<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1281</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T16:08:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1281</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/956</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1281">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1281</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1281 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 04-04-2001 / AWB 99/956</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1281:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1281:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/956					4 april 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de maatschap A, B en C, te D, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr Y.J.P. Linssen, te Venray, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.J.H.M. Hanssen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 22 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 oktober 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing </para>
      <para>van haar aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.</para>
      <para>Op 4 februari 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 10 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen </para>
      <para>- appellante bij monde van A en B - hun standpunten hebben toegelicht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is onder </para>
      <para>meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 1</para>
      <para>In deze regeling wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni </para>
      <para>1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde </para>
      <para>akkerbouwgewassen (PbEG L 181);</para>
      <para>(.)</para>
      <para>k. producent: individuele landbouwondernemer (.) die op zijn bedrijf voor </para>
      <para>eigen rekening en risico akkerland met akkerbouwgewassen inzaait met de </para>
      <para>bedoeling deze gewassen te oogsten;</para>
      <para>l. bedrijf: (.)</para>
      <para>m. akkerland:</para>
      <para>a) geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die </para>
      <para>gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als </para>
      <para>blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet </para>
      <para>agrarische doeleinden in gebruik was;</para>
      <para>b) grond die overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit produktie </para>
      <para>nemen van bouwland uit productie is geweest;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3</para>
      <para>Overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening </para>
      <para>3887/92, (.) en deze regeling (.) worden jaarlijks op aanvraag de </para>
      <para>beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van </para>
      <para>akkerbouwgewassen (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Appellante heeft een "Formulier aanvraag oppervlakten 1998", getekend 11 mei </para>
      <para>1998, bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling </para>
      <para>EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) voor onder meer twee </para>
      <para>percelen met volgnummer 5 en een oppervlakte van 4.00 ha, onderscheidenlijk met </para>
      <para>volgnummer 20 en een oppervlakte van 4.90 ha (hierna: de percelen 5 en 20).</para>
      <para>-	Bij brief van 28 september 1998 heeft verweerders uitvoerende dienst LASER </para>
      <para>appellante verzocht aan te tonen dat de percelen 5 en 20 in de jaren 1987 tot en met </para>
      <para>1991 als akkerland in gebruik zijn geweest.</para>
      <para>-	Bij brief van 8 oktober 1998 heeft appellante aan verweerder afschriften gestuurd van </para>
      <para>twee rekeningen van een loonbedrijf voor onder meer het inzaaien van 9.8 ha ma‹s, </para>
      <para>onderscheidenlijk 4.2 ha ma‹s op 28 april 1988, respectievelijk 27 april 1991. </para>
      <para>-	Bij brief van 13 november 1998 is aan appellante medegedeeld dat haar aanvraag is </para>
      <para>afgewezen omdat bij een controle was gebleken dat de door haar opgegeven </para>
      <para>perceelsgegevens niet overeenkomen met de werkelijke perceelssituatie. Blijkens de </para>
      <para>bijgevoegde bijlage bedraagt het verschil tussen de aangevraagde en de geconsta-</para>
      <para>teerde oppervlakte 8.90 ha of wel 93,68 %. De subsidiabele oppervlakte bedraagt </para>
      <para>aldus 0.00 ha.</para>
      <para>-	Op 21 december 1998 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van </para>
      <para>13 november 1998. </para>
      <para>-	Op 19 juli 1999 heeft verweerder appellante ter zake van dit bezwaar gehoord.</para>
      <para>Appellante heeft zich bij deze hoorzitting laten vertegenwoordigen door </para>
      <para>A (hierna: W.), B (hierna: J), en E geboren 19 januari 1970 (hierna: J*).</para>
