<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1118</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T00:36:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1118</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/973</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1118">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1118</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1118 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 03-04-2001 / AWB 00/973</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1118:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1118:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 00/973						3 april 2001</para>
      <para>	27300</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>IntersuranceNet B.V., te Heerlen, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: A, directeur van appellante, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: R. Volkers, ir M. van Hattum en mr drs M. Sprey, allen werkzaam bij Senter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 21 december 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, </para>
      <para>waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 december 2000.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift dat appellante had ingediend </para>
      <para>tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie op grond van het Besluit kredieten </para>
      <para>elektronische-dienstenontwikkeling (hierna: het Besluit).</para>
      <para>Verweerder heeft onder overlegging van op de zaak betrekking hebbende stukken onder </para>
      <para>dagtekening 12 januari 2001 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Appellante heeft het College met het oog op de zitting op 29 januari 2001 haar pleitnota </para>
      <para>doen toekomen.</para>
      <para>Op 20 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid </para>
      <para>hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Krachtens artikel 2, eerste lid, van het Besluit verstrekt verweerder op aanvraag een </para>
      <para>subsidie in de vorm van een krediet aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico </para>
      <para>een ontwikkelingsproject, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit </para>
      <para>uitvoert.</para>
      <para>Artikel 5, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat er een Adviescommissie elektronische </para>
      <para>diensten (hierna: commissie) is, die tot taak heeft verweerder op zijn verzoek te adviseren </para>
      <para>omtrent aanvragen om een krediet op grond van het Besluit.</para>
      <para>Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, van het Besluit beslist verweerder in ieder geval </para>
      <para>afwijzend op een aanvraag, indien de aanvraag niet voldoet aan het Besluit en de daarop </para>
      <para>berustende bepalingen.</para>
      <para>In artikel 10, tweede lid, van het Besluit is onder b en c bepaald dat de commissie </para>
      <para>verweerder in ieder geval een negatief advies geeft, indien:</para>
      <para>(b) onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het </para>
      <para>ontwikkelingsproject, in het bijzonder de mogelijkheid het krediet en de bijgeschreven </para>
      <para>rente af te lossen binnen de economische levensduur van de eruit voortvloeiende diensten;</para>
      <para>(c) gegronde vrees bestaat dat de betrokkene het project niet kan financieren.</para>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Appellante heeft onder dagtekening 8 juni 1998 bij verweerder op grond van het </para>
      <para>Besluit een aanvraag om subsidie ingediend en daarbij als korte omschrijving van de </para>
      <para>activiteiten vermeld: het ontwikkelen en exploiteren van universele systemen voor </para>
      <para>assurantie- en leningtransacties, betreffende informaties en mutaties, zulks onder de </para>
      <para>benaming "IntersuranceNet Informatie".</para>
      <para>-	Op het aanvraagformulier is als korte samenvatting van het project vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Alle verzekeraars hebben individuele automatiseringssystemen. </para>
      <para>Tussenpersonen werken ook met een verscheidenheid aan systemen. Hoewel de </para>
      <para>diverse verzekerings- en leningproducten van verzekeraars en tussenpersonen </para>
