<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T18:35:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1274</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/935</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1274">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:26:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1274 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 04-04-2001 / AWB 99/935</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1274:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1274:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 99/935							4 april 2001</para>
      <para>	5135</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maatschap A en B, te C, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr A.L. Stegeman, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.J.H.M. Hansen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 15 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 oktober 1999</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing </para>
      <para>van haar aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.</para>
      <para>Op 1 december 1999 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.</para>
      <para>Op 4 februari 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 10 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen hun </para>
      <para>standpunten hebben toegelicht. Ter zitting zijn als getuigen gehoord D en E.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is onder </para>
      <para>meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 1</para>
      <para>In deze regeling wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni </para>
      <para>1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde </para>
      <para>akkerbouwgewassen (PbEG L 181);</para>
      <para>(.)</para>
      <para>k. producent: individuele landbouwondernemer (.) die op zijn bedrijf voor </para>
      <para>eigen rekening en risico akkerland met akkerbouwgewassen inzaait met de </para>
      <para>bedoeling deze gewassen te oogsten;</para>
      <para>l. bedrijf: (.)</para>
      <para>m. akkerland:</para>
      <para>a) geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die </para>
      <para>gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als </para>
      <para>blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet </para>
      <para>agrarische doeleinden in gebruik was;</para>
      <para>b) grond die overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit produktie </para>
      <para>nemen van bouwland uit productie is geweest;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3</para>
      <para>Overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening </para>
      <para>3887/92, (.) en deze regeling (.) worden jaarlijks op aanvraag de </para>
      <para>beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van </para>
      <para>akkerbouwgewassen (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan..</para>
      <para>-	Appellante heeft een "Formulier aanvraag oppervlakten 1998", getekend 8 april </para>
      <para>1998, bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling </para>
      <para>EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) voor een perceel met </para>
      <para>volgnummer 6 en een oppervlakte van 3.51 ha (hierna: perceel 6).</para>
      <para>-	Bij brief van 21 september 1998 heeft verweerders uitvoerende dienst LASER </para>
      <para>appellante verzocht aan te tonen dat perceel 6 in de jaren 1987 tot en met 1991 als </para>
      <para>akkerland in gebruik is geweest.</para>
      <para>-	Bij brief van 23 september 1998 heeft appellante onder meer medegedeeld dat op het </para>
      <para>perceel in 1987 ma‹s en na de oogst hiervan weer gras is ingezaaid, en dat geen nota's </para>
      <para>van loonwerk of zaaigoed kunnen worden overgelegd omdat de boekhouding na tien </para>
      <para>jaar is vernietigd. </para>
      <para>-	Bij brief van 12 november 1998 is aan appellante medegedeeld dat haar aanvraag is </para>
      <para>afgewezen omdat bij een controle was gebleken dat de door haar opgegeven </para>
      <para>perceelsgegevens niet overeenkomen met de werkelijke perceelssituatie. Blijkens de </para>
      <para>bijgevoegde bijlage bedraagt het verschil tussen de aangevraagde en de geconsta-</para>
      <para>teerde oppervlakte 3.34 ha. De subsidiabele oppervlakte bedraagt aldus 0.00 ha.</para>
      <para>-	Op 24 november 1998 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 </para>
      <para>november 1998. Hierbij heeft zij aangevoerd dat in 1987 laat in mei  ma‹s op perceel </para>
