<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T11:48:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1115</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:49&amp;g=2001-04-03">Algemene wet bestuursrecht 3:49</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1115">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1115 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 03-04-2001 / AWB 00/24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1115:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1115:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 00/24					3 april 2001</para>
      <para>	27300</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>IntersuranceNet B.V., te Heerlen, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: A, directeur van appellante, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: R.Volkers, ir M. van Hattum en mr drs M. Sprey, allen werkzaam bij Senter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 5 januari 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 december 1999.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift dat appellante had ingediend </para>
      <para>tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie op grond van het Besluit kredieten </para>
      <para>elektronische-dienstenontwikkeling (hierna: het Besluit).</para>
      <para>Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder </para>
      <para>dagtekening 13 april 2000 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Appellante heeft het College met het oog op de zitting op 11 augustus 2000 haar pleitnota </para>
      <para>doen toekomen en daarbij meegezonden een aan haar gerichte brief d.d. 24 juni 1998 van </para>
      <para>ICL Enterprises B.V. te Maarssen (hierna: ICL).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid </para>
      <para>hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Krachtens artikel 2, eerste lid, van het Besluit verstrekt verweerder op aanvraag een </para>
      <para>subsidie in de vorm van een krediet aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico </para>
      <para>een ontwikkelingsproject, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit </para>
      <para>uitvoert.</para>
      <para>Artikel 5, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat er een adviescommissie electronische </para>
      <para>diensten (hierna: commissie) is, die tot taak heeft verweerder op zijn verzoek te adviseren </para>
      <para>omtrent aanvragen om een krediet op grond van het Besluit.</para>
      <para>Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, van het Besluit beslist verweerder in ieder geval </para>
      <para>afwijzend op een aanvraag, indien de aanvraag niet voldoet aan het Besluit en de daarop </para>
      <para>berustende bepalingen.</para>
      <para>In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, is bepaald dat de commissie verweerder in </para>
      <para>ieder geval een negatief advies geeft, indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene het </para>
      <para>project niet kan financieren.</para>
      <para>In het derde lid van artikel 10 is een regeling gegeven aangaande de rangschikking door de </para>
      <para>commissie van aanvragen waarover zij positief adviseert.</para>
      <para>Krachtens artikel 11, eerste lid, verdeelt verweerder het beschikbare bedrag in volgorde van </para>
      <para>rangschikking van de aanvragen door de commissie.</para>
      <para>Verweerder  kan ingevolge het tweede lid van dat artikel afwijken van het eerste lid, indien </para>
      <para>een advies van de commissie in strijd is met het Besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze </para>
      <para>tot stand is gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante heeft bij brief van 19 mei 1999 bij verweerder op grond van het Besluit </para>
      <para>een aanvraag om subsidie ingediend en daarbij als korte omschrijving van de </para>
      <para>activiteiten vermeld: het ontwikkelen en exploiteren van een branche management </para>
      <para>systeem voor het verzekeringsbedrijf met de onderdelen (1) informatie en (2) </para>
      <para>communicatie.</para>
      <para>- Op het aanvraagformulier is als korte samenvatting van het project vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Dit project betreft de ontwikkeling van het onderdeel "communicatie"(.).</para>
      <para>Dat regelt op de meest effici‰nte wijze de informatie, communicatie en </para>
