>
      <para>door verzoeksters ingediende beroepschriften tegen de desbetreffende besluiten; dan </para>
      <para>wel</para>
      <para>-meer subsidiair de voorzieningen te treffen die de president meent dat behoren te </para>
      <para>worden getroffen, waarbij verzoeksters voorts hebben verzocht verweerder te </para>
      <para>veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure en tot vergoeding van het in </para>
      <para>deze verschuldigde griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 25 januari 2001 heeft verweerder schriftelijk op de verzoeken om voorlopige </para>
      <para>voorziening gereageerd. Verweerder heeft op enig moment (mede) ten behoeve van de </para>
      <para>behandeling van de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening per afzonderlijk </para>
      <para>dossier de op zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, per aangeduide zaak voorzien </para>
      <para>van een inventarislijst en een toelichting op de die inventarislijst. Met uitzondering van de </para>
      <para>procedure met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het </para>
      <para>Besluit Tariefdrager heeft verweerder de president in het kader van de onderhavige </para>
      <para>verzoeken om een voorlopige voorziening, onder verwijzing naar de toelichting op de </para>
      <para>desbetreffende inventarislijsten en met een (kennelijk) beroep om overeenkomstige </para>
      <para>toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verzocht bepaalde </para>
      <para>producties (gedeeltelijk) vertrouwelijk te behandelen.</para>
      <para>Bij beschikkingen van 2 maart 2001 heeft de president op de verzoeken om beperking van </para>
      <para>de kennisneming beslist, welke beschikkingen als bijlagen aan deze uitspraak zijn gehecht.</para>
      <para>Hiertoe uitgenodigd door de president hebben verzoeksters bij faxbericht van 7 maart 2001 </para>
      <para>te kennen gegeven dat zij er niet mee kunnen instemmen dat de president mede op grond </para>
      <para>van de stukken, waarvan de beperkte kennisneming op grond van bovengenoemde </para>
      <para>beschikkingen gerechtvaardigd is geoordeeld, zal beslissen op de onderhavige verzoeken </para>
      <para>om een voorlopige voorziening. Laatstgenoemde stukken zijn hierop uit de desbetreffende </para>
      <para>dossiers met betrekking tot de onderhavige verzoeken om een voorlopige voorziening </para>
      <para>verwijderd. </para>
      <para>De verzoeken om voorlopige voorziening zijn door de president behandeld ter zitting van </para>
      <para>12 maart 2001. </para>
      <para>Ter zitting hebben partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader </para>
      <para>toegelicht. </para>
      <para>Vervolgens is heden uitspraak gedaan.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De regelgeving</para>
      <para>Artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 8:2 </para>
      <para>Geen beroep kan worden ingesteld tegen:</para>
      <para>a. een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een </para>
      <para>beleidsregel,</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 18 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 18</para>
      <para>(.)</para>
      <para>4. Op de bevoegdheid van het College zijn de artikelen 8:1, derde lid, 8:2, 8:3 </para>
      <para>en 8:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 27 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 27</para>
      <para>De gezamenlijke netbeheerders zenden aan de directeur van de dienst een </para>
      <para>voorstel met betrekking tot de tariefstructuren dat de elementen en de wijze van </para>
      <para>berekening beschrijft van het tarief waarvoor afnemers zullen worden </para>
      <para>aangesloten op een net, van het tarief waarvoor transport van elektriciteit, met </para>
      <para>inbegrip van de invoer, uitvoer en doorvoer van elektriciteit, ten behoeve van </para>
      <para>afnemers zal worden uitgevoerd en van het tarief waarvoor de systeemdiensten </para>
      <para>zullen worden verricht en de energiebalans wordt gehandhaafd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 29 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 29</para>
      <para>1. Het tarief waarvoor transport van elektriciteit zal worden uitgevoerd ten </para>
      <para>behoeve van afnemers, heeft betrekking op de ontvangst van elektriciteit door </para>
      <para>een afnemer, ongeacht de plaats van opwekking van de elektriciteit en van de </para>
      <para>aansluiting waar de elektriciteit op het Nederlandse net is gebracht, of op het </para>
      <para>invoeden van elektriciteit door een afnemer, ongeacht de plaats van ontvangst </para>
      <para>van de elektriciteit.</para>
      <para>2. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt in rekening gebracht bij iedere </para>
      <para>afnemer die een aansluiting heeft op een net dat wordt beheerd door een </para>
      <para>netbeheerder.</para>
      <para>3. Onze Minister stelt vòòr 1 juli 1999 de tariefdrager vast voor het </para>
      <para>transportafhankelijke element van het tarief, bedoeld in het eerste lid. (.)  </para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 luidde van 1 juli 1999 tot 1 januari 2001 als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 31</para>
      <para>1. De gezamenlijke netbeheerders zenden aan de directeur van de dienst een </para>
      <para>voorstel voor de voorwaarden met betrekking tot:</para>
      <para>a. de wijze waarop netbeheerders en afnemers alsmede netbeheerders zich </para>
      <para>jegens elkaar gedragen ten aanzien van het in werking hebben van de netten, het </para>
      <para>voorzien van een aansluiting op het net en het uitvoeren van transport van </para>
      <para>elektriciteit over het net,</para>
      <para>b. de wijze waarop netbeheerders en afnemers alsmede netbeheerders zich </para>
      <para>jegens elkaar gedragen ten aanzien van het meten van gegevens betreffende het </para>
      <para>transport van elektriciteit en de uitwisseling van meetgegevens,</para>
      <para>c. de wijze waarop de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet enerzijds </para>
      <para>en afnemers en de overige netbeheerders anderzijds zich jegens elkaar gedragen </para>
      <para>ten aanzien van de systeemdiensten,</para>
      <para>d. de gebiedsindeling van de netbeheerders,</para>
      <para>e. de regeling van de samenwerking tussen de netbeheerders ten aanzien van de </para>
      <para>uitvoering van de taken, bedoeld in de onderdelen a, b en c, alsmede ten </para>
      <para>behoeve van het waarborgen van het netbeheer van alle netten en het transport </para>
      <para>van elektriciteit in buitengewone omstandigheden,</para>
      <para>f. de kwaliteitscriteria waaraan netbeheerders moeten voldoen met betrekking </para>
      <para>tot hun dienstverlening, welke in ieder geval betrekking hebben op te hanteren </para>
      <para>technische specificaties, het verhelpen van storingen in het transport van </para>
      <para>elektriciteit, de klantenservice en het voorzien in compensatie bij ernstige </para>
      <para>storingen.</para>
      <para>2. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in ieder </para>
      <para>geval de voorwaarden opgenomen met betrekking tot de programma-</para>
      <para>verantwoordelijkheid, waarbij wordt bepaald dat de programma-</para>
      <para>verantwoordelijkheid kan worden overgedragen aan een andere natuurlijke </para>
      <para>persoon of rechtspersoon, met uitzondering van een netbeheerder."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van artikel 16 van de Overgangswet </para>
      <para>elektriciteitsproductiesector (Koninklijk Besluit van 21 december 2000, houdende </para>
      <para>vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal artikelen van de </para>
      <para>Overgangswet elektriciteitsproductiesector, Stb. 608) zijn met ingang van 1 januari 2001 </para>
      <para>vijf leden aan artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 toegevoegd, welke als volgt luiden:</para>
      <para>"	3. In de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt in ieder </para>
      <para>geval een regeling opgenomen voor het bepalen van de omvang van de </para>
      <para>capaciteit voor het transport van elektriciteit over landsgrensoverschrijdende </para>
      <para>netten en voor het toewijzen van de beschikbare capaciteit op die netten,</para>
      <para>waaronder tevens begrepen wordt het veilen van capaciteit dan wel het volgens </para>
      <para>een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit, en het toewijzen </para>
      <para>van capaciteit die een afnemer niet gebruikt. De voorwaarden bevatten de </para>
      <para>nodige voorzieningen gericht op het voorkomen van belemmeringen voor goede </para>
      <para>marktwering.</para>
      <para>4. De omvang van de capaciteit die toegewezen kan worden door middel van </para>
      <para>een veiling of een andere marktconforme methode is ten hoogste de totale </para>
      <para>omvang van de capaciteit voor het transport van elektriciteit over </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende netten na aftrek van:</para>
      <para>a. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit in het </para>
      <para>kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de instandhouding van de </para>
      <para>integriteit van de netten te kunnen uitvoeren,</para>
      <para>b. de hoeveelheid capaciteit die wordt toegewezen op grond van artikel 13 van </para>
      <para>de Overgangswet elektriciteitsproductiesector en</para>
      <para>c. de hoeveelheid capaciteit die de directeur van de dienst op grond van artikel </para>
      <para>26 heeft bestemd voor bepaalde verzoekers om transport van elektriciteit.</para>
      <para>5. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet benut de opbrengst van </para>
      <para>het veilen of op een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit </para>
      <para>overeenkomstig de regeling, bedoeld in het derde lid, voor het opheffen van </para>
      <para>beperkingen in de transportcapaciteit op landsgrensoverschrijdende netten dan </para>
      <para>wel voor andere, door de directeur van de dienst te bepalen doelen.</para>
      <para>6. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voert een afzonderlijke </para>
      <para>boekhouding met betrekking tot de opbrengst van het veilen of op een andere </para>
      <para>marktconforme methode toewijzen van capaciteit. Artikel 43 is van </para>
      <para>overeenkomstige toepassing.</para>
      <para>7. Onze Minister kan, in aanvulling op de voorwaarden, bedoeld in het eerste </para>
      <para>lid, onderdeel b, nadere regels stellen over het meten en verstrekken van </para>
      <para>gegevens als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, waarbij kan worden </para>
      <para>bepaald dat de gegevens ook aan anderen dan de producenten van de daar </para>
      <para>bedoelde elektriciteit kunnen worden verstrekt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 36</para>
      <para>1. De directeur van de dienst stelt de tariefstructuren en voorwaarden vast met </para>
      <para>inachtneming van:</para>
      <para>a. het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders als bedoeld in artikel 27, 31 </para>
      <para>of 32 van het overleg, bedoeld in artikel 33, eerste lid,</para>
      <para>b. het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch </para>
      <para>verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening,</para>
      <para>c. het belang van de bevordering van de ontwikkeling van het handelsverkeer op </para>
      <para>de elektriciteitsmarkt,</para>
      <para>d. het belang van de bevordering van het doelmatig handelen van afnemers en</para>
      <para>e. het belang van een goede kwaliteit van de dienstverlening van netbeheerders.</para>
      <para>2. De directeur van de dienst stelt de voorwaarden niet vast dan nadat hij zich </para>
      <para>met inachtneming van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn ervan vergewist </para>
      <para>heeft dat de voorwaarden de interoperabiliteit van de netten garanderen, </para>
      <para>objectief en niet discriminerend zijn, aan de Commissie van de Europese </para>
      <para>Gemeenschappen in ontwerp zijn meegedeeld en de van toepassing zijnde </para>
      <para>termijnen, bedoeld in artikel 9 van de notificatierichtlijn, zijn verstreken.</para>
      <para>3. Indien een voorstel als bedoeld in artikel 27, 31 of 32 naar het oordeel van de </para>
      <para>directeur van de dienst in strijd is met het belang, bedoeld in het eerste lid, </para>
      <para>onderdeel b, c, d of e, of met de eisen, bedoeld in het tweede lid, draagt de </para>
      <para>directeur van de dienst de gezamenlijke netbeheerders op het voorstel </para>
      <para>onverwijld zodanig te wijzigen dat deze strijd wordt opgeheven. Artikel 4:15 </para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Indien de gezamenlijke netbeheerders niet binnen vier weken het voorstel </para>
      <para>wijzigen overeenkomstig de opdracht van de directeur van de dienst, bedoeld in </para>
      <para>het derde lid, stelt de directeur van de dienst de tariefstructuren of de </para>
      <para>voorwaarden vast onder het aanbrengen van zodanige wijzigingen dat deze in </para>
      <para>overeenstemming zijn met de belangen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b </para>
      <para>tot en met e, en met de eisen, bedoeld in het tweede lid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 40 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 40</para>
      <para>1. Iedere netbeheerder zendt jaarlijks voor 1 oktober aan de directeur van de </para>
      <para>dienst met inachtneming van de tariefstructuren, vastgesteld op grond van </para>
      <para>artikel 36, en gelet op artikel 41 een voorstel met betrekking tot de tarieven die </para>
      <para>deze netbeheerder ten hoogste mag berekenen voor de aansluiting op een net, of </para>
      <para>voor het transport dan wel, indien het de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet betreft, tevens voor het verrichten van systeemdiensten en het </para>
      <para>handhaven van de energiebalans.</para>
      <para>2. Een voorstel als bedoeld in het eerste lid kan tevens betrekking hebben op </para>
      <para>een uitzonderlijke en aanmerkelijke investering ter uitbreiding van het door de </para>
      <para>desbetreffende netbeheerder beheerde net." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 41 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 41</para>
      <para>1. De directeur van de dienst stelt de tarieven, die kunnen verschillen voor de </para>
      <para>verschillende netbeheerders, vast met inachtneming van het belang dat door </para>
      <para>middel van marktwerking ten behoeve van afnemers een doelmatige </para>
      <para>bedrijfsvoering en kostenverlaging worden bevorderd, en met toepassing van de </para>
      <para>formule pt= (1+(cpi-xt) / (100) pt -1, waarbij:</para>
      <para>pt = de tarieven die zullen gelden in periode t;</para>
      <para>pt-1 = de tarieven die golden in de periode voorafgaande aan t;</para>
      <para>cpi = de relatieve wijziging van de consumentenprijsindex (alle huishoudens), </para>
      <para>berekend uit het quotiënt van deze prijsindex in de vierde maand voorafgaande </para>
      <para>aan periode t, zoals deze maandelijks wordt vastgesteld door het Centraal </para>
      <para>Bureau voor de Statistiek;</para>
      <para>xt = de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering door </para>
      <para>netbeheerders.</para>
      <para>2. De directeur van de dienst stelt de korting ter bevordering van de doelmatige </para>
      <para>bedrijfsvoering vast voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vijf </para>
      <para>jaar.</para>
      <para>3. De directeur van de dienst voert overleg met de gezamenlijke netbeheerders </para>
      <para>en met representatieve organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt over </para>
      <para>de vaststelling van de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering </para>
      <para>en geeft in het besluit tot vaststelling van die korting aan welke </para>
      <para>gevolgtrekkingen hij heeft verbonden aan de uitkomsten van dat overleg.</para>
      <para>4. Indien een voorstel niet binnen de termijn, als bedoeld in artikel 40, aan de </para>
      <para>directeur van de dienst is gezonden, stelt deze de tarieven voor de </para>
      <para>desbetreffende netbeheerder uit eigen beweging vast met inachtneming van het </para>
      <para>eerste lid."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel IV van de Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:</para>
      <para>"	Artikel IV</para>
      <para>1. De tarieven, vastgesteld op grond van artikel 27 van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1989, gelden voor een netbeheerder als bedoeld in artikel 1 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 tot en met 31 december 1999.</para>
      <para>2. Iedere netbeheerder zendt voor 1 oktober 1999 aan de directeur van de </para>
      <para>dienst, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998, met </para>
      <para>inachtneming van de artikelen 25a tot en met 25c van die wet een voorstel met </para>
      <para>betrekking tot de tarieven die deze netbeheerder in 2000 ten hoogste mag </para>
      <para>berekenen voor de aansluiting op een net of voor het transport van elektriciteit </para>
      <para>alsmede, indien het de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet betreft, </para>
      <para>voor het verrichten van systeemdiensten en de handhaving van de energiebalans. </para>
      <para>In afwijking van artikel 27 van de Elektriciteitswet 1989 baseert iedere </para>
      <para>netbeheerder het voorstel op de vergelijkbare tarieven die bij afnemers in </para>
      <para>rekening werden gebracht in 1996.</para>
      <para>3. Bij de vaststelling van de tarieven, bedoeld in het tweede lid, houdt de </para>
      <para>directeur van de dienst rekening met:</para>
