<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1111</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T16:13:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1111</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/506 en 98/507</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1111">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1111</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1111 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 27-02-2001 / AWB 98/506 en 98/507</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1111:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1111:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 98/506 en 98/507				27 februari 2001</para>
      <para>	27351</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desmepol B.V., te Arnhem, appellante,</para>
      <para>vertegenwoordigt door A, directeur van appellante, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Staatssecretaris van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr drs S.R. Stein en drs A.P. Bottenberg, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 16 juni 1998 heeft het College van appellante beroepschriften ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 15 mei 1998, nrs. WJA/JZ </para>
      <para>98029354 en WJA/JZ 98029367.</para>
      <para>Deze beroepschriften zijn aangevuld bij brieven van 28 juli 1998, respectievelijk </para>
      <para>10 augustus 1998.</para>
      <para>Bij deze besluiten heeft verweerder beslist dat de bezwaren van appellante, gericht tegen </para>
      <para>twee besluiten van 12 november 1996, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.</para>
      <para>Verweerder heeft op 16 oktober 1998 verweerschriften ingediend.</para>
      <para>Het College heeft de zaken behandeld ter zitting van 16 januari 2001, waar partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten  </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Op 31 juli 1990 heeft B uit hoofde van de Investeringspremieregeling regionale </para>
      <para>projecten 1988 (hierna: de IPR-regeling), subsidies aangevraagd bij het College van </para>
      <para>GS van Gelderland. </para>
      <para>- Bij brieven van 21 december 1990 heeft verweerder aan B subsidies toegezegd van </para>
      <para>tweemaal ten hoogste Ÿ 1.367.550.-. Deze subsidies hadden betrekking op een vijftal </para>
      <para>deelprojecten, uit te voeren door Rexort Recycling B.V. en Texplast Recycling B.V., </para>
      <para>beiden dochterondernemingen van B. Tijdens de looptijd van de projecten is de rol </para>
      <para>van Rexort Recycling International B.V. overgenomen door appellante.</para>
      <para>- Bij brieven van 19 september 1994 heeft B verweerder verzocht om vaststelling van </para>
      <para>het subsidiebedrag. Naar aanleiding van het door de Accountantsdienst van </para>
      <para>verweerder verrichte verificatie-onderzoek, heeft appellante bij brief van 6 september </para>
      <para>1995 om verlenging van de realisatietermijn inzake bepaalde na-investeringen </para>
      <para>verzocht.</para>
      <para>- Bij brieven van 12 november 1996 heeft verweerder aan B meegedeeld dat zij tot 1 </para>
      <para>december 1996 de bewuste apparatuur in gebruik kon stellen. Tevens zou na een </para>
      <para>onderzoek door de accountantsdienst van het Ministerie van EZ beoordeeld worden </para>
      <para>of toestemming zou worden gegeven voor een verlenging van de realisatie-termijn.</para>
      <para>- Tegen deze besluiten heeft appellante op 16 december 1996 een bezwaarschrift </para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>- Bij besluiten van 27 februari 1997, gericht aan B,  heeft verweerder de aan B </para>
      <para>toekomende subsidies vastgesteld op het aan haar in het vooruitzicht gestelde </para>
      <para>maximum.</para>
      <para>- Tegen deze besluiten heeft appellante eveneens een bezwaarschrift ingediend.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De bestreden besluiten</para>
      <para>Bij de bestreden besluiten is - voor zover van belang - het volgende overwogen en beslist:</para>
      <para>"	Vooropgesteld dient te worden dat de onderhavige subsidie niet aan u, maar </para>
      <para>aan B is toegezegd. De aan B gerichte brief van 12 november 1996 betreft het </para>
      <para>antwoord op een door B in het kader van die eerdere subsidieverlening gedaan </para>
      <para>verzoek. B is de enige die aan de besluiten in het kader van deze </para>
      <para>subsidieverlening rechten kan ontlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de op 6 maart 1997 gehouden hoorzitting voerde u aan, dat het project </para>
      <para>waarvoor subsidie is verleend is afgesloten zonder dat u in staat bent geweest </para>
      <para>projectonderdelen af te ronden. Als gevolg hiervan is slechts een klein deel van </para>
      <para>de vastgestelde subsidie aan u ten goede gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik ben van mening dat het door u gestelde belang niet een rechtstreeks bij de </para>
      <para>brief van 12 november 1996 betrokken belang betreft. De schade die u immers </para>
      <para>zegt te ondervinden is niet het directe gevolg van een besluit van mij, maar </para>
      <para>vloeit voort uit de afspraken die u met de subsidiebegunstigde, Dordtwijck, </para>
      <para>hebt gemaakt omtrent de door u uit te voeren werkzaamheden en de vergoeding </para>
      <para>die u daarvoor van Dordtwijck zou krijgen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van de beroepen - samengevat - het volgende tegen de </para>
      <para>bestreden besluiten aangevoerd.</para>
      <para>Ten onrechte is appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. De besluiten zijn </para>
      <para>weliswaar niet rechtstreeks aan appellante gericht, maar dit wordt ook niet door de Awb </para>
      <para>vereist. Appellante wordt rechtstreeks financieel door de besluiten geraakt. </para>
      <para>In de tijd van de subsidieaanvraag was appellante onderdeel van het concern van B. Onder </para>
      <para>de IPR-regeling was het niet mogelijk dat een dochter van een concern zelfstandig een </para>
      <para>subsidieaanvraag deed, zodat appellante enkel door het indienen van bezwaar tegen de </para>
      <para>besluiten tot subsidievaststelling een rechtsingang heeft.</para>
      <para>Zij is door de besluiten van 27 februari 1997 wel degelijk rechtstreeks geraakt, hetgeen </para>
      <para>appellante tot belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb maakt.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge artikel 9 van de Kaderwet verstrekking financi‰le middelen EZ kan tegen een </para>
      <para>beschikking, genomen op grond van deze wet en tegen een beschikking anders dan op </para>
      <para>grond van deze wet, inzake de verstrekking van financi‰le middelen aan ondernemers, een </para>
      <para>belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</para>
      <para>Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat onder een belanghebbende moet worden </para>
      <para>verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.</para>
      <para>Hieromtrent overweegt het College als volgt.</para>
      <para>De IPR-regeling bepaalt dat uitsluitend subsidie kan worden verleend aan de aanvrager. In </para>
      <para>onderhavige zaken is B de aanvrager en ontvanger van de subsidies. </para>
      <para>De geadresseerde van de besluiten van verweerder van respectievelijk 12 november 1996 </para>
      <para>en 27 februari 1997 is eveneens B. Als mede-uitvoerder van de projecten waarvoor </para>
      <para>subsidie is verleend, brengen deze besluiten voor appellante slechts gevolgen met zich via </para>
      <para>de contractuele relatie tussen appellante en de aanvrager. Het belang van appellante is </para>
      <para>aldus afgeleid van het belang van de aanvrager. Dat appellante financieel door de besluiten </para>
      <para>is geraakt, kan hieraan niet afdoen.</para>
      <para>Nu het belang van appellante niet rechtstreeks bij de besluiten in het kader van de </para>
      <para>subsidieverlening is betrokken, heeft verweerder appellante terecht niet-ontvankelijk </para>
      <para>verklaard in haar bezwaren tegen deze besluiten, zodat de beroepen ongegrond dienen te </para>
      <para>worden verklaard.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen	w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>