<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1112</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T07:50:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1112</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL2216</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/47</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006509&amp;artikel=18&amp;g=2001-02-27">Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006509&amp;artikel=1&amp;g=2001-02-27">Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006509&amp;artikel=1&amp;g=2001-02-27">Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001838&amp;artikel=246&amp;g=2001-02-27">Wetboek van Koophandel 246</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/101 met annotatie van G.E. van Maanen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1112">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1112</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1112 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 27-02-2001 / AWB 99/47</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1112:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1112:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/47						27 februari 2001</para>
      <para>	22300</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Care 4 All B.V., te Maastricht, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: prof. mr F.A.M. Stroink, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Pensioen &amp; Verzekeringskamer (voorheen: de Verzekeringskamer), te Apeldoorn, </para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr G.R. Boshuizen, werkzaam bij verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 19 januari 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>onder meer beroep wordt ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het door haar </para>
      <para>ingediende bezwaarschrift tegen een besluit, waarbij verweerster heeft besloten dat de </para>
      <para>activiteiten van appellante uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf vormen, als </para>
      <para>bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: Wtv 1993).</para>
      <para>Bij besluit van 21 januari 1999 heeft verweerster alsnog op het bezwaarschrift beslist.</para>
      <para>Bij schrijven van 9 april 1999 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 5 december 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar appellante is </para>
      <para>verschenen in de persoon van haar directeur, A, bijgestaan door de gemachtigde van </para>
      <para>appellante, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
      <para>Op 6 december 2000 heeft appellante desgevraagd een kopie van een model-overeenkomst </para>
      <para>tussen de vrijgevestigd tandarts/algemeen practicus en appellante aan het College doen </para>
      <para>toekomen.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Artikel 246 van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) luidt:</para>
      <para>"	Assurantie of verzekering is eene overeenkomst bij welke de verzekeraar zich </para>
      <para>aan den verzekerde, tegen genot eener premie, verbindt om denzelven </para>
      <para>schadeloos te stellen wegens een verlies, schade of gemis van verwacht </para>
      <para>voordeel, welke dezelve, door een onzeker voorval, zoude kunnen lijden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1 eerste lid aanhef en onder a en c van de Wtv 1993 luidt:</para>
      <para>"	In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt - voor zover niet anders </para>
      <para>blijkt - verstaan onder:</para>
      <para>a. overeenkomsten van schadeverzekering: overeenkomsten van verzekering </para>
      <para>die niet zijn overeenkomsten in verband met het leven of de dood van de mens, </para>
      <para>met dien verstande dat overeenkomsten van ongevallenverzekering als </para>
      <para>overeenkomsten van schadeverzekering worden beschouwd;</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. schadeverzekeringsbedrijf: het als bedrijf sluiten van overeenkomsten van </para>
      <para>schadeverzekering voor eigen rekening, met inbegrip van het afwikkelen van </para>
      <para>de in dat bedrijf gesloten overeenkomsten van schadeverzekering, ook al wordt </para>
      <para>daarmee niet beoogd het maken van winst;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 18, eerste lid, van de Wtv 1993 luidde tot 17 januari 2001:</para>