      <para>-	De voorzitter van deze hoorzitting heeft hierbij een uitleg gegeven bij de </para>
      <para>satellietwaarnemingen die van de percelen 5 en 20 in de referentiejaren 1987 tot en </para>
      <para>met 1991 zijn gedaan en die door het bedrijf Georas zijn geanalyseerd. Daaromtrent </para>
      <para>vermeldt het verslag van deze hoorzitting het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	J*.:	Waarom is dat perceel hier rood op de kaart?</para>
      <para>Voorz.:		De betekenis van de kleuren weet ik ook niet precies. Het heeft in </para>
      <para>ieder geval met onder andere de weeersomstandigheden te maken </para>
      <para>en met de vochtigheid dan wel droogte.</para>
      <para>W.:			Tussen de data in dat er foto's zijn genomen kun je er best een </para>
      <para>akkerbouwgewas hebben gehad. Neem nou 1991, de eerste foto is </para>
      <para>van begin maart en de tweede van eind november. In de </para>
      <para>tussenliggende periode heeft er ma‹s gestaan.</para>
      <para>J*.:			Ook in '88 of '87 kan er tussen de twee data van de foto's in best </para>
      <para>een akkerbouw gewas hebben gestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorz.:		Ik heb hierover contact gehad met het bedrijf dat deze foto's </para>
      <para>analyseert. Volgens hen is aan de foto's genomen in het voorjaar en </para>
      <para>het najaar te zien of het gaat om jong gras, of om gras dat er al het </para>
      <para>hele jaar staat. Aan de stand van het gras kunnen ze zien of er in de </para>
      <para>tussenliggende periode iets anders dan gras heeft gestaan. </para>
      <para>W+J+J*:	Nou, als je gras inzaait, dan zie je dat toch heel snel. Dat is heel </para>
      <para>snel groen hoor !</para>
      <para>J+J*:			Het kan niet dat het gras in september nog niet zichtbaar zou zijn. </para>
      <para>Dat staat dan echt al hoog hoor."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaar ongegrond verklaard en </para>
      <para>hiertoe onder meer als volgt overwogen:</para>
      <para>"	Uit artikel 9 van Verordening (EEG) 1765/92 en Bijlage 1 van Verordening </para>
      <para>(EG) 658/96 volgt dat aanvragen niet kunnen worden ingediend voor gronden </para>
      <para>die van 1987 tot en met 1991 permanent als weidegrond, voor meerjarigen </para>
      <para>teelten, als bosgrond of voor niet agrarische doeleinden in gebruik waren. </para>
      <para>Middels steekproeven controleert LASER jaarlijks een door de Europese </para>
      <para>Commissie vastgesteld percentage van de steunaanvragen op deze voorwaarde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de hand van satellietfoto's uit de periode 1987 tot en met 1991 heeft </para>
      <para>LASER vastgesteld dat de percelen 5 en 20 uit uw aanvraag oppervlakten 1998 </para>
      <para>niet voldoen aan bovengenoemde voorwaarde. De twee percelen waren in de </para>
      <para>referentieperiode permanent in gebruik als grasland. U bent door LASER in de </para>
      <para>gelegenheid gesteld om aan te tonen dat de percelen wel op enig moment in </para>
      <para>gebruik zijn geweest als akkerland. Gedurende de behandeling van uw </para>
      <para>aanvraag en tijdens de bezwaarfase heeft u rekeningen van loonwerkers uit </para>
      <para>1988 en 1991 ingediend als bewijs dat u in de betreffende periode op de </para>
      <para>percelen ma‹s zou hebben verbouwd. Geen van voornoemde documenten is op </para>
      <para>perceelsniveau en zij kunnen dan ook niet worden beschouwd als bewijs dat u </para>
      <para>op de percelen 5 en 20 in de jaren 1987 tot en met 1991 ma‹s heeft geteeld. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten verweer is onder meer het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"	Nu appellante ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing geen bewijs </para>
      <para>heeft geleverd dat de juistheid van de satellietbeelden in twijfel trekt, kon </para>
      <para>verweerder niet anders dan constateren dat het desbetreffende perceel niet </para>
      <para>voldoet aan de definitie van akkerland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte is verweerder van mening dat het niet onredelijk is dat hij eerst in </para>
      <para>1998 heeft vastgesteld dat de betreffende percelen niet voldoen aan de definitie </para>
      <para>akkerland. </para>
      <para>Verweerder heeft in de voorgaande jaren, in tegenstelling tot hetgeen </para>
      <para>appellante beweert, wel degelijk gecontroleerd of de voorschriften voor een </para>
      <para>aanvraag correct zijn nageleefd. Deze controle heeft echter plaatsgevonden </para>
      <para>zonder gebruik van satellietfoto's. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij met betrekking tot percelen die in </para>
      <para>voorafgaande jaren wel zijn geaccepteerd als akkerland, het beleid voert deze niet meer als </para>