      <para>a. de artikelen 25a tot en met 25c van de Elektriciteitswet 1998,</para>
      <para>b. investeringen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998 die zijn gedaan na 1 januari 1996,</para>
      <para>c. belangrijke kostenstijgingen na 1 januari 1996 die hun oorzaak vinden buiten </para>
      <para>de invloedsfeer van de desbetreffende netbeheerder, en</para>
      <para>d. andere objectieve factoren die voor netbeheerders aantoonbaar leiden tot </para>
      <para>verschillen in tariefniveau's."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 82 van de Elektriciteitswet 1998 luidde van 1 juli 1999 tot 10 augustus 2000 als </para>
      <para>volgt:</para>
      <para>"	Artikel 82</para>
      <para>1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit, met uitzondering van een </para>
      <para>besluit als bedoeld in de artikelen 76 en 98 tot en met 101, kan een </para>
      <para>belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het </para>
      <para>bedrijfsleven.</para>
      <para>2. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van artikel 76 is, in </para>
      <para>afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank te </para>
      <para>Rotterdam bevoegd.</para>
      <para>3. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van de artikelen 98 </para>
      <para>tot en met 101 is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht, de rechtbank te Arnhem bevoegd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van de parlementaire behandeling van de wijziging van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998 is aan de Memorie van Antwoord (Eerste Kamer, 1998-1999, 26 303, nr. 225c, </para>
      <para>ontvangen op 17 mei 1999) het navolgende ontleend:</para>
      <para>"	10. Rechtsbescherming</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 62 van de Elektriciteitswet is het College van Beroep voor </para>
      <para>het bedrijfsleven (Cbb) de bevoegde rechter in geval van geschillen omtrent </para>
      <para>besluiten, genomen op grond van de Elektriciteistwet 1998. Het gaat om </para>
      <para>besluiten in de zin van artikel 1 van de Awb, zodat wordt aangesloten bij het </para>
      <para>gewone systeem van beroep op de bestuursrechter. Het is mijns inziens van </para>
      <para>groot belang dat niet wordt afgeweken van het gewone, geharmoniseerde </para>
      <para>systeem van rechtsbescherming tegen besluiten, omdat dat zij waarde heeft </para>
      <para>bewezen. Ik roep in herinnering dat in het verleden, voor de totstandkoming van </para>
      <para>de Awb, de uiteenlopende wijzen waarop administratiefrechtelijk beroep werd </para>
      <para>georganiseerd, leidden tot een uitermate complex en voor justitiabelen </para>
      <para>ondoorgrondelijk systeem. </para>
      <para>De besluiten omtrent de vaststelling van tariefstructuren en voorwaarden </para>
      <para>kunnen gezien worden als besluiten in de zin van de Awb. Zij zijn evenwel op </para>
      <para>grond van artikel 8:2 Awb uitgesloten van beroep op de bestuursrechter, omdat </para>
      <para>het gaat om algemeen verbindende voorschriften, zoals ook de leden van de </para>
      <para>VVD-fractie opmerkten. Ik voeg daaraan toe dat dat mijn inschatting is, maar </para>
      <para>dat het laatste woord is aan de bestuursrechter zelf, die beslist over zijn eigen </para>
      <para>bevoegdheid. Als ervan wordt uitgegaan dat het hier gaat om algemeen </para>
      <para>verbindende voorschriften, wijs ik op de recente wetswijziging van de Awb </para>
      <para>waarmee werd vastgesteld dat de uitsluiting van beroep tegen algemeen </para>
      <para>verbindende voorschriften vooralsnog niet zal vervallen. </para>
      <para>Ik zou het betreuren als in een incidenteel geval van deze lijn wordt afgeweken, </para>
      <para>vooral om dat beroep op de bestuursrechter tegen deze algemeen verbindende </para>
      <para>voorschriften zeer weinig toevoegt aan het systeem van rechtsbescherming </para>
      <para>tegen dergelijke besluiten.</para>
      <para>Er staat namelijk beroep op de burgerlijke rechter open tegen algemeen </para>
      <para>verbindende voorschriften, met uitzondering van formele wetgeving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om deze redenen heeft rechtstreeks beroep tegen de door de directeur van de </para>
      <para>dienst vastgestelde algemeen verbindende voorschriften naar mijn oordeel geen </para>
      <para>toegevoegde waarde. Het heeft in tegendeel negatieve gevolgen: er ontstaat </para>
      <para>onzekerheid over de geldigheid van de besluiten, de procedure van vaststelling </para>
      <para>van deze besluiten wordt verlengd, er wordt afgeweken van de algemene lijn </para>
      <para>tegen aanzien van beroep tegen algemeen verbindende voorschriften en het </para>
      <para>systeem van rechtsbescherming op grond van de Elektriciteitswet 1998 wordt </para>
      <para>gecompliceerder.</para>
      <para>Ik kan derhalve de leden van de VDD-fractie geen novelle in het vooruitzicht </para>
      <para>stellen waarmee rechtstreeks beroep op de bestuursrechter tegen algemeen </para>
      <para>verbindende voorschriften wordt mogelijk gemaakt. Een overweging hierbij is </para>
      <para>overigens ook dat de voorbereiding en parlementaire behandeling van een </para>
      <para>dergelijke novelle de afronding van de Elektriciteitswet 1998 zo lang zou </para>
      <para>ophouden, dat het nieuwe systeem van regulering van de elektriciteitsmarkt pas </para>
      <para>veel later in werking kan treden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel wil ik de leden van de VDD-fractie toezeggen het systeem van </para>
      <para>rechtsbescherming nog een goed te bezien. Aan een wijziging van de </para>
      <para>Mededingingswet om de Nederlandse Mededingingsautoriteit om te vormen tot </para>
      <para>een zelfstandig bestuursorgaan wordt op dit moment op mijn Ministerie </para>
      <para>gewerkt. Dit wetsvoorstel heeft ook betrekking op de positie en de </para>
      <para>bevoegdheden van de Dte die als kamer deel uitmaakt van de Nma. Er zal </para>
      <para>daarbij zoveel mogelijk harmonisatie plaatsvinden van de rechtsbescherming </para>
      <para>tegen besluiten van de Nma en van de Dte."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van de parlementaire behandeling van de wijziging van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998 is aan de Nota naar aanleiding van het verslag (Eerste Kamer, 1998-1999, 26 303, nr. </para>
      <para>225f, ontvangen op 27 mei 1999) het navolgende ontleend:</para>
      <para>"	Rechtsbescherming</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De leden van de VVD-fractie gingen verder uitvoerig in op de discussie rond </para>
      <para>het al dan niet aanwijzen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven </para>
      <para>(Cbb) als bevoegde rechter voor de behandeling van besluiten, strekkende tot </para>
      <para>vaststelling van tariefstructuren, tarieven en voorwaarden. Zij waren niet </para>
      <para>overtuigd door mijn antwoord op dat punt in de memorie van antwoord.</para>
      <para>De discussie gaat in essentie om de vraag of een beroep tegen de genoemde </para>
      <para>besluiten door de burgerlijke rechter of door het Cbb behandeld moeten </para>
      <para>worden. Allereerst wijs ik erop dat naar mijn oordeel w‚l beroep op het Cbb </para>
      <para>openstaat tegen besluiten van de Dte tot vaststelling van de tarieven. Dat heb ik </para>
      <para>ook aangegeven in de memorie van antwoord (kamerstukken I, 1998/99, 26 </para>
      <para>303, nr. 225c, blz. 40, 2e alinea). Het gaat daarbij namelijk om individuele </para>
      <para>besluiten, niet om algemeen verbindende voorschriften. Het verschil van mening </para>
      <para>bestond dus alleen ten aanzien van de besluiten tot vaststelling van </para>
      <para>tariefstructuren en voorwaarden voor gebruik van het net.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de memorie van antwoord was opgemerkt dat een aanwijzing van het Cbb </para>
      <para>zou leiden tot afwijking van het systeem van de Awb en dat daaraan meer </para>
      <para>nadelen dan voordelen zijn verbonden. De leden van de VVD-fractie betoogden </para>
      <para>in het verslag evenwel uitvoerig dat er wel degelijk voordelen zijn verbonden </para>
      <para>aan het aanwijzen van het Cbb. Zij wezen juist op de nadelen die verbonden zijn </para>
      <para>aan het door mij voorziene systeem. Na afweging van deze voor- en nadelen ben </para>
      <para>ik tot de slotsom gekomen dat de aanwijzing van het Cbb als rechter waarbij </para>
      <para>ook tegen tariefstructuren en voorwaarden beroep kan worden ingesteld </para>
      <para>inderdaad verdedigbaar is. Mede gelet op het belang dat de leden van de VDD-</para>
      <para>fractie hechten aan het aanwijzen van het Cbb, ben ik bereid op dit punt een </para>
      <para>toezegging te doen. Ik kan evenwel niet toezeggen met een novelle te komen, </para>
      <para>aangezien dat de afronding van dit wetsvoorstel zodanig zou vertragen, dat </para>
      <para>invoering van het nieuwe tariefsysteem per 1 januari 2000 illusoir zou worden. </para>
      <para>Uitstel van de invoering leidt tot onzekerheid en onduidelijkheid voor </para>
      <para>marktpartijen en (beschermde) afnemers, wat ik onwenselijk acht. Wel zeg ik </para>
      <para>toe dat de aanwijzing van het Cbb bij een spoedige en geschikte gelegenheid zal </para>
      <para>geschieden. In de memorie van antwoord noemde ik daarbij al de wijziging van </para>
      <para>de Mededingingswet die wordt voorbereid om de Nederlandse </para>
      <para>mededingingsautoriteit om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan, </para>
      <para>aangezien daarbij ook de inpassing van de Dte als kamer in de Nma nader </para>
      <para>geregeld wordt." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de Handelingen van de Eerste Kamer (Handelingen I, 1999, blz 1449-1483, </para>
      <para>vergaderdata 31 mei 1999 en 1 juni 1999) is het navolgende ontleend:</para>
      <para>"	De heer LOUDON (VVD): (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de nadere memorie van antwoord is de minister de VVD-fractie op het punt </para>
      <para>van de rechtsbescherming in belangrijke mate tegemoetgekomen. De minister </para>
      <para>heeft toegezegd, het College van beroep voor het bedrijfsleven alsnog aan te </para>
      <para>wijzen als eerste en enige rechter voor de behandeling van geschillen over </para>
      <para>besluiten tot vaststelling van tariefstructuren, tarieven en voorwaarden voor </para>
      <para>voor gebruik van het net. De VVD-fractie heeft met instemming van deze </para>
      <para>toezegging kennis genomen. De aanwijzing van het College van beroep voor het </para>
      <para>bedrijfsleven zal plaatsvinden door middel van wijziging van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998. De Minister wordt verzocht, bij de implementatie van haar toezegging de </para>
      <para>tekst van het amendement op stuk nr. 48, zoals in de Tweede Kamer ingediend </para>
      <para>bij de behandeling van dit wetsvoorstel, als uitgangspunt te hanteren. De tekst </para>
      <para>van dit amendement geeft op correcte wijze uitdrukking aan datgene wat de </para>
      <para>VDD-fractie beoogt. Is de minister hiertoe bereid?</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoe staat de minister er tegenover, de aanwijzing van het CBB te regelen in het </para>
      <para>kader van de Gaswet? In dit wetsvoorstel, dat momenteel bij de Tweede Kamer </para>
      <para>in behandeling is, wordt de Elektriciteitswet 1998 immers ook op enkele punten </para>
      <para>gewijzigd. Verwezen zij naar artikel 43 van de Gaswet. Gaarne een reactie van </para>
      <para>de Minister.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(.)</para>
      <para>Uit de toelichting op de Algemene wet bestuursrecht volgt dat artikel 8:2 van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht, tenzij anders bepaald, voorrang heeft boven een </para>
      <para>andersluidende bepaling in een bijzondere wet, zoals de Elektriciteitswet 1998. </para>
      <para>Het is evenwel mogelijk om in de bijzondere wet, de Elektriciteitswet, te </para>
      <para>bepalen dat een artikel opgenomen in deze wet, waaronder artikel 62 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998, voorrang krijgt boven artikel 8:2 Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht. Een dergelijke voorrang van de bijzondere wet, in casu de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998, boven de Algemene wet bestuursrecht dient bij voorkeur </para>
      <para>te blijken uit een uitdrukkelijke wetsbepaling. Dit is blijkens de wetgeschiedenis </para>
      <para>evenwel geen absolute eis. Ook op andere wijze, bijvoorbeeld uit de </para>
      <para>parlementaire behandeling van de wet, kan blijken dat de bepaling in de </para>
      <para>bijzondere wet, in casu de Elektriciteitswet 1998, in zijn onderlinge verhouding </para>
      <para>met de Algemene wet bestuursrecht voorrang dient te krijgen boven artikel 8:2 </para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht. Met andere woorden: het is mogelijk de </para>
      <para>toepasselijkheid van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht op </para>
      <para>vaststellingsbesluiten uit te sluiten. </para>
      <para>Dit is mogelijk doordat de wetgever dit bij de parlementaire behandeling van </para>
      <para>deze wet ondubbelzinnig te kennen geeft. In dat geval wordt de reikwijdte van </para>
      <para>artikel 62 Elektriciteitswet 1998 dat, zoals reeds gesteld in beginsel ook geldt </para>
      <para>voor vaststellingsbesluiten, niet door artikel 8:2 AWB beperkt.  </para>
      <para>Een dergelijke uitleg heeft tot gevolg dat het College van beroep voor het </para>
      <para>bedrijfsleven op grond van artikel 62 van de Elektriciteitswet 1998 bevoegd </para>
      <para>wordt een beroep inzake een vaststellingsbesluit te toetsen.</para>
      <para>Teneinde het College van beroep voor het bedrijfsleven ook in de </para>
      <para>overgangsperiode aan te wijzen als bevoegde rechter voor de behandeling van </para>
      <para>geschillen over besluiten tot vaststelling van tariefstructuren, tarieven en </para>
      <para>voorwaarden voor het gebruik van het net, is de VDD-fractie van mening dat </para>
      <para>artikel 62 Elektriciteitswet 1998 zodanig moet worden uitgelegd dat dit artikel </para>
      <para>voorrang heeft boven artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij </para>
      <para>wijziging van de Elektriciteitswet 1998 kan deze uitleg van artikel 62 nader </para>
      <para>worden ge‰xpliciteerd. Naar de mening van de VVD-fractie kan de minister met </para>
      <para>deze uitleg van artikel 62 instemmen, omdat deze interpretatie geheel in lijn is </para>
      <para>met de door de minister gedane toezegging. Kan de minister zich vinden in de </para>
      <para>door de VDD-fractie voorgestane uitleg van artikel 62 van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998? </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Minister Jorritsma-Lebbink: (.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat de rechtsbescherming tegen genomen besluiten betreft, gaat het om het </para>
      <para>beroep tegen tariefstructuren en voorwaarden voor het beheer van netwerken. </para>
      <para>Zowel de heer Loudon als de heer Van Dijk ging in op mijn toezegging in de </para>
      <para>nota naar aanleiding van het verslag om het college van beroep voor het </para>
      <para>bedrijfsleven alsnog aan te wijzen als bevoegde rechter in geschillen over </para>
      <para>besluiten tot vaststelling van de tariefstructuren en voorwaarden. De heer </para>
      <para>Loudon vroeg bij het wettelijk vastleggen van die toezegging uit te gaan van </para>
      <para>amendement nr. 48 dat door de heer Van den Akker in de Tweede Kamer was </para>
      <para>ingediend. Ik wil dat graag toezeggen. Dat amendement geeft aan wat moet </para>
      <para>gebeuren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer Loudon vroeg vervolgens of die aanwijzing bij de wijziging van de </para>
      <para>Mededingingswet of al bij de ontwerp-Gaswet kon worden opgenomen. Ook de </para>
      <para>heer Van Dijk ging daarop in. Ik had een voorkeur voor een aanwijzing bij de </para>
      <para>wijziging van de Mededingingswet omdat daarbij het systeem van de </para>
      <para>rechtsbescherming tegen besluiten van de DTE toch al opnieuw zal worden </para>
      <para>geregeld. Mijn streven is erop gericht die wetswijziging nog dit kalenderjaar in </para>
      <para>de Tweede Kamer aanhangig te maken. Ik heb op zich geen grote bezwaren </para>
      <para>tegen het opnemen van die aanwijzing bij de ontwerp-Gaswet die momenteel </para>
      <para>aanhangig is bij de Tweede Kamer, maar wat mij betreft gebeurt het maar bij de </para>
      <para>wet die het eerst in de Kamer wordt behandeld. </para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de derde plaats verschilde de heer Loudon met mij van mening over het </para>
      <para>beroep tegen het tariefbesluit. Ik ben van mening dat dit een individueel tot een </para>
      <para>netbeheerder gericht besluit is, maar dat laat onverlet dat besluit gevolgen heeft </para>
      <para>voor anderen omdat de netbeheerders de tarieven moeten hanteren in hun </para>
      <para>contracten met afnemers. Desalniettemin ben ik het wel eens met de heer </para>
      <para>Loudon dat onomstotelijk moet zijn dat tegen deze tariefbesluiten beroep op het </para>
      <para>CBB open staat. Desnoods zal ik dat uitdrukkelijk regelen in artikel 62 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet. Ten slotte gaf de heer Loudon een voorstel voor beroep op </para>
      <para>het CBB in de overgangsperiode, dat wil zeggen totdat de aanwijzing van de </para>
      <para>rechter in de Elektriciteitswet is vastgelegd. Hij gaf een interpretatie van artikel </para>
      <para>62 van de Elektriciteitswet die inhoudt dat dit artikel voorrang heeft op artikel </para>
      <para>8:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Een dergelijke interpretatie betekent </para>