      <para>vergelijkbaar zijn en de verschillen en overeenkomsten duidelijk aan te geven </para>
      <para>zijn, is in de praktijk geen inzicht te verkrijgen omdat het scala van systemen </para>
      <para>geen overzichtsmogelijkheid biedt voor de consumenten (afnemers). Met het </para>
      <para>universele systeem van IntersuranceNet kan iedereen alle informatie over alle </para>
      <para>aanbieders en overal hun producten bekijken en vergelijken via het internet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	In een bijlage bij de aanvraag is onder de aanhef "Aanvullende mededelingen" onder </para>
      <para>meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	IntersuranceNet dient thans een kredietaanvraag in voor het door haar te </para>
      <para>ontwikkelen algemene assurantie- en lening-informatiesysteem voor iedereen. </para>
      <para>De inkomstenbron voor dit systeem bestaat uit reclamediensten die </para>
      <para>IntersuranceNet biedt aan producenten en dienstverleners op assurantie- </para>
      <para>schade- en lening-gebied.</para>
      <para>Binnen een jaar zal IntersuranceNet de ontwikkeling starten van een algemeen </para>
      <para>assurantie- en lening-mutatiesysteem voor iedereen en daarvoor ook een </para>
      <para>krediet-aanvraag indienen. Hier zal de inkomstenbron bestaan uit een </para>
      <para>percentage over de premie-omzet voor verzekeringen die door gebruikmaking </para>
      <para>van het IntersuranceNet afgesloten en geprolongeerd zullen worden, te betalen </para>
      <para>door de aanbieders van de producten.</para>
      <para>Bij haar ge‹ntegreerd ondernemings- en projectplan is IntersuranceNet van </para>
      <para>beide ontwikkelingen uitgegaan. Het een heeft ook veel te maken met het </para>
      <para>ander. het mutatiesysteem kan uitsluitend gebouwd worden als het </para>
      <para>informatiesysteem er al is. De offerte van de softwareontwikkelaar is hier ook </para>
      <para>op afgestemd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij de aanvrage waren voorts gevoegd een 27 pagina's tellend ondernemingsplan, </para>
      <para>onder meer bevattende een begroting voor de verschillende projectonderdelen, </para>
      <para>alsmede een offerte van een automatiseringsbedrijf, betreffende de ontwikkeling van </para>
      <para>software en de configuratie van computersystemen, voorzien van een aanmerkelijke </para>
      <para>hoeveelheid bijlagen.</para>
      <para>- Verweerder heeft naar aanleiding van voornoemde aanvraag het advies ingewonnen </para>
      <para>van de commissie.</para>
      <para>- Verweerder heeft op grond van het negatieve advies van de commissie bij besluit van </para>
      <para>12 november 1998 de aanvraag van appellante om subsidie afgewezen.</para>
      <para>- Verweerder heeft het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift ongegrond </para>
      <para>verklaard bij besluit van 27 april 1999.</para>
      <para>- Bij uitspraak van 11 juli 2000, no. AWB 99/468, heeft het College het tegen </para>
      <para>laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, </para>
      <para>zulks wegens schending van het motiveringsbeginsel, vervat in artikel 7:12, eerste </para>
      <para>lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).</para>
      <para>- Genoemde vernietiging berust met name op de grond dat de commissie bij haar </para>
      <para>advisering en verweerder bij zijn besluitvorming aangaande de aanvraag om subsidie </para>
      <para>voor het project(onderdeel) betreffende een algemeen assurantie- en lening-</para>
      <para>informatiesysteem, onvoldoende onderscheid hadden gemaakt tussen genoemd </para>
      <para>projectonderdeel en het later te realiseren onderdeel, betreffende een algemeen </para>
      <para>assurantie- en lening-mutatiesysteem. In dat verband heeft het College geconcludeerd </para>
      <para>dat van een op eerstgenoemd systeem toegesneden beoordeling en motivering geen </para>
      <para>sprake was, aangezien hetgeen in de adviezen van de commissie en in het - toen - </para>
      <para>bestreden besluit was vermeld als grond voor afwijzing, betrekking had op het geheel </para>
      <para>van eerderomschreven systemen.</para>
