<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1121</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:44:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1121</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6662</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/45</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002145&amp;artikel=17&amp;g=2001-04-11">Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002145&amp;artikel=29&amp;g=2001-04-11">Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 29</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 161 met annotatie van J.H. van der Veen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1121">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1121</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1121 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 11-04-2001 / AWB 00/45</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1121:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1121:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 00/45						11 april 2001</para>
      <para>	20310</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant van een tuchtbeschikking, gewezen door het Tuchtgerecht Productschap voor </para>
      <para>Pluimvee en Eieren (verder: het Tuchtgerecht). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij tuchtbeschikking nr. TPPE 21/1999, gewezen op 7 januari 2000, heeft het Tuchtgerecht </para>
      <para>aan appellant een maatregel opgelegd.</para>
      <para>Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het College op 19 januari 2000, heeft appellant </para>
      <para>beroep ingesteld tegen die tuchtbeschikking.</para>
      <para>De secretaris van het Tuchtgerecht heeft bij brief van 1 februari 2000 aan het College de </para>
      <para>stukken doen toekomen die op de zaak betrekking hebben. </para>
      <para>Het College heeft de zaak behandeld ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2000.</para>
      <para>Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door mr F.M.C. Veenman, werkzaam bij het </para>
      <para>Gemeenschappelijk Secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren.</para>
      <para>Bij brief van 21 november 2000 heeft het College nadere inlichtingen gevraagd bij het </para>
      <para>Tuchtgerecht. Deze inlichtingen zijn bij brieven van 12 december 2000 en 31 januari 2001 </para>
      <para>door het Tuchtgerecht verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De vaststaande feiten</para>
      <para>2.1	Het berechtingsrapport </para>
      <para>Het berechtingsrapport, op 11 november 1999 opgemaakt door P.R. de Gooijer, controleur </para>
      <para>bij de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten, heeft, voor zover </para>
      <para>hier van belang, de navolgende inhoud:</para>
      <para>"	Pieter Rinze de Gooijer controleur bij de Stichting Controlebureau voor </para>
      <para>Pluimvee, Eieren en Eiprodukten, Postbus 504, 3700 AM Zeist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 oktober 1999, omstreeks 10.00 uur, bevond ik, relatant P.R. de Gooijer, </para>
      <para>mij op een perceel gelegen aan de C, te B. Aldaar is het vleeskuikenbedrijf van </para>
      <para>A gevestigd, geregistreerd bij het Productschap voor Pluimvee en Eieren onder </para>
      <para>nummer 0635380.</para>
      <para>Ik bevond mij aldaar ter controle op de voorschriften van de "Verordening </para>
      <para>hygi‰nevoorschriften pluimveehouderij 1997" en het "Hygi‰nebesluit </para>
      <para>vleeskuikenbedrijven 1997".</para>
      <para>Uit beschikbare informatie is het mij relatant bekend dat er op bedoeld </para>
      <para>vleeskuikenbedrijf onder meer op 11 juni 1999 en 17 augustus 1999 </para>
      <para>respectievelijk 20.540 en 20.000 vleeskuikens zijn opgezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op tijd en plaats voornoemd sprak ik aldaar een persoon, aan wie ik mij in mijn </para>
      <para>functie bekend maakte en die ik met het doel van mijn komst in kennis stelde. </para>
      <para>Deze persoon verklaarde mijA te zijn, hierna te noemen betrokkene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de hand van een door het Productschap voor Pluimvee en Eieren </para>
      <para>opgestelde checklist controleerde ik voornoemd vleeskuikenbedrijf, waarbij </para>
      <para>betrokkene mij vergezelde en welke checklist hij voor gezien heeft getekend. </para>