      <para>afhandeling tussen consumenten, tussenpersonen, ondertekenaars, </para>
      <para>deskundigen, dienstverleners en instanties op dit gebied. IntersuranceNet </para>
      <para>administreert alle aanbieders in de markt en al hun producten en diensten. </para>
      <para>Consumenten kunnen die bekijken en vergelijken en dan zaken doen met wie </para>
      <para>men wil. Hiervoor bestaat veel belangstelling bij consumenten. Aanbieders </para>
      <para>hebben dus groot belang hier gebruik van te maken. Speciaal de </para>
      <para>gevolmachtigden zullen als ondertekenaars namens maatschappijen optreden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij genoemde aanvraag was onder meer gevoegd een 38 pagina's tellend </para>
      <para>ondernemingsplan, waarin onder andere een beschrijving was gegeven van de </para>
      <para>achtergrond, het doel, de uitvoering en de kostenbegroting van het plan.</para>
      <para>-	In het kader van het vergaren van de voor de behandeling van de aanvraag benodigde </para>
      <para>gegevens is namens verweerder bij brief van 22 juni 1999 verzocht om toezending </para>
      <para>van de openingsbalans.</para>
      <para>-	Appellante heeft dit stuk bij schrijven van 24 juni 1999 aan verweerder doen </para>
      <para>toekomen.</para>
      <para>-	Bij brief van 28 juni 1999 heeft verweerder aan appellante een zogenoemde </para>
      <para>volledigmelding gedaan inzake eerdergenoemde aanvraag.</para>
      <para>-	Verweerder heeft omtrent de aanvraag het advies ingewonnen van de commissie.</para>
      <para>-	Overeenkomstig het negatieve advies van de commissie heeft verweerder bij besluit </para>
      <para>van 10 september 1999 de aanvraag afgewezen.</para>
      <para>-	Appellante heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>- Hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit is onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"	Het Besluit werkt volgens een tendersysteem. Dit systeem van </para>
      <para>krediettoewijzing is gebaseerd op een kwalitatieve vergelijking van de in de </para>
      <para>tender aangemelde projecten die voldoen aan het Besluit. Het kwalitatief </para>
      <para>vergelijken van projecten wordt tot uitdrukking gebracht door deze in volgorde </para>
      <para>van waardering te rangschikken. Deze systematiek brengt met zich mee dat op </para>
      <para>basis van het projectvoorstel, zoals dat uiterlijk op de sluitingsdatum van de </para>
      <para>tender is ingediend, wordt beslist. Na de indiening va de projectvoorstellen </para>
      <para>worden door mij geen uitbreidingen van de projectvoorstellen meer </para>
      <para>geaccepteerd.</para>
      <para>Ten eerste niet omdat de projectvoorstellen, met het oog op het uit te brengen </para>
      <para>advies van de Adviescommissie, vastomlijnd dienen te zijn; ten tweede niet om </para>
      <para>alle inschrijvers gelijke kansen te geven. Ik hecht zeer aan dit tenderprincipe. </para>
      <para>Aanvullingen op het projectplan kunnen, gezien het boven beschreven principe, </para>
      <para>niet geaccepteerd worden. Dit principe is voor mij ook leidraad bij de </para>
      <para>beoordeling van een bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het bij de aanvraag gevoegde ondernemingsplan, tijd-kosten-plan en de </para>
      <para>offerte van ICL is aangegeven dat de totale ontwikkelkosten van onderdelen I </para>
      <para>en II van het project totaal f. 19.830.800,00 bedragen. Deze totale </para>
      <para>ontwikkelkosten hebben betrekking op zowel fase I en II van het project. Voor </para>
      <para>fase I van het projecte hebt u mij reeds eerder om krediet verzocht. Dit verzoek </para>
      <para>is niet gehonoreerd. Hoewel voor de onderhavige aanvraag, die dus onderdeel </para>
      <para>II behelst, een bedrag van fl. 10.746.940,00 aan projectkosten wordt </para>
      <para>opgevoerd, dienen de totale ontwikkelkosten ad f 19.830 800,00 door uw </para>
      <para>onderneming te worden gedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alle aanvragen die voldoen aan de eisen welke in het Besluit zijn gesteld, </para>
      <para>worden door mij voorgelegd aan de Adviescommissie heeft in ‚‚n van haar </para>
      <para>vergaderingen het project besproken. Hierbij heeft zij de beschikking gehad </para>
      <para>over uw aanvraag, projectplan, offerte van ICL en de diverse bijlagen. De </para>
      <para>Adviescommissie heeft mij over uw aanvraag negatief geadviseerd. Naast een </para>
