<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T14:00:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1119</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/251</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005933&amp;artikel=31&amp;g=2001-04-04">Regeling superheffing 1993 31</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1119">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1119 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 04-04-2001 / AWB 99/251</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1119:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1119:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/251						4 april 2001</para>
      <para>	10700</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr F.W. van Dijk, advocaat te Wageningen,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr F.G.P. Diermanse en A.P. van Houten, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 15 maart 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 februari 1999. Bij dit besluit </para>
      <para>is een beslissing genomen op de bezwaarschriften van appellant tegen een tweetal besluiten </para>
      <para>tot vaststelling van verschuldigde superheffing.</para>
      <para>Bij brief van 6 april 1999 heeft appellant het beroepschrift gemotiveerd.</para>
      <para>Op 6 mei 1999 is een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 18 oktober 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar </para>
      <para>hun standpunt bij monde van hun gemachtigden toegelicht. Appellant was ook in persoon </para>
      <para>aanwezig. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigden van verweerder werden bijgestaan door J. Luth, werkzaam bij de </para>
      <para>Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij </para>
      <para>(hierna: AID).</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Verordening (EEG) nr. 536/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot </para>
      <para>vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en </para>
      <para>zuivelproducten (Pb. 1993, L 57; hierna: Verordening 536/93) luidt, voorzover hier van </para>
      <para>belang:</para>
      <para>"	Artikel 4</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Wat de rechtstreekse verkopen betreft, recapituleert de producent aan het </para>
      <para>einde van elk van de in artikel 1 van de Verordening (EEG) nr. 3950/92 </para>
      <para>bedoelde tijdvakken in een verklaring, per produkt, de hoeveelheid van de </para>
      <para>rechtstreeks aan de consument (.) verkochte melk en/of andere </para>
      <para>zuivelprodukten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De producent zendt jaarlijks voor 15 mei zijn verklaring toe aan de bevoegde </para>
      <para>autoriteit van de Lid-Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij niet-inachtneming van de termijn is de producent de heffing verschuldigd </para>
      <para>over de totale hoeveelheid melk en melkequivalent die boven de hem </para>
      <para>toegewezen referentiehoeveelheid rechtstreeks is geleverd (.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>Artikel 7</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Lid-Staten nemen alle nodige controlemaatregelen om te waarborgen dat </para>
      <para>de heffing wordt ge‹nd op de hoeveelheden melk en melkequivalent die boven </para>
      <para>een van de in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde </para>
      <para>hoeveelheden op de markt zijn gebracht. Daartoe geldt het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>f) De producenten die over een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse </para>
      <para>verkoop beschikken, houden gedurende ten minste drie jaar de volgende </para>
      <para>bescheiden ter beschikking van de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat: </para>
      <para>(.) een produktboekhouding per tijdvak van twaalf maanden waarin de </para>
      <para>hoeveelheid, per maand en per produkt, van de rechtstreeks aan de consument </para>
      <para>(.) verkochte melk en/of zuivelprodukten wordt vermeld (.) en de </para>
      <para>bewijsstukken die het mogelijk maken de bovenbedoelde produktboekhouding </para>
      <para>te controleren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Regeling superheffing 1993 (Stcrt. 1993, 60) bepaalt, voorzover hier van belang:</para>
      <para>"	Artikel 4</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De producent is ter zake van rechtstreekse verkoop voor consumptie van een </para>
