<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1150</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T12:05:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1150</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/242</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006829&amp;artikel=2&amp;g=2001-04-07">Besluit verdachte dieren 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=15&amp;g=2001-04-07">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 15</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=17&amp;g=2001-04-07">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=21&amp;g=2001-04-07">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22&amp;g=2001-04-07">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=111&amp;g=2001-04-07">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 111</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1150">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1150</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1150 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 07-04-2001 / AWB 01/242</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1150:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1150:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 01/242						7 april 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. A, </para>
      <para>2. B,</para>
      <para>3. C,</para>
      <para>4. Maatschap D,</para>
      <para>5. E v.o.f.,</para>
      <para>6. F,</para>
      <para>7. G,</para>
      <para>8. H,</para>
      <para>9. I,</para>
      <para>10. J,</para>
      <para>11. K,</para>
      <para>12. Maatschap L,</para>
      <para>13. M,</para>
      <para>14. N,</para>
      <para>15. O,</para>
      <para>te Kootwijkerbroek, verzoekers,</para>
      <para>gemachtigde: mr H.J. Bronkhorst, advocaat te 's-Gravenhage en mr drs N.W.A. Tollenaar, </para>
      <para>advocaat-stagiair te 's-Gravenhage,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>1. de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage,</para>
      <para>2. De Directeur van de Rijkdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te 's-Gravenhage,</para>
      <para>hierna individueel en gezamenlijk mede aan te duiden als verweerder, </para>
      <para>gemachtigden: mr G. de Goede en mr P. Kooiman, werkzaam bij verweerders ministerie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij 15 gelijkluidende besluiten van 29 maart 2001, (die voor wat betreft verzoekers 13 tot </para>
      <para>en met 15 aan hen op 3 april zijn bekend gemaakt), heeft verweerder, verzoekers, onder </para>
      <para>verwijzing naar artikel 24 van de Gezondheidsheids- en welzijnswet voor dieren  (hierna: </para>
      <para>de Wet), medegedeeld dat alle evenhoevigen dan wel voor mond- en klauwzeer gevoelige </para>
      <para>dieren op de bedrijven van verzoekers op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit </para>
      <para>verdachte dieren (Besluit van 15 juli 1994, houdende regels betreffende verdachte dieren, </para>
      <para>Stb. 1994, 731, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 augustus 1998, Stb. 1998, 667, </para>
      <para>hierna: het Besluit) met ingang van die respectievelijke data als verdacht van mond- en </para>
      <para>klauwzeer worden aangemerkt. Tevens heeft verweerder verzoekers, onder verwijzing naar </para>
      <para>artikel 21, derde lid, van de Wet, medegedeeld dat hij spoedshalve onder meer de volgende </para>
      <para>maatregel neemt:</para>
      <para>"	1. Ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van </para>
      <para>verspreiding ervan is het noodzakelijk dat alle evenhoevigen op uw bedrijf, </para>
      <para>overeenkomstig artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de GWWD, worden </para>
      <para>gedood. Over het precieze tijdstip van het doden van de dieren zult u nog nader </para>
      <para>ge‹nformeerd worden.</para>
      <para>In afwachting van het doden van de op uw bedrijf aanwezige evenhoevige </para>
      <para>dieren zullen zij overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de GWWD worden </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer. Het vaccineren geschiedt namens de </para>
      <para>Rijksdienst voor Vee en Vlees. De gevaccineerde dieren worden terstond na de </para>
      <para>vaccinatie voorzien van een daartoe door de directeur van de Rijksdienst voor </para>
      <para>de keuring van Vee en Vlees aangewezen identificatiemerk. Over het precieze  </para>
      <para>tijdstip waarop uw dieren gevaccineerd zullen worden, zult u nog nader </para>
      <para>ge‹nformeerd worden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze besluiten hebben verzoekers bezwaarschriften ingediend. Voorts hebben zij bij </para>
      <para>gelijkluidende verzoekschriften van 2 april 2001 (verzoekers sub 1 tot en met 12) en 6 april </para>
      <para>2001 (verzoekers sub 13 tot en met 15) aan de president van het College verzocht een </para>
      <para>voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de </para>
      <para>bovengenoemde besluiten. Aanvankelijk heeft de gemachtigde van verzoekers aangegeven </para>