      <para>aantal andere opmerkingen heeft de Adviescommissie die advies gebaseerd op </para>
      <para>het feit dat gegronde vrees bestaat dat u het project niet kunt financieren. Tot </para>
      <para>deze conclusie is de Adviescommissie gekomen nu uw balans een totaal geeft </para>
      <para>van f. 40.000,00 eigen vermogen. Dit eigen vermogen acht de </para>
      <para>Adviescommissie niet toereikend om het project, dat tezamen met het vorige </para>
      <para>project meer dan f. 16.000.000,00 aan projectkosten bedraagt, te financieren. </para>
      <para>Bovendien is de Adviescommissie van mening dat nergens verder aannemelijk </para>
      <para>wordt gemaakt dat u over additionele middelen kunt beschikken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals in artikel 11, tweede lid, van het Besluit is bepaald kan ik afwijken van </para>
      <para>het eerste lid, indien een advies van de Adviescommissie in strijd is met dit </para>
      <para>Besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hierbij dient </para>
      <para>als uitgangspunt hegeen in het projectvoorstel is beschreven. Het is derhalve de </para>
      <para>verantwoordelijkheid van de aanvrager om voor een goed onderbouwd </para>
      <para>projectvoorstel te zorgen, welke is voorzien aan alle relevante bijlagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik heb in de bezwaarfase overwogen of de beslissing van 10 september 1999 </para>
      <para>genomen had mogen worden op basis van het ingediende projectvoorstel. </para>
      <para>Indien blijkt dat de Adviescommissie in redelijkheid tot haar standpunt heeft </para>
      <para>kunnen komen en het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, neem ik het </para>
      <para>advies over.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(.)</para>
      <para>Op basis van het projectvoorstel, de beoordeling door de commissieleden en </para>
      <para>deze bespreking heeft de Adviescommissie het advies opgesteld zoals </para>
      <para>hierboven weergegeven. De Adviescommissie beschikte derhalve over alle </para>
      <para>relevante informatie zoals deze op de sluitingsdatum van de tender beschikbaar </para>
      <para>was, om tot het oordeel te komen. Mij is niet gebleken dat de Adviescommissie </para>
      <para>de door u overgelegde informatie geheel of gedeeltelijk niet in haar </para>
      <para>beoordeling heeft betrokken. Naar mijn mening kan dan ook niet gesteld </para>
      <para>worden dat het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Adviescommissie heeft haar negatieve advies gebaseerd op artikel 10, </para>
      <para>tweede lid, sub c, van het Besluit. Door mij dient beoordeeld te worden of de </para>
      <para>Adviescommissie op basis van hetgeen in het projectvoorstel is opgenomen, tot </para>
      <para>dit advies heeft kunnen komen. Nu mijn beslissing van 10 september 1999 is </para>
      <para>gebaseerd op het advies van de Adviescommissie voor zover dat is gericht op </para>
      <para>de financiering van het project, zal ik mij hier in het vervolg van deze </para>
      <para>beschikking op concentreren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik ben van mening dat de Adviescommissie in redelijkheid tot haar standpunt </para>
      <para>heeft kunnen komen. Bij uw aanvraag is een openingsbalans uit 1998 van uw </para>
      <para>onderneming gevoegd. Deze balans laat een totaal zien van f. 40.000,00. Zoals </para>
      <para>hierboven vastgesteld bedragen de totale ontwikkelkosten van het project ruim </para>
      <para>f. 19.000.000,00. In het projectvoorstel gaat u zelf uit van f. 20.000.000,00 </para>
      <para>ontwikkelkosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestudering van het projectvoorstel, het tijd-kosten-plan, de begroting ende </para>
      <para>offerte van ICL geven op geen enekele wijze onderbouwd en aantoonbaar </para>
      <para>inzicht in de wijze waarop u dit substanti‰le bedrag zult financieren. Op het </para>
      <para>aanvraagformulier hebt u slechts opgenomen dat de financiering plaats vindt </para>
      <para>door achtergestelde leningen (voornamelijk van softwarebedrijven). In het </para>
      <para>projectplan hebt u deze stelling eveneens een aantal malen geponeerd. Ook heb </para>
      <para>u op pagina 18 van het projectvoorstel gesteld dat f. 7.000.000,00 door uitgifte </para>
      <para>van waardepapieren gefinancierd zal worden. Op pagina 22 van het </para>