      <para>hoeveelheid melk, of het equivalent daarvan, die zijn referentiehoeveelheid </para>
      <para>voor rechtstreekse verkoop overschrijdt, een heffing verschuldigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>Artikel 29</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De in artikel 4 bedoelde producent doet conform het bepaalde in artikel 4 </para>
      <para>van Verordening (EEG) nr. 536/93 en conform door het productschap daartoe </para>
      <para>gestelde regelen, aangifte bij het productschap van de hoeveelheid melk of </para>
      <para>andere melkproducten die hij in de vorige heffingsperiode rechtstreeks aan de </para>
      <para>consument, groot- of detailhandel of aan affineurs heeft geleverd, </para>
      <para>gespecificeerd per product.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Indien de in het eerste lid bedoelde aangifte niet tijdig wordt gedaan, legt het </para>
      <para>productschap de in artikel 4, tweede lid,  van Verordening (EEG) nr. 536/93 </para>
      <para>bedoelde sanctie op aan de producent.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 31</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De (.) producent, die ingevolge de artikelen (.) 4 een heffing </para>
      <para>verschuldigd is of kan worden, is verplicht conform het bepaalde in artikel 7 </para>
      <para>van Verordening (EEG) nr. 536/93 en conform de door het productschap </para>
      <para>gestelde regelen een administratie te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Het productschap kan ambtshalve de afgeleverde hoeveelheid vaststellen, </para>
      <para>indien de verplichtingen uit het eerste lid (.) niet of, naar het oordeel van  het </para>
      <para>productschap, onvoldoende worden nagekomen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 11, eerste lid, van de door het bestuur van verweerder vastgestelde Zuivel-</para>
      <para>verordening 1994, Uitvoering regeling superheffing (PBO-blad 1994, 26) luidde ten tijde </para>
      <para>hier van belang:</para>
      <para>"	De producent is verplicht van alles wat zijn onderneming of bedrijf betreft op </para>
      <para>zodanige wijze aantekening te houden, dat daaruit te allen tijde de produktie, de </para>
      <para>voorraad en de ontvangen be- of verwerkte en afgeleverde hoeveelheden van </para>
      <para>melk, alsmede de op een en ander betrekking hebbende financi‰le gegevens </para>
      <para>kunnen worden gekend, en zodanige aantekeningen en gegevens gedurende </para>
      <para>tenminste 3 jaren te bewaren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 15 mei 1996 heeft verweerders Centrale Organisatie Superheffing (hierna ook te </para>
      <para>noemen: verweerder) een door appellant op 12 mei 1996 ondertekend formulier </para>
      <para>ontvangen, waarmee opgave werd gedaan van de door hem in de heffingsperiode </para>
      <para>1995/1996 rechtstreeks voor consumptie geleverde hoeveelheden melk en andere </para>
      <para>zuivelproducten. Hierbij is opgegeven dat de volgende in kilogrammen product </para>
      <para>uitgedrukte hoeveelheden zijn geleverd, met vermelding van de hieronder </para>
      <para>aangegeven vetpercentages:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Product					  Kilogrammen		Vetpercentage</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Melk						878</para>
      <para>boter						162</para>
      <para>overige (boeren)kaassoorten			10.046</para>
      <para>karnemelk					4.860			0,6</para>
      <para>yoghurt						1.685</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op basis van voormelde opgave heeft verweerder voor de heffingsperiode 1995/1996 </para>
      <para>een realisatie in hoeveelheden melk geregistreerd van 101.439 kg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 15 mei 1997 heeft verweerder de volgende opgave van appellant over de </para>
      <para>heffingsperiode 1996/1997 ontvangen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Product					  Kilogrammen		Vetpercentage</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>melk						838			4,1</para>
      <para>boter						145</para>
      <para>Goudse boerenkaas				10.124</para>
      <para>karnemelk					15.050			0,4</para>
      <para>yoghurt						1.546			4,1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Op basis van deze opgave van appellant heeft verweerder voor de heffingperiode </para>
      <para>1996/1997 een realisatie in hoeveelheden melk geregistreerd van 102.821 kg.</para>
