<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T09:27:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1120</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/196</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 2001, 78</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1120">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1120 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 10-04-2001 / AWB 98/196</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1120:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1120:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
      <para>(vijfde enkelvoudige kamer)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/196						10 april 2001</para>
      <para>	13745</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A en B, beiden te X, appellanten,</para>
      <para>gemachtigde: mr J. Ekelmans jr., advocaat te Den Haag, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het College Tarieven Gezondheidszorg, voorheen het Centraal Orgaan Tarieven </para>
      <para>Gezondheidszorg, zetelend te Utrecht, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 6 maart 1998 heeft het College een brief ontvangen waarbij appellanten beroep hebben </para>
      <para>ingesteld tegen drie onderdelen van een besluit van verweerder van 19 januari 1998, welk </para>
      <para>besluit is verzonden bij brief van 4 februari 1998. </para>
      <para>Bij schrijven van 30 september 1998 zijn de gronden van het beroep ingediend.</para>
      <para>Op 11 maart 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2001, alwaar partijen hun </para>
      <para>standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Voorts zijn ter zitting </para>
      <para>verschenen de heer C en mevrouw D, beiden werkzaam bij B. Tevens is ter zitting </para>
      <para>verschenen de heer P. van den Berg, werkzaam bij verweerder.</para>
      <para>Ter zitting van het College hebben appellanten het beroep tegen twee onderdelen van het </para>
      <para>bestreden besluit ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De Wet Tarieven Gezondheidszorg (hierna: de Wet) bevat, voor zover hier van belang, de </para>
      <para>volgende bepalingen (tekst zoals luidend in zowel 1994 als 1997):</para>
      <para>"	- Artikel 17a, eerste lid: Voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen </para>
      <para>prestaties en voor prestaties van bij algemene maatregel van bestuur aan te </para>
      <para>wijzen categorie‰n van organen voor gezondheidszorg zijn de artikelen 2, 4, 5, </para>
      <para>7, 8, eerste en tweede lid, en 9 niet van toepassing.</para>
      <para>- Artikel 17b, eerste lid: Het is verboden voor een prestatie ten aanzien waarvan </para>
      <para>artikel 17a is toegepast, een tarief in rekening te brengen indien voor die </para>
      <para>prestatie niet overeenkomstig deze wet een maximumtarief is goedgekeurd of </para>
      <para>vastgesteld.</para>
      <para>- Artikel 17c, derde lid: Indien voor een prestatie ten aanzien waarvan </para>
      <para>artikel 17a is toegepast, geen maximumtarief is tot stand gekomen en bij het </para>
      <para>Centraal orgaan geen verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid in</para>
      <para>behandeling is, kunnen een of meer organen voor gezondheidszorg samen met </para>
      <para>een of meer ziektekostenverzekeraars het Centraal orgaan verzoeken een </para>
      <para>maximumtarief vast te stellen. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen het </para>
      <para>vastgestelde maximumtarief geldt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Door middel van een op 10 januari 1994 gedagtekend formulier hebben de oogarts E </para>
      <para>te X en B verweerder verzocht een tarief vast te stellen voor een cataractoperatie met </para>
      <para>inbreng van een kunststoflens aan ‚‚n oog. Verweerder heeft dit verzoek naar eigen </para>
      <para>zeggen in maart 1994 ontvangen.</para>
      <para>- Bij schrijven van 6 mei 1997 hebben appellanten het verzoek van 10 januari 1994 in </para>
      <para>herinnering geroepen en verweerder bericht dat dit verzoek thans wordt ingediend </para>
      <para>door A in plaats van voornoemde oogarts E.</para>
      <para>- Bij schrijven van 27 juni 1997 heeft B verweerder bericht dat zij het verzoek uit 1994 </para>
      <para>niet wenst te vervangen door een verzoek om vaststelling van dezelfde tarieven als </para>
      <para>waarover F beschikt. Voorts schrijft B in deze brief: </para>
      <para>"	Blijkens uw brief verkeert u in de veronderstelling dat de periode waarvoor wij </para>
      <para>ons verzoek ingediend hebben eindigt op 31 december 1994. Dat is een </para>
      <para>misverstand. Wij hebben geen einddatum genoemd. Voor de goede orde </para>