      <para>"	1. De Verzekeringskamer beslist voor de toepassing van deze wet of een </para>
      <para>handeling of een samenstel van handelingen al dan niet uitoefening van het </para>
      <para>schadeverzekeringsbedrijf, het levensverzekeringsbedrijf of een andersoortig </para>
      <para>bedrijf vormt en of een handeling of een samenstel van handelingen al dan niet </para>
      <para>uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit een vestiging in Nederland </para>
      <para>vormt. Zij beslist tevens tot welke branche of branches een overeenkomst van </para>
      <para>verzekering behoort."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Appellante is, blijkens een uittreksel uit het door de Kamer van Koophandel en </para>
      <para>Fabrieken voor Zuid-Limburg gehouden Handelsregister, opgericht op 24 juni 1997. </para>
      <para>Dat uittreksel vermeldt de volgende bedrijfsomschrijving:</para>
      <para>"Het bemiddelen in en doen uitvoeren van gezondheidszorg, alsmede de invoer van </para>
      <para>en groothandel in daaraan ten dienste staande producten". </para>
      <para>- Bij schrijven van 17 december 1997 heeft verweerster appellante in kennis gesteld </para>
      <para>van haar indruk dat door appellante het verzekeringsbedrijf wordt uitgeoefend, </para>
      <para>zonder te beschikken over de daartoe vereiste vergunning. Verweerster heeft </para>
      <para>appellante in verband daarmee verzocht om het overleggen van alle relevante </para>
      <para>gegevens.</para>
      <para>- Op 20 januari 1998 heeft appellante verweerster nader ge‹nformeerd.</para>
      <para>- In de overeenkomsten die appellante sluit met de deelnemende pati‰nt  </para>
      <para>(de zogenoemde TOP-overeenkomst) is onder meer het volgende opgenomen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Partijen willen een overeenkomst aangaan, op grond waarvan de deelnemer aan </para>
      <para>het TOP-plan (Tandarts Onderhouds Plan) voor een periode van 25 jaar </para>
      <para>kwalitatief goed tandheelkundig gebitsonderhoud zal verkrijgen zoals vermeld </para>
      <para>op de tegenzijde van een door C4A aan te wijzen tandarts, die bij het TOP-plan </para>
      <para>is aangesloten. De deelnemer zal daartoe ‚‚nmalig een bedrag, groot </para>
      <para>Ÿ 4500,- betalen aan C4A.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderhoudscontract omvat de tandheelkundige hulp die in de algemene </para>
      <para>praktijk wordt geboden, zoals hierna opgesomd, behoudens hetgeen hieronder </para>
      <para>is uitgesloten waarbij de tandarts de eisen in acht neemt die op het gegeven </para>
      <para>moment volgens de stand der wetenschap redelijkerwijs mogen worden </para>
      <para>gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het contract zijn ook de volgende behandelingen begrepen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Consultatie en diagnostiek: codes C10 en C20</para>
      <para>	R”ntgendiagnostiek: codes X11 en X12</para>
      <para>	Preventie en Mondhygi‰ne: codes M10, M20, M30, M50 en M55</para>
      <para>	Anaesthesie: codes A10 en A15</para>
      <para>	Restauraties door middel van plastische materialen: alle V codes</para>
      <para>	Pulpabehandeling (endodontie):</para>
      <para>	alle codes met uitsluiting van codes F90, F95, en F96</para>
      <para>	Restauraties door middel van niet plastische materialen: alle codes met een </para>
      <para>maximum van Ÿ 1000,- per 2 jaren, met een wachttijd van een jaar, gerekend </para>
      <para>vanaf de ingangsdatum van het contract</para>
      <para>	Chirurgische ingrepen van niet-specialistische aard:</para>
      <para>	codes H10, H15, H20 en H25</para>
      <para>	Uitneembare prothetische voorzieningen, met een maximum van Ÿ 1000,- </para>
      <para>per 5 jaren, inclusief volledige prothese, rebasen en reparatie."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij schrijven van 3 augustus 1998 heeft verweerster op grond van artikel 18 van de </para>
      <para>Wtv 1993 een beschikking genomen, ertoe strekkende dat appellante het </para>
      <para>schadeverzekeringsbedrijf uitoefent.</para>
      <para>- Bij brief van 17 augustus 1998, aangevuld bij brief van 5 oktober 1998, heeft </para>
      <para>appellante tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>- Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid te worden gehoord.</para>
      <para>- Verweerster heeft op 21 januari 1999 op het bezwaarschrift beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verweerster</para>