      <para>-	Op 4 april 1997 heeft een controle op het bedrijf van appellant plaatsgevonden door </para>
      <para>een ambtenaar van de AID met betrekking tot de opgave voor de heffingsperiode </para>
      <para>1995/1996. In het hiervan opgemaakte rapport staat onder meer het volgende </para>
      <para>vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"	Plasvergelijking</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Produktie volgens N.R.S.-gegevens:		503.786 kg. (.)</para>
      <para>	Afgeleverd aan zuivelfabriek (Coberco):		304.697 kg. (.)</para>
      <para>								-------------</para>
      <para>	Beschikbaar					199.089 kg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Afgeleverd  voor rechtstreekse consumptie  </para>
      <para>volgens berekening A.I.D.:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	- melk		-		878        kg.</para>
      <para>	- karnemelk	-		17.773   kg.</para>
      <para>	- yoghurt		-		1.685     kg.</para>
      <para>	- kaasmelk	-		107.398 kg.</para>
      <para>						-------------</para>
      <para>							127.734 kg.	127.734 kg</para>
      <para>										-------------</para>
      <para>								Verschil	71.355 kg</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens verklaring veehouder A moet het vastgestelde verschil als volgt </para>
      <para>worden verklaard:</para>
      <para>	1.	Vervoedering aan kalveren 		:	ca.	31.840 ltr.</para>
      <para>2.	Vaststelling produktie via </para>
      <para>	N.R.S.-gegevens te hoog		:	ca.	7.350   ltr.</para>
      <para>3.	Afval van zuivelprodukten		:	ca.	15.000 ltr.</para>
      <para>4.	Penicilline in melk 			:	ca.	23.715 ltr.</para>
      <para>5.	Eigen verbruik melk en melkpr.	:	ca.	3.650   ltr.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zake de hierboven gerelateerde hoeveelheden is geen administratie </para>
      <para>getoond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien geconstateerd werd dat veehouder A een onjuiste opgave had </para>
      <para>ingediend ter zake geleverde karnemelk en boerenkaas en de aanwezige </para>
      <para>administratie onvolledig bleek, werd hem proces-verbaal aangezegd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Desgevraagd is door de AID een aanvullende rapportage, gedateerd </para>
      <para>16 november 1997, aan verweerder uitgebracht. Hierin is de hoeveelheid niet-</para>
      <para>verantwoorde melk op in totaal 84.894 kg gesteld.</para>
      <para>- Op 14 januari 1998  heeft de AID op het bedrijf van appellant de opgave voor de </para>
      <para>heffingsperiode 1996/1997 gecontroleerd. In het hiervan opgemaakte rapport staat </para>
      <para>onder meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Vergelijk NRS gegevens met opgave COS en afleveringen aan de </para>
      <para>zuivelfabriek:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Productie volgens NRS gegevens		:	500.034 kg</para>
      <para>Afgeleverd aan de zuivelfabriek			:	327.197 ,,</para>
      <para>										------------</para>
      <para>Blijft								:	172.837 kg</para>
      <para>Totaal verwerkt in boerderijzuivelproducten	:	124.693 ,,</para>
      <para>										-------------</para>
      <para>Blijft								:	  48.144 kg</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In de administratie van het bedrijf stond vermeld:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervoederd aan kalveren			18.000 kg</para>
      <para>Penicillinemelk				23.500 kg</para>
      <para>Eigen verbruik melk			  2.160 kg</para>
      <para>								------------</para>
      <para>Totaal								  43.660 kg</para>
      <para>										-------------</para>
      <para>Verschil								    4.484 kg</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Vervoedering aan kalveren	: (vlgs verklaring A)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>25 kalveren   6kg x 100 dgn	=	15.000 kg</para>
      <para>35 stieren   8 kg x 10 dgn 	=	  2.800 kg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De penicilline melk is berekend aan de hand van het verbruik van de </para>
      <para>medicijnen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vervoedering van melk en de penicilline melk wordt op een kalender </para>
      <para>bijgehouden. De kalender was echter niet meer aanwezig.</para>
      <para>Op de kalender van 1998 stonden de totale hoeveelheden vervoedering en </para>
      <para>penicilline melk van 1997 vermeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vet wat bij de productie van karnemelk is vrijgekomen is vlgs verklaring </para>