      <para>6 is gezaaid.</para>
      <para>-	Op 15 september 1999 heeft verweerder appellante ter zake van dit bezwaar gehoord. </para>
      <para>Het verslag van deze hoorzitting luidt onder meer als volgt:</para>
      <para>"	Voorz.:	(.) Wanneer heeft u in 1987 de ma‹s gezaaid ?</para>
      <para>Recl.:			Dat zal in mei geweest zijn. We hebben eerst moeten </para>
      <para>doodspuiten.</para>
      <para>Voorz.:		En wanneer is er geoogst ?</para>
      <para>Recl.:			In september-oktober. Omtrent eind oktober hebben we weer </para>
      <para>gras gezaaid..</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Voorz.:		(.) Er zijn twee keer per jaar foto's gemaakt, in het voorjaar en in </para>
      <para>het najaar. Het bedrijf Georas kan hierop zien welk gewas er op het </para>
      <para>perceel staat.</para>
      <para>Recl.:			Wat betekenen die kleuren ? Hoe moet ik dat zien ? Hoe </para>
      <para>kunnen ze hieruit opmaken welk gewas er stond ?</para>
      <para>Voorz.:		Dat gebeurt met een speciale computer waarop men de foto's kan </para>
      <para>analyseren.</para>
      <para>Recl.:			Maar wat betekenen al die kleurverschillen ? </para>
      <para>Voorz.:		Dat kan aan weersomstandigheden liggen of aan de begroeiing.</para>
      <para>Recl.:			Wordt hier wel eens aan getwijfeld ?</para>
      <para>Voorz.:		Als er getwijfeld wordt aan de foto's worden deze niet aan LASER </para>
      <para>gestuurd. (.) Deze foto's gelden voor LASER als bewijs.</para>
      <para>Recl.:			Maar u kunt me niet uitleggen hoe dat gedaan wordt ?</para>
      <para>Voorz.:		Nee, dat kan ik niet. Dat wordt door specialisten gedaan. LASER </para>
      <para>heeft die expertise zelf niet . "</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
      <para>3.	Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaar ongegrond verklaard en </para>
      <para>hiertoe onder meer als volgt overwogen:</para>
      <para>"	Uit artikel 9 van Verordening (EEG) 1765/92 en Bijlage I van Verordening </para>
      <para>(EG) 658/96 volgt dat aanvragen niet kunnen worden ingediend voor gronden </para>
      <para>die van 1987 tot en met 1991 permanent als weidegrond, voor meerjarigen </para>
      <para>teelten, als bosgrond of voor niet agrarische doeleinden in gebruik waren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>LASER heeft middels een controle aan de hand van satellietfoto's uit de periode </para>
      <para>1987 tot en met 1991 vastgesteld dat perceel 6 uit uw aanvraag oppervlakten </para>
      <para>1998 niet voldoet aan bovengenoemde voorwaarde. Het perceel was in de </para>
      <para>referentieperiode permanent in gebruik als grasland. U bent door LASER in de </para>
      <para>gelegenheid gesteld om aan te tonen dat uw perceel wel op enig moment in </para>
      <para>gebruik is geweest als akkerland. Gedurende de behandeling van uw aanvraag </para>
      <para>en tijdens de bezwaarfase heeft u verklaard niet meer te beschikken over bewijs </para>
      <para>dat u op perceel 6 in 1987 ma‹s heeft geteeld. Ik concludeer dan ook dat perceel </para>
      <para>6 uit uw aanvraag niet voldoet aan de genoemde voorwaarde van de Regeling."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten verweer is onder meer het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"	Nu appellante ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing geen bewijs </para>
      <para>heeft geleverd dat het perceel op enig moment in gebruik is geweest als </para>
      <para>akkerland, kon verweerder niet anders dan constateren dat het desbetreffende </para>
      <para>perceel niet voldoet aan de definitie van akkerland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder is verweerder van mening dat de door appellante overgelegde </para>
      <para>bewijsstukken niet kunnen aantonen dat de bestreden beslissing onjuist is. De </para>
      <para>landbouwtelling-gegevens bevatten namelijk geen perceels gebonden </para>
      <para>informatie terwijl de verklaringen naar de mening van verweerder niet gezien </para>
      <para>kunnen worden als objectief bewijsmateriaal."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij met betrekking tot percelen die in </para>
      <para>voorafgaande jaren wel zijn geaccepteerd als akkerland, het beleid voert deze niet meer als </para>
      <para>zodanig te accepteren in het geval de satellietopnames aangeven dat ten tijde van de </para>
      <para>opnames sprake was van grasland. In dit geval verzoekt hij van de aanvrager nader bewijs.</para>
      <para>Voorts heeft verweerders gemachtigde ter zitting desgevraagd verklaard geen uitleg te </para>