      <para>projectvoorstel voegt u hier nog aan toe dat u dit bedrag wilt lenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter onderbouwing van deze stelling is geen nadere informatie door u verstrekt. </para>
      <para>Slechts de enkele stellingen zijn geponeerd. Geen offerte van een bank welke </para>
      <para>bereid is een lening of inzicht in de wijze waarop u de waardepapieren wilt </para>
      <para>gaan uitgeven is bij uw aanvraag gevoegd of nader beschreven. Ook in de </para>
      <para>offerte van ICL wordt hierin niet op ingegaan. Integendeel, in de offerte wordt </para>
      <para>juiste gewezen op de betalingsmomenten. Bovendien wordt op pagina 13 van </para>
      <para>de offerte gesteld dat ‚‚n der randvoorwaarden die ICL stelt is de zekerheid dat </para>
      <para>u de totale investering kunt dragen. Op basis van deze informatie moet </para>
      <para>geconcludeerd worden dat sprake is van een normale leverancier en afnemer </para>
      <para>verhouding. Van alle wel in het dossier aanwezige stukken wijst niets op het </para>
      <para>bestaan van enige lening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien deze feiten ben ik van mening dat de Adviescommissie terecht tot de </para>
      <para>conclussie kon komen dat gegronde vrees bestaat dat u het project niet kunt </para>
      <para>financieren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu op de sluitingsdatum van de tender op geen enkele wijze inzicht is gegeven </para>
      <para>in de wijze van financiering van het project, acht ik het oordeel van de </para>
      <para>Adviescommissie niet onredelijk. Bovendien had het naar mijn mening op uw </para>
      <para>lijn gelegen de leningsovereenkomsten wel bij uw aanvraag te voegen, nu dit </para>
      <para>een essentieel onderdeel van het commercialisatieplan en financieringsaspect </para>
      <para>van de aanvraag vormt. Ik acht het uw verantwoordelijkheid om te zorgen voor </para>
      <para>een volledige aanvraag op de datum van sluiting van de tender. Financiering </para>
      <para>door ICL van f. 16.000.000,00 door middel van een achtergesteld lening is </para>
      <para>hierbij niet aan de orde gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat het advies van de </para>
      <para>Adviescommissie niet op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Tevens </para>
      <para>ben ik van mening dat de Adviescommissie tot het advies heeft kunnen komen </para>
      <para>en heeft kunnen baseren op het in artikel 10, tweede lid, sub c, van het Besluit </para>
      <para>gestelde. Ik ben van oordeel dat ik dit advies dan ook over heb kunnen nemen. </para>
      <para>Ik handhaaf derhalve mijn beslissing van 10 september 1999."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellant</para>
      <para>Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven en voor zover </para>
      <para>hier van belang, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>De uitwerking van de financiering is geheel opgenomen in de verschillende berekeningen </para>
      <para>van inkomsten en uitgaven</para>
      <para>Op het aanvraagformulier en op diverse plaatsen in het projectplan is sprake van een </para>
      <para>lening, te weten een achtergestelde lening, te verstrekken door de softwareleverancier ICL.</para>
      <para>Aangezien het om een achtergestelde lening gaat, moet het daarbij aan de orde zijnde </para>
      <para>bedrag worden aangemerkt als eigen vermogen van appellante.</para>
      <para>Wat deze lening betreft, kan worden verwezen naar de op 11 augustus 2000 overgelegde </para>
      <para>brief van ICL, betreffende "nadere bepalingen intentieverklaring".</para>
      <para>Ter gelegenheid van de indiening van de aanvraag voor het projectonderdeel "informatie" </para>
      <para>is de financiering van beide projectonderdelen in een gesprek met medewerkers van Senter </para>
      <para>aan de orde geweest. Daarbij is vanwege ICL bevestigd dat deze vennootschap de </para>
      <para>financiering zou regelen van het niet door verweerder gesubsidieerde deel. Van de zijde </para>
      <para>van Senter is toen gesteld dat nadere specificaties van de financiering niet nuttig werden </para>
      <para>geoordeeld.</para>
      <para>Nu Senter op de hoogte was van de wijze van financiering had niet zonder meer vanwege </para>
      <para>het niet toereikend zijn van de gegevens omtrent de financiering de aanvraag mogen </para>