      <para>ook vernietigd. (ca 475 kg)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan A is meegedeeld dat hij een dagelijkse administratie moet voeren van zijn </para>
      <para>vervoederde kilogrammen melk en van de melk die hij in verband met </para>
      <para>penicilline vernietigt. De kalender waarop hij dat vermeldt dient hij voor de </para>
      <para>controle te bewaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Note:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Of de vervoedering en de vernietiging ook daadwerkelijk hebben </para>
      <para>plaatsgevonden is niet te controleren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij brief van 17 april 1998 heeft verweerder appellant bericht dat hij de door </para>
      <para>appellant in de heffingsperiode 1995/1996 rechtstreeks voor consumptie geleverde </para>
      <para>hoeveelheid melk en andere zuivelproducten ambtshalve heeft vastgesteld op </para>
      <para>190.105 kg melkequivalent. Gelet op het gebruiksquotum van appellant van </para>
      <para>112.895 kg leidt dit tot een overschrijding van 77.210 kg, waarvoor een bedrag van </para>
      <para>fl. 58.880,35 aan superheffing in rekening wordt gebracht. Verweerder heeft </para>
      <para>dienaangaande het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op grond van het gestelde in het in kopie bijgevoegde AID-rapport (.) hebben </para>
      <para>wij de hoeveelheden melk en/of andere zuivelproducten die u rechtstreeks voor </para>
      <para>consumptie heeft geleverd in de heffingsperiode 1995/1996 volgens de bijlage </para>
      <para>ambtshalve vastgesteld op grond van artikel 31 lid 2 Regeling superheffing </para>
      <para>1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de in de bijlage vermelde hoeveelheden is door u geen volledige opgave </para>
      <para>gedaan aan de Centrale Organisatie Superheffing (COS), zoals voorgeschreven </para>
      <para>ten aanzien van de genoemde heffingsperiode bij of krachtens artikel 29 lid 1 </para>
      <para>Regeling superheffing 1993. Opgave van de juiste rechtstreekse verkoop had </para>
      <para>voor 15 mei 1996 moeten plaatsvinden aan de COS. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vaststelling dat de opgaveverplichting niet tijdig (en volledig) is </para>
      <para>nagekomen, betekent dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 4, 2e lid </para>
      <para>verordening (EEG) Nr. 536/93. U bent derhalve superheffing verschuldigd over </para>
      <para>de totale overschrijding van uw consumentenquotum  voor de periode </para>
      <para>1995/1996 (.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij brief van 6 mei 1998 heeft verweerder appellant medegedeeld dat hij de door </para>
      <para>appellant in de heffingsperiode 1996/1997 rechtstreeks geleverde hoeveelheid melk </para>
      <para>en andere zuivelproducten ambtshalve heeft vastgesteld op 151.236 kg </para>
      <para>melkequivalent. Dit betekent een overschrijding van appellants gebruiksquotum van </para>
      <para>38.341 kg, waarvoor fl. 30.032,51 superheffing in rekening wordt gebracht.</para>
      <para>- Bij brieven van 28 mei 1998 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de hem bij beide </para>
      <para>voormelde besluiten opgelegde superheffing. De gronden voor zijn bezwaar heeft hij </para>
      <para>aangevoerd bij schrijvens van 21 juli 1998. </para>
      <para>- Op 2 december 1998 heeft appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn </para>
      <para>bezwaren toegelicht ten overstaan van een hoorcommissie van verweerder. Tevens </para>
      <para>was hierbij de AID-ambtenaar Ten Hoven aanwezig. In het verslag van de </para>
      <para>hoorzitting is onder meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De heer VAN DIJK (.)</para>
      <para>Geconcludeerd kan worden dat het productschap bij de vaststelling van de </para>
      <para>geproduceerde hoeveelheden is voorbijgegaan aan de realiteit van het bedrijf </para>
      <para>van A. Er is in de heffingsjaren 1995/96 en 1996/97 niet anders gewerkt dan in </para>
      <para>de jaren daarvoor en op dit moment. Het enige verschil is dat door de </para>
      <para>genoemde omstandigheden A de administratie niet volledig heeft kunnen </para>
      <para>bijhouden. Voor de veronderstelling dat grote hoeveelheden zure </para>
      <para>zuivelproducten zijn geproduceerd en buiten de boekhouding om zijn verkocht </para>