      <para>gelieve u hierbij de overeenkomst tussen B en de heer E, oogarts, met </para>
      <para>betrekking tot de jaren 1995 en 1996 aan te treffen. </para>
      <para>Indien een verzoek (.) met ingang van 1 april 1997 dezelfde tarieven te </para>
      <para>mogen betalen als F de behandeling van ons oorspronkelijk verzoek (.) </para>
      <para>bevordert, dan doen wij dat verzoek bij deze."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij besluit van 30 juni 1997, verzonden bij brief van 4 juli 1997, heeft verweerder </para>
      <para>beslist op het verzoek van 27 juni 1997 door het afgeven van een tariefbeschikking </para>
      <para>(kenmerk: 5601-3001-04-97-1). In dit besluit is onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Met betrekking tot de door u in maart 1994 ingediende overeenkomst met </para>
      <para>ingang van 1 november 1993, die volgens het toen ingediende </para>
      <para>aanvraagformulier eindigde per 1 januari 1995 (zie blad I-4 van de bijlage) </para>
      <para>merken wij op dat wij deze (.) in augustus dan wel in september a.s. (.) aan </para>
      <para>de orde zullen stellen. Daarbij zal (.) ook uw verzoek d.d. 27 juni 1997 voor </para>
      <para>de periode van 1 januari 1995 tot 1 januari 1997 aan de orde worden gesteld."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij schrijven van 12 augustus 1997 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen - een </para>
      <para>aantal onderdelen van - het besluit van 30 juni 1997.</para>
      <para>- Bij brief van 3 oktober 1997 heeft verweerder appellanten onder meer het volgende </para>
      <para>bericht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Over uw gezamenlijke verzoeken tot vaststelling van kostentarieven voor de </para>
      <para>periode tot 1 april 1997 heeft het COTG op 15 september jl. een beslissing </para>
      <para>genomen.</para>
      <para>Het COTG heeft conform het besluit zoals vermeld in onze brief van 4 juli, </para>
      <para>waarin u bent ge‹nformeerd over ons besluit over uw verzoek tot vaststelling </para>
      <para>van kostentarieven per 1 april 1997, besloten geen kostentarieven met </para>
      <para>terugwerkende kracht vast te stellen en derhalve uw tariefverzoeken voor </para>
      <para>cataractoperaties voor de periode van 1 november 1993 tot 1 januari 1995 en </para>
      <para>voor de periode van 1 januari tot 1 april 1997 afgewezen.</para>
      <para>Dit besluit is genomen omdat het COTG voor uw situatie geen feiten of </para>
      <para>argumenten ziet om af te wijken van het COTG-besluit, zoals verwoord en </para>
      <para>gemotiveerd in onze brief van 4 juli jl., om geen nieuwe kostentarieven in te </para>
      <para>voeren met een verdere terugwerkende kracht dan 1 april 1997."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij schrijven van 13 november 1997 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen </para>
      <para>verweerders besluit van 15 september 1997. Bij brief van 14 november 1997 heeft </para>
      <para>verweerder appellanten bericht dat dit bezwaarschrift en dat van 12 augustus 1997 </para>
      <para>gevoegd zullen worden behandeld. Bij brief van 13 januari 1998 zijn de gronden van </para>
      <para>het bezwaar van 13 november 1997 ingediend.</para>
      <para>- Op 12 december 1997 hebben appellanten hun bezwaarschriften van 12 augustus </para>
      <para>1997 en 13 november 1997 nader toegelicht tijdens een hoorzitting. </para>
      <para>- Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder op de bezwaren beslist. Bij dit </para>
      <para>besluit is het bezwaar van 12 augustus 1997 gedeeltelijk gegrond verklaard, het </para>
      <para>besluit van 30 juni 1997 in zoverre herroepen, het bezwaar van 12 augustus 1997 </para>
      <para>voor het overige ongegrond verklaard en het bezwaar van 13 november 1997 </para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
      <para>- Nu appellanten hun beroep voor het overige hebben ingetrokken, staat thans </para>
      <para>uitsluitend nog de ingangsdatum - 1 april 1997 - van de bij het bestreden besluit </para>
      <para>afgegeven tariefbeschikking (kenmerk: 5601-3001-01-98-1) ter beoordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, het </para>
      <para>volgende in.</para>
      <para>Verweerder heeft besloten zijn beleid inzake de tarieven van priv‚klinieken met ingang van </para>
      <para>1 april 1997 te wijzigen, reden waarom hij in de loop van 1997 vastgestelde </para>
      <para>maximumtarieven voor verrichtingen door priv‚klinieken op 1 april 1997 in werking laat </para>
      <para>treden. Voor zover appellanten een eerdere ingangsdatum wensen, al dan niet in verband </para>
