<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1279</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T10:55:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1279</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/186</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1279">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1279</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1279 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 12-04-2001 / AWB 00/186</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1279:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1279:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(zesde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/186						12 april 2001</para>
      <para>	5130</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Landbouwbedrijf A, te Badhoevedorp, appellante,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.T. Veldhuizen, werkzaam bij verweerders ministerie</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 24 februari 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 februari 2000.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen </para>
      <para>de weigering van verweerder haar voor akkerbouwsteun in aanmerking te brengen.</para>
      <para>Verweerder heeft op 5 juli 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij besluit van 7 februari 2001 heeft verweerder het bezwaar alsnog gegrond verklaard en </para>
      <para>appellante steun toegekend tot een bedrag van fl. 11.010,35, waarop appellante bij brief </para>
      <para>van 12 februari 2001 het College heeft bericht haar beroep te handhaven.</para>
      <para>Op 22 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun </para>
      <para>standpunten aan de hand van overgelegde pleitnotities nader hebben toegelicht. Voor </para>
      <para>appellante voerde bij die gelegenheid P.J. van den Heuvel het woord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 3 mei 1999 heeft appellante bij de uitvoeringsdienst LASER een formulier </para>
      <para>"aanvraag oppervlakten 1999, Algemene regeling en Voederareaal" ingediend, </para>
      <para>waarbij zij een totale oppervlakte "overige granen" van 23,75 ha heeft aangemeld.</para>
      <para>- Bij besluit van 7 december 1999, verzonden op 13 december 1999, heeft LASER de </para>
      <para>aanvraag afgewezen, kort gezegd, omdat appellante geen braakgelegde percelen heeft </para>
      <para>opgegeven.</para>
      <para>- Appellante heeft op 20 december 1999 een bezwaarschrift ingediend.  </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 4 februari 2000 de bezwaren van </para>
      <para>appellante ongegrond verklaard. </para>
      <para>- Bij besluit van 7 februari 2001 heeft verweerder alsnog een bijdrage ter hoogte van </para>
      <para>fl. 11.010,35 toegekend voor 12,95 ha overige granen en zich bereid verklaard - </para>
      <para>indien appellante haar beroep intrekt - de door appellante betaalde griffiegelden te </para>
      <para>vergoeden. </para>
      <para>- Appellante heeft bij brief van 12 februari 2001 aangegeven haar beroep slechts in te </para>
      <para>trekken, indien verweerder overgaat tot uitbetaling van de vergoeding op basis van </para>
      <para>23,75 ha granen en 3 ha braak.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit </para>
      <para>Bij besluit van 4 februari 2000 heeft verweerder het volgende overwogen: </para>
      <para>"	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegingen</para>
      <para>Uw argument dat u het verkeerde aanvraagformulier heeft ingevuld, kan u niet </para>
      <para>baten. Gelet op het bepaalde in artikel 4 lid 2 van Verordening 3887/92 en </para>
      <para>artikel 9 van de Regeling kunnen wijzigingen na de uiterste indiendatum van </para>
      <para>de aanvraag niet meer worden geaccepteerd. De aanvrager is en blijft derhalve </para>
      <para>te allen tijde zelf verantwoordelijk voor het juist invullen van de aanvraag en </para>
      <para>het bijvoegen van de correcte bijlagen. Hij wordt daarbij gehouden aan de door </para>
      <para>hem verstrekte gegevens. Slechts indien er sprake is van een kennelijke </para>
      <para>vergissing kan van de op en bij het aanvraagformulier verstrekte gegevens </para>
      <para>worden afgeweken. Daarvan is in uw geval geen sprake. Het was voor LASER </para>
      <para>op het tijdstip van beoordeling van de aanvraag niet kenbaar, dat u eigenlijk </para>
      <para>een aanvraag voor de Vereenvoudigde Regeling had willen doen. U heeft </para>
      <para>immers niet alleen het aanvraagformulier voor de Algemene Regeling </para>
      <para>ingevuld, maar ook de bijdragecode die bij de Algemene Regeling wordt </para>
      <para>gebruikt voor de categorie granen. Bovendien heeft u steun aangevraagd voor </para>