      <para>is geen enkele concrete aanwijzing te vinden. Niet in de boekhouding, niet in </para>
      <para>de verwerkingscapaciteit en niet in de verklaring van A. De verklaring van A </para>
      <para>geeft een aannemelijk beeld van hetgeen zich in deze jaren op het bedrijf heeft </para>
      <para>afgespeeld. Spreker wijst op de kaasboeken over de jaren 1995 t/m 1997 </para>
      <para>waaruit blijkt dat de productie van  melk, yoghurt, boter en kaas is </para>
      <para>bijgehouden. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer DIERMANSE merkt op dat uit jurisprudentie blijkt dat ook het CBB </para>
      <para>van oordeel is dat de administratieverplichting zich uitstrekt tot wat niet </para>
      <para>geleverd is. Dit is van belang voor de controle. Als deze gegevens ontbreken </para>
      <para>kan het PZ ambtshalve vaststellen. Dit moet uiteraard dan wel redelijk en </para>
      <para>verantwoord zijn. Het gaat daarbij niet om een strafrechtelijke sanctie, maar om </para>
      <para>ambtshalve vaststelling van leveringen waarover eventueel superheffing wordt </para>
      <para>opgelegd. Spreker vraagt of hij goed begrepen heeft dat er wel een aanzienlijk </para>
      <para>grotere hoeveelheid melk is geproduceerd dan is opgegeven, maar dat deze </para>
      <para>melk niet is geleverd ondermeer als gevolg van de mastitisproblemen. Ook </para>
      <para>blijkens de eigen verklaring van A gaat het om grote hoeveelheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer VAN DIJK stelt dat er een gat zit tussen de hoeveelheden geleverd aan </para>
      <para>de fabriek en de geproduceerde hoeveelheden. Deze productie is vervoederd </para>
      <para>dan wel vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De heer DIERMANSE constateert dat het daarbij om grote hoeveelheden gaat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer TEN HOVEN merkt op dat bij vorige controles niet is gebleken dat de </para>
      <para>heer A de tot producten verwerkte melk niet correct heeft geadministreerd. De </para>
      <para>problemen liggen bij de afwezigheid van administratie van de gestelde </para>
      <para>vervoedering en de vernietiging.</para>
      <para>De AID gebruikt de NRS-gegevens voor de berekening van de jaarproductie, </para>
      <para>maar houdt rekening met het gegeven dat de jaarproductie op basis van de </para>
      <para>NRS-gegevens 3% hoger ligt dan het normale productieniveau. Een mindering </para>
      <para>van 3% wordt daarom toegepast.</para>
      <para>Coberco kent ten aanzien van penicillinemelk het beleid dat bij melding fl. 0,25 </para>
      <para>wordt uitbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer DIERMANSE vraagt of er stukken zijn waaruit blijkt dat een melding </para>
      <para>is gedaan bij de fabriek dat er sprake is van penicillinemelk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A merkt op dat bij onderschrijding van het quotum voor geleverde </para>
      <para>penicillinemelk fl 0,25 wordt uitbetaald. De melding bij de fabriek is van </para>
      <para>belang om een monstername te vragen van mogelijk besmette melk. Als de </para>
      <para>hoeveelheid penicilline niet aantoonbaar of gering is kan de fabriek alsnog </para>
      <para>besluiten de melk op te halen en te verwerken. Spreker heeft geen melding aan </para>
      <para>de fabriek gedaan van penicillinemelk, maar de melk zelf vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer TEN HOVEN zegt dat niet in het geding is of er penicillinemelk was, </para>
      <para>maar de administratie hiervan was niet voldoende.</para>
      <para>Als de opgave van de verwerkte producten van A wordt omgerekend naar </para>
      <para>melkplas en daarbij de leveringen aan de fabriek worden opgeteld  en dit wordt </para>
      <para>vergeleken met het productieniveau op basis  van de gegevens van het NRS </para>
      <para>ontstaat een verschil. Het verschil bestaat volgens de verklaring van A uit </para>
      <para>vernietigde en vervoederde producten."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen en besloten: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op het bedrijf van uw cli‰nt was geen verkoopadministratie aanwezig. Aan de </para>
      <para>hand van de wel aanwezige gegevens in de administratie van A is vastgesteld </para>
      <para>dat door hem in 1995/96 en 1996/97 een grotere hoeveelheid zuivelproducten </para>
      <para>is geleverd dan waarvan opgave was gedaan bij de COS. Daarbij gaat het voor </para>