      <para>kunnen geven bij de kleuren van de verschillende percelen op de satellietfoto's en hiervoor </para>
      <para>verwezen naar het oordeel van ter zake deskundigen. </para>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft bij aanvullend beroepschrift onder meer het volgende tegen het bestreden </para>
      <para>besluit aangevoerd:</para>
      <para>"	De Minister baseert zijn oordeel op satellietfoto's die kennelijk in elk van de </para>
      <para>jaren van de betreffende referentieperiode, in het voorjaar en in het najaar, </para>
      <para>worden genomen.</para>
      <para>Appellanten bestrijden de bewijskracht van deze foto's. Blijkens het verslag </para>
      <para>van de hoorzitting kan de Minister, althans de daarmee belaste ambtenaar, </para>
      <para>appellanten niet uitleggen hoe het door hem aan zijn gewraakte besluit ten </para>
      <para>grondslag gelegde bewijsmateriaal is samengesteld en wat dit betekent. </para>
      <para>Kleurverschillen die uit de foto's zouden blijken, zijn volstrekt arbitrair van </para>
      <para>aard, nu de voorzitter van de bezwarencommissie verklaart dat deze </para>
      <para>kleurverschillen worden veroorzaakt door onder andere weersomstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovendien worden de aan het gewraakte besluit ten grondslag liggen de foto's </para>
      <para>uitsluitend in het voorjaar en in het najaar genomen, zodat op basis van deze </para>
      <para>foto's de Minister geenszins tot de conclusie kan komen dat de op de foto's </para>
      <para>staande percelen cultuurgrond permanent voor de teelt van een bepaald gewas </para>
      <para>in gebruik zijn geweest. De foto's betreffen immers momentopnamen en het is </para>
      <para>zeer wel mogelijk dat in de periode gelegen tussen de twee tijdstippen waarop </para>
      <para>de foto's worden genomen een ander gewas wordt geteeld dan uit de foto's </para>
      <para>blijkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande is ook in casu het geval. Zou uit de foto's al omstotelijk volgen </para>
      <para>dat op het moment waarop de foto's werden genomen betreffende perceel in </para>
      <para>gebruik was ten behoeve van de grasteelt, dan sluit zulks nog geenszins uit dat </para>
      <para>in de tussenliggende periode door appellanten op het betreffende perceel ma‹s </para>
      <para>is geteeld, hetgeen ook daadwerkelijk het geval is geweest.</para>
      <para>Uit het betoog van appellanten zoals zij dit tijdens de behandeling van de </para>
      <para>aanvraag en gedurende de behandeling van het bezwaarschrift naar voren </para>
      <para>hebben gebracht, volgt dat na een uiterst nat voorjaar in 1987 het perceel te nat </para>
      <para>was om opnieuw met gras in te zaaien. Het perceel is toen gereed gemaakt voor </para>
      <para>de ma‹steelt en ingezaaid met ma‹szaad. Dit inzaaien is in of omstreeks eind </para>
      <para>april/begin mei 1987 gebeurd. De ma‹s is vervolgens medio september 1998 </para>
      <para>geoogst, waarna het perceel weer geschikt is gemaakt om in te zaaien met gras.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de Minister wordt geen enkel bewijsstuk aangevoerd, dat het betoog van </para>
      <para>appellanten ontkracht.</para>
      <para>Appellanten hebben daarentegen bewijs voor hun stelling dat in het seizoen </para>
      <para>1987 het betreffende perceel ten behoeve van de ma‹steelt in gebruik is </para>
      <para>geweest.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De stelling van appellanten dat het betreffende perceel in 1987 in gebruik is </para>
      <para>geweest voor de teelt van ma‹s correspondeert ook met de jaarrekening van </para>
      <para>appellanten van dat jaar, waarin kosten zijn opgenomen voor de aankoop van </para>
      <para>ma‹szaad, loonwerkkosten, etc. Bovendien is deze stelling in overeenstemming </para>
      <para>met de meitellingopgave van dat jaar, uit welke opgave niet alleen blijkt van de </para>
      <para>teelt van ma‹s, maar ook van een kleiner areaal grasland dan in andere jaren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft appellante onder meer het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"	In het verweerschrift wordt door de Minister gesteld dat de foto's "een </para>
      <para>aanwijzing" zijn en dus kennelijk geen hard bewijs vormen. Dat kan ook niet </para>
      <para>omdat de foto's niet verder technisch of logisch onderbouwd en verklaard </para>
      <para>worden. Het aannemen van de juistheid van de "diagnose: grasland" is </para>