      <para>Bij het besluit van 21 januari 1999 is onder meer als volgt overwogen.</para>
      <para>"	Naar aanleiding van deze argumenten van bezwaarde overweegt de </para>
      <para>Verzekeringskamer het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een onderhoudsabonnement onderscheidt zich van een verzekeringscontract, </para>
      <para>doordat bij zuiver onderhoud geen sprake is van onvoorzienbaarheid. Een </para>
      <para>duidelijk voorbeeld is het onderhoudsabonnement bij een automobiel waarbij </para>
      <para>na iedere 10.000 km. alle bougies vervangen worden, ongeacht hun technische </para>
      <para>staat. Er wordt dus niet telkens gekeken of vervanging wel nodig is. Men gaat </para>
      <para>er gewoon vanuit - op basis van ervaringsgegevens - dat de betreffende </para>
      <para>onderdelen na die bepaalde tijd aan vervanging toe zijn.</para>
      <para>Een dergelijke automatisme ontbreekt echter bij het Care 4 All TOP-plan. De </para>
      <para>in de overeenkomst omschreven behandelingen worden immers slechts vergoed </para>
      <para>voor zover tandheelkundig noodzakelijk. V¢¢rdat wordt overgegaaan tot </para>
      <para>vervanging van vullingen en restauraties, wordt telkens door de tandarts </para>
      <para>beoordeeld of de noodzaak daartoe bestaat of niet. Per cli‰nt loopt de slijtage </para>
      <para>van tanden, vullingen en kronen bovendien uiteen. Er is dus - in tegenstelling </para>
      <para>tot een zuiver onderhoudsabonnement - wel degelijk sprake van risico's, dus </para>
      <para>van een zekere mate van onvoorzienbaarheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het mag zo zijn dat een ervaren tandarts deze risico's goed kan inschatten. </para>
      <para>Zeker voor wat betreft de totale groep van deelnemende pati‰nten zal het Care </para>
      <para>4 All-tarief de kosten van de betrokken tandarts redelijk kunnen dekken. Van </para>
      <para>pati‰nt tot pati‰nt verschillen de risico's echter. Voor de individuele pati‰nt die </para>
      <para>aan het Care 4 All TOP-plan deelneemt, bestaat er kans op voor- of nadeel. </para>
      <para>Indien dit niet zo was, zou een individuele pati‰nt geen belang hebben om aan </para>
      <para>het TOP-plan deel te nemen. Doorslaggevend belang voor deelname in het </para>
      <para>TOP-plan is voor de pati‰nt immers niet de dienstverlening van de tandarts, </para>
      <para>welke evengoed daarbuiten verkregen kan worden. In het TOP-plan gaat het er </para>
      <para>voor de pati‰nt in de eerste plaats om dat op geld waardeerbare schaden worden </para>
      <para>vergoed. Van een onderhoudscontract, zoals bezwaarde stelt, is daarom geen </para>
      <para>sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat bezwaarde de aangesloten tandartsen niet per verrichting, maar ('back-to-</para>
      <para>back') per pati‰nt een bepaald bedrag betaalt, ontneemt aan de overeenkomsten </para>
      <para>tussen bezwaarde en de betrokken pati‰nten niet het verzekeringskarakter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bezwaarde beroept zich nog op de brief van de Belastingdienst Ondernemingen </para>
      <para>Maastricht van 11 maart 1998. Uit die brief blijkt duidelijk dat de </para>
      <para>Belastingdienst voor de belastbaarheid inzake omzetbelasting van oordeel is </para>
      <para>dat er geen sprake is van verzekering. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de </para>
      <para>Wtv is niet de Belastingdienst, maar de Verzekeringskamer bevoegd om voor </para>
      <para>de toepassing van deze wet te beslissen of een handeling of samenstel van </para>
      <para>handelingen al dan niet de uitoefening van het (schade- of levens- </para>
      <para>verzekeringsbedrijf of een andersoortig bedrijf vormt. Het genoemde oordeel </para>
      <para>van de Belastingdienst doet hieraan niets af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus alles overwegende is de Verzekeringskamer van oordeel dat Care 4 All </para>
      <para>B.V., door uitvoering te geven aan het Care 4 All Tandonderhoud Plan </para>
      <para>bedrijfsmatig en voor eigen rekening overeenkomsten van schadeverzekering </para>
      <para>sluit en dusdoende het verzekeringsbedrijf uitoefent in de zin van de Wtv. Haar </para>
      <para>beslissing van 3 augustus 1998 dient dan ook in stand te blijven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift heeft verweerster daar onder meer het volgende aan toegevoegd.</para>