      <para>dat ook thans het CBB de bevoegde rechter zou zijn voor geschillen over </para>
      <para>tariefstructuren en voorwaarden. Ik vind dat een goede suggestie en ben het met </para>
      <para>de heer Loudon eens en naar ik aanneem met de hele Kamer dat beroep op de </para>
      <para>bestuursrechter tegen tariefsstructuren en voorwaarden mogelijk moet zijn en </para>
      <para>ondersteun dan ook de door hem gegeven interpretatie. Ik zal ook bevorderen </para>
      <para>dat die interpretatie wordt volgehouden bij de behandeling van beroepen door </para>
      <para>het CBB, maar het is natuurlijk uiteindelijk het CBB dat een uitspraak over zijn </para>
      <para>bevoegdheid moet doen. Ik verwacht overigens dat het college, gelet op de </para>
      <para>uitspraken van de Kamer en nu ook van mijzelf, zichzelf bevoegd zal verklaren </para>
      <para>om de besluiten tot vaststelling van de tariefstructuren, de tarieven en de </para>
      <para>voorwaarden te behandelen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij Koninklijk Besluit van 20 juli 2000, houdende vaststelling van het tijdstip van </para>
      <para>inwerkingtreding van een aantal artikelen van de Gaswet, Stb. 318) is onder meer bepaald </para>
      <para>dat op 10 augustus 2000 artikel 69, onderdeel O, van de Gaswet (Wet van 22 juni 2000, </para>
      <para>houdende regels omtrent het transport en de levering van gas, Stb. 305) in werking treedt, </para>
      <para>bij welk artikel 82 van de Elektriciteitswet 1998 wordt gewijzigd. Artikel 82 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 luidt sedertdien als volgt:</para>
      <para>"	Artikel 82</para>
      <para>1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit, met uitzondering van een </para>
      <para>besluit als bedoeld in de artikelen 76 en 98 tot en met 101, kan een </para>
      <para>belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het </para>
      <para>bedrijfsleven. Voorzover een besluit, genomen op grond van artikel 27 of 31, </para>
      <para>aangemerkt wordt als algemeen verbindend voorschrift, kan een belang-</para>
      <para>hebbende in afwijking van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</para>
      <para>2. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van artikel 76 is, in </para>
      <para>afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank te </para>
      <para>Rotterdam bevoegd.</para>
      <para>3. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van de artikelen 98 </para>
      <para>tot en met 101 is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht, de rechtbank te Arnhem bevoegd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de nota van wijziging (Tweede Kamer, 1999-2000, 26 463, nr.7) met betrekking tot de </para>
      <para>Gaswet is het navolgende ontleend:</para>
      <para>"	De wijziging in de artikel 43, onderdeel 4 (NB nadien vernummerd tot artikel </para>
      <para>69, onderdeel O, van de Gaswet) vloeit voort uit de behandeling van het </para>
      <para>wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van het </para>
      <para>stellen van nadere regels ten aanzien van netbeheer en de levering van </para>
      <para>elektriciteit aan beschermde afnemers (Kamerstukken II 1998/99, 26 303) in de </para>
      <para>Eerste Kamer. Tijdens die behandeling zegde de Minister van Economische </para>
      <para>Zaken toe bij de eerste gelegenheid in de Elektriciteitswet 1998 de mogelijkheid </para>
      <para>op te nemen om bezwaar en beroep in te stellen tegen de vaststelling van </para>
      <para>tariefstructuren en voorwaarden (Kamerstukken I 1998/99 26 303, nr 225f, blz. </para>
      <para>1-2, en Handelingen I 1999, blz. 1482-1483)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening gaat de president uit van </para>
      <para>de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>2.2.1	Ten aanzien het Besluit Tariefdrager:</para>
      <para>- Bij besluit van 1 juli 1999 (Stcrt. 6 juli 1999, nr 126) heeft de Minister van </para>
      <para>Economische Zaken (voorzover in deze relevant) het navolgende besloten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 1</para>
      <para>1. De tariefdrager voor het transportafhankelijke element van het tarief, bedoeld </para>
      <para>in artikel 25b (thans 29) van de Elektriciteitswet 1998 is:</para>
      <para>a. voor afnemers die elektriciteit invoeden op het extra hoogspanningsnet of het </para>
      <para>hoogspanningsnet en voor afnemers met een opgesteld vermogen van meer dan </para>
      <para>150 MW die elektriciteit invoeden op een net met een lager spanningsniveau: </para>
      <para>kWh;</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 27 juli 1999 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen het besluit van </para>
      <para>1 juli 1999.</para>
      <para>-	Op 12 januari 2000 hebben verzoeksters hun bezwaar mondeling toegelicht.</para>
      <para>-	Bij besluit van 19 mei 2000, ten aanzien van welk besluit thans om een voorlopige </para>
      <para>voorziening wordt gevraagd, heeft verweerder het door verzoeksters ingediende </para>
      <para>bezwaarschrift deels niet-ontvankelijk en deel ongegrond verklaard. In dit besluit staat </para>
      <para>ter motivering van de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar onder meer het </para>
      <para>navolgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Uw bezwaren betreffen het op dit moment reeds vaststellen van een</para>
      <para>tariefdrager voor een producententarief. U bent van mening dat gewacht moet   </para>
      <para>worden tot meer duidelijkheid bestaat over de systematiek die de overige</para>
      <para>Europese Lidstaten zullen gaan hanteren.</para>
      <para>(.)  </para>
      <para>Uw eerste bezwaar kan geen doel treffen. Artikel 25b, derde lid, (thans artikel   </para>
      <para>29, derde lid), van de Elektriciteitswet 1998 schrijft dwingend voor dat de in     </para>
      <para>het eerste lid bedoelde tariefdrager vòòr 1 juli 1999 wordt vastgesteld. Tegen    </para>
      <para>dit wettelijk voorschrift staat geen bezwaar open.</para>
      <para>Bovendien heeft de enkele vaststelling van een tariefdrager op zichzelf nog niet </para>
      <para>de rechtsgevolgen waartegen u zich verzet. Die gevolgen doe zich immers         </para>
      <para>eerst voor nadat door de directeur DTe de Tarievencode en het                          </para>
      <para>producententarief zijn vastgesteld.</para>
      <para>Bezwaren die verband houden met het nettarief en de tariefstructuur dienen tot </para>
      <para>gelding te komen in de door u reeds aangespannen procedures tegen het            </para>
      <para>desbetreffende besluit van de directeur DTe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Argumenten door u ontleend aan de parlementaire behandeling van de               </para>
      <para>Elektriciteitswet gaan niet op. In de eerste plaats omdat de tekst van artikel       </para>
      <para>25b (29) geen nadere interpretatie behoeft en in de tweede plaats om de reden   </para>
      <para>als hiervoor aangegeven, aangezien de door u gebezigde citaten alle betrekking </para>
      <para>hebben op het producententarief en niet op de onderliggende tariefdrager."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.2	Ten aanzien van het besluit tot vaststelling van de Tarievencode:</para>
      <para>-	Op 5 juli 1999 heeft verweerder op grond van artikel 25 juncto artikel 26c (thans </para>
      <para>respectievelijk artikel 27 en 34) van de Elektriciteitswet 1998 van de gezamenlijke </para>
      <para>netbeheerders een voorstel ontvangen met betrekking tot de tariefstructuren. Dit </para>
      <para>voorstel bevat onder meer het artikel 5.4.1.1, dat luidt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Het percentage toegerekende kosten aan de producenten aangesloten op EHS </para>
      <para>en HS wordt op 0% gezet tot het moment waarop de directeur DTe op voorstel </para>
      <para>van de gezamenlijke netbeheerders een hoger percentage, doch niet hoger dan </para>
      <para>25%, heeft vastgesteld vanwege het feit dat invoering van producententarieven </para>
      <para>in het buitenland zodanig heeft plaatsgevonden dat door de invoering van het </para>
      <para>Nederlandse producentarief het "level playing field" niet wordt be‹nvloed."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij dit voorstel is onder meer een artikelsgewijse toelichting gevoegd, waarin met </para>
      <para>betrekking tot de invoering van het transporttarief voor producenten onder meer het </para>
      <para>navolgende staat vermeld:</para>
      <para>"	3.3.2.1</para>
      <para>Voorwaarde voor het invoeren van een transporttarief voor producenten is, dat </para>
      <para>het level playing field voor de Nederlandse producenten t.o.v. van producenten </para>
      <para>in de ons omringende landen niet wordt verstoord. In de huidige situatie wordt </para>
      <para>hieraan nog niet voldaan. Daarom worden de aan producenten toe te rekenen </para>
      <para>transportkosten voorlopig op 0% gezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4.1.1</para>
      <para>In de Tarievencode is vastgelegd dat zowel producenten als verbruikers een </para>
      <para>transporttarief in rekening krijgen gebracht. Voorwaarde voor het invoeren van </para>
      <para>een transporttarief voor producenten is, dat het level playing field voor de </para>
      <para>Nederlandse producenten t.o.v. van producenten in de ons omringende landen </para>
      <para>niet wordt verstoord. In de huidige situatie wordt hieraan nog niet voldaan. </para>
      <para>Daarom worden de aan producenten toe te rekenen transportkosten voorlopig </para>
      <para>op 0% gezet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Aan de Handelingen van de Tweede Kamer (Handelingen II, vergaderjaar 1998-1999, </para>
      <para>Aanhangsel) is het navolgende ontleend:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	1759</para>
      <para>Vragen van de leden Marijnissen en Poppe (beiden SP) aan de minister van </para>
      <para>Economische Zaken over de liberalisering van de elektriciteitsmarkt. </para>
      <para>(Ingezonden 21 juni 1999)</para>
      <para>1</para>
      <para>Is het waar dat Tradis bij de uitwerking van een tariefsysteem voor de </para>
      <para>transportkosten van elektriciteit, rekening houdend met het amendement Crone, </para>
      <para>als uitgangspunt hanteert dat er op geïmporteerde elektriciteit geen heffing </para>
      <para>wordt gelegd?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2</para>
      <para>Ontstaat hierdoor voor de importeurs van buitenlandse elektriciteit een </para>
      <para>concurrentievoordeel in de orde van 0,45 cent/kWh?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3</para>
      <para>Is dit in lijn met de Europese (en Nederlandse) doelstelling om bij de </para>
      <para>liberalisering van de elektriciteitsmarkt een "level playing field" (gelijke </para>
      <para>voorwaarden) te creëren voor alle binnen- en buitenlandse producenten? Zo </para>
      <para>neen, bent u bereid om Tradis op dit punt te corrigeren?</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Antwoord van minister Jorritsma-Lebbink (Economische Zaken). (Ontvangen </para>
      <para>15 juli 1999)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1</para>
      <para>Op basis van de Elektriciteitswet 1998 hebben de aangewezen netbeheerders </para>
      <para>een voorstel voor de tarieven bij de dienst uitvoering en toezicht </para>
      <para>Elektriciteitswet (DTe) ingediend. Rekening houdend met artikel 25c, vierde lid, </para>
      <para>zoals geamendeerd door het lid Crone, wordt door de gezamenlijke </para>
      <para>netbeheerders voorgesteld om ook aan producenten een transporttarief in </para>
      <para>rekening te brengen. Zolang andere lidstaten echter nog geen producententarief </para>
      <para>kennen zal zo'n tarief de concurrentiepositie van de Nederlandse producenten </para>
      <para>aantasten. Naar verwachting zal dan ook de eerste jaren een nultarief worden </para>
      <para>vastgesteld. Intussen wordt gezocht naar een correctiemogelijkheid "aan de </para>
      <para>grens" om dit concurrentienadeel op te heffen. Daarbij moet rekening worden </para>
      <para>gehouden met mogelijke mededingingsrechtelijke effecten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zodra vaststaat dat het concurrentienadeel niet meer bestaat, respectievelijk kan </para>
      <para>worden opgeheven zonder inbreuk te maken op het (inter-)nationale </para>
      <para>mededingingsrecht, zal het transporttarief voor producenten in Nederland </para>
      <para>worden geëffectueerd.</para>
      <para>DTe is momenteel gestart met de procedure ter vaststelling van de </para>
      <para>tariefstructuur, waarvan het transporttarief voor producenten deel uitmaakt. Bij </para>
      <para>de beoordeling en vaststelling van de tariefstructuur zal DTe naar verwachting </para>
      <para>recht doen aan alle belangen die hierbij een rol spelen. Ik wacht de uitkomsten </para>
      <para>van deze procedure af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2</para>
      <para>Nee.</para>
      <para>Zolang een nultarief wordt gehanteerd ontstaat geen concurrentievoordeel voor </para>
      <para>importeurs van buitenlandse elektriciteit, respectievelijk een concurrentienadeel </para>
      <para>voor Nederlandse producenten van elektriciteit. Voor een goede marktwerking </para>
      <para>is het van belang dat wanneer een transporttarief voor producenten wordt </para>
      <para>overeengekomen, het uitgangspunt wordt gehanteerd dat dit tarief de onderlinge </para>
      <para>concurrentiepositie van producenten in de verschillende EU-lidstaten niet mag </para>
      <para>be‹nvloeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3</para>
      <para>De wijze waarop naar verwachting het transporttarief voor producenten door de </para>
      <para>directeur van de DTe wordt vastgesteld, zal in lijn zijn met de doelstelling om </para>
      <para>een level playing field te cre‰ren voor producenten van elektriciteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)"</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	In het kader van de besluitvorming op grond van artikel 36 van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998 heeft, met toepassing van de openbare voorbereidingsprocedure op grond van </para>
      <para>afdeling 3.4 Awb, op 29 juli 1999 een hoorzitting plaatsgevonden waar </para>
      <para>belangstellenden hun zienswijzen naar voren hebben kunnen brengen. </para>
      <para>-	Bij brief van 26 augustus 1999 heeft verweerder de gezamenlijke netbeheerders met </para>
      <para>toepassing van artikel 36, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998, verzocht het door </para>
      <para>hen op 5 juli 1999 ingediende voorstel te wijzigen. In dit verzoek tot wijziging staat </para>
      <para>met betrekking tot de invoering van het transporttarief voor producenten onder meer </para>
      <para>het navolgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De directeur DTe beschouwt het voorstel om het transporttarief voor                </para>
      <para>producenten te baseren op 25% van de desbetreffende netkosten, als de prijs     </para>
      <para>die producenten moeten betalen wanneer zij gebruik maken van de door de       </para>
      <para>netbeheerder verzorgde transportdiensten (van de EHS- en HS-netten naar de    </para>
      <para>marktplaats). De directeur DTe acht het voorgestelde systeem simpel en            </para>
      <para>transparant. Bovendien sluit het aan bij de uitkomsten van het overleg in </para>
      <para>EU-kader (Electricity Regulatory forum), waar in beginsel consensus bestaat    </para>
      <para>dat producenten moeten meebetalen aan de transportdienst. Het percentage       </para>
      <para>van 25% is een ruwe schatting van de daadwerkelijk veroorzaakte kosten die    </para>
      <para>producenten veroorzaken. </para>
      <para>De directeur DTe constateert echter dat het voorstel ligt binnen de                     </para>
      <para>bandbreedte zoals gehanteerd in een aantal landen waar men een                        </para>
      <para>producententarief kent (Noorwegen 50%, Zweden 35%, Verenigd Koninkrijk   </para>
      <para>25%, Finland 10%). Het voorstel van de netbeheerders loopt vooruit op            </para>
      <para>Europese harmonisatie, maar de directeur DTe acht dat feit geen reden om het  </para>
      <para>voorstel niet over te nemen. Wel zal de tariefstructuur moeten worden               </para>
      <para>aangepast wanneer overeenstemming bestaat over harmonisatie en deze             </para>
      <para>aanleiding geeft tot wijziging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De directeur DTe is van oordeel dat invoering van een producententarief </para>
      <para>non-discriminatoir is, aangezien het level playing field op de binnenlandse        </para>
      <para>markt niet wordt verstoord wanneer de transportafhankelijke kosten van het      </para>
      <para>hoogspanningsnet (EHS en HS) voor een deel worden toegerekend aan de         </para>
      <para>producenten. Hiervoor is wel essentieel, dat dit zowel geldt voor de                   </para>
      <para>binnenlandse producenten als voor partijen die via de                                         </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende netten zijn aangesloten op het Nederlandse               </para>
      <para>hoogspanningsnet. Ook deze partijen dienen bij te dragen aan de                        </para>
      <para>transportafhankelijke kosten van het Nederlandse hoogspanningsnet,                </para>
      <para>waaronder die van de aanleg en instandhouding van de netinfrastructuur, het     </para>
      <para>oplossen van transportbeperkingen en de operationele kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het overgangsartikel (artikel 5.4.1.1 van het voorstel) wordt het         </para>
      <para>percentage aan producenten toe te rekenen kosten voorlopig op 0% gesteld tot  </para>