      <para>zodanig te accepteren in het geval de satellietopnames aangeven dat ten tijde van de </para>
      <para>opnames sprake was van grasland. In dit geval verzoekt hij van de aanvrager nader bewijs.</para>
      <para>Voorts heeft verweerders gemachtigde ter zitting desgevraagd verklaard geen uitleg te </para>
      <para>kunnen geven bij de kleuren van de verschillende percelen op de satellietfoto's en hiervoor </para>
      <para>verwezen naar het oordeel van ter zake deskundigen. </para>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft bij beroepschrift onder meer het volgende tegen het bestreden besluit </para>
      <para>aangevoerd:</para>
      <para>"	Uit de facturen en meitellingen van cli‰nten blijkt duidelijk dat cli‰nten in de </para>
      <para>betreffende jaren, de kalenderjaren 1987 tot en met 1991, akkerbouwgewassen </para>
      <para>op het bedrijf hebben geteeld. Het is voor cli‰nten niet mogelijk om dit per </para>
      <para>perceel aan te geven. In genoemde jaren was het in het algemeen voor </para>
      <para>agrarische bedrijven gebruikelijk om de administratie op bedrijfsniveau te </para>
      <para>voeren en niet een administratie per perceel. Naar de mening van cli‰nten is het </para>
      <para>niet redelijk om hen daar nu op af te rekenen. Toentertijd was niet bekend dat </para>
      <para>deze administratie op perceelsniveau een vereiste zou worden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens kunnen, naar de mening van cli‰nten, de door LASER gehanteerde foto's </para>
      <para>niet worden gebruikt voor aan afwijzing van de aanvraag, omdat deze foto's </para>
      <para>geen bewijs leveren dat er geen akkerbouwgewas op de betreffende percelen is </para>
      <para>geteeld. In artikel 9 van de Verordening (EEG) 1765/92 en Bijlage I van </para>
      <para>Verordening (EG) 658/96 volgt dat aanvragen niet kunnen worden ingediend </para>
      <para>voor gronden die van 1987 tot en met 1991 permanent als weidegrond, voor </para>
      <para>meerjarigen teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik </para>
      <para>waren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Laser kan dit echter niet bewijzen. De satellietfoto's uit bijvoorbeeld het jaar </para>
      <para>1991 dateren van 3 maart 1991 en van 30 november 1991. Hieruit blijkt niet </para>
      <para>automatisch dat er in de tussenliggende periode, van 4 maart tot 31 oktober </para>
      <para>1999, ook geen akkerbouwgewas op de betreffende percelen is geteeld. Het is </para>
      <para>naar de mening van cli‰nten dan ook niet redelijk om een afwijzing te baseren </para>
      <para>op slechts twee momentopnames die ook nog eens een hele tijd uit elkaar </para>
      <para>liggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens is het naar de mening van cli‰nten onredelijk om eerst in 1998 te </para>
      <para>controleren of de voorschriften voor een aanvraag correct worden nageleefd en </para>
      <para>of er in de jaren 1987 tot en met 1991 akkerbouwgewassen op de betreffende </para>
      <para>percelen zijn geteeld. De onderhavige bijdrageregeling dateert van 1993 en </para>
      <para>wordt thans voor het zesde opeenvolgende jaar uitgevoerd. Cli‰nten zijn er </para>
      <para>nooit eerder op gewezen dat de door hun ingediende aanvragen niet </para>
      <para>overeenkwamen met de gegevens zoals die bij Laser bekend zijn. Hierdoor had </para>
      <para>verdere schade voor cli‰nten voorkomen kunnen worden. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Ingevolge artikel 1 van de Regeling wordt - voor zover hier van belang - onder akkerland </para>
      <para>verstaan het geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die </para>
      <para>gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland </para>
      <para>in gebruik was. </para>
      <para>Aan de orde is de vraag of verweerder zijn nader standpunt dat niet kan worden </para>
      <para>aangenomen dat de percelen 5 en 20 niet in de periode 1987 tot en met 1991 in gebruik zijn </para>
      <para>geweest als blijvend grasland, heeft kunnen baseren op de te zijner beschikking gekomen </para>
      <para>satellietopnames die in die periode van de percelen 5 en 20 zijn gemaakt. Dienaangaande </para>
      <para>overweegt het College ten eerste het volgende.</para>
      <para>Verweerder heeft in voorgaande jaren appellantes aanvragen minder fijnmazig </para>
      <para>gecontroleerd waarbij hij de percelen 5 en 20 steeds heeft aangemerkt als akkerland en </para>
      <para>mede op die grond deze eerdere aanvragen van appellante goedgekeurd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze omstandigheden staan er niet aan in de weg dat verweerder appellantes aanvraag voor </para>
      <para>1999 toetst aan meer gedetailleerde controlegegevens als bedoelde satellietopnames die </para>
      <para>inmiddels te zijner beschikking zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden </para>