      <para>met in 1994 ingediende tariefverzoeken, wordt voor de motivering van het niet honoreren </para>
      <para>van deze wens verwezen naar het besluit van 26 maart 1997, waarin verweerder, zakelijk </para>
      <para>weergegeven en voor zover hier van belang, het volgende heeft overwogen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Omdat priv‚klinieken niet door de overheid zijn gepland en niet aan wettelijke </para>
      <para>voorschriften zijn gebonden, is uitgangspunt van het gedoogbeleid inzake </para>
      <para>priv‚klinieken dat het bestaan ervan niet tot meerkosten mag leiden. Dit </para>
      <para>betekent dat priv‚klinieken geen kosten voor infrastructuur in rekening mogen </para>
      <para>brengen, maar slechts de maximumtarieven die voor medisch specialisten </para>
      <para>gelden. Gelet op de uitspraak van 12 december 1996 van het College </para>
      <para>(96/0116/074/089 en 96/0128/074/089) zal dit beleid niet langer worden </para>
      <para>gevoerd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift is nader het volgende naar voren gebracht.</para>
      <para>De Wet bevat geen bepalingen waaruit volgt wanneer een vastgesteld maximumtarief in </para>
      <para>werking dient te treden, zodat het verweerder vrijstaat dit tijdstip naar eigen inzicht te </para>
      <para>bepalen. Tarieven worden in beginsel niet met terugwerkende kracht vastgesteld, aangezien </para>
      <para>het niet wenselijk is achteraf wijziging te brengen in de rechten en verplichtingen van </para>
      <para>partijen.</para>
      <para>Verweerder heeft zijn beleid inzake door priv‚klinieken in rekening te brengen </para>
      <para>maximumtarieven met ingang van 1 april 1997 herzien naar aanleiding van de uitspraak </para>
      <para>van 12 december 1996 van het College. Deze uitspraak noopte verweerder er niet toe zijn </para>
      <para>beleid met terugwerkende kracht te herzien.</para>
      <para>Dat de tariefbeschikkingen in casu geldig zijn met ingang van 1 april 1997 is te minder </para>
      <para>onredelijk, nu appellanten bij het indienen van hun verzoek expliciet hebben verzocht de </para>
      <para>gevraagde maximumtarieven op deze datum te laten ingaan.</para>
      <para>Voor zover A v¢¢r 1 april 1997 hogere of andere tarieven in rekening heeft gebracht dan de </para>
      <para>ingevolge de Wet goedgekeurde of vastgestelde maximumtarieven, heeft zij gehandeld in </para>
      <para>strijd met artikel 17b van de Wet. Als A voordien geen hogere of andere tarieven in </para>
      <para>rekening heeft gebracht, valt niet in te zien welk belang appellanten hebben bij een eerdere </para>
      <para>ingangsdatum van de maximumtarieven.</para>
      <para>Ter zitting van het College is van de zijde van verweerder nog het volgende betoogd.</para>
      <para>De onderhavige zaak is niet vergelijkbaar met de zaken waarin het College op 20 juni 2000 </para>
      <para>uitspraak heeft gedaan (AWB 98/88 tot en met 98/93). In die zaken zijn de verzoeken in </para>
      <para>1993 en 1994 ingediend en is bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op </para>
      <para>die verzoeken. Het College heeft in zijn uitspraak van 20 juni 2000 geoordeeld dat in die </para>
      <para>zaken 1 april 1997 niet als ingangsdatum van de tarieven kan worden genomen en deze </para>
      <para>datum bepaald op 21 december 1995, de datum van het eerste besluit op bezwaar. In casu </para>
      <para>dateert het gezamenlijk verzoek van appellanten van na 1 april 1997 en is expliciet </para>
      <para>verzocht de tarieven goed te keuren per 1 april 1997. Verweerder heeft tijdig op dit verzoek </para>
      <para>beslist en de gevraagde tarieven conform het verzoek vastgesteld per 1 april 1997.</para>
      <para>De brief van 6 mei 1997 bevat niet meer dan een herhaling van het verzoek uit 1994. In de </para>
      <para>brief van 27 juni 1997 is nogmaals verwezen naar het verzoek uit 1994 en is daarnaast </para>
      <para>verzocht tarieven goed te keuren met ingang van 1 april 1997. Op laatstbedoeld verzoek is </para>
      <para>beslist bij besluit van 4 juli 1997. Uit de eerste alinea van de tekst van dit besluit valt op te </para>
      <para>maken dat het alleen betrekking heeft op het verzoek van appellanten tot goedkeuring van </para>
      <para>tarieven per 1 april 1997. Het verzoek uit 1994 is een ander verzoek, waarop uiteindelijk in </para>
      <para>oktober 1997 is beslist. </para>
      <para>Appellanten hebben nimmer onderbouwd waarom verdergaande terugwerkende kracht </para>
      <para>dient te worden gegeven aan de tariefbeschikking en hebben nimmer bezwaar gemaakt </para>
      <para>tegen het uitblijven van een beslissing op het in 1994 ingediende tariefverzoek. Mitsdien </para>
      <para>bestaat geen aanleiding de tarieven eerder dan op 1 april 1997 te laten ingaan.</para>