      <para>1995/96 om 17.773 kg in plaats van 4.860 kg karnemelk em om 11.025 kg in </para>
      <para>plaats van 10.046 kg boerenkaas. Voor 1996/97 gaat het om 145 kg in plaats </para>
      <para>van 136 kg boter en om 10.664 kg in plaats van 10.124 kg boerenkaas.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is voorts geconstateerd dat in de betrokken heffingsperiodes geen </para>
      <para>volledige/juiste administratie van de geproduceerde melk is bijgehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de controle op aan superheffing onderworpen leveringen is het </para>
      <para>noodzakelijk dat ook genoteerd wordt wat de bestemming is van hoeveelheden </para>
      <para>melk en andere zuivelproducten die niet geleverd worden door de producent. Er </para>
      <para>is geen sprake van een volledige administratie van de gestelde vervoedering, </para>
      <para>vernietiging en eigen gebruik. Het ontbreken van een adequate administratie </para>
      <para>leidt ertoe dat de vaststelling van de geproduceerde hoeveelheid melk </para>
      <para>gebaseerd moet worden op een schatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet is aangetoond dat niet in de administratie verantwoorde hoeveelheden </para>
      <para>melk niet zijn geleverd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niettemin zijn wij bereid, gezien ook de bij uw brieven van 21 juli overgelegde </para>
      <para>stukken, een deel van de hoeveelheden, welke in de besluiten van 17 april en </para>
      <para>6 mei 1998 betrokken zijn bij de ambtshalve vaststelling van de leveringen, aan </para>
      <para>te merken als niet geleverde melk. Daarbij gaat het voor de heffingsperiode </para>
      <para>1995/96 om 24.426 kg (23.715 l) (penicilline-)melk en voor de heffingsperiode </para>
      <para>1996/97 om 23.500 kg (penicilline-)melk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gezien het vorenstaande is besloten:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>met betrekking tot 1995/96 de hoeveelheden -na correctie i.v.m. het </para>
      <para>schrikkeljaar- van de ambtshalve vastgestelde leveringen te verlagen  van </para>
      <para>190.105 kg tot 165.746 kg melk, hetgeen resulteert in een verlaging van de </para>
      <para>opgelegde heffing van fl. 58.880,35 tot fl. 40.304,17;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>met betrekking tot 1996/97 de hoeveelheden van de ambtshalve vastgestelde </para>
      <para>leveringen te verlagen van 151.236 kg tot 127.736 kg melk, hetgeen resulteert </para>
      <para>in een verlaging van de opgelegde heffing van fl. 30.032,51 tot fl. 11.624,96.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uw cliënt ontvang binnenkort nieuwe nota's (.).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Op basis van de leveringsgegevens in de opgaveformulieren was sprake van </para>
      <para>een onderschrijding van het consumentenquotum. Gezien ook de doelstelling </para>
      <para>van artikel 4, lid 2, Verordening  (EEG) nr. 536/93 - zie de vijfde overweging </para>
      <para>bij de verordening - is in de onderhavige gevallen terecht de sanctie toegepast </para>
      <para>van het opleggen van een heffing over de totale overschrijding van het </para>
      <para>consumentenquotum."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft verweerder hieraan nog het volgende toegevoegd:</para>
      <para>"	De ambtshalve vaststelling van het productschap heeft overigens (uitsluitend) </para>
      <para>betrekking op de hoeveelheid melk welke appellant, volgens zijn verklaring, </para>
      <para>voor een andere bestemming heeft gebruikt dan levering.</para>
      <para>Niet ontkend wordt dat deze hoeveelheid melk op zijn bedrijf geproduceerd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het productschap neemt het standpunt in dat de overgelegde stukken </para>
      <para>onvoldoende zijn om te kunnen dienen als bewijs voor de stelling van appellant </para>
      <para>dat de betrokken hoeveelheid niet is geleverd.</para>
      <para>Dit geldt ook voor de verklaring van de dierenarts en de daarbij gevoegde </para>
      <para>rekeningen. Immers:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	de in een bepaalde periode aangekochte hoeveelheid antibiotica zegt op zich </para>
      <para>niets over het gebruik ervan voor de behandeling in die periode van </para>
      <para>besmette melkkoeien;</para>
      <para>	niet duidelijk is hoe de hoeveelheid penicillinemelk aan de hand van de </para>
      <para>medicijnen is berekend;</para>