      <para>Deze checklist is als bijlage l bij dit berechtingsrapport gevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens deze controle zag ik dat op de navolgende wijze niet aan de </para>
      <para>verplichtingen was voldaan:</para>
      <para>		-	er was geen ongediertebestrijdingsplan opgesteld;</para>
      <para>		-	er waren geen acties betrekking hebbende op de wering signalering en </para>
      <para>bestrijding van ongedierte vastgelegd;</para>
      <para>		-	er was na het ruimen van het voorgaande koppel vleeskuikens na het </para>
      <para>reinigen en ontsmetten van de stal geen hygi‰neonderzoek door een </para>
      <para>erkende instantie uitgevoerd voor de opzet van nieuwe vleeskuikens </para>
      <para>op 17 augustus 1999;</para>
      <para>		-	er waren bij de koppels kuikens, welke koppels op 11 juni 1999 en 17 </para>
      <para>augustus 1999 waren opgezet, geen Campylobacteronderzoeken </para>
      <para>verricht alvorens deze het bedrijf hadden verlaten;</para>
      <para>		-	na een geconstateerde Salmonella-besmetting bij de uitgangscontrole </para>
      <para>van het koppel kuikens dat op 11 juni 1999 was opgezet is er geen </para>
      <para>onderzoek door een erkende instantie verricht op de aanwezigheid van </para>
      <para>de schadelijke micro-organismen Salmonella in stal, alvorens op 17 </para>
      <para>augustus 1999 nieuwe vleeskuikens op te zetten,</para>
      <para>zijnde verplichtingen zoals voorgeschreven in artikel 2 lid 1 onder i en k artikel </para>
      <para>3 lid 2, artikel 4 lid 2, artikel 6 lid 2 en artikel 9 van de Verordening </para>
      <para>hygi‰nevoorschriften pluimveehouderij 1997 hierbij gelet op artikel 4 lid 1 en 3 </para>
      <para>en artikel 7 lid 1 van het Hygi‰nebesluit vleeskuikenbedrijven 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van deze bevindingen sprak ik omstreeks 10.45 uur op plaats </para>
      <para>en datum voornoemd de eerder genoemde J.G. Brusse, die mij desgevraagd </para>
      <para>opgaf te zijn:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Betrokkene		---------------------A,---------------------------------</para>
    <para />
    <para>geboren op D te B, wonende C, te B, pluimveehouder van beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na betrokkene met de bevindingen in kennis gesteld te hebben, verklaarde hij </para>
      <para>mij op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Ik ben als eigenaar van dit vleeskuikenbedrijf verantwoordelijk voor </para>
      <para>de dagelijkse gang van zaken.</para>
      <para>Voor de door u geconstateerde afwijkingen kan ik u de volgende </para>
      <para>verklaring geven; ik voer de ongediertebestrijding wel uit maar ik ben </para>
      <para>vergeten om een een plattegrond te maken en de uitgevoerde acties </para>
      <para>schriftelijk vast te leggen.</para>
      <para>Verder heb ik er niet aan gedacht om een hygi‰neonderzoek te laten </para>
      <para>uitvoeren. Ik zal hierover contact opnemen met mijn dierenarts zodat </para>
      <para>deze voor de volgende opzet zo'n onderzoek kan uitvoeren.</para>
      <para>Ik heb tot op heden nog geen Campylobacteronderzoek laten uitvoeren </para>
      <para>daar de afnemende slachterij mij nog geen monstername-materiaal </para>
      <para>heeft toegezonden, ook hierover zal ik met mijn dierenarts contact </para>
      <para>opnemen zodat deze mij van het benodigde monstername-materiaal </para>
      <para>kan voorzien.</para>
      <para>Het niet uitvoeren van het zogenaamde Swab-onderzoek van de stal </para>
      <para>komt voort uit onwetendheid, het was mij namelijk niet duidelijk dat </para>
      <para>ik na een Salmonellapositieve uitslag van de overschoentjes dit </para>
      <para>vervolgonderzoek moest laten uitvoeren. Wel wil ik vermelden dat </para>
      <para>zoals u gezien heeft, het koppel dat na het besmette koppel is gemest </para>
      <para>en afgeleverd na bemonstering Salmonella negatief was.</para>
      <para>Verder heb ik u momenteel niets meer te verklaren".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik heb betrokkene medegedeeld dat tegen hem een berechtingsrapport ten </para>
      <para>behoeve van het Tuchtgerecht van het Productschap voor Pluimvee en Eieren </para>
      <para>zal worden opgemaakt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.	Voorts zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang:</para>
      <para>-	Bij brief van 21 november 2000 heeft het College het Tuchtgerecht verzocht nadere </para>