      <para>de behandeling van de verzoeken van verzoekers sub 1 tot en met 12 aan te houden. Op </para>
      <para>6 april 2001 heeft de gemachtigde van verzoekers tenslotte om mondelinge behandeling </para>
      <para>van de verzoeken om voorlopige voorziening verzocht. </para>
      <para>De president heeft de verzoeken vervolgens behandeld ter zitting van 7 april 2001, alwaar </para>
      <para>partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. </para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	In de considerans van Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van de Europese Gemeen-</para>
      <para>schappen van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter </para>
      <para>bestrijding van mond- en klauwzeer (PbEG L315, hierna: de Richtlijn) is onder meer het </para>
      <para>volgende overwogen:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend </para>
      <para>te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen; (.)</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de considerans van Richtlijn 90/423/EEG van de Raad van de Europese Gemeen-</para>
      <para>schappen van 26 juni 1990 tot wijziging van onder meer de Richtlijn, wordt onder meer het </para>
      <para>volgende overwogen:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Overwegende dat uit een door de Commissie uitgevoerde studie inzake de </para>
      <para>bestrijding van mond- en klauwzeer is gebleken dat een niet-vaccinatiebeleid </para>
      <para>voor de Gemeenschap als geheel de voorkeur verdient boven een </para>
      <para>vaccinatiebeleid (.)</para>
      <para>Overwegende dat uit de studie van de Commissie over het toekomstige </para>
      <para>communautaire beleid inzake vaccinatie duidelijk is gebleken dat vanaf een </para>
      <para>bepaalde datum de vaccinatie tegen deze ziekte officieel moet worden </para>
      <para>stopgezet en dat die stopzetting vergezeld moet gaan van een beleid waarbij </para>
      <para>besmette dieren systematisch worden afgemaakt en afgevoerd voor destructie </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Overwegende dat het in extreme situaties waarin de epizo”tie zich op grote </para>
      <para>schaal dreigt te verspreiden, noodzakelijk kan zijn noodvaccinaties uit te </para>
      <para>voeren (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 1, 2, 5 en 13 van de Richtlijn, luiden, voorzover hier van belang, als volgt:</para>
      <para>				" Artikel 1</para>
      <para>In deze richtlijn worden de communautaire bestrijdingsmaatregelen vastgesteld </para>
      <para>die bij het uitbreken van mond- en klauwzeer, ongeacht de betrokken </para>
      <para>virussoort, moeten worden toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 2</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Voorts wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop:</para>
      <para>- klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op </para>
      <para>mond- en klauwzeer kunnen duiden, of</para>
      <para>- de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na </para>
      <para>laboratoriumonderzoek;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 5</para>
      <para>Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in </para>
      <para>artikel 2, onder c, bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde </para>
      <para>autoriteit de volgende maatregelen neemt:</para>
      <para>1. de offici‰le dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met </para>
      <para>het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, </para>
      <para>wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de </para>
      <para>periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;</para>
      <para>2. naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de </para>
      <para>volgende maatregelen getroffen:</para>
      <para>- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel </para>
      <para>toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor </para>
      <para>verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht </para>
      <para>vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- </para>
      <para>en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de </para>
      <para>onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging </para>
      <para>hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf </para>
      <para>waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 13</para>
      <para>1. De Lid-Staten zien erop toe dat:</para>
      <para>- het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van </para>
      <para>mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te </para>
      <para>voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, </para>
      <para>wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte </para>
      <para>zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen </para>
      <para>maatregelen hebben met name betrekking op:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>-	andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.</para>