      <para>- Verweerder heeft vervolgens de commissie om advies gevraagd aangaande voormeld </para>
      <para>informatiesysteem en overeenkomstig het tot afwijzing van de aanvraag strekkende </para>
      <para>advies van 3 november 2000 bij nader besluit op bezwaarschrift d.d. </para>
      <para>15 december 2000 de aanvraag om subsidie voor het project(onderdeel) betreffende </para>
      <para>het informatiesysteem - andermaal - afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de </para>
      <para>commissie onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Naar mijn mening is dit advies niet in strijd met het Besluit. De constateringen </para>
      <para>die de adviescommissie ten grondslag heeft gelegd aan haar advies, volgen uit </para>
      <para>het projectvoorstel. Conform de uitspraak van het College heeft de </para>
      <para>adviescommissie zich beperkt tot het informatiedeel van het projectvoorstel. </para>
      <para>Op basis van de de beschrijving in het projectvoorstel ten aanzien van dit </para>
      <para>informatiedeel van het project, zijn de constateringen van de adviescommissie </para>
      <para>begrijpelijk en niet onjuist. Ook de hieruit voortvloeiende conclusie dat </para>
      <para>onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van het </para>
      <para>project, is naar mijn mening terecht. Terecht heeft de adviescommissie </para>
      <para>geconstateerd dat onderbouwing van de markt, de kostprijs van de diensten en </para>
      <para>de commerci‰le onderbouwing onvoldoende zijn. Dat hieruit de conclusie volgt </para>
      <para>dat onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid acht ik </para>
      <para>begrijpelijk. Om in de economische haalbaarheid voldoende vertrouwen te </para>
      <para>hebben is het noodzakelijk dat inzicht in de markt bestaat, dat de kostprijs </para>
      <para>gefundeerd is opgebouwd en van bereidheid om deze kostprijs te betalen blijkt. </para>
      <para>Deze aspecten zijn naar mijn mening wezenlijk voor een dergelijk oordeel, </para>
      <para>maar ontbreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts acht ik het redelijk dat de adviescommissie op basis van de aannames </para>
      <para>een inschatting heeft gemaakt van de amortisatie. Hierbij heeft de </para>
      <para>adviescommissie naar mijn mening terecht de voor u meest gunstige bedragen </para>
      <para>en uitganspunten genomen. Op basis van deze inschatting is aan te geven of het </para>
      <para>kredo-krediet terug betaald kan worden. Vastgesteld is dat slechts 7% van de </para>
      <para>totale exploitatiekosten van beide deelprojecten betrekking op dit deelproject </para>
      <para>mogen hebben om de kredo-verplichtingen te kunnen terugbetalen. Ook deze </para>
      <para>constatering is gebaseerd op  het projectvoorstel. Ook hier kan ik geen strijd </para>
      <para>met het Besluit constateren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uitgebrachte advies is daarom niet in strijd met het Besluit. Ik kan de </para>
      <para>conclusies van de adviescommissies volgen en herleiden tot het door u </para>
      <para>ingediende projectvoorstel. Ik neem het nieuw uitgebrachte advies over."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>In beroep heeft appellante, samengevat weergegeven, tegen het bestreden besluit het </para>
      <para>volgende naar voren gebracht.</para>
      <para>Verweerder heeft door het opnieuw vragen van advies aan de commissie en het volgen van </para>
      <para>het uitgebrachte advies blijk gegeven van een onjuiste uitleg van de uitspraak van het </para>
      <para>College van 11 juli 2000, welke uitspraak gezien zijn bewoordingen had behoren te leiden </para>
      <para>tot inwilliging van het verzoek om subsidie.</para>
      <para>Verweerder heeft het nieuwe afwijzende besluit ten onrechte uitsluitend gemotiveerd met </para>
      <para>argumenten waartegen het bezwaarschrift d.d. 17 november 1998 inzake de </para>
      <para>oorspronkelijke afwijzing niet was gericht. Die argumenten zijn ontleend aan het advies </para>
      <para>van de commissie van 3 november 2000, welk advies evenwel buiten de orde is, daar het </para>
      <para>niet eerder kon worden bestreden en niet door het College kon worden beoordeeld bij zijn </para>
      <para>uitspraak van 11 juli 2000.</para>