      <para>het moment waarop de directeur DTe op voorstel van de gezamenlijke               </para>
      <para>netbeheerders een hoger percentage (maar niet hoger dan 25%) heeft                 </para>
      <para>vastgesteld. Deze bepaling beoogt, volgens de toelichting daarop, het level        </para>
      <para>playing field voor de Nederlandse producenten ten opzichte van de                    </para>
      <para>producenten in de ons omringende landen niet te verstoren.</para>
      <para>Het voorstel van de netbeheerder om het producententarief uit hoofde van een   </para>
      <para>internationaal level playing field voorlopig op 0% te stellen, betekent feitelijk   </para>
      <para>dat de directeur DTe gevraagd wordt argumenten van industriepolitieke aard     </para>
      <para>te betrekken bij het vaststellen van de Tariefstructuur. Dat is niet in lijn met      </para>
      <para>zijn bevoegdheden en de taken die de wet aan hem oplegt. Daarom dient dit      </para>
      <para>artikel uit het voorstel te worden verwijderd. Bovendien zou het handhaven      </para>
      <para>van artikel 5.4.1.1 van het voorstel er toe leiden dat het principe van                  </para>
      <para>kostenveroorzaking wordt verlaten. Daarbij heeft de directeur DTe mede acht   </para>
      <para>geslagen op het feit, dat artikel 25b, eerste lid, van de E-wet bij amendement is </para>
      <para>gewijzigd na uitvoering overleg met de Tweede Kamer, waarbij juist aan de      </para>
      <para>orde was de positie van producenten die op lagere spanningsniveau's invoeden, </para>
      <para>die van de daarmee gepaard gaande aantoonbare kostenvoordelen zouden          </para>
      <para>moeten profiteren. Deze belangen en overwegingen hebben er juist toe geleid,  </para>
      <para>dat in de E-wet de mogelijkheid is opgenomen om de producenten te laten        </para>
      <para>meebetalen aan het transport. Mede ook om die redenen is in de                         </para>
      <para>uitgangsnotitie dit expliciet benadrukt." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Op 23 september 1999 hebben de gezamenlijke netbeheerders verweerder een, </para>
      <para>conform diens wijzigingsvoorstel, aangepast voorstel doen toekomen.</para>
      <para>-	Bij besluit van 30 september 1999 (Stcrt. 4 oktober 1999, nr 190) heeft verweerder de </para>
      <para>Tarievencode op grond van artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 vastgesteld, </para>
      <para>waarbij (voorzover in deze relevant) het navolgende is besloten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 3.2.2</para>
      <para>  De kosten, welke worden bepaald conform de normen en eisen van de DTe </para>
      <para>worden ingedeeld in twee categorie‰n:</para>
      <para>	-	de transportafhankelijke kosten, zijnde</para>
      <para>	- 	de afschrijvingslasten van de netinfrastructuur;</para>
      <para>	- 	een redelijk rendement op het ge‹nvesteerde vermogen in de </para>
      <para>netinfrastructuur;</para>
      <para>	- 	de kosten van aanleg en instandhouding van de netinfrastructuur</para>
      <para>  	- 	de kosten van inkoop van energie voor de dekking van netverliezen, het    </para>
      <para>oplossen van transportbeperkingen en de handhaving van de spannings- en </para>
      <para>blindvermogenshuishouding;</para>
      <para>	- 	de gecascadeerde kosten van netten op een hoger spanningsniveau;</para>
      <para>	- 	de operationele kosten in verband met het vorenstaande;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3.4.1</para>
      <para>Voor de bepaling van het transport-afhankelijk tarief vindt een toerekening van </para>
      <para>de in 3.2.2, onder a, genoemde kosten plaats tussen producenten enerzijds, </para>
      <para>verbruikers anderzijds, aldus dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a.	aan producenten die zijn aangesloten op een net op EHS-niveau of op een </para>
      <para>net op HS-niveau 25 procent van de som van de transportafhankelijke kosten </para>
      <para>met betrekking tot die netvlakken wordt toegerekend; onder producenten moet </para>
      <para>in dit verband tevens worden verstaan partijen die via de landsgrens </para>
      <para>overschrijdende netten zijn aangesloten op het Nederlandse hoogspanningsnet </para>
      <para>(EHS en HS)</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>b.	aan verbruikers 75 procent van de som van de transport-afhankelijke kosten </para>
      <para>van EHS en HS netten alsmede de transport-afhankelijke kosten met betrekking </para>
      <para>tot de overige netvlakken wordt toegerekend, een en ander volgens het cascade-</para>
      <para>beginsel, bedoeld in 3.6.1 en volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3.5.1</para>
      <para>Voor producenten met produktiemiddelen die zijn aangesloten op een net op </para>
      <para>EHS- of HS-niveau geldt een landelijk uniform producenten transporttarief </para>
      <para>(LUP).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3.5.2</para>
      <para>Het LUP wordt bepaald volgens de breuk</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toegerekende kosten aan producenten EHS+HS</para>
      <para>-----------------------------------------------------</para>
      <para>Totale invoeding op EHS+HS in kWh</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3.5.3</para>
      <para>De tariefdrager voor het LUP is de hoeveelheid op een net ingevoerde energie, </para>
      <para>uitgedrukt in kWh.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3.5.4 </para>
      <para>De netbeheerders van de netten op EHS en HS niveau brengen het LUP </para>
      <para>periodiek in rekening bij de op hun netten aangesloten producenten op basis van </para>
      <para>in hun net werkelijke ingevoede kWh."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 10 november 1999 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen het </para>
      <para>besluit van 30 september 1999.	</para>
      <para>-	Op 23 maart 2000 hebben verzoeksters hun bezwaar mondeling toegelicht.</para>
      <para>-	Bij besluit van 19 juni 2000, ten aanzien van welk besluit thans om een voorlopige </para>
      <para>voorziening wordt gevraagd, heeft verweerder het door verzoeksters ingediende </para>
      <para>bezwaarschrift ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.3	Ten aanzien van het besluit tot vaststelling van het LUP voor het jaar 2000:</para>
      <para>-	Op 6 oktober 1999 heeft verweerder van de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet (TenneT) een voorstel ontvangen met betrekking tot het landelijk </para>
      <para>uniform producenten transporttarief voor het jaar 2000, als bedoeld in paragraaf 3.5 </para>
      <para>van de door de directeur DTe vastgestelde Tarievencode, welk voorstel nadien op </para>
      <para>verzoek van de directeur DTe is aangepast conform diens zienswijze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij besluit van 7 december 1999 (Stcrt. 10 december 1999, nr 239) heeft verweerder </para>
      <para>op grond van artikel IV, derde lid, van de Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet </para>
      <para>1998 het landelijk uniform producenten transporttarief voor het jaar 2000 vastgesteld, </para>
      <para>waarbij (voorzover in deze relevant) het navolgende is besloten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Gelet op het bovenstaande stelt de directeur DTe het LUP-transporttarief, </para>
      <para>berekend bij een afzetvolume van 80 000 GWh op jaarbasis, voor het jaar 2000 </para>
      <para>vast op 0,195 cent per kWh."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 12 januari 2000 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen het besluit </para>
      <para>van 7 december 1999.	</para>
      <para>-	Op 6 juni 2000 hebben verzoeksters hun bezwaar mondeling toegelicht.</para>
      <para>-	Bij besluit van 31 augustus 2000, ten aanzien van welk besluit thans om een </para>
      <para>voorlopige voorziening wordt gevraagd, heeft verweerder het door verzoeksters </para>
      <para>ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.4	Ten aanzien van het besluit tot wijziging van de Tarievencode:</para>
      <para>-	Op 4 augustus 2000 heeft verweerder op grond van artikel 32, tweede lid, van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 de gezamenlijke netbeheerders een voorstel doen toekomen </para>
      <para>met betrekking tot gedeeltelijke wijziging van de Tarievencode.</para>
      <para>-	Onder toepassing van de openbare voorbereidingsprocedure op grond van afdeling </para>
      <para>3.4 Awb, heeft de directeur DTe dit ontwerpbesluit met ingang van 12 augustus 2000 </para>
      <para>voor een periode van vier weken ter inzage gelegd. </para>
      <para>-	Bij besluit van 16 november 2000 (Stcrt. 17 november 2000, nr 224) heeft verweerder </para>
      <para>de Tarievencode op grond van artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 gewijzigd, </para>
      <para>waarbij (voorzover in deze relevant) het navolgende is besloten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 3.4.1</para>
      <para>Voor de bepaling van het transport-afhankelijk tarief vindt een toerekening van </para>
      <para>de in 3.2.2, onder a, genoemde kosten plaats tussen producenten enerzijds, </para>
      <para>verbruikers anderzijds, aldus dat:</para>
      <para>a.	aan producenten die zijn aangesloten op een net op EHS-niveau of op een </para>
      <para>net op HS-niveau 25 procent van de som van de transportafhankelijke kosten </para>
      <para>met betrekking tot die netvlakken wordt toegerekend; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>b.	aan verbruikers 75 procent van de som van de transport-afhankelijke kosten </para>
      <para>van EHS en HS netten alsmede de transport-afhankelijke kosten met betrekking </para>
      <para>tot de overige netvlakken wordt toegerekend, een en ander volgens het cascade-</para>
      <para>beginsel, bedoeld in 3.6.1 en volgende."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit besluit staat onder de rubriek "IV Inhoud besluit" onder meer het navolgende </para>
      <para>vermeld:</para>
      <para>"	Het besluit strekt tot wijziging van de TarievenCode op twee punten. Met de </para>
      <para>wijziging met betrekking tot het LUP wordt beoogd partijen die via de </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende netten elektriciteit invoeren ten behoeve van de </para>
      <para>Nederlandse markt vrij te stellen van het betalen van het LUP.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wijziging van de TarievenCode met betrekking tot het LUP heeft betrekking </para>
      <para>op art. 3.4.1 van de Tarievencode, waarbij het tweede gedeelte onder a. komt te </para>
      <para>vervallen. Op deze wijze wordt onder producenten niet meer begrepen partijen </para>
      <para>die via de landsgrens-overschrijdende netten zijn aagnesloten op het Nederlands </para>
      <para>hoogspanningsnet. De achtergrond van deze wijziging is als volgt. In Europees </para>
      <para>verband zijn in het kader van het zogenaamde Florence-overleg afspraken </para>
      <para>gemaakt om de vrijmaking van de intracommunautaire handel in elektriciteit </para>
      <para>verder te bevorderen. Onderdeel daarvan is een voorlopig systeem om de </para>
      <para>kosten, die de nationale Transmissie- en Systeembeheerders (de TSO's), dienen </para>
      <para>te maken ten behoeve van landsgrensoverschrijdende elektriciteitstromen, nader </para>
      <para>te identificeren, te berekenen en te verrekenen. Daarbij is vastgelegd dat de </para>
      <para>wijze van verrekening naar de nationale gebruikers van de transmissiediensten </para>
      <para>overgelaten wordt aan de nationale autoriteiten en dat dit op een wijze dient te </para>
      <para>geschieden die niet discrimineert tussen gebruikers en de handel niet verstoort. </para>
      <para>Bedoelde afspraken houden tevens in dat de landsgrensoverschrijdende stromen </para>
      <para>niet apart zullen worden belast. Bovendien zullen de afspraken verder worden </para>
      <para>uitgewerkt door de verhouding tussen dat deel van de transmissiekosten dat </para>
      <para>door producenten wordt betaald en dat deel wat door eindverbruikers wordt </para>
      <para>betaald op Europees niveau te harmoniseren. Afgesproken is het voorlopig </para>
      <para>verreken-systeem in werking te doen treden op </para>
      <para>1 oktober 2000 en te laten gelden voor een periode van een jaar. In dat jaar zal </para>
      <para>een permanent systeem worden uitgewerkt voor de kostenverdeling en tarifering </para>
      <para>van de landsgrensoverschrijdende handel in elektriciteit. Ook zullen in die </para>
      <para>periode verdere afspraken worden gemaakt over de harmonisatie van de </para>
      <para>eerdergenoemde verdeling tussen producenten en eindverbruikers. De afspraken </para>
      <para>zijn onderschreven door de Raad van Ministers (energie) van de Europese Unie </para>
      <para>tijdens hun bijeenkomst op 30 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De directeur DTe is van oordeel dat de nationale uitvoering van deze afspraken </para>
      <para>een aanpassing van de TarievenCode vereist door in art. 3.4.1 van de </para>
      <para>TarievenCode eerdergenoemde wijziging aan te brengen. Gevolg daarvan is dat </para>
      <para>vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijziging het LUP niet meer van </para>
      <para>toepassing zal zijn op import van elektriciteit in Nederland. Dat heeft tot gevolg </para>
      <para>dat de totale invoeding van producenten op het EHS en HS net voor wat betreft </para>
      <para>het LUP uitsluitend betrekking heeft op invoeding van producenten in </para>
      <para>Nederland. Gevolg van de wijziging zal enerzijds zijn dat het aantal kWh's in de </para>
      <para>noemer van de formule in art. 3.5.2. kleiner wordt. Anderzijds is te verwachten </para>
      <para>dat het totale bedrag aan toegerekende kosten in de teller van die formule </para>
      <para>eveneens kleiner zal worden. Deze verlaging hangt daarmee samen dat tussen de </para>
      <para>TSO's de kosten en opbrengsten van landgrensoverschrijdende transporten </para>
      <para>worden verrekend op basis van werkelijke transporten en elektriciteitstromen. </para>
      <para>Uit de berekeningen van de TSO's is gebleken dat uit het voorlopige systeem </para>
      <para>voor TenneT een positief saldo resulteert. De voorgenomen wijziging van de </para>
      <para>Tarievencode leidt er dan ook toe dat het niveau van het LUP zal dienen te </para>
      <para>worden aangepast. Conform de daarvoor gemaakt afspraken heeft de directeur </para>
      <para>DTe deze wijzigingen gemeld aan de Europese Commissie. Tijdens de </para>
      <para>bijeenkomst van het Florence-overleg in november 2000, waar de voortgang </para>
      <para>van de desbetreffende afspraken aan de orde was, heeft de Commissie laten </para>
      <para>weten, dat zij de wijze van invoering van de afspraken door de directeur DTe </para>
      <para>niet beschouwt als discriminerend tussen de netgebruikers noch als </para>
      <para>handelsverstorend. Hoewel het beoogde systeem niet, zoals de oorspronkelijke </para>
      <para>bedoeling was, op 1 oktober 2000 in werking is getreden, dient dit in ieder </para>
      <para>geval op grond van de afspraken in Europees verband uiterlijk begin 2001 het </para>
      <para>geval te zijn. De directeur DTe heeft dan ook besloten de voorgenomen </para>
      <para>wijziging van de TarievenCode op 1 januari 2001 in te laten gaan. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De internationale afspraken brengen naar het oordeel van de directeur DTe niet </para>
      <para>met zich mee, dat vrijstelling van de betaling van het LUP ook moet worden </para>
      <para>verleend bij export van elektriciteit, zoals de Produktiebedrijven in de </para>
      <para>voorbereidingsprocedure hebben gesteld. Dit zou er namelijk in bepaalde </para>
      <para>gevallen toe kunnen leiden, dat in het geheel geen producententarief dient te </para>
      <para>worden betaald (afhankelijk van de in het buitenland gekozen constructies). De </para>
      <para>Europese afspraken streken ertoe de producenten in het eigen land te laten </para>
      <para>betalen voor het transport, ongeacht of de elektriciteit bestemd is voor het </para>
      <para>buitenland of niet. Dit heeft mede ten doel ontduiking van het LUP tegen te </para>
      <para>gaan door uit- en weer in te voeren. De directeur DTe is dan ook van oordeel, </para>
      <para>dat door de voorgestelde wijziging de binnenlandse producenten niet worden </para>
      <para>gediscrimineerd en er (anders dan in het jaar 2000) mede als gevolg van deze </para>
      <para>wijziging in het jaar 2001 sprake zal zijn van een Europees level playing field."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 22 december 2000 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen het </para>
      <para>besluit van 16 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.5	Ten aanzien van het besluit tot vaststelling van het LUP voor het jaar 2001:</para>
      <para>-	Op 30 september 2000 heeft verweerder van de netbeheerder van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet (TenneT) een voorstel ontvangen als bedoeld in artikel 40 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998. Dit voorstel heeft betrekking op het LUP-transporttarief, dat </para>
      <para>in het jaar 2001 ten hoogste in rekening mag worden gebracht voor het transport van </para>
      <para>elektriciteit ten behoeve van producenten, die zijn aangesloten op elektriciteitsnetten </para>
      <para>met een spanning van 110 kV en hoger. Dit voorstel is nadien op verzoek van de </para>
      <para>directeur DTe aangepast conform diens zienswijze.</para>
      <para>-	Bij besluit van 13 december 2000 (Stcrt. 19 december 2000, nr 246) heeft verweerder </para>
      <para>op grond van artikel 41 van de Elektriciteitswet 1998 het landelijk uniform </para>
      <para>producenten transporttarief voor het jaar 2001 vastgesteld, waarbij (voorzover in deze </para>
      <para>relevant) het navolgende is besloten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Gelet op het bovenstaande stelt de directeur DTe het LUP-transporttarief voor </para>
