<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T12:26:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1114</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/81, 01/82 en 01/83</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1114">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1114 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 15-03-2001 / AWB 01/81, 01/82 en 01/83</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1114:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1114:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nrs. AWB 01/81, 01/82 en 01/83			15 maart 2001</para>
      <para>	32000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. UCB Chemicals, te Gent, Belgi‰, verzoeker,</para>
      <para>2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BASF Nederland B.V., te Arnhem,</para>
      <para>3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Luxan B.V., te Elst, verzoeksters</para>
      <para>gemachtigde: mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), gevestigd te Wageningen, </para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr J.H. Geerdink, advocaat te 's-Gravenhage, mr E. Hazeleger en </para>
      <para>drs ing. R.H. Schreuder, beiden werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluiten van 22 december 2000 heeft verweerder afwijzend beslist op verzoeken om </para>
      <para>verlenging van de toelatingen van de middelen UCB-metam, Luxan Monamconc. en BASF </para>
      <para>Monam conc.</para>
      <para>Tegen die besluiten hebben verzoeksters bezwaar gemaakt. Voorts hebben zij bij een op </para>
      <para>29 januari 2001 ter griffie ingekomen verzoekschrift aan de president van het College </para>
      <para>verzocht de bestreden besluiten te schorsen en te bepalen dat de middelen worden </para>
      <para>behandeld als waren zij toegelaten.</para>
      <para>Het verzoekschrift is ter behandeling gesplitst in drie verzoeken om voorlopige </para>
      <para>voorziening, elk betrekking hebbend op ‚‚n der onderhavige toelatingen.</para>
      <para>Verweerder heeft op 28 februari 2001 een reactie op het verzoekschrift ingediend.</para>
      <para>De president heeft de verzoeken om voorlopige voorziening gevoegd behandeld op 8 maart </para>
      <para>2001, alwaar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunt nader uiteen </para>
      <para>hebben gezet. Tevens waren ter zitting aanwezig A en B, beiden werkzaam bij verzoekster </para>
      <para>sub 1. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	In de artikelen 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, verder ook: de Wet, worden </para>
      <para>de criteria en voorwaarden genoemd voor de beoordeling voor de toelating van </para>
      <para>bestrijdingsmiddelen. Ingevolge artikel 5 van de Wet is verlenging van een toelating </para>
      <para>mogelijk, indien nog steeds aan de voorwaarden voor toelating is voldaan. Daarbij is </para>
      <para>tevens bepaald dat een toelating zonodig kan worden verlengd voor de periode, die met de </para>
      <para>beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.</para>
      <para>	Ter uitvoering van deze in artikel 5, van de Wet bedoelde procedurele verlenging bepaalt </para>
      <para>artikel 7, vijfde lid, van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995, verder ook: Rtb </para>
      <para>of Rtb 1995, dat verweerder, indien de besluitvorming met betrekking tot een  aanvraag tot </para>
      <para>verlenging van een toelating niet tijdig kan zijn afgerond, de betreffende toelating kan </para>
      <para>verlengen voor de duur die nodig is voor afronding van de besluitvorming.</para>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Met het oog op de einddatum van de werkzame stof metam-natrium, 1 december </para>
      <para>1999, zijn aanvankelijk de toelatingen, die het voorwerp zijn van het voorliggende </para>
      <para>verzoek in verband met een volledige herbeoordeling van de betreffende middelen tot </para>
      <para>genoemde datum verlengd. Voor het middel LUXAN Monam geconc. is dat gebeurd </para>
      <para>op 25 november 1994. De verlengingsbesluiten voor de beide andere middelen zijn </para>
      <para>genomen op 21 februari 1997.</para>
      <para>- In de periode van 11 augustus 1998 tot 18 november 1998 hebben verzoeksters </para>
      <para>wederom verzoeken om verlenging van de betreffende toelatingen ingediend.</para>