      <para>inlichtingen te verstrekken omtrent de verzending van de aangetekende brief van </para>
      <para>3 december 1999, waarvan op het verzendbewijs is vermeld dat deze is gericht aan: </para>
      <para>A,  B en waarbij appellant wordt opgeroepen om op 20 december 1999 ter openbare </para>
      <para>terechtzitting van het Tuchtgerecht te verschijnen. </para>
      <para>-	Bij brief van 12 december 2000 heeft het Tuchtgerecht het College als volgt bericht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De door het Tuchtgerecht Productschap voor Pluimvee en Eieren aan de heer A </para>
      <para>te B verstuurde uitnodiging voor de zitting is op 3 december 1999 ter </para>
      <para>aangetekende verzending bij de PTT aangeboden. Deze aangetekende </para>
      <para>verzending heeft niet met een retourkaart plaatsgevonden. De aangetekend </para>
      <para>verzonden uitnodiging is ook niet retour ontvangen.</para>
      <para>Door het tuchtgerecht is navraag gedaan bij de PTT over deze aangetekende </para>
      <para>verzending. Zodra ik in het bezit ben van de reactie van de PTT zal ik U deze </para>
      <para>reactie doen toekomen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Vervolgens heeft het Tuchtgerecht het College bij brief van 31 januari 2001 onder </para>
      <para>meer als volgt bericht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Door het tuchtgerecht is navraag gedaan bij de PTT over de aan de heer A te B </para>
      <para>verstuurde uitnodiging voor de zitting van het tuchtgerecht, die op 3 december </para>
      <para>1999 ter aangetekende verzending bij de PTT is aangeboden.</para>
      <para>Naar aanleiding van deze navraag heeft de PTT medegedeeld: "Wij hebben een </para>
      <para>onderzoek ingesteld maar dit heeft helaas geen positief resultaat opgeleverd. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De bestreden tuchtbeschikking</para>
      <para>Bij de bestreden tuchtbeschikking, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast </para>
      <para>wordt beschouwd, heeft het Tuchtgerecht appellant wegens overtreding van de in het </para>
      <para>berechtingsrapport genoemde artikelen als tuchtrechtelijke maatregel opgelegd een </para>
      <para>geldboete van fl. 4000,-- waarvan fl. 2500,-- voorwaardelijk.</para>
      <para>Ter zitting is hier van de zijde van F.C.M. Veenman het volgende aan toegevoegd.</para>
      <para>In een enkel geval is ontheffing verleend voor een zogenaamd "Louisiana-</para>
      <para>(potstal)systeem", zij het onder zeer veel voorwaarden. Voor alle kuikenmesters geldt dat </para>
      <para>zij een gelijke bijdrage moeten leveren aan de bestrijding van salmonella. Appellant is niet </para>
      <para>anders behandeld dan anderen.</para>
      <para>Uit het controledossier blijkt dat appellant drie keer eerder is gewaarschuwd, voordat tegen </para>
      <para>hem actie is ondernomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant </para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Door de slechte voorlichting van mijn veearts ben ik het slachtoffer van deze hoge boete. </para>
      <para>Met deze veearts zijn afspraken gemaakt, welke erop neer komen dat appellant geen </para>
      <para>aandacht hoefde te besteden aan de administratieve vastlegging. De veearts is zijn </para>
      <para>afspraken niet nagekomen. Ook door controleur de Gooijer zijn onjuiste adviezen gegeven.</para>
      <para>Na deze tuchtbeschikking heeft appellant geen problemen meer gehad; evenmin zijn er </para>
      <para>controleurs op het bedrijf geweest. Bijgevoegd bij het beroepschrift zijn drie rekeningen ter </para>
      <para>zake de levering van kuikens, ten bewijze dat de kuikens gezond zijn afgeleverd.</para>
      <para>Er zijn mesters die ook met een potstalsysteem werken, en die een ontheffing krijgen. </para>
      <para>Appellant vraagt zich af hoe dit kan.</para>
      <para>Tot slot heeft appellant erop gewezen dat hij geen oproeping voor de zitting van het </para>
      <para>Tuchtgerecht heeft ontvangen. Indien hij deze oproeping had gekregen, was hij zeker </para>
      <para>verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling</para>
      <para>Tussen partijen is allereerst in geschil of de brief waarbij appellant werd uitgenodigd voor </para>
      <para>de zitting van het Tuchtgerecht appellant heeft bereikt. Appellant heeft de ontvangst van de </para>
      <para>uitnodiging ontkend. </para>
      <para>Het College overweegt hieromtrent als volgt.</para>