      <para>verweerder bij de beslissing op die aanvraag op grondslag van deze gegevens terug te </para>
      <para>komen van zijn conclusie in voorgaande jaren, dat de als zodanig door appellante </para>
      <para>opgegeven percelen voldoen aan de definitie van akkerland, met dien verstande dat </para>
      <para>appellante de gelegenheid moet worden geboden in bezwaar aannemelijk te maken dat de </para>
      <para>percelen waarop bedoelde satellietopnames betrekking hebben, wel degelijk als akkerland </para>
      <para>zijn gebruikt in de referentiejaren 1987 tot en met 1991. </para>
      <para>Bij de beoordeling van de bewijsvoering van appellante tegenover de aanwijzingen die aan </para>
      <para>de satellietopnames kunnen worden ontleend, dient mede in aanmerking te worden </para>
      <para>genomen de tijd die sinds de referentieperiode is verstreken gedurende de jaren waarin </para>
      <para>verweerder de percelen 5 en 20 wel heeft aangemerkt als akkerland. Niet onaannemelijk is </para>
      <para>immers dat appellantes bewijspositie hierdoor slechter is geworden. </para>
      <para>5.2	In het voorliggende geval zijn tijdens verweerders hoorzitting op 19 juli 1999 aan </para>
      <para>appellante de satellietopnames van de percelen 5 en 20 getoond, die Georas hebben </para>
      <para>gebracht tot de diagnose: "grasland". Blijkens het verslag van die hoorzitting heeft de als </para>
      <para>voorzitter functionerende ambtenaar echter volstaan met de mededeling dat Georas aan de </para>
      <para>stand van het gras op de opnames kan zien of er in de tussenliggende periode iets anders </para>
      <para>dan gras heeft gestaan heeft, en heeft de voorzitter op appellantes vragen naar de betekenis </para>
      <para>van de kleuren geen precies antwoord kunnen geven. </para>
      <para>Het College acht die enkele mededeling onvoldoende. Verwacht mag worden dat </para>
      <para>verweerder de satellietopnames analyseert of doet analyseren, na concreet met de stellingen </para>
      <para>van appellante geconfronteerd te zijn, en beoordeelt of die met hetgeen uit de </para>
      <para>satellietopnames blijkt, verenigbaar zijn. Verweerder zal op basis daarvan dienen te </para>
      <para>beslissen of hij in het licht hiervan aan zijn aan het primaire besluit ten grondslag liggende </para>
      <para>bevindingen kan vasthouden. Daarbij dient op inzichtelijke wijze te worden aangegeven op </para>
      <para>welke bevindingen dit oordeel steunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook ter zitting van het College heeft verweerder, aan wie was verzocht de kleurenfoto's </para>
      <para>van de satellietopnames over te leggen, desgevraagd geen uitleg kunnen geven bij de </para>
      <para>verschillende kleuren van de percelen op de satellietopnames en voor zijn conclusie uit de </para>
      <para>satellietopnames volstaan met verwijzing naar het oordeel van ter zake deskundigen.</para>
      <para>Het College constateert dat verweerder ook anderszins niet heeft aangegeven hoe de </para>
      <para>satellietopnames hem tot de vaststelling hebben gebracht dat de percelen 5 en 20 in de </para>
      <para>periode 1987 tot en met 1991 (permanent) als grasland in gebruik waren.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie, dat het bestreden besluit geen blijk </para>
      <para>geeft dat verweerder bij zijn besluitvorming op appellantes bezwaar heeft voldaan aan de </para>
      <para>ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op hem </para>
      <para>rustende plicht de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te </para>
      <para>vergaren. Voorts berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en voldoet </para>
      <para>het niet aan het bepaalde bij artikel 7:12 van de Awb.</para>
      <para>De slotsom is dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. </para>
      <para>Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum </para>
      <para>van deze uitspraak vermeld. Verweerder is te veroordelen in de kosten van appellante in </para>
      <para>verband met de behandeling van het beroep, die op de voet van het Besluit proceskosten </para>
      <para>bestuursrecht bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit van 11 oktober 1999;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met in acht nemen van deze uitspraak;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op fl. 710,-- (zegge: zevenhonderd-en-tien gulden) en te vergoeden aan appellante door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>-	bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 450,-- (zegge: vierhonderd-en-vijftig gulden)  wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>-	wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers				w.g. Th.J. van Gessel</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>