      <para>Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de </para>
      <para>Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16. Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening </para>
      <para>gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de </para>
      <para>noodzaak speciale rassen te beschermen.</para>
      <para>In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de </para>
      <para>ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid-</para>
      <para>Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de </para>
      <para>Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt onmiddellijk </para>
      <para>ge‰valueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comit‚ volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De considerans, alsmede de artikelen 1, 2 en 3 van de Beschikking van de Europese </para>
      <para>Commissie van 27 maart 2001, nr. 2001/246/EG, houdende vaststelling van voorschriften  </para>
      <para>voor de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland op grond van </para>
      <para>artikel 13 van Richtlijn 85/511 (PbEG L88/21, hierna: de Beschikking), luiden, voorzover </para>
      <para>hier van belang, als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>(6) Het op grote schaal doden van dieren op besmette of verontreinigde </para>
      <para>bedrijven kan er al snel toe leiden dat de capaciteit voor het veilig vernietigen </para>
      <para>van karkassen is opgebruikt waardoor onvermijdelijk vertraging ontstaat bij het </para>
      <para>preventief doden, wat dan weer kan leiden tot verdere verspreiding van het </para>
      <para>virus.</para>
      <para>(7) De bevoegde autoriteiten van Nederland hebben bij de Commissie een </para>
      <para>programma ingediend inzake de toepassing van vaccinatie als aanvullend </para>
      <para>instrument bij de bestrijding en de uitroeiing van mond- en klauwzeer in </para>
      <para>combinatie met het preventief doden van dieren van gevoelige soorten. Hoewel </para>
      <para>het gebruik van vaccin in het kader van preventieve doding alleen nut heeft </para>
      <para>wanneer de periode waarmee het doden naar verwachting moet worden </para>
      <para>uitgesteld, langer is dan de periode die nodig is om voldoende immuniteit op te </para>
      <para>bouwen om virusverspreiding effectief tegen te gaan, mag vaccinatie er in geen </para>
      <para>enkel geval leiden tot een vertraging van het tempo waarin het aantal dieren </para>
      <para>van gevoelige soorten rond een uitbraak wordt gereduceerd.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>(11) Deze beschikking heeft ten doel vast te stellen onder welke voorwaarden </para>
      <para>Nederland noodvaccinatie mag toepassen.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 1</para>
      <para>Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:</para>
      <para>1. Preventieve doding: het doden van gevoelige dieren op bedrijven in een </para>
      <para>gebied met een bepaalde straal rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of 5 </para>
      <para>van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen van toepassing </para>
      <para>zijn.</para>
      <para>Deze doding heeft ten doel het aantal dieren van gevoelige soorten  in een </para>
      <para>besmet gebied snel te doen dalen.</para>
      <para>2. Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op </para>
      <para>ge‹dentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die </para>
      <para>uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als </para>
      <para>omschreven in punt 1.</para>
      <para>Deze vaccinatie heeft ten doel de hoeveelheid circulerend virus en het risico </para>
      <para>van virusverspreiding buiten het omschreven gebied dringend te verminderen, </para>
      <para>zonder evenwel vertraging bij het preventief doden te veroorzaken.</para>
      <para>Deze vaccinatie mag uitsluitend worden uitgevoerd wanneer het preventief </para>
      <para>doden van dieren van gevoelige soorten  om een van de onderstaande redenen </para>
      <para>moet worden uitgesteld voor een periode die waarschijnlijk langer is dan de </para>
      <para>periode die nodig is om virusverspreiding effectief tegen te gaan door </para>
      <para>immunisatie:</para>
      <para>- beperkingen inzake de capaciteit om dieren van gevoelige soorten te doden </para>
      <para>overeenkomstig Richtlijn 93/119/EEG,</para>
      <para>- beperkingen inzake de beschikbare capaciteit om de gedode dieren te </para>
      <para>vernietigen overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede streepje, van Richtlijn </para>
      <para>85/511/EEG.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 2</para>
      <para>1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEG, en met name de artikelen 4, 5 en 9, </para>
      <para>mag Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder de </para>
      <para>in de bijlage vastgestelde voorwaarden.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de </para>
      <para>bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van </para>