      <para>het jaar 2001 vast op 0,27164 cent per kWh (0,12326 Eurocent per kWh)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 22 december 2000 hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen het </para>
      <para>besluit van 7 december 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoeksters</para>
      <para>Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift, gedeeltelijk onder verwijzing naar de in </para>
      <para>voorkomende gevallen ingediende beroepschriften, onder aanvoering van de daartoe </para>
      <para>leidende argumenten in den brede betoogd dat het besluit ten aanzien waarvan thans om een </para>
      <para>voorziening wordt gevraagd niet in stand kan blijven wegens strijdigheid met het </para>
      <para>gemeenschapsrecht c.q. met verschillende artikelen van de Elektriciteitswet 1998, alsmede </para>
      <para>de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. </para>
      <para>In dit verband is aan het verzoekschrift het navolgende ontleend:</para>
      <para>"	Zoals vermeld brengen de netbeheerders tarieven in rekening voor het transport </para>
      <para>van elektriciteit over hun netwerken Hoewel uit de systematiek van het </para>
      <para>cascadestelsel logischerwijs zou voortvloeien dat het tarief uitsluitend bij de </para>
      <para>afnemers van elektriciteit in rekening wordt gebracht, heeft de Tweede Kamer </para>
      <para>bij amendement de mogelijkheid in de E-wet opgenomen dat ook van </para>
      <para>producenten een bijdrage in de transportkosten wordt gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mogelijkheid om een producententarief te heffen werd overigens niet zonder </para>
      <para>slag of stoot in de E-wet opgenomen. Tijdens de parlementaire behandeling van </para>
      <para>de E-wet is door de Minister van Economische Zaken benadrukt dat de </para>
      <para>invoering van een dergelijk tarief niet mocht leiden tot concurrentieverstoring. </para>
      <para>De Minister heeft in antwoord op Kamervragen aangegeven dat de eerste jaren </para>
      <para>een nultarief zou worden gehanteerd teneinde concurrentieverstoring te </para>
      <para>voorkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desalniettemin werd door de directeur DTe in de op basis van artikel 27 E-wet </para>
      <para>vastgestelde TarievenCode opgenomen dat de producenten met een aansluiting </para>
      <para>op EHS- of HS-niveau dienen bij te dragen aan de transportafhankelijke kosten. </para>
      <para>Het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders om het producententarief </para>
      <para>voorlopig op 0% te stellen, werd door de directeur DTe niet aanvaard. Daarbij </para>
      <para>overschreed hij zijn bevoegdheden onder de E-wet, omdat hij niet aangaf en ook </para>
      <para>in het geheel niet duidelijk is welke van de in artikel 36, lid 1 E-wet genoemde </para>
      <para>belangen een dergelijke wijziging noodzakelijk maakte of kan rechtvaardigen. </para>
      <para>(.). Daarbij negeerde hij tevens de toezegging van de Minister om de </para>
      <para>producentenbijdrage op 0% te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers hebben zich om verschillende redenen tegen deze oordelen verzet. </para>
      <para>Zij hebben er bijvoorbeeld op gewezen dat de heffing van een LUP bij import </para>
      <para>mogelijkerwijs onverbindend is vanwege strijd met het Europese recht. Zij </para>
      <para>vreesden daarom dat het LUP bij import uiteindelijk zou komen te vervallen en </para>
      <para>dat zij als enige producenten kosten van het landelijk hoogspanningsnet in </para>
      <para>rekening zouden krijgen gebracht. In dat geval zou de concurrentievervalsing </para>
      <para>die de Minister en de directeur DTe (.) vreesden, toch optreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter voorkoming van misverstand: De mogelijke onverbindendheid van het LUP </para>
      <para>wegens strijd met het Europese recht vloeit niet zozeer voort uit het feit dat van </para>
      <para>gebruikers van het net een bijdrage wordt gevraagd in de kosten daarvan, maar </para>
      <para>veeleer uit het feit dat van binnenlandse producenten met een aansluiting op een </para>
      <para>lager spanningsniveau geen en van buitenlandse producenten met een aansluiting </para>
      <para>op een lager spanningsniveau wel LUP wordt geheven. Daardoor is de heffing </para>
      <para>van het LUP discriminerend en in strijd met het EG-verdrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorspelling van de producenten dat het LUP terzake van importen </para>
      <para>uiteindelijk niet zou blijven bestaan, is - overigens tot hun grote spijt - al snel </para>
      <para>uitgekomen. In het Wijzigingsbesluit heeft de directeur DTe het LUP op </para>
      <para>importen namelijk, wederom met een beroep op in Europees verband gemaakte </para>
      <para>afspraken, afgeschaft. Datgene wat hij eerder "essentieel" noemde om het level </para>
      <para>playing field op de binnenlandse markt niet te verstoren, wordt zonder veel </para>
      <para>omhaal van woorden van de tafel geveegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gevolgen van de DTe-besluiten zijn bovendien in strijd met de </para>
      <para>Elektriciteitsrichtlijn en de E-wet. In de eerste plaats wordt door de directeur </para>
      <para>DTe een onderscheid gemaakt tussen verschillende partijen die overigens </para>
      <para>gewoon in concurrentie met elkaar staan. Die situatie is in strijd met het </para>
      <para>non-discriminatiebeginsel dat is neergelegd in de Elektriciteitsrichtlijn en met </para>
      <para>artikel 29, lid 2 E-wet. Die laatste bepaling maakt het niet mogelijk om, indien </para>
      <para>een producententarief wordt geheven, bepaalde invoeders op het net daarvan uit </para>
      <para>te zonderen. Daarenboven is het uitsluitend heffen van een producententarief </para>
      <para>van een zeer beperkte groep gebruikers van het net in strijd met het belang van </para>
      <para>de ontwikkeling van het handelsverkeer op de elektriciteitsmarkt (artikel 36, lid </para>
      <para>1, sub (c) E-wet) en met het belang van de bevordering van het doelmatig </para>
      <para>handelen van afnemers (artikel 36, lid 1, sub (d) E-wet).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Immers, het LUP leidt tot verhoging van de kosten van Verzoekers. Die hogere </para>
      <para>kosten zullen ongetwijfeld op enigerlei wijze tot uitdrukking komen in de door </para>
      <para>Verzoekers geoffreerde elektriciteitsprijzen. Dit leidt er toe dat elektriciteit van </para>
      <para>andere aanbieders, in binnen- of buitenland, verhoudingsgewijs goedkoper </para>
      <para>wordt. Er ontstaat dus een stimulans om van die andere aanbieders af te nemen. </para>
      <para>Die stimulans is er niet omdat het doelmatiger is van die andere aanbieders af te </para>
      <para>nemen: in Nederland is sprake van overcapaciteit; afname van op grotere </para>
      <para>afstand gevestigde producenten leidt slechts tot het verder onbenut laten van die </para>
      <para>overcapaciteit en transport over grotere afstanden, met als onvermijdelijk </para>
      <para>gevolg een toename van de de transportverliezen. De door de directeur DTe </para>
      <para>ontworpen tariefsystematiek houdt daarmee ten onrechte geen rekening.</para>
      <para>Het verlies van marktaandeel van de LUP-plichtige producenten leidt bovendien </para>
      <para>tot een verhoging van het LUP. Dit omdat dezelfde transportafhankelijke kosten </para>
      <para>over minder kilowatturen moeten worden omgeslagen. Daardoor wordt het </para>
      <para>LUP nog hoger. Het Wijzigingsbesluit heeft </para>
      <para>- zo blijkt uit het LUP-besluit 2001 - al een dergelijk effect. Een gelijksoortig </para>
      <para>effect treedt op als de LUP-plichtige producenten verder marktaandeel </para>
      <para>verliezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Doordat elektriciteit uit het buitenland goedkoper wordt dan de steeds duurder </para>
      <para>wordende in Nederland geproduceerde elektriciteit, zal een toenemende druk op </para>
      <para>de toch al schaarse importcapaciteit ontstaan. Die capaciteit wordt door TenneT </para>
      <para>geveild. Men mag aannemen dat de veiling tot hogere opbrengsten zal leiden als </para>
      <para>de druk op de capaciteit toeneemt. Dergelijke opbrengsten dienen </para>
      <para>overeenkomstig paragraaf 5.6.15.2 van de door de directeur DTe vastgestelde </para>
      <para>NetCode en artikel 31, lid 5 E-wet (na wijziging door de Overgangswet </para>
      <para>elektriciteitsproductiesector) in beginsel te worden aangewend ter opheffing van </para>
      <para>de importbeperkingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De niet op doelmatigheidsoverwegingen gebaseerde prikkels door de </para>
      <para>tariefsystematiek die is ontworpen door de directeur DTE, zorgt uiteindelijk </para>
      <para>voor het ontstaan van elkaar versterkende bewegingen:</para>
      <para>het steeds verder afkalven van de marktpositie van Verzoekers;</para>
      <para> toenemende overcapaciteit in Nederland;</para>
      <para> het daardoor steeds verder stijgen van het LUP;</para>
      <para>het ten gevolge van de hoge prijzen van in Nederland geproduceerde    </para>
      <para>  elektriciteit steeds groter worden van de druk op de importcapaciteit;</para>
      <para> hogere veilingopbrengsten voor TenneT; en</para>
      <para> voortdurende investeringen in de uitbreiding van importcapaciteit.</para>
      <para>Met een goede marktwerking of het bevorderen van doelmatigheid heeft dit </para>
      <para>alles niets van doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens het Florence-overleg van het afgelopen voorjaar was nog geen </para>
      <para>overeenstemming bereikt over de wijze waarop de door de nationale </para>
      <para>netbeheerders aan het fonds te betalen bedragen zouden worden doorberekend </para>
      <para>aan de gebruikers van het net. Duitsland, Frankrijk en Belgi‰ waren van plan om </para>
      <para>exporten hiervoor specifiek te belasten. Andere lidstaten - waaronder Nederland </para>
      <para>- hadden het voornemen om de opbrengsten uit c.q. uitgaven aan het fonds ten </para>
      <para>goede respectievelijk ten laste van de algemene kosten van de netbeheerder te </para>
      <para>laten komen. Op deze wijze - het zogenaamde "socialiseren" - zouden de kosten </para>
      <para>of opbrengsten over alle gebruikers van het net worden omgeslagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit onderwerp stond op de agenda voor het Florence-overleg van 9 en </para>
      <para>10 november 2000. De verwachting was dat de betrokkenen zouden besluiten </para>
      <para>het aan de Lidstaten over te laten om een oplossing te vinden (subsidiariteit). </para>
      <para>Tijdens het overleg in november bleek echter dat de Europese Commissie grote </para>
      <para>bezwaren had tegen een dergelijke gang van zaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vanwege deze bezwaren van de Commissie kon in Florence geen definitieve </para>
      <para>overeenstemming worden bereikt. De Commissie gaf daarop aan dat zij in </para>
      <para>gesprekken met individuele toezichthouders en nationale autoriteiten zou </para>
      <para>trachten tot een oplossing te komen. De Commissie streefde ernaar dat het </para>
      <para>voorziene systeem van betalingen aan en uitkeringen uit het fonds per begin </para>
      <para>2001 alsnog zou worden gerealiseerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitvoerige uiteenzetting over het Florence-overleg is noodzakelijk om aan </para>
      <para>te tonen dat de directeur DTe zich in het Wijzigingsbesluit op in Florence </para>
      <para>gemaakte afspraken beroept die niet gemaakt zijn en die - zouden ze wel </para>
      <para>gemaakt zijn - geen offici‰le status hebben en waarvan het derhalve op zijn </para>
      <para>minst twijfelachtig is of ze op zichzelf richtinggevend voor de DTe mogen zijn. </para>
      <para>Bovendien gaat het om "afspraken" waarvan de inhoud op zijn minst onduidelijk </para>
      <para>is (.) en die op dit moment nog volop ter discussie staan. Dergelijke </para>
      <para>"afspraken" kunnen het Wijzigingsbesluit van de directeur DTe dan ook niet </para>
      <para>dragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovendien zien de in Florence gemaakte afspraken niet op tarieven zoals het </para>
      <para>LUP. Uit hetgeen in Florence is besproken kan geenszins worden afgeleid dat </para>
      <para>het LUP ter zake van importen dient te worden afgeschaft. Het LUP is namelijk </para>
      <para>een vergoeding voor het gebruik van het hoogspanningsnet ter dekking van (een </para>
      <para>deel van) de nationale netkosten. In Florence werd aanvankelijk (.) niet over </para>
      <para>dit soort kosten gesproken, maar over de specifiek aan transit verbonden kosten </para>
      <para>(deze component wordt vaak aangeduid als de zogenaamde "T"). Dergelijke </para>
      <para>kosten vormen slechts een zeer gering deel van de totale netkosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is dan ook geen enkel logisch verband tussen de invoering van een systeem </para>
      <para>zoals men in Florence had willen overeenkomen en de afschaffing van het LUP </para>
      <para>op importen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens het Florence-overleg is wel gesproken over de afschaffing van tarieven </para>
      <para>wegens grensoverschrijding. De afschaffing van dergelijke tarieven is in lijn met </para>
      <para>de opvatting van de Commissie zoals verwoord in een mededeling aan het </para>
      <para>Europees Parlement.</para>
      <para>"Tijdens de vergadering van maart 2000 heeft het proces van Florence een </para>
      <para>principe-akkoord tussen de deelnemers opgeleverd over een voorlopig </para>
      <para>grensoverschrijdend tariferingsmechanisme, hetgeen een belangrijke stap </para>
      <para>voorwaarts betekent. Dit mechanisme zal 1 oktober 2000 voor een periode van </para>
      <para>‚‚n jaar in werking moeten treden en voorzien in onderlinge vergoedingen </para>
      <para>tussen systeemexploitanten. Op deze datum zullen alle bestaande nationale </para>
      <para>invoer- en uitvoerheffingen worden afgeschaft." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het LUP is echter geen invoerheffing maar een betaling voor het gebruik van </para>
      <para>het net. In dit opzicht kan zij worden vergeleken met tolheffing op snelwegen. </para>
      <para>Ook dergelijke heffingen beschouwt men niet als importheffingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zou het LUP ter zake van ge‹mporteerde elektriciteit w‚l als importheffing </para>
      <para>moeten worden gezien, dan zou het LUP ter zake van ge‰xporteerde </para>
      <para>elektriciteit als exportheffing moeten worden beschouwd. Dan had de directeur </para>
      <para>DTe toch ten minste moeten besluiten dat ter zake van ge‰xporteerde </para>
      <para>elektriciteit evenmin een LUP wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De directeur DTe vermeldt in het Wijzigingsbesluit dat hij het oordeel van de </para>
      <para>Europese Commissie heeft gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit oordeel is echter niet neergelegd in enig officieel besluit, genomen op basis </para>
      <para>van een bestaande bevoegdheid van de Europese Commissie, en kan daarom het </para>
      <para>Wijzigingsbesluit niet dragen. Verzoekers hebben zelfs geen inzage gehad in de </para>
      <para>vragen die de directeur DTe aan de Commissie heeft gesteld of in enige </para>
      <para>schriftelijk stuk waarin de Commissie haar opvatting weergeeft. Onder die </para>
      <para>omstandigheden dient aan de verwijzing naar de opvatting van de Europese </para>
      <para>Commissie geen enkele waarde te worden toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Harmonisatie van tarieven heeft nog niet plaatsgevonden en is - voor zover </para>
      <para>Verzoekers bekend - ook niet op korte termijn te verwachten. Zelfs de </para>
      <para>afspraken over de compensatie voor transitkosten zijn - zo geeft de directeur </para>
      <para>DTe in het LUP-besluit 2001 aan - nog niet in werking getreden. Onder die </para>
      <para>omstandigheden kan aan de bezwaren tegen het LUP alleen volledig tegemoet </para>
      <para>worden gekomen door de bijdrage van producenten in de transportafhankelijke </para>
      <para>kosten voorlopig op 0% te stellen. Dat zou dienen te gelden totdat in Europees </para>
      <para>verband (of  ten minste in samenspraak met de buurlanden van Nederland) </para>
      <para>volledige harmonisatie heeft plaatsgevonden. Mocht dit verzoek niet kunnen </para>
      <para>worden gehonoreerd, dan zou ten minste de werking van het Wijzigingsbesluit </para>
      <para>dienen te worden opgeschort. Mede om Europeesrechtelijke bezwaren tegen het </para>
      <para>LUP bij import te ondervangen, zou tegelijkertijd moeten worden bepaald dat, </para>
      <para>op het moment dat een LUP wordt geheven, alle producenten met een </para>
      <para>aansluiting op het net daaraan gelijkelijk dienen bij te dragen, ongeacht het </para>
      <para>niveau van aansluiting."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van de president op 12 maart 2001 is door verzoeksters met betrekking tot de </para>
      <para>bevoegdheid van (de president van) het College om kennis te nemen van de onderhavige </para>
      <para>geschillen, conform de (terzake) overgelegde pleitnota het navolgende betoogd:</para>
      <para>"	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de tariefbesluiten bestond eigenlijk geen twijfel. Dergelijke </para>
      <para>besluiten richten zich op een specifiek omschreven netbeheerder; in ieder geval </para>
      <para>van de besluiten tot vaststelling van het Landelijk Uniform Producententarief </para>
      <para>("LUP") tot TenneT. De LUP-besluiten zijn derhalve niet aan te merken als </para>