      <para>een oppervlakte die groter is dan de maximale oppervlakte waarvoor in het </para>
      <para>kader van de Vereenvoudigde Regeling voor productieregio 1 een bijdrage kan </para>
      <para>worden verkregen (12,95 ha). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie</para>
      <para>Ik verklaar uw bezwaren derhalve ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 februari 2001 heeft verweerder het volgende overwogen: </para>
      <para>"	Hierbij deel ik u mee, dat na ampel beraad is besloten om uw bezwaarschrift </para>
      <para>alsnog gegrond te verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U hebt thans recht op een bijdrage voor 12,95 ha overige granen. Aangezien de </para>
      <para>bijdrage per ha in uw geval f. 850,22 bedraagt, heeft u in totaal recht op een </para>
      <para>bijdrage van f. 11.010,35.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - zakelijk weergegeven - het volgende </para>
      <para>aangevoerd.</para>
      <para>Appellante heeft op het aanvraagformulier voor de Algemene regeling bij perceel 10 </para>
      <para>gewascode 668 ingevuld (braak met toegestane groenbemester) en daarbij abusievelijk een </para>
      <para>onjuiste bijdragecode ingevuld (bijdragecode 999, in plaats van 830), welke vergissing </para>
      <para>voor herstel vatbaar is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vergissing werd in de hand gewerkt door het feit dat LASER haar eerst het </para>
      <para>aanvraagformulier voor de Vereenvoudigde regeling had toegezonden, zij daarop begon </para>
      <para>om dit formulier in te vullen, vervolgens onderkende het verkeerde formulier voor zich te </para>
      <para>hebben,  het in haar ogen juiste formulier voor de Algemene regeling bij LASER bestelde </para>
      <para>en ontving, waarna zij abusievelijk de gegevens zoals door haar reeds vermeld op het </para>
      <para>formulier voor de Vereenvoudigde regeling overnam op het formulier voor de Algemene </para>
      <para>regeling.</para>
      <para>Uit de aanvraag, alsmede uit de bijgevoegde topografische kaart, had LASER kunnen </para>
      <para>opmaken dat appellante braak had opgegeven en daarmee voor subsidie op grond van de </para>
      <para>Algemene regeling in aanmerking wenste te komen.  </para>
      <para>Verweerder heeft het bezwaar van appellante ten onrechte opgevat als een verzoek om </para>
      <para>akkerbouwsteun te verkrijgen op basis van de Vereenvoudigde regeling. Appellante heeft </para>
      <para>wel degelijk bedoeld om een aanvraag overeenkomstig de Algemene regeling in te dienen </para>
      <para>en in aanmerking te komen voor akkerbouwsteun op basis van de door haar in de aanvraag </para>
      <para>aangemelde 23,75 ha granen en 3,00 ha braak. </para>
      <para>Verweerder heeft aldus ten onrechte slechts akkerbouwsteun verleend tot het voor de </para>
      <para>Vereenvoudigde regeling geldende maximum van 12,95 ha.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt </para>
      <para>het beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 7 februari 2001.</para>
      <para>Nu het besluit van 7 februari 2001 ook geacht moet worden een afwijzing in te houden van </para>
      <para>de gevraagde steun, voorzover deze niet alsnog wordt toegekend, heeft appellante geen </para>
      <para>belang meer bij beoordeling van het besluit van 4 februari 2000. Het daartegen gerichte </para>
      <para>beroep moet dan ook wegens verval van belang niet-ontvankelijk verklaard worden. Wel </para>
      <para>vindt het College aanleiding te bepalen dat verweerder appellante het griffierecht zal </para>
      <para>vergoeden.</para>
      <para>Van voor vergoeding ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking </para>
      <para>komende kosten is het College niet gebleken. Daarbij tekent het College aan, dat de kosten </para>
      <para>van de tijdsbesteding van appellantes woordvoerder, die niet gekwalificeerd kan worden </para>
      <para>als beroepsmatige rechtshulpverlener, ook niet op titel van een optreden als </para>
      <para>getuige/deskundige voor vergoeding in aanmerking gebracht kunnen worden. De </para>
      <para>gevraagde vergoeding van fl. 3.451,-- wordt derhalve niet gehonoreerd.</para>
      <para>Met betrekking tot de houdbaarheid van het nu nog in geding zijnde besluit van 7 februari </para>
      <para>2001 overweegt het College als volgt.</para>
      <para>Verweerder heeft terecht geoordeeld dat aan het bezwaar van appellante slechts tegemoet </para>
      <para>zou kunnen worden gekomen en derhalve slechts alsnog akkerbouwsteun overeenkomstig </para>
      <para>de aanvraag (voor 23,75 ha granen en 3,00 ha braak) zou kunnen worden toegekend, indien </para>
      <para>zou moeten worden geoordeeld dat door appellante bij de aanvraag oppervlakten door het </para>