      <para>artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>Omvang van het geografische gebied </para>
      <para>waar suppressievaccinatie wordt </para>
      <para>toegepast</para>
      <para>Het vaccinatiegebied omvat een gebied met </para>
      <para>een straal van maximaal 2 km rond een bedrijf </para>
      <para>waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van </para>
      <para>Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende </para>
      <para>maatregelen worden toegepast."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					  Artikel 3</para>
      <para>Deze beschikking is gericht tot de lidstaten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Bij de Wet is onder meer het volgende bepaald:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 15</para>
      <para>1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen </para>
      <para>besmettelijke dierziekten bij:</para>
      <para>a. vee;</para>
      <para>(.)</para>
      <para>4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als </para>
      <para>verdachte dieren moeten worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 17</para>
      <para>1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde </para>
      <para>gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte </para>
      <para>kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze </para>
      <para>voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of </para>
      <para>aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter</para>
      <para>voorkoming van overbrenging van besmetting.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21</para>
      <para>1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo </para>
      <para>nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich </para>
      <para>heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of </para>
      <para>ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke </para>
      <para>maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.</para>
      <para>2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>3. In spoedeisende gevallen  neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze</para>
      <para>maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 22</para>
      <para>1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>(.);</para>
      <para>f. het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>(.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 111</para>
      <para>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van </para>
      <para>krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische </para>
      <para>Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze </para>
      <para>wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken </para>
      <para>van bepalingen van deze wet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2 van het Besluit verdachte dieren, waarbij in de intitul‚ onder meer wordt </para>
      <para>verwezen naar de Richtlijn, alsmede naar de artikelen 15, vierde lid, en 111, van de Wet, </para>
      <para>luidt als volgt:</para>
      <para>"	Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien:</para>
      <para>a. de aangewezen dierenarts bij de dieren verschijnselen meent te bespeuren </para>
      <para>van een besmettelijke dierziekte of</para>
      <para>b. de dieren zich met zieke of verdachte dieren in dezelfde verblijfplaats </para>
      <para>bevinden of binnen de in artikel 3 genoemde termijn hebben bevonden dan wel </para>
      <para>binnen deze termijn daarmee in aanraking zijn geweest of</para>
      <para>c. de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de</para>
      <para>gelegenheid zijn geweest  om te worden besmet, en de diersoort voor de </para>
      <para>desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1 van de door de minister van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij </para>
      <para>bij besluit van 3 april 2001, (in werking getreden op 3 april 2001 om 20.00 uur) </para>
      <para>vastgestelde wijziging van de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001, waarbij </para>
      <para>in de intitul‚ onder meer is verwezen naar artikel 13, derde lid, van de Richtlijn ( hierna: de </para>
      <para>Regeling), luidt als volgt:</para>
      <para>"	Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de </para>
      <para>artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren </para>
      <para>aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door </para>
      <para>de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen </para>
      <para>zone rond de ziektehaard, dan wel in het in de bijlage omschreven gebied, </para>
      <para>overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen gevaccineerd tegen mond- </para>
      <para>en klauwzeer."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>-	Op 29 maart 2001 heeft verweerder de besluiten genomen ten aanzien waarvan thans </para>
      <para>de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn gedaan. In deze besluiten heeft </para>