      <para>uitsluitend een kwestie van geloven en is dus daarmee niet overtuigend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het door appellanten geleverde bewijs in de vorm van de getuigenverklaringen, </para>
      <para>had dus zwaarder moeten wegen en had in ieder geval niet zonder nadere </para>
      <para>motivatie van de hand moeten worden gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovendien zijn de gegevens van de foto's en de getuigenverklaringen niet </para>
      <para>zonder meer met elkaar in tegenspraak. De foto's zijn gemaakt op 5 mei 1987 </para>
      <para>en 2 oktober 1987. Die 2 data liggen respectievelijk voor de datum van zaaien </para>
      <para>en na de datum van oogsten van ma‹s in 1987. </para>
      <para>Ma‹s wordt in mei gezaaid; hoe natter het voorjaar, hoe later de datum van </para>
      <para>zaaien. In 1987 was er sprake van een nat voorjaar.</para>
      <para>Ma‹s wordt vanaf half september geoogst en dat is ook in het geval van </para>
      <para>appellanten het geval geweest. Na het oogsten is het perceel weer met gras </para>
      <para>ingezaaid.</para>
      <para>Voor zover de foto's dus al enige zeggingskracht hebben, sluiten zij in het </para>
      <para>geheel niet uit dat in de periode tussen de 2 momentopnamen in, het perceel in </para>
      <para>gebruik is geweest voor de akkerbouw."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De verklaringen van de getuigen</para>
      <para>Getuige D heeft over het perceel verklaard dat het in 1987 weiland was, maar in verband </para>
      <para>met de regen in april van dit jaar met ma‹s is ingezaaid, de oogst waarvan in oktober heeft </para>
      <para>plaats gevonden.</para>
      <para>Getuige E heeft verklaard dat hij ongeveer twee weken v¢¢r 24 april 1987 heeft gezien dat </para>
      <para>het gras op het perceel was doodgespoten. </para>
      <para>6.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>6.1	Ingevolge artikel 1 van de Regeling wordt - voor zover hier van belang - onder akkerland </para>
      <para>verstaan het geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die </para>
      <para>gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland </para>
      <para>in gebruik was. </para>
      <para>Aan de orde is de vraag of verweerder zijn nader standpunt dat niet kan worden </para>
      <para>aangenomen dat de perceel 6 niet in de periode 1987 tot en met 1991 in gebruik is geweest </para>
      <para>als blijvend grasland, heeft kunnen baseren op satellietwaarnemingen die in die periode </para>
      <para>van perceel 6 zijn gedaan. </para>
      <para>6.2	Appellante heeft gesteld dat in het tijdvak tussen de tijdstippen waarop in 1987 </para>
      <para>satellietfoto's zijn genomen, perceel 6 voor ma‹steelt in gebruik is geweest en beroept zich </para>
      <para>hiertoe op getuigenverklaringen. </para>
      <para>Het College overweegt dienaangaande dat uit hetgeen appellante heeft aangevoerd en door </para>
      <para>de getuigen is verklaard niet eenduidig valt af te leiden dat eerst na de satellietopname van </para>
      <para>5 mei 1997 grasland van perceel 6 is gewijzigd in het beweerde akkerland, noch dat </para>
      <para>voorafgaand aan de satellietopname van 2 oktober 1997 dat akkerland weer is ingezaaid </para>
      <para>met gras. Het College neemt hierbij in aanmerking dat volgens getuige D perceel 6 in april </para>
      <para>1997 met ma‹s is ingezaaid en in oktober 1997 is geoogst, en dat appellante ter hoorzitting </para>
      <para>tegenover verweerder heeft verklaard perceel 6 eind oktober 1997 weer met gras te hebben </para>
      <para>ingezaaid.</para>
      <para>6.3	Aangaande de vraag of verweerder de onderhavige aanvraag anders heeft kunnen </para>
      <para>beoordelen dan vergelijkbare voorafgaande eerdere aanvragen van appellante, die steeds </para>
      <para>zijn goedgekeurd, overweegt hert College als volgt.</para>
      <para>Verweerder heeft in voorgaande jaren appellantes aanvragen minder fijnmazig </para>
      <para>gecontroleerd waarbij hij perceel 6 wel steeds heeft aangemerkt als akkerland. </para>
      <para>Deze omstandigheden staan er niet aan in de weg dat verweerder appellantes aanvraag voor </para>
      <para>1999 toetst aan meer gedetailleerde controlegegevens als bedoelde satellietopnames die </para>
      <para>inmiddels te zijner beschikking zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden </para>
      <para>verweerder bij de beslissing op die aanvraag op grondslag van deze gegevens terug te </para>
      <para>komen van zijn conclusie in voorgaande jaren, dat het als zodanig door appellante </para>
      <para>opgegeven perceel 6 voldoet aan de definitie van akkerland, met dien verstande dat </para>