      <para>algemeen verbindende voorschriften. Bezwaar en beroep zijn mogelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vgl. TK 1998-1999, 26 303, nr. 7, p. 47. Zie ook EK 1998-1999, 26 303, </para>
      <para>nr. 225c, p. 40. Zie tenslotte EK 1998-1999, 26 303, nr. 225f, p. 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het parlement is discussie geweest over de vatbaarheid van bezwaar en </para>
      <para>beroep van besluiten tot vaststelling van tariefstructuren en voorwaarden. Er </para>
      <para>was discussie over de vraag of dergelijke besluiten moeten worden gezien als </para>
      <para>algemeen verbindende voorschriften. Aanvankelijk was de Minister van oordeel </para>
      <para>dat dit soort besluiten niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Vgl. EK 1998-1999, 26 303, nr. 225c, p. 39.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de loop van het debat werd die visie echter door haar bijgesteld. Het Eerste </para>
      <para>Kamerlid Loudon heeft een interpretatie van de relevante bepaling van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 gegeven waaruit zou voortvloeien dat beroep mogelijk </para>
      <para>zou zijn. De Minister heeft aangegeven die interpretatie te ondersteunen en </para>
      <para>ernaar te zullen streven dat ook uw College een dergelijke interpretatie volgt. </para>
      <para>De Minister gaf aan te verwachten dat het CBB zichzelf bevoegd zou verklaren </para>
      <para>om de besluiten tot vaststelling van de tariefstructuren, de tarieven en de </para>
      <para>voorwaarden te behandelen. Voor zover nodig werd een wetswijziging </para>
      <para>aangekondigd, waarin dit zou worden verduidelijkt. Vanwege de haast om de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 in te voeren, kwam die wetswijziging er pas bij </para>
      <para>inwerkingtreding van de Gaswet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vgl. EK 1998-1999, 26 303, nr. 225f, p. 2 en Handelingen EK 1 juni 1999, </para>
      <para>EK 33, pp.33-1482/1483.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 82 Elektriciteitswet 1998 is bij inwerkingtreding van de Gaswet </para>
      <para>aangepast om buiten twijfel te stellen dat bezwaar en beroep tegen dit soort </para>
      <para>besluiten mogelijk zijn. Die bepaling is - wellicht door de grote haast waarmee </para>
      <para>de energiewetgeving tot stand komt - wat ongelukkig geformuleerd omdat niet </para>
      <para>naar de juiste artikelen wordt verwezen, maar de bedoeling is duidelijk; beroep </para>
      <para>tegen de tariefstructuren is mogelijk, ook indien dit als dit algemeen </para>
      <para>verbindende voorschriften zouden zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aanvankelijke opvatting van de Minister en het Parlement dat de </para>
      <para>tariefstructuren en voorwaarden algemeen verbindende voorschriften zijn en dat </para>
      <para>daarom bezwaar en beroep misschien niet mogelijk zouden zijn, is niet juist. Het </para>
      <para>besluit Tariefdrager en de TarievenCode richten zich namelijk tot de </para>
      <para>netbeheerders. Het gaat hier om een bepaalde, gesloten en bekende groep </para>
      <para>personen. De netbeheerders zijn allen op basis van artikel 10 Elektriciteitswet </para>
      <para>1998 voor tien jaar aangewezen. Daarmee staat vast dat het niet gaat om een </para>
      <para>algemeen verbindend voorschrift. Van een algemeen verbindend voorschrift is </para>
      <para>geen sprake als een besluit "beoogt rechten en verplichtingen in het leven te </para>
      <para>roepen voor een beperkt aantal aanwijsbare natuurlijke of rechtspersonen met </para>
      <para>uitzondering van andere, en niet voor groepen die in hun geheel en in abstracto </para>
      <para>worden aangeduid".</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>Het cao-criterium; zie Voorzitter Afdeling Geschillen 20 december 1971, AB </para>
      <para>1972, 95. Zie ook Pres. CBB 30 september 1997, nr. AWB 97/1139 12500, </para>
      <para>UCB 1997/2, nr. 81  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maar zelfs al zou mogelijk sprake zijn van een algemeen verbindend voorschrift, </para>
      <para>dan nog zou de opvatting van de Minister en het Parlement aanleiding moeten </para>
      <para>zijn om in dit geval bezwaar en beroep tegen het Besluit Tariefdrager en tegen </para>
      <para>de TarievenCode mogelijk te maken. Het was uitdrukkelijk de bedoeling van de </para>
      <para>wetgever om bezwaar en beroep mogelijk te maken. Uit de rechtspraak van Uw </para>
      <para>College en van de Afdeling Bestursrechtspraak blijkt dat met een dergelijke </para>
      <para>bedoeling in het bestuursrecht rekening kan worden gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zie CBB 27 december 1995, nr. 94/0586/098/159, UCB 1995, nr. 73 en </para>
      <para>Afdeling Bestuursrechtspraak RvS 26 juni 2000, AB 2000, 47. Zie ook </para>
      <para>Afdeling Geschillen van Bestuur RvS 6 april 1992, AB 1992, 457 en Vz </para>
      <para>Afdeling Bestursrechtspraak RvS 26 januari 1994, AB 1994, 305.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit geldt temeer nu, na de oorspronkelijke vaststelling van de TarievenCode, </para>
      <para>artikel 82 van de Elektriciteitswet 1998 is aangepast. Op grond van deze </para>
      <para>bepaling is buiten twijfel gesteld dat tegen dit soort besluiten bezwaar en beroep </para>
      <para>openstaat. Indien U zou oordelen dat tegen het besluit Tariefdrager en tegen de </para>
      <para>v¢¢r 10 augustus 2000 vastgestelde TarievenCode geen bezwaar en beroep </para>
      <para>openstaat, dan ontstaat de ongewenste situatie dat tegen dezelfde soort, </para>
      <para>onlosmakelijk verbonden besluiten de ene keer wel en de andere keer geen </para>
      <para>beroep zou openstaan, afhankelijk van de datum waarop het besluit is genomen </para>
      <para>en in weerwil van de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever. Tegen het </para>
      <para>besluit tot wijziging van de TarievenCode zou dan gewoon bezwaar en beroep </para>
      <para>openstaan bij Uw College, maar om de geldigheid van de oorspronkelijke </para>
      <para>TarievenCode aan te vechten zouden Verzoekers naar de burgerlijke rechter </para>
      <para>moeten. Uit rechtspraak van administratieve rechters blijkt dat het ontstaan van </para>
      <para>een dergelijke ongwenste situatie reden kan zijn om beroep bij ‚‚n </para>
      <para>administratieve rechter open te stellen, ook als op het eerste gezicht minder </para>
      <para>voor de hand zou liggen dat die rechter bevoegd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vgl. Afdeling Bestuursrechtspraak RvS 26 juni 2000, AB 2000, 407; </para>
      <para>Afdeling Geschillen van Bestuur RvS 6 april 1992, AB 1992, 457; </para>
      <para>		Afdeling Bestuursrechtspraak RvS 24 juli 1998, AB 1999, 346 en </para>
      <para>		Afdeling Bestuursrechtspraak RvS 18 juni 1998, AB 1998, 425.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kortom, de aangevochten besluiten zijn allen vatbaar voor bezwaar en beroep. </para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Verweerder heeft hetgeen verzoeksters ten gronde hebben aangevoerd gemotiveerd </para>
      <para>bestreden. Aan de schriftelijke reactie op het verzoekschrift om voorlopige voorziening is </para>
      <para>het navolgende ontleend:</para>
      <para>"	De aanleiding van verzoeksters om een voorlopige voorziening te vragen is </para>
      <para>gelegen in de afschaffing van het LUP op import in het Wijzigingsbesluit. Het </para>
      <para>gevolg hiervan - aldus verzoeksters - is dat vrijwel alleen verzoeksters het aan </para>
      <para>producenten toegerekende deel van de kosten van het landelijk </para>
      <para>hoogspanningsnet in rekening gebracht krijgen. Terwijl alle andere producenten </para>
      <para>(verzoeksters doelen met name op de producenten die invoeden op het niveau </para>
      <para>middenspanning (MS) of lager) en importeurs gratis gebruik zouden maken van </para>
      <para>het Nederlandse net. Dit leidt tot een aanzienlijke stijging van het LUP met </para>
      <para>ongeveer 40%. Volgens verzoeksters komt dit neer op een absolute verhoging </para>
      <para>van ongeveer NLG 40 miljoen per jaar. Naast deze verhoging van de </para>
      <para>transportkosten verwachten verzoeksters marktaandeel te zullen verliezen, als </para>
      <para>zij deze extra kosten in hun tarieven tot uitdrukking zullen laten komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster stellen dat de gevolgen van die besluiten niet zijn terug te draaien, </para>
      <para>indien de aangevochten besluiten uiteindelijk worden vernietigd. Bij het </para>
      <para>buitenwerking stellen van de gehele LUP door een vernietiging van de </para>
      <para>Tarievencode zullen de door het LUP gedekte kosten met terugwerkende kracht </para>
      <para>moeten worden verhaald op de verbruikers van elektriciteit. Bij het op een later </para>
      <para>tijdstip buitenwerking stellen van het Wijzigingsbesluit en het LUP-besluit 2001 </para>
      <para>zal met terugwerkende kracht alsnog een LUP moeten worden geheven terzake </para>
      <para>van importen van elektriciteit. Dit alles - aldus verzoeksters - is misschien niet </para>
      <para>onmogelijk, maar wel buitengewoon gecompliceerd en leidt naar de </para>
      <para>verwachting van verzoeksters tot chaotische situaties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De directeur DTe deelt deze laatste opvatting niet. Een onverhoopte </para>
      <para>vernietiging van een of meer van de vijf in deze procedures bestreden besluiten </para>
      <para>leidt naar zijn oordeel niet tot onomkeerbare situaties. Alle gevolgen van </para>
      <para>zodanige vernietigingen lossen zich op in schadevergoeding (zo er al sprake is </para>
      <para>van geleden schade: zie hierna). Op grond van de door verzoeksters </para>
      <para>aangevoerde argumenten is de directeur DTe er niet van overtuigd dat niet ten </para>
      <para>aanzien van ieder van de vijf bestreden besluiten de bodemprocedure zou </para>
      <para>kunnen worden afgewacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>DTe gaat ervan uit dat verzoeksters het LUP waarschijnlijk inmiddels in de </para>
      <para>elektriciteitstarieven hebben versleuteld. Daarmee zijn de transportkosten reeds </para>
      <para>feitelijk gedragen door de verbruikers. Zelfs al zou de Tarievencode of het </para>
      <para>Wijzigingsbesluit op dit punt worden vernietigd, dan nog zullen verzoeksters in </para>
      <para>zoverre geen schade blijken te hebben geleden. Het is denkbaar dat achteraf zal </para>
      <para>blijken dat sommige verbruikers een te groot deel van de transportkosten </para>
      <para>toegerekend hebben gekregen. Echter, of en zo ja op welke wijze deze kosten </para>
      <para>tussen verbruikers moeten worden verrekend, doet in dit kader niets toe of af </para>
      <para>aan het spoedeisend belang van verzoeksters en is in zoverre irrelevant. De </para>
      <para>stelling van verzoeksters als zou het LUP alsnog achteraf geheven moeten </para>
      <para>worden bij verbruikers berust in ieder geval op een misvatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het enige belang dat aldus resteert is de vrees om marktaandeel te verliezen als </para>
      <para>gevolg van het feit dat verzoeksters de (hogere) LUP in hun tarieven moeten </para>
      <para>doorberekenen. Nog daargelaten het feit dat verzoeksters in hun verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening hiertoe met slechts zeer algemene opmerkingen maken, </para>
      <para>merkt de directeur DTe op dat deze vrees ook niet aannemelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de onderlinge concurrentie tussen Nederlandse producenten en buitenlandse </para>
      <para>importstroom wordt de minder gunstige concurrentiepositie van de Nederlandse </para>
      <para>producenten met name veroorzaakt door de aanzienlijk lagere productiekosten </para>
      <para>van de ge‹mporteerde elektriciteit. Om een voorbeeld te geven: de prijs van</para>
      <para>- bijvoorbeeld - Duitse elektriciteit bedraagt ca. 5 … 5,5 cent per kWh tegen ca. </para>
      <para>7 cent per kWh voor in Nederland opgewekte elektriciteit. Het moge duidelijk </para>
      <para>zijn dat een LUP van 0,27164 cent per kWh (vgl. het LUP-besluit 2001) slechts </para>
      <para>zeer beperkt van invloed is op de concurrentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeksters dienen voorts niet ontvankelijk te worden verklaard in hun </para>
      <para>verzoek om voorlopige voorziening tegen het LUP-besluit 2000, althans dient </para>
      <para>dit verzoek te worden afgewezen. In het LUP-besluit 2000 beperkt de directeur </para>
      <para>DTe zich tot het vaststellen van een LUP voor het kalenderjaar 2000. Dit tarief </para>
      <para>is op dit moment (eind januari 2001) niet langer van kracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeksters zijn van mening dat het LUP voorlopig op 0% dient te worden </para>
      <para>gesteld. De directeur DTe is van mening dat dit in strijd is met het </para>
      <para>kostenveroorzakingsprincipe en met artikel 29 van de Ewet '98, De directeur </para>
      <para>DTe wijst in dat verband op de wetgeschiedenis, in het bijzonder dat het </para>
      <para>invoeren van een producententarief via amendement in de Ewet '98 is </para>
      <para>opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(.)</para>
      <para>In de visie van de wetgever is het transportnetwerk er niet alleen ten behoeve </para>
      <para>van de verbruiker, maar ook ten behoeve van de elektriciteitsproducenten. Het </para>
      <para>transportnetwerk stelt de producenten immers in staat om de door hen </para>
      <para>opgewekte elektriciteit te transporteren naar de marktplaats. Zoals gezegd </para>
      <para>schrijft artikel 29 Ewet '98 uitdrukkelijk voor dat de transportkosten deels </para>
      <para>worden toegerekend aan de producenten. Door het LUP op 0% stellen zou </para>
      <para>artikel 29 Ewet '98 feitelijk buiten werking worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De invoering van een producententarief sluit bovendien aan bij de uitkomsten </para>
      <para>van het Florence-overleg. In dat kader bestaat overeenstemming over het feit </para>
      <para>dat de lidstaten bij het vaststellen van de nationale transporttarieven het </para>
      <para>kostenveroorzakingsbeginsel in acht zullen nemen. Dit is neergelegd in het </para>
      <para>"Report on the harmonisation of the split of charges to access the essential </para>
      <para>transport facilities between generators and load"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovendien bestaat er in het kader van het Florence-overleg overeenstemming </para>
      <para>over het feit dat een G charge (of LUP) van 25% van de totale transportkosten </para>
      <para>verenigbaar is met het kostenveroorzakingsprincipe. In het zojuist aangehaalde </para>
      <para>rapport (paragraaf 6) wordt het navolgende voorstel geformuleerd voor de </para>
      <para>harmonisatie van de verdeling van het transporttarief over producenten en </para>
      <para>verbruikers:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Network infrastructure cost (.) should  be recovered in a fair and </para>
      <para>least-distortive way. On te assumption that generation is more sensitive </para>
      <para>than load to differences in transmission charges, the most economically </para>
      <para>efficient way would be to recover all such costs through a charge on load. </para>
      <para>However, since the transmission network provides electricity transport </para>
      <para>services for the joint benifit of generators and load, it may [be] considered </para>
      <para>fairer to allocate to generators more of the infrastructure costs than what </para>
      <para>would be implied by the extra revenues associated with losses and </para>
      <para>congestion charge. In this case, moves to harmonisation may be pursued </para>
      <para>on the basis that generators pay a share of total network infrastructure </para>
      <para>which does nog exceed 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de bezwaren betreffende het level playing field merkt de </para>
      <para>directeur DTe op dat in 2000 de invoering van een LUP niet tot een verstoring </para>
      <para>van het level playing field op binnenlandse markt leidde, aangezien op dat </para>
      <para>moment in de Tarievencode was bepaald dat onder producenten in dit verband </para>
      <para>tevens moet worden verstaan de partijen die via de landsoverschrijdende netten </para>
      <para>zijn aangesloten op het Nederlandse hoogspanningsnet (vgl. artikel 3.4.1 sub a </para>
      <para>Tarievencode). Ook op de import van elektriciteit moest derhalve een LUP </para>
      <para>worden betaald. De afschaffing van het LUP op import per 1 januari 2001 leidt </para>
      <para>niet tot een aantasting van het level playing field, aangezien deze wijziging van </para>
      <para>de tariefstructuur strekt tot implementatie van de in Europees verband gemaakte </para>
      <para>afspraken over de harmonisatie van de tariefstructuren in de verschillende </para>
      <para>lidstaten. Een en ander wordt hieronder nader toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wijziging van de Tarievencode met betrekking tot het LUP heeft betrekking </para>
      <para>op artikel 3.4.1 van de Tarievencode, waarbij het tweede gedeelte onder a. </para>
      <para>komt te vervallen. Hierdoor wijze wordt onder producenten niet meer begrepen </para>
      <para>partijen die via de landgrensoverschrijdende netten zijn aangesloten op het </para>
      <para>Nederlandse hoogspanningsnet. Deze wijziging is ingegeven door gemaakte </para>
      <para>afspraken in het kader van het zogenaamde Florence-overleg afspraken (zie </para>
      <para>hierboven).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderdeel van die afspraken is om bij de vaststelling van de nationale </para>
      <para>tariefstructuren en tarieven het kostenveroorzakingsprincipe tot uitgangspunt te </para>