      <para>Het verzoek uit 1994 is alsnog deel gaan uitmaken van de onderhavige procedure doordat </para>
      <para>bij het bestreden besluit tevens is beslist op het bezwaar van 13 november 1997 tegen de </para>
      <para>beschikking op het in 1994 ingediende tariefverzoek. Dit laat evenwel onverlet dat het </para>
      <para>verzoek van 1994 niet is ingediend door appellanten gezamenlijk, maar door de oogarts E </para>
      <para>en B. Eerst in 1997 hebben appellanten te kennen gegeven dat het in 1994 ingediende </para>
      <para>tariefverzoek door hen gezamenlijk wordt ingediend. Het ligt voor de hand dat verweerder </para>
      <para>tariefverzoeken letterlijk opvat, zodat, nu het verzoek uit 1994 is ingediend door de oogarts </para>
      <para>E en B, dit verzoek niet - mede - is opgevat als een verzoek van appellanten gezamenlijk. </para>
      <para>Bovendien betrof het verzoek van 1994 ‚‚n soort oogheelkundige behandeling, terwijl het </para>
      <para>in 1997 ingediende verzoek meerdere categorie‰n oogheelkundige behandeling betreft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellanten</para>
      <para>Appellanten hebben in het beroepschrift, zakelijk weergegeven en voor zover hier van </para>
      <para>belang, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Het door verweerder voorheen gevoerde beleid inzake priv‚klinieken, door verweerder </para>
      <para>aangeduid als gedoogbeleid, is bij uitspraak van 12 december 1996 door het College "in de </para>
      <para>ban gedaan". In deze uitspraak noch in zijn uitspraak van 4 november 1997 (AWB 97/568 </para>
      <para>tot en met 97/572, 97/574 en 97/575) is het College ingegaan op de vraag wanneer een </para>
      <para>vastgesteld maximumtarief in werking dient te treden. Uit deze uitspraken kan dan ook niet </para>
      <para>worden afgeleid dat nieuw beleid alleen voor de toekomst behoefde te worden vastgesteld.</para>
      <para>Verweerder voert het beleid dat maximumtarieven ter zake van gemaakte kosten met </para>
      <para>terugwerkende kracht worden vastgesteld indien dat vanuit het oogpunt van redelijkheid, </para>
      <para>rechtvaardigheid of rechtszekerheid in de rede ligt. Bezien in het licht van dit beleid </para>
      <para>ontbeert het bestreden besluit een daadkrachtige motivering, nu de tariefstelling niet mag </para>
      <para>zijn gericht op of tot onvermijdelijk gevolg hebben dat de exploitatie van een als zodanig </para>
      <para>toegelaten instelling onmogelijk wordt. Dit klemt te meer, nu appellanten in bezwaar </para>
      <para>expliciet hebben aangegeven dat verdergaande terugwerkende kracht wordt beoogd dan tot </para>
      <para>1 april 1997.</para>
      <para>Ter zitting hebben appellanten nader het volgende naar voren gebracht.</para>
      <para>In zijn uitspraak van 20 juni 2000 heeft het College onder meer overwogen:</para>
      <para>"	Evenmin kan de motivering van verweerders besluit d.d. 26 maart 1997, </para>
      <para>waarnaar in het bestreden besluit op dit punt is verwezen, als voldoende </para>
      <para>daadkrachtig worden aangemerkt voor verweerders beslissing om de </para>
      <para>ingangsdatum vast te stellen op 1 april 1997. Het geschetste overheidsbeleid </para>
      <para>inzake priv‚-klinieken kan er niet aan afdoen dat bij verweerders beslissingen </para>
      <para>ingevolge de Wtg belangen als hier aan de orde, genoegzaam worden </para>
      <para>meegewogen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De bij de uitspraak van 20 juni 2000 van het College betrokken belangen zijn ook in casu </para>
      <para>aan de orde: in beide gevallen is een tariefverzoek ingediend teneinde de kosten van </para>
      <para>operatiekamerfaciliteiten te kunnen dekken.</para>
      <para>De verwijzing in het bestreden besluit naar het verzoek van 1994 duidt erop dat een eerdere </para>
      <para>ingangsdatum dan 1 april 1997 is gevraagd. Dit blijkt ook uit het feit dat het verzoek voor </para>
      <para>het eerst is ingediend op 10 januari 1994. In de gronden van het bezwaar tegen het primaire </para>
      <para>besluit op het verzoek van 1994 is het verzoek om een eerdere ingangsdatum van de </para>
      <para>tarieven herhaald en toegelicht. Dat appellanten niet zouden hebben verzocht om een </para>
      <para>eerdere ingangsdatum dan 1 april 1997 is derhalve onjuist.</para>
      <para>De ingangsdatum van maximumtarieven behoeft geenszins te zijn gelegen na de datum </para>
      <para>waarop verweerder op een verzoek tot vaststelling van dergelijke tarieven beslist. Immers, </para>
      <para>in zijn uitspraak van 20 juni 2000 heeft het College overwogen dat inwerkingtreding op </para>
      <para>een tijdstip gelegen na de datum van goedkeuring of vaststelling onvoldoende recht zou </para>