      <para>verweerder als reden van verdenking van mond- en klauwzeer vermeld dat in de </para>
      <para>omgeving van de bedrijven van verzoekers, te weten in Kootwijkerbroek op </para>
      <para>29 maart 2001, een geval van  mond- en klauwzeer is vastgesteld en dat daardoor niet </para>
      <para>kan worden uitgesloten dat de dieren op de bedrijven van verzoekers in de </para>
      <para>gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met mond- en klauwzeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De gronden van het verzoek</para>
      <para>Bij de verzoekschriften hebben verzoekers dezelfde argumenten aangevoerd als de </para>
      <para>verzoekers in de zaak AWB 01/222, d.d. 31 maart 2001, in welke zaak mr Bronkhorst </para>
      <para>evenzeer als gemachtigde van de verzoekende partij is opgetreden.</para>
      <para>Verzoekers hebben ter zitting hun argumenten, ten betoge dat het treffen van de gevraagde </para>
      <para>voorlopige voorzieningen aangewezen is, toegespitst op het gelijkheidsbeginsel. Zij menen </para>
      <para>dat verweerder dit beginsel bij het nemen van de hier aangevallen besluiten heeft </para>
      <para>geschonden en dat daarom aan die besluiten de werking zou moeten worden ontnomen. </para>
      <para>Hun argumentatie komt kortweg op het volgende neer.</para>
      <para>In de driehoek Deventer-Apeldoorn-Zwolle wordt nog nader bezien of runderen moeten </para>
      <para>worden gedood, terwijl rond Kootwijkerbroek alle evenhoevigen direct worden gedood. </para>
      <para>Uit het voor de driehoek thans vigerende beleid blijkt dat het doden van dieren geen wet </para>
      <para>van Meden en Perzen moet zijn, hetgeen ook voor de regio Kootwijkerbroek dient te </para>
      <para>gelden. </para>
      <para>De bevoegdheid om gezonde dieren te doden is in de Wet slechts gegeven ter bestrijding </para>
      <para>van zeer besmettelijke dierziektes. De maatregelen van verweerder vinden daarentegen hun </para>
      <para>basis slechts in het streven van verweerder tot het behoud voor Nederland van de status van </para>
      <para>MKZ-vrij land, en dienen mitsdien slechts handelsbelangen. </para>
      <para>4.	Het nadere standpunt van verweerder</para>
      <para>Ter toelichting van zijn besluiten van 29 maart 2001 heeft verweerder ter zitting nog het </para>
      <para>volgende aangevoerd.</para>
      <para>Verweerder handhaaft zijn standpunt zoals verwoord in de zaak van de maatschap T.J.M, </para>
      <para>P.T.A. &amp; T.M. Voormeren, te Kootwijkerbroek (no. AWB 01/222) waarin de president van </para>
      <para>het College op 31 maart 2001, uitspraak heeft gedaan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het beroep van verzoekers op het gelijkheidsbeginsel voert verweerder aan </para>
      <para>dat verweerder in de driehoek Deventer-Apeldoorn-Zwolle het volgende beleid voert. In de </para>
      <para>twee kilometergebieden binnen de driehoek, wordt - evenals in het twee-kilometergebied in </para>
      <para>de kring rond Kootwijkerbroek - in verband met de binnen deze twee-kilometergebieden </para>
      <para>aanwezige grote risico's van verspreiding van het mond- en klauwzeervirus, tot ruiming </para>
      <para>van evenhoevigen overgegaan. In de daaromheen - binnen de driehoek gelegen gebieden - </para>
      <para>wordt eveneens geruimd, dan wel in afwachting van ruiming gevaccineerd, met dien </para>
      <para>verstande dat ten aanzien van runderen op dit moment wel vaccinatie maar nog geen </para>
      <para>ruiming plaats vindt in afwachting van nadere veterinaire rapportages en nadere nationale </para>
      <para>standpuntbepalingen. </para>
      <para>Het beleid van verweerder is er op gericht om het mond- en klauwzeervirus op adequate </para>
      <para>wijze te bestrijden en in te dammen, waarbij alle betrokken belangen - waaronder tevens de </para>
      <para>handelsbelangen vallen - worden meegewogen en waarbij overleg wordt gevoerd met alle </para>
      <para>betrokkenen. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de </para>
      <para>Awb) juncto artikel 19, eerste lid van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, </para>
      <para>indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een </para>
      <para>mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden </para>
      <para>getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>In de uitspraak van de president van het College van 3 april 2001, no. AWB 01/231, inzake </para>
      <para>de maatschap Q, te Kootwijkerbroek, heeft de president, onder aanvoering van de in die </para>
      <para>zaak daartoe leidende overwegingen, aangenomen dat er voorshands, evenals in zijn </para>
      <para>uitspraak van 30 maart 2001 (AWB 01/228), voldoende bevestiging in de zin van de </para>
      <para>Richtlijn is gegeven, dat ‚‚n of meer dieren op het primaire bedrijf in Kootwijkerbroek, </para>
      <para>daadwerkelijk besmet zijn geweest met het mond- en klauwzeervirus. De president neemt </para>
      <para>deze vaststelling - bij gebreke van enig valide aanknopingspunt dat ten tijde hier van </para>