      <para>"	Inmiddels is op 21 januari 1999 op het bezwaarschrift van appellante beslist. </para>
      <para>Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb is het beroepschrift mede gericht </para>
      <para>tegen dit besluit. In eerste instantie ging verweerster er niet van uit dat de brief </para>
      <para>van appellante van 17 augustus 1998 -gezien de bewoordingen- een voorlopig </para>
      <para>bezwaarschrift was. Hoewel de behandeling van het bezwaarschrift wellicht </para>
      <para>enige vertraging heeft opgelopen, is deze vertraging mede te wijten aan </para>
      <para>appellante zelf. Ten onrechte is appellante van mening dat ook de primaire </para>
      <para>beslissing van verweerster te laat is genomen. Verweerster is van mening dat er </para>
      <para>geen gronden zijn om de door appellante gestelde schade ex artikel 8:73 van de </para>
      <para>Awb te vergoeden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Het beroep richt zich met name tegen het niet tijdig nemen van een besluit door </para>
      <para>verweerster. De beslissing op bezwaar had uiterlijk op 30 oktober 1998 genomen dienen te </para>
      <para>worden. Ook de primaire besluitvorming is uitermate traag verlopen. </para>
      <para>Het Tand Onderhoud Plan is geen verzekering, omdat geen sprake is van een onzeker </para>
      <para>voorval. Binnen de onderneming van appellante is er, gelet op de "back-to-back"-</para>
      <para>overeenkomst welke zij met de tandartsen afsluit, geen risico. Het debiteurenrisico ligt, als </para>
      <para>gebruik gemaakt wordt van de financieringsmogelijkheid die appellante biedt, bij de </para>
      <para>financier.</para>
      <para>Appellante fungeert slechts als intermediair tussen tandarts en pati‰nt waarbij over en weer </para>
      <para>afspraken worden gemaakt over gebitsonderhoud en een jaarlijkse vergoeding daarvoor. </para>
      <para>Het product van appellante is te vergelijken met de onderhoudscontracten van een </para>
      <para>machineleverancier die zijn onderhoud uitbesteedt aan een "third party maintenance"-</para>
      <para>bedrijf.</para>
      <para>Voorts verwijst appellante naar een brief van de Belastingdienst van 11 maart 1998, die tot </para>
      <para>de conclusie kwam dat in onderhavige situatie geen sprake is van een verzekering.</para>
      <para>Ten gevolge van het standpunt van verweerster heeft appellante vanaf 17 december 1997 </para>
      <para>haar bedrijf niet kunnen uitoefenen. Hierdoor is schade geleden, welke tot en met </para>
      <para>31 december 1998 door appellantes accountant is geraamd op fl. 1.162.000,--, exclusief de </para>
      <para>winstderving van ongeveer fl. 50.000,-- per maand. De schade loopt, door aangegane </para>
      <para>langlopende verplichtingen, maandelijks op met ca. fl. 30.000,--. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Nu het beroep zich inmiddels mede uitstrekt tot het re‰le besluit dat op 21 januari 1999 op </para>
      <para>het bezwaarschrift van appellante is genomen en niet is gebleken dat appellante nog enig </para>
      <para>belang heeft bij een beoordeling van het aanvankelijk uitblijven van dit besluit, beperkt het </para>
      <para>College zich tot een beoordeling van bedoeld besluit.</para>
      <para>De door appellante tegen dit besluit gerichte grieven houden in dat het oordeel van </para>
      <para>verweerster dat appellante overeenkomsten van schadeverzekering sluit en dusdoende het </para>
      <para>verzekeringsbedrijf uitoefent, als rechtens onhoudbaar moet worden aangemerkt.</para>
      <para>Met verweerster is het College van oordeel dat de TOP-overeenkomst tussen appellante en </para>
      <para>de deelnemende pati‰nt gekwalificeerd dient te worden als een </para>
      <para>schadeverzekeringsovereenkomst. Daarbij acht het College van belang dat de deelnemer op </para>
      <para>grond van deze overeenkomst - tegen betaling van een eenmalig bedrag van </para>
      <para>fl. 4500,-- - gerechtigd is tegenover appellante tot verkrijging van tandheelkundig </para>
      <para>gebitsonderhoud gedurende een zeer lange periode waarbij de frequentie en de omvang van </para>
      <para>de dienstverlening- en dus de schade - onzeker zijn. De deelnemer verkrijgt derhalve </para>
      <para>jegens appellante een juridisch afdwingbare aanspraak op een bepaald dienstenpakket. </para>