      <para>doen aan de bijzondere omstandigheden van de voorliggende gevallen.</para>
      <para>De stelling van verweerder dat appellanten slechts belang zouden hebben bij een eerdere </para>
      <para>ingangsdatum in verband met legalisatie achteraf van v¢¢r 1 april 1997 in rekening </para>
      <para>gebrachte hogere of andere tarieven is onjuist. B kan de door haar gemaakte kosten ter zake </para>
      <para>van v¢¢r 1 april 1997 verrichte medische behandelingen slechts uit de Ziekenfondskas </para>
      <para>vergoed krijgen indien deze kosten worden gedekt door een door verweerder vastgesteld </para>
      <para>tarief. De financi‰le belangen van B belopen over de periode van 1994 tot 1 april 1997 fl. </para>
      <para>1.678.266,--. Het gaat hier om oogheelkundige behandelingen die zonder meer zouden zijn </para>
      <para>vergoed indien zij in een ziekenhuis waren verricht. Daar is evenwel onvoldoende </para>
      <para>capaciteit voorhanden, zodat A een bijdrage levert aan het wegwerken van de wachtlijsten </para>
      <para>in de gezondheidszorg.</para>
      <para>Aangezien verweerder weet dat de honorariumtarieven ontoereikend zijn voor het dekken </para>
      <para>van de kosten van operatiekamerfaciliteiten, brengt een redelijke belangenafweging mee </para>
      <para>dat verweerder aanstonds positief op het tariefverzoek had behoren te beslissen. Hoe dan </para>
      <para>ook is het onredelijk de tarieven later in te laten gaan dan op 21 december 1995, de datum </para>
      <para>waarop verweerder in vergelijkbare zaken een besluit op bezwaar heeft genomen. Indien </para>
      <para>verweerder in die zaken zorgvuldig onderzoek had verricht, zou hij ten tijde van het nemen </para>
      <para>van zijn besluit van 21 december 1995 hebben geweten dat het 'beleid' tariefverzoeken van </para>
      <para>priv‚klinieken te negeren geen stand kon houden. Dat verweerder eerst na drie uitspraken </para>
      <para>van het College (de uitspraken van 12 december 1996, 4 november 1997 en 20 juni 2000) </para>
      <para>tot dit inzicht is gekomen, duidt erop dat verweerder in gebreke is gebleven de betrokken </para>
      <para>belangen zorgvuldig af te wegen. Hoe dan ook valt niet in te zien waarom tarieven van </para>
      <para>dezelfde kliniek bij F eerder zouden moeten ingaan dat bij B, terwijl beide verzekeraars </para>
      <para>nagenoeg gelijktijdig om vaststelling van deze tarieven hebben verzocht.</para>
      <para>Gelet op de beslistermijn van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had </para>
      <para>verweerder hoe dan ook in maart of april 1994 op het tariefverzoek van januari 1994 </para>
      <para>moeten beslissen en derhalve een maximumtarief moeten vaststellen. Dat appellanten geen </para>
      <para>bezwaar hebben gemaakt tegen het uitblijven van deze beslissing en geen verzoek om een </para>
      <para>voorlopige voorziening hebben ingediend, doet niet af aan de betekenis van de </para>
      <para>beslistermijn, waarover het College in zijn uitspraak van 12 januari 1994 </para>
      <para>(92/2081/071/037; AB 1994, 210) heeft geoordeeld dat deze tot daadwerkelijke </para>
      <para>besluitvorming binnen de gestelde termijn verplicht.</para>
      <para>Het betoog van verweerder dat het tariefverzoek van 10 januari 1994 is ingediend door de </para>
      <para>oogarts E en niet door A kan niet worden gevolgd, nu verweerder dit tariefverzoek steeds </para>
      <para>heeft opgevat als een aanvraag van A en zich in reactie op dit verzoek - zie de brieven van </para>
      <para>4 juli 1997 en 23 oktober 1997 - tot A heeft gericht en niet tot de oogarts E.</para>
      <para>Zelfs indien het tariefverzoek van 10 januari 1994 dient te worden aangemerkt als een </para>
      <para>verzoek van de oogarts E, ligt het in de rede het gevraagde tarief eerder dan op 1 april 1997 </para>
      <para>te laten ingaan, nu het niet aangaat dat verweerder ongeveer zeven jaren na indiening van </para>
      <para>dit verzoek voor het eerst het standpunt inneemt dat het tariefverzoek ingediend had </para>
      <para>moeten worden door de kliniek. Als verweerder deze mening was toegedaan, had hij </para>
      <para>appellanten hiervan reeds in 1994 in kennis behoren te stellen. Nu zulks niet is geschied, </para>
      <para>brengt een redelijke afweging van de betrokken belangen mee dat A geacht moet worden </para>
      <para>het betreffende tariefverzoek op 10 januari 1994 te hebben ingediend.</para>
      <para>Dat het tariefverzoek van 1994 ‚‚n oogheelkundige behandeling betreft en in 1997 ook om </para>
      <para>vaststelling van andere maximumtarieven is verzocht, leidt niet tot een ander oordeel. Het </para>