      <para>	geen gegevens zijn overgelegd die betrekking hebben op de behandeling </para>
      <para>met antibiotica van besmette koeien (datum behandeling, naam van de koe, </para>
      <para>wachttijd welke in aanmerking is genomen. Ook de verklaring van de </para>
      <para>dierenarts is op dit punt niet concreet ("veel gevallen.");</para>
      <para>	voorzover sprake is van penicillinemelk ontbreekt een bewijs van </para>
      <para>daadwerkelijke lozing in de gierput.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niettemin is het productschap bereid geweest om de in het primaire besluit </para>
      <para>vastgestelde hoeveelheden te verminderen met de hoeveelheden waarvan </para>
      <para>appellant heeft gesteld dat deze betrekking hebben op zijn bedrijf vernietigde </para>
      <para>penicillinemelk. Dit heeft geleid tot een forse vermindering van de ambtshalve </para>
      <para>vastgestelde hoeveelheden "niet verantwoorde melk" welke het productschap </para>
      <para>als leveringen van melk heeft aangemerkt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:</para>
      <para>"	Strijd met evenredigheidsbeginsel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De nadelige gevolgen van het besluit acht appellant onevenredig tot de met het </para>
      <para>besluit te dienen doelen. Appellant meent dan ook dat er gehandeld is in strijd </para>
      <para>met artikel 3:4, lid 2 AWB.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verwerkingscapaciteit</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Appellant heeft in zijn bezwaarschriften aangegeven dat de </para>
      <para>verwerkingscapaciteit op zijn bedrijf dermate groot is dat, kort samengevat, de </para>
      <para>kennelijk door verweerder aan de verschillende consumentenproducten  </para>
      <para>toegerekende hoeveelheden, niet konden worden geproduceerd. Verweerder is </para>
      <para>evenwel op dit argument in het geheel niet ingegaan. Appellant acht de </para>
      <para>beslissing op dit punt dan ook onvoldoende zorgvuldig, althans onvoldoende </para>
      <para>gemotiveerd, tot stand gekomen. Voorts constateert appellant op dit onderdeel </para>
      <para>dat in elk geval vaststaat dat de aan de fabriek geleverde hoeveelheden correct </para>
      <para>zijn geadministreerd. In de ogen van verweerder zijn evenwel de aan de </para>
      <para>consument geleverde zuivelproducten niet juist bijgehouden. De door appellant </para>
      <para>vernietigde en vervoederde hoeveelheden heeft verweerder als zijnde verwerkt </para>
      <para>tot consumentenproducten in aanmerking genomen voor het opleggen van de </para>
      <para>heffing. Gelet op de hoeveelheden totaal verwerkingscapaciteit, blijkt dit echter </para>
      <para>ten enenmale onmogelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Representativiteit gebruikte gegevens</para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Voorts constateert appellant dat hij reeds in het bezwaarschrift heeft </para>
      <para>aangegeven dat de zogenaamde NRS-gegevens niet representatief zijn. Tevens </para>
      <para>heeft appellant aangevoerd dat voor bederf en eigen gebruik geregeld een </para>
      <para>productieverlies optreedt van circa 10%. Appellant is van oordeel dat </para>
      <para>verweerder dit verlies ten onrechte niet heeft meegenomen, en zich ten </para>
      <para>onrechte op de NRS-cijfers heeft gebaseerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	Vervoedering</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Met betrekking tot de vervoedering van de opgegeven hoeveelheden, heeft </para>
      <para>appellant verwezen naar overgelegde rantsoenberekeningen. Ook daaraan is in </para>
      <para>de beslissing op het bezwaarschrift geen overweging gewijd. Verweerder </para>
      <para>constateert slechts dat er geen verkoopadministratie aanwezig was. Appellant </para>
      <para>meent evenwel dat hij in voldoende mate heeft aangetoond, dan wel </para>
      <para>aannemelijk gemaakt dat hij aanzienlijke hoeveelheden heeft vervoederd. </para>
      <para>Appellant merkt in dat kader op dat verweerder kennelijk van oordeel is dat de </para>
      <para>onderbouwing van de vernietiging van de zogenaamde penicillinemelk ook </para>
      <para>voldoende is geweest.</para>
      <para>Vereveningsruimte</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte is appellant van oordeel dat verweerder bij de berekening van de </para>
      <para>superheffing ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de zogenaamde </para>