      <para>worden afgewezen, doch had indien al van ontoereikendheid kan worden gesproken, de </para>
      <para>gelegenheid behoren te worden geboden de stukken aan te vullen.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Verweerder heeft bij het bestreden besluit, ter zake van de motivering van de afwijzing van </para>
      <para>appellantes verzoek om subsidie, verwezen naar het advies van de commissie en onder </para>
      <para>vermelding van artikel 11, tweede lid, van het besluit geconcludeerd dat genoemd advies </para>
      <para>niet in strijd is met het Besluit en niet op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, </para>
      <para>hetgeen - aldus verweerder - betekent dat hij dit advies over heeft kunnen nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College overweegt hieromtrent dat in het onderhavige geval niet aan de orde is het op </para>
      <para>basis van een positief advies van de commissie in het kader van het tendersysteem </para>
      <para>rangschikken van de aanvraag van appellante, doch de afwijzing van de aanvraag op basis </para>
      <para>van een negatief advies van de commissie, dat is gebaseerd op artikel 10, tweede lid, </para>
      <para>aanhef en onder c, van het Besluit.</para>
      <para>Naar het oordeel van het College moet de grondslag voor een dergelijk afwijzingsbesluit </para>
      <para>worden gevonden in artikel 9, aanhef en onder a, van het Besluit en is eerder geciteerd </para>
      <para>artikel 11, tweede lid, niet aan de orde. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat </para>
      <para>de in artikel 10, tweede lid, genoemde criteria niet alleen van betekenis zijn voor de </para>
      <para>advisering door de commissie, doch evenzeer maatgevend zijn voor de besluitvorming van </para>
      <para>verweerder in het kader van de toepassing van artikel 9, aanhef en onder a.</para>
      <para>Voor de beoordeling van het bestreden besluit gaat het College er vanuit dat de daarin </para>
      <para>vervatte afwijzing berust op laatstvermeld voorschrift in verbinding met het bepaalde in </para>
      <para>artikel 10, tweede lid, onder c, alsmede dat wat de motivering van het bestreden besluit </para>
      <para>betreft, is beoogd overeenkomstig artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>(hierna: Awb) te verwijzen naar het advies van de commissie.</para>
      <para>5.2	De in het geding zijnde afwijzing berust op de motivering dat gegronde vrees bestaat dat </para>
      <para>appellante het onderhavige project niet kan financieren.</para>
      <para>In dat verband is bij het bestreden besluit aangegeven dat appellante, wier balans een totaal </para>
      <para>laat zien van Ÿ 40.000,--eigen vermogen terwijl de totale ontwikkelkosten van het project </para>
      <para>zijn begroot op circa 20 miljoen gulden, weliswaar bij de aanvraag het bestaan van een </para>
      <para>achtergestelde lening heeft vermeld, doch geen nadere, toereikende gegevens heeft </para>
      <para>verstrekt met betrekking tot een daartoe strekkende overeenkomst of omtrent een andere </para>
      <para>wijze van financiering.</para>
      <para>Van de zijde van verweerder is ter zitting van het College, mede naar aanleiding van </para>
      <para>hetgeen appellante naar voren heeft gebracht aangaande het aanvullen van gegevens, </para>
      <para>uiteengezet dat aan een aanvrager van subsidie slechts (nadere) gegevens worden verzocht, </para>
      <para>voor zover de ingediende gegevens gezien het Besluit en het daarop gebaseerde </para>
      <para>aanvraagformulier ontoereikend zijn om de aanvraag in behandeling te nemen. Zulks was </para>
      <para>in casu het geval in verband met het ontbreken van balansgegevens, die naderhand bij </para>
      <para>appellante zijn opgevraagd. Het verstrekken van andersoortige gegevens en het zorg dragen </para>
      <para>voor de volledigheid van gegevens komt - aldus verweerder - geheel voor rekening en </para>
      <para>risico van de aanvrager.</para>
      <para>Naar de mening van verweerder kan van Senter geen uitvoeriger onderzoek naar de </para>
      <para>gegevens in het kader van de aanvraagprocedure worden gevergd, aangezien dat een </para>
      <para>effectieve toepassing van het Besluit en het daarin vervatte tendersysteem te zeer zou </para>
      <para>belemmeren.</para>
      <para>Met betrekking tot de stelling van appellante, dat meerbedoelde achtergestelde lening bij </para>
      <para>medewerkers van Senter aan de orde is gesteld en dat het daarom in de rede had gelegen </para>