      <para>belang van dit onderscheid is bovendien beperkt, aangezien cataractoperaties, de medische </para>
      <para>handeling waarop het in 1994 ingediende tariefverzoek betrekking heeft, vijfentachtig tot </para>
      <para>negentig procent van de werkzaamheden van A vormen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Allereerst staat ter beoordeling van het College of het op 10 januari 1994 gedagtekende </para>
      <para>tariefverzoek kan worden geacht te zijn ingediend door appellanten gezamenlijk.</para>
      <para>In de brief van 6 mei 1997 van appellanten, mede ondertekend door de oogarts E, wordt </para>
      <para>onder meer het volgende opgemerkt:</para>
      <para>"	Wilt u zo goed zijn om het verzoek om goedkeuring van een tarief van f 1140 </para>
      <para>voor de kosten van een cateract-operatie, dat wij in januari 1994 hebben </para>
      <para>ingediend, in behandeling te nemen. Het verzoek wordt nu ingediend door het </para>
      <para>A en B. (.) De herhaling van het verzoek en de vervanging van oogarts E </para>
      <para>door het A als indienende partij geschieden tegen de achtergrond van nieuwe </para>
      <para>feiten (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens deze passage zijn de ondergetekenden zich ervan bewust dat het tariefverzoek van </para>
      <para>1994 is ingediend door de oogarts E en niet - mede - door A. Dat appellanten en de oogarts </para>
      <para>E blijkens hun brief wensen dat niet langer laatstgenoemde maar A ter zake van het </para>
      <para>tariefverzoek van 1994 wordt aangemerkt als verzoekend orgaan van gezondheidszorg, kan </para>
      <para>er naar het oordeel van het College niet toe leiden dat A met terugwerkende kracht wordt </para>
      <para>aangemerkt als indiener van het tariefverzoek van 1994. Veeleer ligt het in de rede de brief </para>
      <para>van 6 mei 1997 aan te merken als een afzonderlijk, door appellanten gezamenlijk </para>
      <para>ingediend, tariefverzoek met eenzelfde strekking als het in 1994 door de oogarts E en B </para>
      <para>ingediende verzoek.</para>
      <para>Gelet op het vorenstaande kan het tariefverzoek van 1994 niet worden aangemerkt als een </para>
      <para>door appellanten gezamenlijk ingediend verzoek. De brief van 6 mei 1997 en het eveneens </para>
      <para>in het geding zijnde tariefverzoek van 27 juni 1997 dienen daarentegen wel te worden </para>
      <para>gelezen als een door appellanten gezamenlijk ingediend tariefverzoek. Naar het oordeel van </para>
      <para>het College kunnen tariefverzoeken die niet door hetzelfde orgaan van gezondheidszorg </para>
      <para>zijn ingediend niet als ‚‚n verzoek worden aangemerkt. De verzoeken van 1994 en 1997 </para>
      <para>dienen derhalve als te onderscheiden tariefverzoeken te worden beschouwd. Dit is te meer </para>
      <para>het geval, nu het verzoek van 1994 betrekking heeft op cataractoperaties waarbij een </para>
      <para>kunststoflens aan ‚‚n oog wordt ingebracht, terwijl het verzoek van 27 juni 1997 ook ziet </para>
      <para>op andere oogheelkundige behandelingen. De stelling van appellant dat de in het verzoek </para>
      <para>van 1994 genoemde medische handeling vijfentachtig tot negentig procent van de </para>
      <para>werkzaamheden van A omvat, doet hieraan niet af.</para>
      <para>De stelling van appellanten dat verweerder A steeds heeft aangemerkt als mede-indiener </para>
      <para>van het tariefverzoek van 1994 leidt het College niet tot een ander oordeel. Blijkens </para>
      <para>voormelde brief van 6 mei 1997 zijn appellanten zich ervan bewust dat Jan van Goyen </para>
      <para>geen mede-indiener van het verzoek van 1994 is. Derhalve kan geen grond worden </para>
      <para>gevonden voor het oordeel dat van de zijde van verweerder het gerechtvaardigd vertrouwen </para>
      <para>is gewekt dat A als mede-indiener van het tariefverzoek van 1994 zou worden aangemerkt.</para>
      <para>De stelling van appellanten dat, zelfs indien de oogarts E dient te worden beschouwd als </para>
      <para>indiener van het tariefverzoek van 1994, A als mede-indiener van dit verzoek dient te </para>
      <para>worden aangemerkt, wordt door het College niet gevolgd. Niet valt in te zien waarom </para>
      <para>verweerder appellanten erop zou hebben moeten wijzen dat het verzoek van 1994 door A </para>
      <para>behoorde te worden ingediend, nu verweerder mag afgaan op een verzoek zoals het wordt </para>
      <para>ingediend. Indien A het verzoek van 1994 mede had willen indienen, had deze appellant dit </para>
      <para>op eigen initiatief aan verweerder kenbaar dienen te maken. Dat A dit niet heeft gedaan, </para>
      <para>regardeert verweerder dan ook niet.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het tariefverzoek van 1994 dient te worden </para>