      <para>Ter zitting heeft appellante nog inhoudelijke bezwaren tegen het advies van de Commissie </para>
      <para>en het bestreden besluit naar voren gebracht.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Wat de grondslag van het bestreden besluit betreft, gaat het College er vanuit dat </para>
      <para>verweerder overeenkomstig het advies van de commissie, dat in verband met het bepaalde </para>
      <para>in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en c, van het Besluit strekte tot afwijzing van de </para>
      <para>thans aan de orde zijnde aanvraag van subsidie, die aanvraag onder toepassing van artikel </para>
      <para>9, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit heeft afgewezen.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College zijn de in voormeld artikel 10, tweede lid, genoemde </para>
      <para>criteria niet alleen van betekenis voor de advisering door de commissie, doch zijn zij  </para>
      <para>evenzeer maatgevend voor van de besluitvorming van verweerder in het kader van de </para>
      <para>toepassing van artikel 9, aanhef en onder a, van het Besluit.</para>
      <para>Verweerder heeft, naar moet worden aangenomen, beoogd ter zake van de motivering van </para>
      <para>het bestreden besluit overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:49 van de Awb te verwijzen </para>
      <para>naar meergenoemd advies van de commissie d.d. 3 november 2000, alsmede om de in dit </para>
      <para>besluit vervatte afwijzing te baseren op de in meergenoemd artikel 10, tweed lid, aanhef </para>
      <para>onder b en c, genoemde gronden.</para>
      <para>5.2	Appellante heeft in de procedure die heeft geleid tot het bestreden besluit en in beroep, </para>
      <para>tegen de wijze van besluitvorming van verweerder en de inhoud van het bestreden besluit </para>
      <para>argumenten, als hiervoor weergegeven, van formeel juridische aard naar voren gebracht.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College treffen deze argumenten geen doel.</para>
      <para>Immers, de door het College op 11 juli 2000 uitgesproken vernietiging was gegrond op </para>
      <para>schending van het motiveringsbeginsel, vervat in artikel 7:12 van de Awb.</para>
      <para>Zulks betekende geenszins dat - zoals appellante lijkt te betogen - verweerder gehouden </para>
      <para>was op basis van de tot dan toe bekende feiten en omstandigheden de door appellante </para>
      <para>ingediende aanvraag om subsidie in te willigen.</para>
      <para>Geoordeeld moet worden dat verweerder terecht aanleiding heeft gevonden de commissie </para>
      <para>te verzoeken hem te adviseren aangaande het thans aan de orde zijnde project(onderdeel) </para>
      <para>en daarbij acht te slaan op genoemde uitspraak van het College. Gelet op het bepaalde bij </para>
      <para>het Besluit, was het mede uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het </para>
      <para>bestreden besluit geboden andermaal het advies van de commissie in te winnen</para>
      <para>Evenzeer was het geboden, alvorens opnieuw op appellantes bezwaarschrift te beslissen, </para>
      <para>haar in de gelegenheid te stellen haar zienswijze te geven over de inhoud van het door de </para>
      <para>commissie uitgebrachte advies en haar uit te nodigen te worden gehoord.</para>
      <para>Verweerder heeft appellante een en andermaal bedoelde gelegenheid en uitnodiging </para>
      <para>gegeven, doch appellante heeft onder vermelding van argumenten als eerder weergegeven, </para>
      <para>aan verweerder te kennen gegeven daarvan geen gebruik te maken.</para>
      <para>Eerst ter zitting van het College zijn vanwege appellante argumenten van inhoudelijke aard </para>
      <para>tegen het advies van de commissie en het bestreden besluit naar voren gebracht.</para>
      <para>Gezien vorenomschreven opstelling van appellant in de procedure die heeft geleid tot het </para>
      <para>bestreden besluit, geeft de inhoud van evenbedoelde bezwaren het College geen aanleiding </para>
      <para>tot het instellen van nader onderzoek.</para>
      <para>Tenslotte acht het College geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters						w.g. S.F.E. Raeven</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>