      <para>-	Bij besluiten van 24 september 1999 heeft verweerders rechtsvoorganger, de Minister </para>
      <para>van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de toelatingen in verband met de afronding </para>
      <para>van de beoordeling verlengd tot 1 september 2000.</para>
      <para>- Bij besluit van 29 juni 2000 heeft verweerder, naar aanleiding van een tegen zijn </para>
      <para>besluiten van 24 september 1999 door de Zuid-Hollandse Milieufederatie en de </para>
      <para>Stichting Natuur en Milieu ingediend bezwaar, de betreffende toelatingen be‰indigd, </para>
      <para>onder vaststelling van een opgebruiktermijn tot 1 januari 2001. Bij wijzigingsbesluit </para>
      <para>van 28 juli 2000 is daaraan nog een aflevertermijn als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, </para>
      <para>juncto artikel 1, eerste lid, onder i van de Wet verbonden, eveneens  tot 1 januari </para>
      <para>2001.</para>
      <para>- Tegen het besluit van 29 juni 2000 heeft UCB op 5 juli 2000 beroep ingesteld bij het </para>
      <para>College. Het beroep is ter griffie ingenomen onder no. AWB 00/560 en is thans nog </para>
      <para>aanhangig.</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder bij besluiten van 22 december 2000 een beslissing </para>
      <para>genomen op de in de periode van 11 augustus tot 18 november 1998 door </para>
      <para>verzoeksters ingediende verlengingsaanvragen.</para>
      <para>-	Tegen deze besluiten  richten zich de bezwaren van verzoeksters en de voorliggende </para>
      <para>verzoeken om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De beoordeling</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, verder ook: </para>
      <para>Awb, juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, </para>
      <para>indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een </para>
      <para>mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden </para>
      <para>getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
      <para>Dienaangaande overweegt de president het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders besluiten van  22 december 2000 strekken tot weigering van de verdere </para>
      <para>verlenging van de toelating van de drie in rubriek 1 genoemde bestrijdingsmiddelen op </para>
      <para>basis van metam-natrium in verband met het bepaalde bij de artikelen 3 en 3a van de Wet. </para>
      <para>Bij zijn besluit van 29 juni 2000 waarbij hij de bezwaren van de Zuid-Hollandse </para>
      <para>Milieufederatie en de Stichting Natuur en Milieu gegrond had verklaard, had verweerder </para>
      <para>echter reeds op grond van deze bepalingen een einde gemaakt aan de toelatingen en wel per </para>
      <para>1 juli 2000. Met deze inhoudelijke beslissing was een einde gekomen aan de aanvankelijk </para>
      <para>tot 1 september 2000 op grond van artikel 5, van de Wet, juncto artikel 7, lid 5, Rtb 1995, </para>
      <para>door verweerder gegeven procedurele verlengingen. Verweerders - eveneens inhoudelijke - </para>
      <para>besluiten van 22 december 2000, inhoudende de weigering tot verdere verlenging van reeds </para>
      <para>be‰indigde toelatingen, zijn dus in feite zonder voorwerp. </para>
      <para>Voorshands zijn, gelet hierop, de belangen van verzoeksters gelegen in het tegen het </para>
      <para>besluit van 29 juni 2000 ingestelde beroep, dat nog bij het College aanhangig is en niet bij </para>
      <para>de door hen ingediende bezwaren tegen verweerders, naar het voorkomt, in wezen </para>
      <para>overbodige besluiten van 22 december 2000, waarop het voorliggende verzoek om </para>
      <para>voorziening betrekking heeft.</para>
      <para>Het door verzoeksters aangevoerde leent zich, gelet op het vorenstaande, niet voor een </para>
      <para>inhoudelijke bespreking in het bestek van de voorliggende procedures. De verzoeken </para>
      <para>komen niet voor toewijzing in aanmerking. Zij moeten derhalve worden afgewezen. De </para>
      <para>president acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 Awb. Dit leidt tot de </para>
      <para>volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>4.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>De president wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. van Wagtendonk, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. van Wagtendonk	w.g. A. Bruining</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>