      <para>onderscheiden van de in 1997 door appellanten gezamenlijk ingediende verzoeken. </para>
      <para>5.2	Thans zal het College beoordelen of het op 10 januari 1994 gedagtekende tariefverzoek </para>
      <para>voor verweerder aanleiding had behoren te vormen het tarief voor een cataractoperatie met </para>
      <para>inbreng van een kunststoflens in ‚‚n oog en/of de in 1997 gevraagde andere tarieven eerder </para>
      <para>dan op 1 april 1997 in werking te laten treden. </para>
      <para>Allereerst wordt opgemerkt dat de oogarts E en B verweerder in 1994 hebben verzocht om </para>
      <para>vaststelling van ‚‚n tarief. In het tariefverzoek van 1994 kan reeds hierom geen grond zijn </para>
      <para>gelegen verweerder gehouden te achten de in 1997 gevraagde andere tarieven eerder dan op </para>
      <para>1 april 1997 in werking te laten treden.</para>
      <para>Evenmin behoeft het tariefverzoek van 1994 voor verweerder aanleiding te vormen het </para>
      <para>gevraagde tarief ten aanzien van A eerder dan op 1 april 1997 in werking te laten treden, nu </para>
      <para>A niet kan worden aangemerkt als mede-indiener van dit tariefverzoek.</para>
      <para>Mitsdien resteert de vraag of verweerder gehouden is het in 1994 gevraagde tarief eerder </para>
      <para>dan op 1 april 1997 in werking te laten treden, voor zover het door de oogarts E verrichte </para>
      <para>cataractoperaties met inbreng van een kunststoflens aan ‚‚n oog bij B-verzekerden betreft. </para>
      <para>Dienaangaande overweegt het College als volgt. </para>
      <para>Aan B kan worden toegegeven dat de besluitvorming in primo op het tariefverzoek van </para>
      <para>1994 lang op zich heeft laten wachten. Dit laat evenwel onverlet dat B v¢¢r 6 mei 1997 </para>
      <para>niet heeft aangedrongen op besluitvorming en evenmin gebruik heeft gemaakt van de </para>
      <para>mogelijkheid van het vragen van voorziening op grond van de Awb in verband met het niet </para>
      <para>tijdig beslissen op het tariefverzoek. Zoals het College in voormelde uitspraak van 20 juni </para>
      <para>2000 heeft overwogen, kan de omstandigheid dat verweerder zich niet heeft gehouden aan </para>
      <para>de in de Awb neergelegde beslistermijn de aanvrager onder deze omstandigheden niet </para>
      <para>baten.</para>
      <para>De door B genoemde uitspraak van 12 januari 1994 leidt niet tot een ander oordeel. Dat het </para>
      <para>College in die uitspraak het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond heeft </para>
      <para>verklaard omdat het betreffende bestuursorgaan niet binnen de wettelijke beslistermijn een </para>
      <para>besluit op bezwaar had genomen, laat onverlet dat B in casu de keuze heeft gemaakt geen </para>
      <para>gebruik te maken van de haar ten dienste staande rechtsmiddelen tegen het uitblijven van </para>
      <para>een besluit op het tariefverzoek van 1994. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van </para>
      <para>12 januari 1994 heeft de belanghebbende de hem ten dienste staande rechtsmiddelen wel </para>
      <para>aangewend. Derhalve kan een beroep op die uitspraak B niet baten.</para>
      <para>Naar aanleiding van het betoog van B dat het gevraagde tarief in ieder geval op </para>
      <para>21 december 1995 in werking behoort te treden, de ingangsdatum die het College in zijn </para>
      <para>uitspraak van 20 juni 2000 ten aanzien van - volgens B - vergelijkbare tarieven heeft </para>
      <para>vastgesteld, overweegt het College als volgt.</para>
      <para>Er kan niet aan worden voorbijgezien dat het College bij uitspraak van 20 juni 2000 de </para>
      <para>ingangsdatum van de desbetreffende tarieven heeft bepaald op 21 december 1995 op grond </para>
      <para>van de specifieke omstandigheden van de betrokken gevallen, waaronder de omstandigheid </para>
      <para>dat verweerder op 21 december 1995 voor het eerst in bezwaar had beslist op de </para>
      <para>tariefverzoeken. In casu dateert het besluit op bezwaar van 19 januari 1998. Bovendien </para>
      <para>hebben belanghebbenden in de zaak die tot de uitspraak van 20 juni 2000 heeft geleid, </para>
      <para>bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een primair besluit. Aldus hebben zij, anders dan </para>
      <para>B in casu, althans in eerste instantie gebruik gemaakt van een mogelijkheid het </para>
      <para>bestuursorgaan tot spoedige besluitvorming te bewegen. Vervolgens hebben </para>
      <para>belanghebbenden in de betreffende zaak het besluit op bezwaar afgewacht, dat - tardief - is </para>
      <para>genomen op 21 december 1995. Gelet op deze afwachtende houding van belanghebbenden </para>
      <para>in de bezwaarfase heeft het College in zijn uitspraak van 20 juni 2000 geen eerdere </para>