      <para>appellante de gelegenheid moet worden geboden in bezwaar aannemelijk te maken dat het </para>
      <para>perceel waarop bedoelde satellietopnames betrekking hebben, wel degelijk als akkerland is </para>
      <para>gebruikt in de referentiejaren 1987 tot en met 1991. </para>
      <para>Bij de beoordeling van de bewijsvoering van appellante tegenover de aanwijzingen die aan </para>
      <para>de satellietopnames kunnen worden ontleend, dient mede in aanmerking te worden </para>
      <para>genomen de tijd die sinds de referentieperiode is verstreken gedurende de jaren waarin </para>
      <para>verweerder perceel 6 wel heeft aangemerkt als akkerland. Niet onaannemelijk is immers </para>
      <para>dat appellantes bewijspositie hierdoor slechter is geworden. </para>
      <para>6.4	In het voorliggende geval zijn weliswaar tijdens verweerders hoorzitting op 15 september </para>
      <para>1999 aan appellante de satellietopnames van perceel 6 getoond, die Georas hebben </para>
      <para>gebracht tot de diagnose: "grasland". Blijkens het verslag van die hoorzitting heeft de als </para>
      <para>voorzitter functionerende ambtenaar volstaan met de mededeling dat Georas op de </para>
      <para>opnames kan zien welk gewas op het perceel staat, maar desgevraagd verklaard niet te </para>
      <para>kunnen uitleggen hoe dit wordt gedaan en wat de betekenis van kleurverschillen is. </para>
      <para>Het College acht die enkele mededeling onvoldoende. Verwacht mag worden dat </para>
      <para>verweerder de satellietopnames analyseert, na concreet met de stellingen van appellante </para>
      <para>geconfronteerd te zijn, en beoordeelt of die met hetgeen uit de satellietopnames blijkt, </para>
      <para>verenigbaar zijn. Verweerder zal op basis daarvan dienen te beslissen of hij in het licht </para>
      <para>hiervan aan zijn aan het primaire besluit ten grondslag liggende bevindingen kan </para>
      <para>vasthouden. Daarbij dient op inzichtelijke wijze te worden aangegeven op welke </para>
      <para>bevindingen dit oordeel steunt.</para>
      <para>Ook ter zitting van het College heeft verweerder, aan wie was verzocht de kleurenfoto's </para>
      <para>van de satellietopnames over te leggen, desgevraagd geen uitleg kunnen geven bij de </para>
      <para>verschillende kleuren van de percelen op de satellietopnames en voor zijn conclusie uit de </para>
      <para>satellietopnames volstaan met verwijzing naar het oordeel van ter zake deskundigen.</para>
      <para>Het College constateert dat verweerder ook anderszins niet heeft aangegeven hoe de </para>
      <para>satellietopnames hem tot de vaststelling hebben gebracht dat perceel 6 in de periode 1987 </para>
      <para>tot en met 1991 (permanent) als grasland in gebruik was.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie, dat het bestreden besluit geen blijk </para>
      <para>geeft dat verweerder bij zijn besluitvorming op appellantes bezwaar heeft voldaan aan de </para>
      <para>ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende plicht de nodige kennis omtrent de </para>
      <para>relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Voorts berust het bestreden besluit </para>
      <para>niet op een deugdelijke motivering en voldoet het niet aan het bepaalde bij artikel 7:12 van </para>
      <para>de Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para>6.5	De slotsom is dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. </para>
      <para>Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum </para>
      <para>van deze uitspraak vermeld. Verweerder is te veroordelen in de kosten van appellante in </para>
      <para>verband met de behandeling van het beroep, die op de voet van het Besluit proceskosten </para>
      <para>bestuursrecht bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand </para>
      <para>(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit van 11 oktober 1999;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met in acht nemen van deze uitspraak;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op ? 1.420,-- (zegge: eenduizend-vierhonderd-en-twintig gulden) en te </para>
      <para>vergoeden aan appellante door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>-	bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van ? 450,-- </para>
      <para>(zegge: vierhonderd-en-vijftig gulden)  wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>-	wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr W. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. Th.J. van Gessel</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>