      <para>dat een mogelijkheid tot aanvulling van gegevens was geboden toen het bestaan van een </para>
      <para>dergelijke lening voor een bedrag van 13 miljoen gulden bij de aanvraag was vermeld, is </para>
      <para>namens verweerder te kennen gegeven dat uit telefonische inlichtingen, die naar aanleiding </para>
      <para>van hetgeen vanwege appellante in de hoorzitting met betrekking tot haar bezwaarschrift </para>
      <para>naar voren was gebracht, zijn ingewonnen bij de betrokken medewerkers van Senter, is </para>
      <para>gebleken dat het onderhoud met bedoelde medewerkers heeft plaatsgevonden v¢¢r </para>
      <para>indiening van de subsidieaanvraag voor het eerste project (onderdeel), dat bij die </para>
      <para>gelegenheid de mogelijkheid van financiering van een project met een achtergestelde </para>
      <para>lening in algemene zin aan de orde is geweest en dat daarbij in algemene zin is gewezen op </para>
      <para>de noodzaak van het vestrekken van gegevens ter onderbouwing van een dergelijke wijze </para>
      <para>van financiering.</para>
      <para>Van de zijde van verweerder is nog opgemerkt dat overigens het eerst bij brief van </para>
      <para>11 augustus 2000 door appellante overgelegde schrijven van ICL d.d. 24 juni 1998 niet zou </para>
      <para>hebben geleid tot een positief oordeel omtrent de aanvraag, aangezien het daarin </para>
      <para>voorkomende beding: dat tot het moment waarop appellante het volledige offertebedrag </para>
      <para>heeft voldaan en aan alle verplichtingen op grond van de af te sluiten overeenkomst heeft </para>
      <para>voldaan de volledige intellectuele eigendomsrechten op de te ontwikkelen software </para>
      <para>toebehoren aan ICL die van deze eigendomsrechten pas gebruik zal mogen maken in geval </para>
      <para>van surs‚ance of (dreigend) faillissement, voor verweerder niet aanvaardbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het voorafgaande oordeelt het College in de eerste plaats dat hetgeen </para>
      <para>verweerder naar voren heeft gebracht omtrent het aanvullen van gegevens in het kader van </para>
      <para>indiening van subsidieaanvragen onder een tendersysteem, gelet op het bepaalde bij het </para>
      <para>Besluit en gezien het bepaalde in Afdeling 4.1.1 van de Awb, waarvan met name artikel </para>
      <para>4:5, eerste lid, van belang is, rechtens aanvaardbaar is.</para>
      <para>Derhalve is het op zichzelf niet onjuist te achten dat verweerder op de aanvraag van </para>
      <para>appellante heeft beslist op basis van de harerzijds verstrekte gegevens en geen actie heeft </para>
      <para>ondernomen om nadere gegevens te verkrijgen omtrent de door appellante genoemde </para>
      <para>achtergestelde lening.</para>
      <para>Hetgeen aan appellante door medewerkers van Senter te kennen is gegeven tijdens een </para>
      <para>onderhoud dat is gevoerd v¢¢r indiening van eerdergenoemde aanvraag, maakt dit niet </para>
      <para>anders. Gezien hetgeen naar voren komt uit een tweetal door verweerder overgelegde </para>
      <para>telefoonnotities, bevattende informatie van bedoelde medewerkers omtrent het onderhoud, </para>
      <para>kan niet worden staande gehouden dat bij appellante op enigerlei wijze de indruk is gewekt </para>
      <para>dat het beleid van verweerder met betrekking tot het behandelen van subsidieaanvragen </para>
      <para>zou inhouden dat voor financiering door middel van een achtergestelde lening geen </para>
      <para>ondersteunende gegevens zouden behoeven te worden overgelegd dan wel dat  het niet </para>
      <para>aanstonds overleggen van dergelijke gegevens geen risico voor de aanvrager zou opleveren </para>
      <para>omdat in een zodanig geval van de zijde van verweerder actie zou worden ondernomen tot </para>
      <para>het alsnog verkrijgen van zulke gegevens.</para>
      <para>In verband met het vorenoverwogene moet worden geconcludeerd dat de afwijzing van de </para>
      <para>onderhavige aanvraag op grond van de motivering dat gegronde vrees bestaat dat </para>
      <para>appellante het onderhavige project niet zal kunnen financieren, de rechterlijke toetsing kan </para>
      <para>doorstaan.</para>
      <para>Derhalve dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>Ten slotte acht het College geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters						w.g. S.F.E. Raeven</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>