      <para>nemen. Dit betekent dat de kosten in rekening gebracht worden op de plaats </para>
      <para>waar zij worden veroorzaakt. Voor een Nederlandse Producent is dat in </para>
      <para>Nederland. Voor een buitenlandse producent is dat in zijn eigen lidstaat. De </para>
      <para>harmonisatie van de verschillende tariefstructuren zal ertoe leiden dat </para>
      <para>producenten alleen nog meebetalen aan de kosten van het transportnetwerk in </para>
      <para>de eigen lidstaat. Daarbij maakt het geen verschil of het gaat om elektriciteit die </para>
      <para>wordt geleverd aan een binnenlandse of buitenlandse verbruiker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De directeur DTe is van oordeel dat de nationale uitvoering van deze afspraken </para>
      <para>een aanpassing van de Tarievencode vereist door in artikel 3.4.1 van de </para>
      <para>Tarievencode eerder genoemde wijziging aan te brengen. Gevolg daarvan is dat </para>
      <para>vanaf het moment van inwerkintreding van de wijziging het LUP niet meer van </para>
      <para>toepassing zal zijn op import van elektriciteit Nederland. Dat heeft tot gevolg </para>
      <para>dat de totale invoeding van producenten op het EHS- en HS-net voor wat </para>
      <para>betreft het LUP uitsluitend betrekking heeft op de invoeding van producenten in </para>
      <para>Nederland. Gevolg van de wijziging zal enerzijds zijn dat het aantal kWh's in de </para>
      <para>noemer van de formule in artikel 3.5.2 kleiner wordt. Anderzijds is te </para>
      <para>verwachten dat het totale bedrag aan toegerekende kosten in de teller van die </para>
      <para>formule eveneens kleiner zal worden. Deze verlaging hangt daarmee samen dat </para>
      <para>tussen de netwerkbeheerders de kosten en opbrengsten van landsgrens-</para>
      <para>overschrijdende transporten worden verrekend op basis van werkelijke </para>
      <para>transporten en elektriciteitsstromen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit is een uitvloeisel van andere afspraken die in het kader van het Florence-</para>
      <para>overleg zijn gemaakt. Deze afspraken hebben betrekking op de invoering van </para>
      <para>een voorlopig systeem om de kosten, die de nationale Transmissie en </para>
      <para>systeembeheerders (de TSO's) dienen te maken ten behoeve van </para>
      <para>landsgrensoverschrijdende elektriciteitsstromen, nader te identificeren, te </para>
      <para>berekenen en te verrekenen. Daarbij is vastgelegd dat de wijze van verrekening </para>
      <para>naar de nationale gebruikers van de transmissiediensten overgelaten wordt aan </para>
      <para>de nationale autoriteiten en dat dit op een wijze dient te geschieden die niet </para>
      <para>discrimineert tussen gebruikers en de handel niet verstoort. Bedoelde afspraken </para>
      <para>houden tevens in dat de landsgrensoverschrijdende stromen niet apart zullen </para>
      <para>worden beleast. Deze afspraken zijn onderschreven door de raad van Ministers </para>
      <para>(energie) van de Europese Unie tijdens een bijeenkomst op 30 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conform de daarvoor gemaakte afspraak heeft de directeur DTe deze </para>
      <para>wijzigingen gemeld aan de Europese Commissie (bij brief van 4 augustus </para>
      <para>2000.nr.0049586). Tijdens de bijeenkomst van het Florence-overleg in </para>
      <para>november 2000, waar de voortgang van de desbetreffende afspraken aan de </para>
      <para>orde was, heeft de commissie laten weten, dat zij de wijze van invoering van de </para>
      <para>afspraken door de directeur DTe niet beschouwd als discriminerend tussen de </para>
      <para>netgebruikers noch als handelsverstorend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel het verrekensysteem niet, zoals de oorspronkelijke bedoeling was, op </para>
      <para>1 oktober in werking is getreden, dient dit in ieder geval op grond van de </para>
      <para>afspraken in Europees verband uiterlijk begin 2001 het geval te zijn. In de </para>
      <para>transporttarieven voor 2001 zijn de verwachte opbrengsten uit het </para>
      <para>verrekensysteem nog niet verdisconteerd. Zodra de omvang van deze </para>
      <para>opbrengsten bekend is, zal de directeur DTe ofwel besluiten tot een aanpassing </para>
      <para>van het LUP in 2001, dan wel die opbrengsten verdisconteren bij de vaststelling </para>
      <para>van de transporttarieven voor 2002. Uit de berekeningen van de TSO's is </para>
      <para>gebleken dat uit het voorlopige verrekensysteem voor TenneT een positief saldo </para>
      <para>resulteert van naar schatting NLG 11 miljoen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van de president op 12 maart 2001 is door verweerder met betrekking tot de </para>
      <para>bevoegdheid van (de president van) het College om kennis te nemen van de onderhavige </para>
      <para>geschillen, conform de (terzake) overgelegde pleitnota en onder verwijzing naar een bij deze </para>
      <para>pleitnota behorende bijlage (betreffende in hoofdzaak een weergave van de parlementaire </para>
      <para>behandeling van de wijziging van de Elektriciteitswet 1998) het navolgende betoogd:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Het Besluit Tariefdrager is een besluit op grond van artikel 29, derde lid, E-wet. </para>
      <para>Dit artikel geeft de Minister de verplichting de tariefdrager voor het transport </para>
      <para>onafhankelijke elementen van het tarief als bedoeld in het eerste lid vast te </para>
      <para>stellen. Omdat het op zichzelf niet van belang is of een besluit is aan te merken </para>
      <para>als een beschikking of een besluit van algemene strekking (bas) is relevant de </para>
      <para>vraag of het Besluit Tariefdrager is te beschouwen als een algemeen verbindend </para>
      <para>voorschrift.</para>
      <para>Gangbare elementen van een algemeen verbindend voorschrift zijn:</para>
      <para>	het moet gaan om een regeling die een overheidsorgaan heeft uitgevaardigd </para>
      <para>krachtens een wetgevende bevoegdheid</para>
      <para>	het moet gaan om een regeling waarin algemene regels zijn opgenomen met </para>
      <para>rechtsnormen</para>
      <para>	de regeling moet externe werking hebben</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>		Zie:</para>
      <para>Van Wijk/Konijnenbelt en van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, </para>
      <para>elfde druk, õ 6.64.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door het gebruik van de bewoordingen "stelt vast" in het derde lid van artikel </para>
      <para>29 E-wet is in ieder geval aan het eerste vereiste niet voldaan. Verder kan men </para>
      <para>zich de vraag stellen of een tariefdrager moet worden beschouwd als een </para>
      <para>algemene regel met rechtsnormen. Daarom lijkt het besluit Tariefdrager op </para>
      <para>zichzelf een bas te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het LUP-besluit 2000 en het LUP-besluit 2001 vinden hun grondslag in </para>
      <para>repectievelijk artikel IV tot wijziging van de E-wet (wet van 3 juni 1999, Stb. </para>
      <para>261) en artikel 41 E-wet. Tariefbesluiten zijn als regel aan te merken als </para>
      <para>beschikkingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Problematischer is het rechtskarakter van de Tarievencode en het besluit tot </para>
      <para>wijziging daarvan, het Wijzigingsbesluit. Deze besluiten vinden hun grondslag in </para>
      <para>de artikelen 27 en 31 E-wet, waar wordt gesproken over "tariefstructuren". </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit deze bijlage blijkt dat de vraag of tariefstructuren als bedoeld in artikelen 27 </para>
      <para>en 36 E-wet - en daarmee de Tarievencode -  zijn aan te merken als een avv of </para>
      <para>een bas voorwerp van uitvoerig debat zijn geweest. Duidelijk is dat de Minister </para>
      <para>op zichzelf (uiteindelijk) het standpunt heeft ingenomen dat er, naar haar </para>
      <para>oordeel, sprake is van een avv. Anderzijds heeft de Minister ook steeds </para>
      <para>aangegeven dat de rechter hierover het laatste woord heeft. Evident is wel dat </para>
      <para>de wetgever - aanvankelijk leden van de Tweede Kamer en een meerderheid in </para>
      <para>de Eerste Kamer, maar, met de wet van 22 juni 2000, ook de wetgever - het in </para>
      <para>ieder geval wenselijk en noodzakelijk heeft gevonden om beroep tegen besluiten </para>
      <para>als de Tarievencode open te stellen. De huidige wetstekst vormt de resultante </para>
      <para>van dit proces: voor zover een besluit, genomen op grond van artikel 27 of 31, </para>
      <para>aangemerkt wordt als een algemeen verbindend voorschrift kan beroep worden </para>
      <para>ingesteld bij het College. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat een dergelijk </para>
      <para>besluit een bas kan zijn, maar dat het zekere voor het onzekere is genomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De directeur DTe gaat er van uit dat de Tarievencode een bas is. De directeur </para>
      <para>DTe heeft geen wetgevende bevoegdheden uitgeoefend. Het feit dat de </para>
      <para>gezamenlijke netbeheerders een voorstel doen, is een wel heel bijzondere wijze </para>
      <para>van voorbereiding van de uitoefening van een verregaande bevoegdheid. Voorts </para>
      <para>kunnen vraagtekens worden gezet bij de vraag of de Tarievencode ook </para>
      <para>rechtsnormen bevat. Rechtsnormen zijn immers niet hetzelfde als "gericht op </para>
      <para>rechtsgevolg".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarmee ontstaat een dilemma. Zou de president (en het College) van oordeel </para>
      <para>zijn dat de Tarievencode moet worden aangemerkt als een avv dan zou het </para>
      <para>College bevoegdheid ontberen voor de Tarievencode, maar gelet op de </para>
      <para>wijziging van artikel 82, eerste lid, E-wet die bevoegdheid wel hebben ten </para>
      <para>aanzien van het Wijzigingsbesluit. Dat zou leiden tot een chaotische - en door </para>
      <para>de wetgever in ieder geval niet gewilde - situatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>		In dezelfde richting gaat:</para>
      <para>CBB 28 februari 2001, Awb 99/212 (overgangsrecht Wet OPTA en </para>
      <para>Telecommunicatiewet)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitkomst zou mogelijk kunnen bieden de hantering van het zogenaamde </para>
      <para>strategisch beschikkingenbegrip. Dit is een leerstuk dat ontwikkeld is door </para>
      <para>Konijnenbelt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>		Zie:</para>
      <para>		Van Wijk/Konijnenbelt en van Male, t.a.p., õ 6.44.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedachtegang is dat de in de Awb gegeven definities van de begrippen </para>
      <para>beschikking, bas en avv algemeen zijn en dat de rechter de mogelijkheid moet </para>
      <para>hebben om hiermee in zekere zin creatief om te gaan. Aan de hand van de vraag </para>
      <para>of rechtsbescherming al dan niet is geboden, wordt gekomen tot een verlegging </para>
      <para>of inperking van de grenzen van dergelijke begrippen. Nu onomstotelijk </para>
      <para>vaststaat dat het de uitdrukkelijke wens is geweest van (aanvankelijk) de Eerste </para>
      <para>Kamer en uiteindelijk de wetgever dat dit soort besluiten voor beroep vatbaar </para>
      <para>zijn, kan aan de hand van het leerstuk van het strategisch beschikkingsbegrip </para>
      <para>worden gekomen tot de conclusie dat het bij de Tarievencode (en daarom ook </para>
      <para>bij het Wijzigingsbesluit) om een bas gaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij is ook nog het volgende van belang. Bij het College zijn op dit moment </para>
      <para>zeer omvangrijke beroepszaken aanhangig tegen de Tarievencode en de </para>
      <para>Technische Code. Het gaat daarbij om besluiten die dateren van voor </para>
      <para>10 augustus 2000. Deze codes worden door vele partijen op allerlei punten </para>
      <para>aangevallen. De door uw College te geven uitspraken zullen richtinggevend zijn </para>
      <para>voor een belangrijk aantal vragen waarmee de elektriciteitsmarkt op dit moment </para>
      <para>kampt. Beantwoording van die vragen is van groot belang voor die sector en het </para>
      <para>zou te betreuren zijn wanneer die vragen niet binnen afzienbare tijd tot een </para>
      <para>antwoord zouden leiden. Uit de procedures tegen de Tarievencode en de </para>
      <para>Technische Code blijkt van grote belangen tegenstellingen tussen partijen. </para>
      <para>Indien het CBB zich niet bevoegd zou achten, heeft dit mogelijk vele </para>
      <para>procedures tot gevolg voor verschillende civiele rechters, waarbij steeds een of </para>
      <para>enkele belangen ter toetsing zullen voorliggen en er een groot risico van </para>
      <para>tegenstrijdige uitspraken bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten overvloede zij nog opgemerkt dat wanneer de Tarievencode zou moeten </para>
      <para>beschouwd als een algemeen verbindend voorschrift de rechtmatigheid daarvan </para>
      <para>indirect, via de exceptieve toetsing, bij de beoordeling van het LUP-besluit 2001 </para>
      <para>aan de orde zou (kunnen) komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bevoegdheid van de President</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 82 E-wet is de bevoegdheid van de President </para>
      <para>terzake van het Besluit Tariefdrager en de beide LUP-besluiten gegeven. </para>
      <para>Datzelfde geldt voor het Wijzigingsbesluit, nu de tweede volzin van artikel 82 </para>
      <para>E-wet uitdrukkelijk beroep openstelt tegen besluiten op grond van artikel </para>
      <para>27 E-wet. Daarbij is niet van belang of de Tarievencode een avv of een bas is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel problematisch is de Tarievencode, indien de President van oordeel zou zijn </para>
      <para>dat de Tarievencode als een avv moet worden aangemerkt. Het besluit tot </para>
      <para>vaststelling van de Tarievencode dateert van 30 september 1999. Op dat </para>
      <para>moment was de wijziging van artikel 82 E-wet nog niet in werking getreden. </para>
      <para>Daarom bestond er evenmin de mogelijkheid tot het indienen van een </para>
      <para>beroepschrift en - zo zou de consequente redenering dan moeten zijn - kon </para>
      <para>tegen de Tarievencode geen bezwaarschrift worden ingediend. De beslissing op </para>
      <para>het bezwaar is van 19 juni 2000. Weliswaar is een beslissing op bezwaar ook </para>
      <para>een besluit, maar ook dit besluit dateert van voor 10 augustus 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wet van 22 juni 2000, Stb. 305 bevat geen overgangsrecht. Wanneer de </para>
      <para>achterliggende gedachtegang van de wetgever zou worden gevolgd, zou wel </para>
      <para>kunnen worden betoogd dat aan de inwerkingtreding van deze wet feitelijk </para>
      <para>terugwerkende kracht moet worden verleend.</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet </para>
      <para>bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op een ingediend </para>
      <para>bezwaarschrift dan wel indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, de </para>
      <para>president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde </para>
      <para>spoed, gelet op de betrokken belangen, dit vereist. </para>
      <para>Alleen indien het College bevoegd is of zal worden om van een geschil kennis te nemen, ligt </para>
      <para>het treffen van een voorlopige voorziening binnen het bereik van de president. Met </para>
      <para>betrekking tot de onderhavige verzoeken om een voorlopige voorziening ziet de president </para>
      <para>zich met name geconfronteerd met de vraag wat de consequentie is van de omstandigheid </para>
      <para>dat de besluiten in primo in de onderhavige zaken eventueel moeten worden aangemerkt als </para>
      <para>algemeen verbindende voorschriften.</para>
      <para>In afwijking van artikel 8:2 Awb juncto artikel 18, vierde lid, van de Wet bestuurs-</para>
      <para>rechtspraak bedrijfsorganisatie (Wbb), is op grond van het huidige artikel 82, eerste lid, van </para>
      <para>de Elektriciteitswet 1998 bij het College de mogelijkheid geopend van beroep tegen </para>
      <para>bepaalde categorie‰n van algemeen verbindende voorschriften genomen op basis van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 82, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 wordt wat betreft besluiten genomen </para>
      <para>op grond van artikel 27 en 31 van de Elektriciteitswet 1998 bepaald dat ook indien deze </para>
      <para>besluiten algemeen verbindende voorschriften inhouden in afwijking van artikel 8:2 Awb </para>
      <para>beroep kan worden ingesteld bij het College. Nog afgezien van de omstandigheid dat voor </para>
      <para>het College artikel 8:2 Awb van toepassing is via artikel 18, vierde lid, Wbb constateert de </para>
      <para>president dat op grond van artikel 27 en 31 van de Elektriciteitswet 1998 geen besluiten </para>
      <para>worden genomen maar dat deze wetsbepalingen slechts betrekking hebben op </para>
      <para>voorbereidingshandelingen voor besluiten, te weten respectievelijk het voorstel van de </para>
      <para>gezamenlijke netbeheerders met betrekking tot de tariefstructuren en het voorstel van de </para>
      <para>gezamenlijke netbeheerders met betrekking tot de voorwaarden. (Eventuele) besluiten naar </para>
      <para>aanleiding van deze voorstellen worden eerst genomen op grond van artikel 36 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet door de directeur DTe. </para>
      <para>De president constateert voorts dat in het huidige artikel 82, eerste lid, van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 niet is voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen tariefbesluiten </para>
      <para>op grond van artikel 41 van de Elektriciteitswet 1998, voorzover deze zijn aan te merken </para>
      <para>als algemeen verbindende voorschriften.</para>
      <para>De president concludeert gelet op het bovenstaande dat de letterlijke tekst van de wijziging </para>