      <para>ingangsdatum dan 21 december 1995 vastgesteld. In casu heeft B naar aanleiding van het </para>
      <para>verzoek van 1994 tot 6 mei 1997 geen enkele actie richting verweerder ondernomen. Gelet </para>
      <para>op het vorenstaande bestaat er geen zodanige gelijkenis tussen het thans voorliggende </para>
      <para>geval en de zaak die tot de uitspraak van 20 juni 2000 heeft geleid, dat verweerder </para>
      <para>aanleiding had behoren te vinden het in 1994 gevraagde tarief te laten ingaan op 21 </para>
      <para>december 1995. Voor een ingangsdatum, gelegen tussen 21 december 1995 en 1 april </para>
      <para>1997, acht het College evenmin steekhoudende argumenten aanwezig.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat verweerder zich op het standpunt </para>
      <para>heeft kunnen stellen dat in het tariefverzoek van 1994 geen grond is gelegen aan de bij het </para>
      <para>thans bestreden besluit vastgestelde tarieven verdergaande terugwerkende kracht te </para>
      <para>verlenen dan tot 1 april 1997.</para>
      <para>5.3	Vervolgens wordt beoordeeld of verweerder in de in 1997 ingediende tariefverzoeken </para>
      <para>aanleiding had behoren te zien de daarbij gevraagde tarieven eerder dan op 1 april 1997 in </para>
      <para>werking te laten treden. </para>
      <para>Dienaangaande overweegt het College allereerst dat, nu appellanten kennelijk een eerdere </para>
      <para>ingangsdatum van de tarieven wensen dan 1 april 1997, het op hun weg had gelegen v¢¢r </para>
      <para>deze datum een gezamenlijk tariefverzoek in te dienen. Reeds nu zij dit hebben nagelaten, </para>
      <para>ligt het niet in de rede verweerder gehouden te achten de in 1997 door appellanten </para>
      <para>gezamenlijk gevraagde tarieven met verdergaande terugwerkende kracht dan tot </para>
      <para>1 april 1997 vast te stellen.</para>
      <para>Met betrekking tot het op 6 mei 1997 ingediende tariefverzoek voor een cataractoperatie is </para>
      <para>voorts van belang dat appellanten moeten worden geacht te hebben berust in het tardief zijn </para>
      <para>van zowel het primaire besluit als het thans bestreden besluit op bezwaar, nu zij geen </para>
      <para>rechtsmiddelen hebben aangewend tegen het niet tijdig nemen van deze besluiten. Nu de </para>
      <para>gevolgen van deze keuze voor rekening en risico van appellanten komen, ligt het te minder </para>
      <para>in de rede verweerder gehouden te achten het op 6 mei 1997 gevraagde tarief verdergaande </para>
      <para>terugwerkende kracht te verlenen dan tot 1 april 1997.</para>
      <para>Met betrekking tot het op 27 juni 1997 ingediende tariefverzoek wordt opgemerkt dat </para>
      <para>appellanten ervoor hebben gekozen het besluit op bezwaar, hoewel tardief, af te wachten, </para>
      <para>waarvan de gevolgen voor hun rekening en risico behoren te komen.</para>
      <para>Bovendien hebben appellanten verweerder in hun brief van 27 juni 1997 expliciet verzocht </para>
      <para>de tarieven met ingang van 1 april 1997 vast te stellen. Reeds hierom bestond voor </para>
      <para>verweerder geen aanleiding, te minder een gehoudenheid, de op 27 juni 1997 gevraagde </para>
      <para>tarieven eerder dan op 1 april 1997 in werking te laten treden. Dat appellanten in bezwaar </para>
      <para>alsnog verdergaande terugwerkende kracht hebben gevraagd, kan hieraan niet afdoen, nu </para>
      <para>de reikwijdte van de toetsing in bezwaar wordt begrensd door de ingediende aanvraag. In </para>
      <para>dit verband wordt gewezen op de uitspraak van 25 februari 1997 van de Centrale Raad van </para>
      <para>Beroep (JB 1997, 71), waarbij is geoordeeld dat de heroverweging ex nunc beperkt dient te </para>
      <para>blijven tot de grondslagen van het primaire besluit, alsook op de uitspraak van gelijke </para>
      <para>datum van het College (ABkort 1997, 245), waaruit eveneens kan worden opgemaakt dat </para>
      <para>in bezwaar een heroverweging dient plaats te vinden met een reikwijdte die de </para>
      <para>besluitvorming in primo had behoren te hebben. Nu appellanten de bij brief van 27 juni </para>
      <para>1997 gevraagde tarieven eerder dan met ingang van 1 april 1997 vastgesteld willen zien, </para>
      <para>had het derhalve op hun weg gelegen bij het indienen van het tariefverzoek niet het </para>
      <para>tegendeel kenbaar te maken.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt het College tot een ontkennende beantwoording van de in hoofde </para>
      <para>van deze paragraaf geformuleerde vraag.</para>
      <para>5.4	Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell						w.g. B. van Velzen</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>