      <para>vereveningsruimte. (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat </para>
      <para>appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende boekhoudverplichting. Een </para>
      <para>toereikende administratie van de bestemming van de totale zuivelproductie ontbreekt </para>
      <para>immers. Dit brengt mee dat verweerder op grond van artikel 31, tweede lid, van de </para>
      <para>Regeling superheffing 1993 bevoegd was om ambtshalve de afgeleverde hoeveelheid vast </para>
      <para>te stellen. Deze vaststelling kan zoals het College al meermalen heeft overwogen - bij </para>
      <para>gebreke van een adequate administratie - noodzakelijkerwijs niet anders zijn dan een </para>
      <para>schatting, maar deze schatting moet, met gebruikmaking van de wel bekende gegevens, </para>
      <para>hetgeen zich daadwerkelijk heeft voorgedaan zo dicht mogelijk benaderen.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College voldoet de ambtshalve vaststelling in dit geval niet aan </para>
      <para>deze voorwaarde. Het College overweegt hiertoe als volgt.</para>
      <para>Appellant heeft betoogd dat de verwerkingscapaciteit op zijn bedrijf ten enenmale </para>
      <para>onvoldoende is om de door verweerder ambtshalve vastgestelde hoeveelheid te verwerken. </para>
      <para>Verweerder is op deze stelling van appellant niet ingegaan, zodat in het duister blijft </para>
      <para>waarom hetgeen appellant met betrekking tot de verwerkingscapaciteit naar voren heeft </para>
      <para>gebracht, niet af zou doen aan de juistheid van de schatting van verweerder.</para>
      <para>Aan de uiteindelijk door appellant gedane opgave met betrekking tot vervoedering komt </para>
      <para>uiteraard niet zonder meer doorslaggevende betekenis toe, maar het ligt op de weg van </para>
      <para>verweerder om, indien hij uitgaande van de (waarschijnlijk) gemolken liters het hiervan </para>
      <para>niet verantwoorde gedeelte wenst te traceren, nader aandacht te besteden aan de vraag in </para>
      <para>hoeverre het waarschijnlijk is dat vervoedering plaatsvond. Dat dit is geschied blijkt echter </para>
      <para>niet uit de gedingstukken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een aftrek voor eigen consumptie heeft verweerder niet toegepast. Nu enig eigen gebruik </para>
      <para>op voorhand niet onaannemelijk lijkt, voldoet de ambtshalve vaststelling ook op dit punt </para>
      <para>niet aan de daaraan te stellen eisen.</para>
      <para>Anders dan verweerder ter zitting lijkt te hebben willen betogen worden voormelde </para>
      <para>gebreken van de schatting zonder nadere, op de argumenten van appellant toegespitste en </para>
      <para>cijfermatig onderbouwde, redengeving niet weggenomen door de beweerdelijk soepele </para>
      <para>houding van verweerder met betrekking tot de geclaimde aftrek voor de penicillinemelk. </para>
      <para>Dit zou immers niet verenigbaar zijn met een behoorlijke schatting.</para>
      <para>Gelet op het vorenstaande voldoet de vaststelling van de rechtstreeks verkochte hoeveel-</para>
      <para>heid melkequivalent niet aan de uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding en </para>
      <para>motivering daaraan te stellen eisen. Het beroep moet hierom gegrond worden verklaard en </para>
      <para>het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, </para>
      <para>eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder moet opnieuw op de bezwaren </para>
      <para>van appellant beslissen met inachtneming van het vorenoverwogene.</para>
      <para>Aan een beoordeling van de overige grieven van appellant komt het College, gelet op het </para>
      <para>voorgaande, niet toe.</para>
      <para>Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te </para>
      <para>veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van fl. 1.420,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op de bezwaarschriften van 28 mei 1998, met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>- 	veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant ten belope van fl. 1.420,-- (zegge: ‚‚nduizendvierhonderdtwintig gulden);</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder aan appellant het griffierecht ten bedrage van fl. 225,-- (zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden) vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. H.G. Lubberdink					w.g. A. Bruining</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>