      <para>Ter zitting is zijdens appellante aangegeven dat, indien een geschil ontstaat tussen de </para>
      <para>deelnemer en de hem toegewezen tandarts omtrent de door de tandarts (niet) geleverde </para>
      <para>diensten, de deelnemer zich rechtstreeks tot appellante dient te wenden. Indien nakoming </para>
      <para>zijdens de tandarts jegens de deelnemer achterwege blijft, voorziet appellante in een </para>
      <para>nieuwe tandarts ten behoeve van de deelnemer. Dit kan evenwel geen verandering brengen </para>
      <para>in het oordeel van het College. Het tekortschieten van de toegewezen tandarts betekent </para>
      <para>immers dat deze is tekort geschoten in de contractuele relatie met appellante, en dat </para>
      <para>appellante op haar beurt tekortschiet in de - als verzekering te karakteriseren - contractuele </para>
      <para>relatie tussen haar en de deelnemer.</para>
      <para>De grief van appellante dat de overeenkomst een onderhoudscontract behelst en er geen </para>
      <para>sprake is van een onzeker voorval als bedoeld in artikel 246 WvK volgt het College niet. </para>
      <para>De overeenkomst tussen deelnemer en appellante wordt gesloten voor een periode van 25 </para>
      <para>jaar. Gedurende deze periode kan de pati‰nt aanspraak maken op tandheelkundige hulp die </para>
      <para>in de algemene praktijk wordt geboden, alsmede op behandelingen als restauraties door </para>
      <para>middel van plastische en niet-plastische materialen, chirurgische ingrepen van niet-</para>
      <para>specialistische aard en uitneembare prothetische voorzieningen. </para>
      <para>Naar het oordeel van het College is onzeker wanneer en in welke mate de individuele </para>
      <para>deelnemer de hiervoor beschreven tandheelkundige hulp zal behoeven. Derhalve is wel </para>
      <para>degelijk sprake van een onzeker voorval.</para>
      <para>Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie van het College (CBb 25 augustus 1993, AB </para>
      <para>1994, 405)zij in dit verband nog opgemerkt dat indien (onderhouds-)overeenkomsten </para>
      <para>behalve het karakter van een schadeverzekering tevens het karakter van een andersoortige </para>
      <para>overeenkomst dragen, zij niettemin dienen te worden aangemerkt als </para>
      <para>schadeverzekeringsovereenkomsten in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a van de Wtv. </para>
      <para>Een andere opvatting zou immers tot de onaanvaardbare uitkomst leiden, dat </para>
      <para>schadeverzekeringsbedrijven zich aan de toepasselijkheid van de Wtv zouden kunnen </para>
      <para>ontrekken door de inhoud van hun verzekeringsovereenkomst uit te breiden met een aantal </para>
      <para>prestaties, die niet het karakter van verzekering bezitten.</para>
      <para>Dat de Belastingdienst de overeenkomst tussen appellante en de pati‰nt niet als een </para>
      <para>verzekeringsovereenkomst kwalificeert, doet aan het bovenstaande niet af, nu, zoals </para>
      <para>verweerster terecht heeft overwogen, zij bij uitsluiting bevoegd is om voor de toepassing </para>
      <para>van de Wtv te beslissen of een handeling of samenstel van handelingen al dan niet </para>
      <para>uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf vormt.</para>
      <para>Nu de beoordeling van de grieven niet leidt tot het oordeel dat verweerster niet in </para>
      <para>redelijkheid tot het bestreden besluit ex artikel 18 Wtv heeft kunnen komen, moet het </para>
      <para>beroep van appellante ongegrond worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het betoog van appellante dat zij schade heeft geleden als gevolg van </para>
      <para>het, na de vooraankondiging van 17 december 1997 uitblijven van het primaire besluit, </para>
      <para>hetgeen leidde tot onzekerheid bij haar omtrent de toelaatbaarheid van haar </para>
      <para>bedrijfsuitoefening, overweegt het College dat, wat daar verder ook van zij, hier geen </para>
      <para>sprake is van schade die op de voet van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in </para>
      <para>aanmerking kan worden gebracht. Appellante zou zich ter zake tot de burgerlijke rechter </para>
      <para>kunnen wenden.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op voet van artikel </para>
      <para>8:75 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.A. Fierstra en mr J. Borgesius, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters	w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>