      <para>invullen van de bijdragecode 999 bij perceel 10 een kennelijke vergissing is gemaakt. </para>
      <para>Immers in dat geval is blijkens het bepaalde in artikel 5 bis van verordening (EEG) </para>
      <para>3887/92 ook na afloop van de uiterste datum voor indiening van een aanvraag een </para>
      <para>wijziging daarvan mogelijk en zou het onrechtmatig zijn om appellante aan haar </para>
      <para>aanvankelijke opgave te houden.</para>
      <para>Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke </para>
      <para>fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijk gedane opgave kennelijk fout was. Zulks </para>
      <para>is het geval wanneer uit deze aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet </para>
      <para>juist kan zijn.</para>
      <para>Dat appellante bij perceel 10, naast gewascode 668 de bijdragecode 999 </para>
      <para>(niet voor bijdrage) heeft vermeld kan niet als een zodanige ongerijmdheid worden </para>
      <para>opgevat. Het College is aldus van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de slotsom </para>
      <para>is gekomen dat daarin geen klaarblijkelijke fout als door appellante bedoeld kan worden </para>
      <para>gezien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft ter zitting het besluit van 7 februari 2001 als volgt toegelicht:</para>
      <para>"	Het niet invullen van braak bij een aanvraag volgens de algemene regeling die </para>
      <para>ingevuld is met algemene codes, wordt door verweerder aangemerkt als </para>
      <para>klaarblijkelijke fout.Verweerder gaat er daarbij vanuit dat het de bedoeling van </para>
      <para>appellant was om de vereenvoudigde regeling in te vullen. Het invullen van een </para>
      <para>aanvraag in het kader van de algemene regeling zonder steunwaardige braak </para>
      <para>resulteert namelijk in het afwijzen van de aanvraag. Het zou dus voor de </para>
      <para>aanvrager nutteloos zijn de aanvraag in te dienen. Bij de heroverweging van het </para>
      <para>bezwaar is daarom de aanvraag in het kader van de algemene regeling </para>
      <para>gewijzigd in een aanvraag in het kader van de vereenvoudigde regeling, </para>
      <para>waarbij een bijdrage is uitgekeerd voor het maximale aantal hectares van de </para>
      <para>vereenvoudigde regeling. Er bestaat hier geen kans dat de appellant een </para>
      <para>bijdrage ontvangt waar hij anders geen recht op zou hebben. Als appellant </para>
      <para>direct een aanvraag in het kader van de vereenvoudigde regeling zou hebben </para>
      <para>ingediend, zou hij deze premie immers ook hebben ontvangen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit deze bewoordingen leidt het College af dat het besluit van 7 februari 2001 niet is </para>
      <para>voortgesproten uit een misverstand met betrekking tot hetgeen appellante met haar </para>
      <para>aanvraag beoogde, doch dat verweerder van oordeel is, dat het indienen van een aanvraag </para>
      <para>in het kader van de Algemene regeling, die alleen in het kader van de Vereenvoudigde </para>
      <para>regeling gehonoreerd kan worden, een klaarblijkelijke vergissing oplevert. Ook nu </para>
      <para>appellante zelf meent aan indiening in het kader van de Algemene regeling vast te houden, </para>
      <para>doet dat naar verweerders oordeel niet af aan zijn conclusie, dat appellante dan een onjuist </para>
      <para>standpunt inneemt.</para>
      <para>Het College overweegt dienaangaande, dat het niet op zijn weg ligt om de juistheid van de </para>
      <para>gronden waarop verweerder appellante bij het besluit van 7 februari 2001 steun toekent te </para>
      <para>toetsen. Doordat verweerder alsnog deze steun heeft toegekend is het geschil beperkt tot de </para>
      <para>vraag of verweerder daarmee kan volstaan of dat hij alsnog, zoals appellante wil, het niet </para>
      <para>invullen van braak als klaarblijkelijke fout moet aanmerken en tot toekenning van een </para>
      <para>hoger bedrag aan steun moet komen. Hiervoor bestaat, zoals uit het voorgaande blijkt, naar </para>
      <para>het oordeel van het College geen aanleiding. </para>
      <para>Gelet op het vorenstaande moet het beroep tegen het besluit van 7 februari 2001 ongegrond worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>verklaart het beroep tegen het besluit van 4 februari 2000 </para>
      <para>niet-ontvankelijk;</para>
      <para>verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2001</para>
      <para>   ongegrond;</para>
      <para>bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar</para>
      <para>   betaalde griffierecht van fl. 450,-- (zegge: vierhonderdenvijftig  </para>
      <para>   gulden) betaalt;</para>
      <para>- wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. W.E. Doolaard	w.g. Th.J. van Gessel</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>