      <para>van artikel 82, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 de mogelijkheid van beroep bij het </para>
      <para>College tegen algemeen verbindende voorschriften, genomen op basis van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998, uitsluit, waardoor de wijziging zonder inhoud zou zijn. Naar het </para>
      <para>oordeel van de president zou het aanbeveling verdienen op zo kort mogelijke termijn door </para>
      <para>middel van een wetswijziging aan de bevoegdheid van het College, zoals die door de </para>
      <para>wetgever verkieslijk wordt geacht, duidelijker gestalte te geven. </para>
      <para>Uit de nota van wijziging (Tweede Kamer, 1999-2000, 26 463, nr.7) met betrekking tot het </para>
      <para>wetsontwerp voor de Gaswet, waarbij artikel 82, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 in </para>
      <para>bovenbedoelde zin is gewijzigd, blijkt volgens de president onmiskenbaar dat de wetgever </para>
      <para>met laatstgenoemde wijziging in ieder geval met ingang van 10 augustus 2000 de </para>
      <para>mogelijkheid heeft willen introduceren van bezwaar en beroep (bij het College) tegen de </para>
      <para>vaststelling van tariefstructuren en voorwaarden, zijnde besluiten op grond van artikel 36 </para>
      <para>van de Elektriciteitswet 1998, zodat naar voorlopig oordeel van de president dergelijke </para>
      <para>besluiten van na laatstgenoemde datum appellabel moeten worden geacht.</para>
      <para>Met betrekking tot dergelijke besluiten van v¢¢r 10 augustus 2000 kan evenwel naar </para>
      <para>voorlopig oordeel van de president uit de parlementaire behandeling van de wijziging van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling </para>
      <para>heeft gehad om (met terugwerkende kracht) reeds vanaf het moment van inwerkingtreding </para>
      <para>van de Elektriciteitswet 1998 bezwaar en beroep (bij het College) mogelijk te maken tegen </para>
      <para>de vaststelling van de tariefstructuren en voorwaarden. De Minister zegt immers eerst </para>
      <para>tijdens de behandeling van de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 door de Eerste Kamer </para>
      <para>toe de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen dergelijke algemeen verbindende </para>
      <para>voorschriften te zullen bevorderen. Tijdens de behandeling door de Tweede Kamer heeft </para>
      <para>kamerbrede steun hiervoor nog ontbroken, getuige de geschiedenis met betrekking tot het </para>
      <para>amendement nr. 48 dat door Van den Akker was ingediend, welk amendement de Minister </para>
      <para>toen heeft ontraden omdat dit het bestaande systeem van rechtsbescherming zou </para>
      <para>doorkruisen. </para>
      <para>Nu in de nota van wijziging, ter onderbouwing van de wijziging van artikel 82,  </para>
      <para>uitdrukkelijk is verwezen naar de bovengenoemde toezegging van de Minister en nu de </para>
      <para>wijziging van artikel 82 wel de ondubbelzinnige de steun geniet van de wetgever, zijn naar </para>
      <para>voorlopig oordeel van de president in de geschiedenis van de wijziging van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 in combinatie met de totstandkomingsgeschiedenis van de wijziging </para>
      <para>van artikel 82, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zelf, argumenten te vinden voor het </para>
      <para>oordeel dat de wetgever met deze wijziging van artikel 82 geen onderscheid heeft willen </para>
      <para>maken voor besluiten van v¢¢r en na 10 augustus 2000. Immers: in de wetsgeschiedenis zijn </para>
      <para>geen aanknopingspunten te vinden voor het maken van onderscheid wat betreft de </para>
      <para>appellabiliteit van de bedoelde algemeen verbindende voorschriften op grond van </para>
      <para>totstandkoming van deze voorschriften v¢¢r 10 augustus 2000.</para>
      <para>Voor wat betreft de tariefbesluiten op grond van artikel 41 van de Elektriciteitswet, kan, </para>
      <para>indien deze besluiten zijn aan te merken als algemeen verbindende voorschriften, naar het </para>
      <para>voorlopig oordeel van de president worden verdedigd dat de omstandigheid dat het huidige </para>
      <para>artikel 82 van de Elektriciteitswet dienaangaande geen uitdrukkelijke voorziening van </para>
      <para>beroep bij het College kent, op een onbedoelde omissie van de wetgever berust. Uit de </para>
      <para>parlementaire behandeling van de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 kan niet worden </para>
      <para>afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om besluiten die voorheen wel aan </para>
      <para>rechterlijke toetsing waren onderworpen hieraan te onttrekken. De president merkt in dit </para>
      <para>verband op dat de tarieven onder vigeur van de Elektriciteitswet 1989 wel door het College </para>
      <para>werden getoetst, zij het via toetsing van de door de Minister op grond van de artikelen 25 </para>
      <para>respectievelijk 26 van de Elektriciteitswet 1989 gegeven goedkeuring van tarieven.</para>
      <para>De omstandigheid dat de Minister zich op het standpunt heeft gesteld dat een tariefbesluit </para>
      <para>naar zijn aard geen algemeen verbindend voorschrift is, kan naar voorlopig oordeel van de </para>
      <para>president niet leiden tot de conclusie dat de wetgever besluiten op grond van dit artikel niet </para>
      <para>appellabel heeft willen maken voorzover deze besluiten algemeen verbindende voorschriften </para>
      <para>zouden betreffen. </para>
      <para>De president acht voorts niet zonder belang dat tussen verweerder en de in voorkomende </para>
      <para>gevallen betrokken justitiabelen tot op heden unanimiteit bestaat voor wat betreft </para>
      <para>gewenstheid van de rechtsmacht van het College in deze gevallen. </para>
      <para>Voorts acht de president van belang dat uit het oogpunt van ‚‚nheid van rechtspraak </para>
      <para>ongewenst is dat als gevolg van bevoegdheidsverdelingen bij verschillende gerechtelijke </para>
      <para>instanties toetsing zou dienen plaats te vinden van naar hun aard en inhoud vergelijkbare </para>
      <para>besluiten, nu uit de wetgeschiedenis niet blijkt dat deze situatie bewust door de wetgever is </para>
      <para>gewild.</para>
      <para>Aangezien naar het voorlopig oordeel van de president, gelet op al het vorenstaande, in de </para>
      <para>parlementaire geschiedenis en in het systeem van rechtsbescherming onder de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1989 aanknopingspunten zijn om via een extensieve interpretatie van </para>
      <para>artikel 82 van de Elektriciteitswet 1998 te concluderen tot bevoegdheid van het College om </para>
      <para>kennis te nemen van geschillen omtrent besluiten betreffende de vaststelling van </para>
      <para>tariefstructuren en voorwaarden, daterende van v¢¢r 10 augustus 2000, en van geschillen </para>
      <para>omtrent tariefbesluiten, indien deze tariefbesluiten zijn aan te merken als algemeen </para>
      <para>verbindende voorschriften, acht de president niet geheel uitgesloten dat het College deze </para>
      <para>ruime uitleg in de bodemprocedure zal volgen teneinde te bewerkstelligen dat de toetsing </para>
      <para>van de rechtmatigheid van deze besluiten niet wordt onttrokken aan het rechtscollege, waar </para>
      <para>de wetgever de beoordeling van beroepen tegen dit soort besluiten kennelijk heeft willen </para>
      <para>concentreren. Derhalve zal de president tot verdere voorlopige beoordeling van deze </para>
      <para>besluiten overgaan.</para>
      <para>Met betrekking tot het verzoek om voorlopige voorziening in het kader van het Besluit </para>
      <para>Tariefdrager, leidt het bovenstaande naar voorlopig oordeel van de president niet tot de </para>
      <para>verwachting dat het College zich bevoegd zal verklaren om kennis te nemen van het </para>
      <para>desbetreffende geschil. </para>
      <para>Hiertoe wordt overwogen dat naar voorlopig oordeel van de president het Besluit </para>
      <para>Tariefdrager moet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Bij </para>
      <para>voornoemd oordeel is in aanmerking genomen dat de Minister de bevoegdheid tot het </para>
      <para>nemen van voornoemd besluit rechtstreeks ontleent aan artikel 29, derde lid, van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998. Het besluit draagt voorts onmiskenbaar het karakter van materi‰le </para>
      <para>wetgeving. Daarbij is van doorslaggevend belang dat dit besluit algemene abstracte </para>
      <para>(rechts)regels geeft, welke een bindend karakter hebben en geschikt zijn voor herhaalde </para>
      <para>toepassing. De geldigheid van deze regels is bovendien niet beperkt in tijd, plaats of subject, </para>
      <para>aangezien zij zich voor onbepaalde tijd  richten tot alle (potenti‰le) afnemers. </para>
      <para>De president overweegt voorts dat het Besluit Tariefdrager geen besluit betreft inhoudende </para>
      <para>de vaststelling van tariefstructuren of voorwaarden als bedoeld in artikel 36 van de </para>
      <para>Elektriciteitswet 1998 en evenmin kan worden aangemerkt als een tariefbesluit </para>
      <para>(als bedoeld in artikel 41 van de Elektriciteitswet 1998), zodat het besluit niet valt onder de </para>
      <para>reikwijdte van artikel 82 van de Elektriciteitswet 1998, hoe extensief ook ge‹nterpreteerd. </para>
      <para>Hierbij zij nog opgemerkt dat het Besluit Tariefdrager is vastgesteld door de Minister van </para>
      <para>Economische Zaken. </para>
      <para>Naar verzoeksters zelf hebben betoogd is de directe aanleiding tot het verzoeken van de </para>
      <para>gevraagde voorlopige voorzieningen geweest het besluit tot wijziging van de Tarievencode </para>
      <para>van 16 november 2000. Als gevolg van dit besluit werd het LUP terzake van importen van </para>
      <para>elektriciteit vanaf 1 januari 2001 afgeschaft. Het besluit tot vaststelling van de Tarievencode </para>
      <para>zelf, noch de beslissing op het bezwaar is aanleiding geweest tot het indienen van een </para>
      <para>verzoek om voorlopige voorziening. Hetzelfde geldt voor de primaire beslissing en het </para>
      <para>besluit op bezwaar met betrekking tot het LUP voor het jaar 2000. De president leidt hieruit </para>
      <para>af dat verzoeksters het opheffen van de door hen gesignaleerde voorsprong voor diegenen </para>
      <para>die niet op het (extra-) hoogspanningsnet invoeden niet als zodanig klemmend hebben </para>
      <para>ervaren dat zij meenden dat hun belang onverwijld een voorziening vereiste. </para>
      <para>Hiervan uitgaande is niet in te zien dat na de wijziging van 16 november 2000 met de </para>
      <para>opheffing van deze gesignaleerde voorsprong opeens wel onverwijlde spoed zou zijn </para>
      <para>betrokken. Hier komt nog bij  dat de door verweerder ontvouwde redenering volgens welke </para>
      <para>het extra-hoogspanningsnet en het hoogspanningsnet transportnetten zijn en de overige </para>
      <para>netten (met lagere spanning) direct op de markplaats zijn aangesloten, op het eerste gezicht </para>
      <para>niet alle deugdelijkheid mist.</para>
      <para>Ook hebben verzoeksters niet aangetoond dat de door hen aangeduide mogelijkheid dat </para>
      <para>door elektriciteitsproducenten die invoeden op lagere spanningsnetten (onder (E)HS-</para>
      <para>niveau) meer elektriciteit wordt geleverd dan door verbruikers op diezelfde netten (conform </para>
      <para>het markplaatsbeginsel) wordt afgenomen, zich in niet te verwaarlozen mate voordoet.</para>
      <para>Voorts is de positie van verzoeksters naar voorlopig oordeel van de president niet zonder </para>
      <para>meer vergelijkbaar met de producenten van elektriciteit die onder (E)HS-niveau invoeden. </para>
      <para>In het algemeen leveren op de lagere spanningsnetten immers producenten die op andere </para>
      <para>wijze dan verzoeksters, te weten door middel van windmolens en warmtekrachtinstallaties, </para>
      <para>stroom opwekken en dus andere kosten hebben.</para>
      <para>Bij het verzoek om voorlopige voorziening wat betreft het besluit tot vaststelling van de </para>
      <para>Tarievencode is derhalve geen spoedeisend belang gemoeid, zodat dit verzoek afgewezen </para>
      <para>zal worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetzelfde geldt mutadis mutandis voor het besluit tot vaststelling van het LUP voor het jaar </para>
      <para>2000, welk besluit thans geheel is uitgewerkt. Ter zitting van de president is door </para>
      <para>verzoeksters nog betoogd dat het verzoek om voorlopige voorziening in het kader van het </para>
      <para>LUP-besluit voor het jaar 2000 nog immer opportuun is, aangezien de president met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:86 Awb eventueel onmiddellijk uitspraak zou kunnen doen in de </para>
      <para>hoofdzaak. Nog daargelaten dat de aard van de zaak zich hiertegen naar het oordeel van de </para>
      <para>president verzet, overweegt de president dienaangaande evenwel dat het rechtsmiddel van </para>
      <para>de voorlopige voorziening niet het ge‰igende instrument is wanneer een verzoeker in wezen </para>
      <para>slechts beoogt de behandeling van het ingestelde beroep te bespoedigen.  </para>
      <para>Met betrekking tot de verzoeken om voorlopige voorziening betreffende de wijziging van </para>
      <para>de Tarievencode en het LUP-besluit 2001 overweegt de president als volgt.</para>
      <para>Verzoeksters hebben ter onderbouwing van de spoedeisendheid van de voorlopige </para>
      <para>voorziening(en) als door hen gevraagd, met name gewezen op hun financi‰le en </para>
      <para>bedrijfseconomische belangen. Naar het oordeel van de president is evenwel onvoldoende </para>
      <para>aannemelijk geworden dat deze financi‰le belangen door het besluit tot wijziging van de </para>
      <para>Tarievencode en het LUP-besluit 2001 thans zozeer in het gedrang zouden komen dat het </para>
      <para>treffen van een voorlopige voorziening ge‹ndiceerd is. De president heeft hierbij in </para>
      <para>aanmerking genomen, hetwelk door verzoeksters ter zitting van de president niet </para>
      <para>nadrukkelijk is bestreden, de omstandigheid  dat verzoeksters de kosten van het </para>
      <para>producenten transporttarief vanaf heden kunnen doorberekenen aan hun afnemers. </para>
      <para>Door verzoeksters is weliswaar tevens gewezen op de omstandigheid dat de heffing van een </para>
      <para>producenten transporttarief, als in zijn huidige vorm en in internationaal perspectief bezien, </para>
      <para>afbreuk doet aan hun concurrentiepositie en zij dientengevolge marktaandeel (dreigen te) </para>
      <para>verliezen, doch naar het oordeel van de president noopt dit argument evenmin tot het treffen </para>
      <para>van een voorlopige voorziening. Hierbij zij als eerste opgemerkt dat niet zozeer de hoogte </para>
      <para>van het LUP 2001 als wel andere prijsverschillen met buitenlandse elektriciteitsproducenten </para>
      <para>de marktpositie van verzoeksters lijken te bepalen. Voorts heeft de president in aanmerking </para>
      <para>genomen dat een eventueel verlies van marktaandeel ten gevolge van een verslechtering van </para>
      <para>de concurrentiepositie van verzoeksters ten opzichte van buitenlandse </para>
      <para>elektriciteitsproducenten, nog eens in belangrijke mate in omvang wordt beperkt door de </para>
      <para>vooralsnog beperkte transportcapaciteit voor de import van elektriciteit vanuit het </para>
      <para>buitenland.</para>
      <para>Naar het oordeel van de president draagt de vraag naar de rechtmatigheid van de in casu </para>
      <para>bestreden besluiten bovendien een dermate complex en, mede gelet op de noviteit van het </para>
      <para>onderhavige rechtsgebied, principieel karakter, dat de voorlopige voorzieningsprocedure </para>
      <para>zich voor de beantwoording van deze vraag niet goed leent. De president acht hierbij mede </para>
      <para>van belang dat bij de beantwoording van deze vraag mogelijkerwijs tevens complexe punten </para>
      <para>van uitleg van communautaire regelgeving aan de orde zijn, in welk verband bijvoorbeeld </para>
      <para>onder meer de vraag aan de orde kan komen of de heffing van een producenten </para>
      <para>transporttarief op de export van elektriciteit niet een verboden kwantitatieve </para>
      <para>uitvoerbeperking of een maatregel van gelijke werking inhoudt.</para>
      <para>Deze vraag komt slechts aan de orde omdat in de wetgeving van de Lidstaten het </para>
      <para>transporttarief voor producenten verschilt. Het is de vraag of een zodanige dispariteit, die </para>
      <para>niet noodzakelijk het gevolg is van de wetgeving van Lidstaat Nederland, op zichzelf reeds </para>
      <para>een inbreuk op het communautaire recht met zich brengt. Onbetwist is immers dat Lidstaat </para>
      <para>Nederland voor het gebruik van de transportnetten van producenten een redelijke </para>
      <para>vergoeding mag vragen voorzover dit gebruik de landsgrenzen niet overschrijdt. </para>
      <para>Het hiervoor overwogene met betrekking tot de bevoegdheid van het College om kennis te </para>
      <para>kunnen nemen van de onderliggende geschillen, alsmede het complex en principieel karakter </para>
      <para>van de in casu relevante rechtsvragen, noopt de president tot terughoudendheid bij het </para>
      <para>treffen van een voorlopige voorziening. Dit zou eventueel slechts anders zijn als het gelijk </para>
      <para>onomstotelijk en onmiskenbaar aan de zijde van verzoekers zou zijn. Hiervan is gelet op de </para>
      <para>stand van het huidig recht naar voorlopig oordeel van de president evenwel geen sprake.</para>
      <para>De president acht geen grond aanwezig voor een veroordeling in de kosten van deze </para>
      <para>procedure met toepassing van het bepaalde bij en krachtens artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>7.	</para>
      <para>De president wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. R.P.H. Rozenbrand</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>