      <para>Vaststaat dat genoemde uitnodigingsbrief per aangetekende post tijdig naar het juiste adres </para>
      <para>is gezonden.</para>
      <para>Vanwege het Tuchtgerecht is aan het College te kennen gegeven dat deze brief niet als </para>
      <para>onbestelbaar is teruggezonden.</para>
      <para>Van de zijde van PTT Post is naar aanleiding van een navraag van het Tuchtgerecht inzake </para>
      <para>de aangetekende verzending, aan het Tuchtgerecht te kennen gegeven dat een onderzoek is </para>
      <para>ingesteld maar dat dit geen positief resultaat heeft opgeleverd.</para>
      <para>Het College acht het in verband met het voorafgaande niet voldoende aannemelijk dat de </para>
      <para>uitnodiging voor de zitting van het Tuchtgerecht appellant heeft bereikt. Appellants </para>
      <para>ontkenning van de ontvangst van de uitnodiging acht het College niet ongeloofwaardig. </para>
      <para>Aangezien niet is gebleken dat appellant ter zake enig verwijt kan worden gemaakt, moet </para>
      <para>het ervoor worden gehouden dat appellant niet naar behoren is opgeroepen voor de zitting </para>
      <para>van het tuchtgerecht.</para>
      <para>Dit leidt tot de slotsom dat het twistgeding is gevoerd in strijd met een algemeen beginsel </para>
      <para>van behoorlijke rechtspraak. Derhalve kan, gelet op artikel 17, aanhef en onder c, van de </para>
      <para>Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: de Wet), de bestreden tuchtbeschikking </para>
      <para>niet worden gehandhaafd.</para>
      <para>Het College acht het, in verband met de zich in dit geval voordoende feiten en </para>
      <para>omstandigheden, geraden de zaak onder toepassing van artikel 29, eerste lid, van de Wet in </para>
      <para>dier voege zelf af te doen, dat wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van de bestreden </para>
      <para>tuchtbeschikking geheel in stand blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen appellant heeft aangevoerd, houdt op geen enkele wijze een betwisting in van </para>
      <para>hetgeen door het Tuchtgerecht bewezen is verklaard, namelijk dat appellant geen </para>
      <para>ongediertebestrijdingsplan heeft opgemaakt, geen acties met betrekking tot de wering, </para>
      <para>signalering, en bestrijding van ongedierte heeft vastgelegd, en voorts dat, voordat nieuwe </para>
      <para>vleeskuikens werden opgezet, geen hygi‰neonderzoek, een onderzoek naar campylobacter </para>
      <para>en een onderzoek naar salmonella was uitgevoerd door een erkende instantie.</para>
      <para>De stellingen van appellant dat hij verkeerd zou zijn geadviseerd door zijn dierenarts en de </para>
      <para>controleur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten, vat het </para>
      <para>College op als te zijn gericht tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel.</para>
      <para>Het Tuchtgerecht heeft overwogen dat sprake is van ernstige overtredingen, daarbij in </para>
      <para>aanmerking nemend dat het belang van de volksgezondheid in het geding is en dat </para>
      <para>appellant de waarschuwingen bij eerdere gelegenheden naast zich neer heeft gelegd.</para>
      <para>Bij de vaststelling van de opgelegde maatregel heeft het Tuchtgerecht uitdrukkelijk </para>
      <para>rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant, alsmede goede nota </para>
      <para>genomen van het feit dat appellant op een aantal punten - gelet op het contact met de </para>
      <para>dierenarts - een grote bereidheid heeft getoond om de betrokken regelgeving na te leven. </para>
      <para>Het College is van oordeel dat het Tuchtgerecht deze omstandigheden in voldoende mate </para>
      <para>heeft laten meewegen bij de oplegging van de maatregel.</para>
      <para>Evenmin is het College gebleken dat aan appellant ter zake van de bijdrage die onder meer </para>
      <para>vleeskuikenbedrijven dienen te leveren aan ongedierte- en bacteri‰nbestrijding, andere </para>
      <para>eisen zijn gesteld dan aan andere vleeskuikenbedrijven.</para>
      <para>Gezien het geheel van de ter zake dienende feiten en omstandigheden acht het College de </para>
      <para>opgelegde boete, waarvan f 2500,- voorwaardelijk, passend en evenredig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt de bestreden tuchtbeschikking;</para>
      <para>-	bepaalt dat de rechtsgevolgen van die beschikking geheel in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen						w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>