      <para>belang tot een ander inzicht zou moeten leiden - eveneens bij de beoordeling van de </para>
      <para>onderhavige verzoeken tot uitgangspunt. De bedrijven van verzoekers liggen binnen een </para>
      <para>straal van twee kilometer van het primaire bedrijf. </para>
      <para>De argumenten die verzoekers hebben aangevoerd ten betoge dat de gevraagde voorlopige </para>
      <para>vooziening hier zou moeten worden getroffen en die gelijk zijn aan dan wel dezelfde </para>
      <para>strekking hebben als de argumenten zoals die zijn aangevoerd in de hiervoor reeds </para>
      <para>genoemde zaak AWB 01/222, d.d. 31 maart 2001, kunnen niet tot het gevraagde leiden. De </para>
      <para>president verwijst voor zijn motivering van dat oordeel, kortheidshalve, naar de </para>
      <para>overwegingen van de president in die uitspraak, welke uitspraak in afschrift aan deze </para>
      <para>uitspraak is gehecht.</para>
      <para>Met betrekking tot de resterende argumenten overweegt de president als volgt.</para>
      <para>Verzoekers hebben hun verzoek om voorlopige voorziening tenslotte voornamelijk nog </para>
      <para>doen steunen op een beroep op het gelijkheidsbeginsel. </para>
      <para>Daartoe hebben zij verwezen naar de aanpak van de MKZ-crisis door verweerder in de </para>
      <para>driehoek Deventer-Apeldoorn-Zwolle. In dat gebied is de benadering van verweerder als </para>
      <para>volgt. In de twee-kilometergebieden wordt tot ruiming van evenhoevigen overgegaan. In </para>
      <para>de daaromheen - binnen de driehoek gelegen gebieden - worden evenhoevigen eveneens </para>
      <para>geruimd, dan wel in afwachting van ruiming gevaccineerd, met dien verstande dat ten </para>
      <para>aanzien van runderen op dit moment wel vaccinatie maar nog geen ruiming plaats vindt in </para>
      <para>afwachting van nadere veterinaire rapportages en nadere nationale standpuntbepalingen.</para>
      <para>Verzoekers menen dat een zelfde benadering in de kring Kootwijkerbroek - waarin de </para>
      <para>bedrijven van verzoekers zijn gelegen - zou moeten worden gevolgd, met als gunstig </para>
      <para>resultaat dat ook hun runderen voorshands gespaard zouden blijven.</para>
      <para>Verweerder heeft ter verklaring van deze verschillende aanpak aangevoerd dat de risico's in </para>
      <para>de twee kilometergebieden zo groot moeten worden geacht dat steeds tot ruiming moet </para>
      <para>worden overgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president ziet voorshands niet in dat een dergelijke benadering, geplaatst tegen de </para>
      <para>achtergrond van de hier toegepaste regelgeving en in aanmerking genomen de belangen die </para>
      <para>hier op het spel staan, onbestaanbaar zou zijn.</para>
      <para>Dat betekent dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel hier, naar voorlopig oordeel van de </para>
      <para>president, niet opgaat. </para>
      <para>De locatie van de bedrijven van verzoekers zijn immers qua afstand tot het primaire bedrijf </para>
      <para>vergelijkbaar met de bedrijven die liggen binnen de kringen in de driehoek Apeldoorn-</para>
      <para>Deventer-Zwolle, in welke kringen ruiming evenzeer voorop staat.</para>
      <para>De overige door verzoekers aangedragen argumenten leiden de president niet tot het </para>
      <para>oordeel dat de verzoeken om voorlopige voorziening niettemin zouden moeten worden </para>
      <para>toegewezen. Niet met vrucht kan worden gezegd dat het thans door verweerder gevoerde </para>
      <para>beleid, ten tijde hier van belang, de hier aan te leggen toets der kritiek - hoe ingrijpend in </para>
      <para>de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen in voorkomend geval ook - niet kan </para>
      <para>doorstaan. </para>
      <para>De president verwijst daartoe naar de overwegingen dienaangaande in de hiervoor </para>
      <para>genoemde uitspraak van de president d.d. 31 maart 2001 (AWB 01/222). </para>
      <para>Ten aanzien van het laatste door verzoekers naar voren gebrachte argument, kortweg </para>
      <para>inhoudende, dat met de bestreden besluiten in wezen slechts wordt beoogd </para>
      <para>handelsbelangen te dienen, overweegt de president dat deze belangen, naar door </para>
      <para>verweerder is erkend, bij de totale afweging van de verschillende belangen mede op de </para>
      <para>weegschaal worden gelegd. Voorshands is evenwel niet aannemelijk geworden dat niet de </para>
      <para>doeltreffendheid van de bestrijding van de ziekte, doch die handelsbelangen in het beleid </para>
      <para>van verweerder tot uitgangspunt zijn genomen. Dit argument van verzoekers wijst de </para>
      <para>president derhalve als onvoldoende gefundeerd van de hand.</para>
      <para>De slotsom moet zijn dat de verzoeken om voorlopige voorziening dienen te worden afgewezen.</para>
      <para>De president ziet geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de verzoeken heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. R.R. Winter					w.g. Th.J. van Gessel</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>