<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1109</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T01:04:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1109</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6640</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/238</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 137 met annotatie van J.H. van der Veen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1109">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1109</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1109 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 27-02-2001 / AWB 99/238</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1109:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1109:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 99/238					27 februari 2001</para>
      <para>	27300</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellante, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Economische Zaken, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr G. Baarsma en mr R.E. Groenewold,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>waaraan voorts als partij deelneemt:</para>
      <para>Desmepol B.V., te Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 9 maart 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 januari 1999.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing </para>
      <para>van een verzoek tot opheffing van een tweetal borgstellingen.</para>
      <para>Bij brief van 7 april 1999 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.</para>
      <para>Bij brief van 31 mei 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij brief van 30 augustus 2000 heeft Desmepol B.V. (hierna: Desmepol) opmerkingen ter </para>
      <para>kennis van het College gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 januari 2001 heeft het College nadere stukken ontvangen van zowel Desmepol als </para>
      <para>appellante.</para>
      <para>Op 16 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen haar </para>
      <para>standpunten nader hebben toegelicht.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Artikel 17 van de Regeling technische ontwikkelingskredieten 1991 (hierna: de Regeling) </para>
      <para>luidt als volgt:</para>
      <para>"	1.	De minister kan aan een toezegging voorwaarden verbinden, bij het niet </para>
      <para>vervuld worden waarvan de toezegging geheel of gedeeltelijk vervalt.</para>
      <para>2.	De krediettoezegging vervalt in ieder geval, indien de aanvrager niet binnen </para>
      <para>een door de minister te bepalen termijn een schriftelijke verklaring heeft </para>
      <para>ingezonden, waarbij hij zich verbindt tot:</para>
      <para>a.	nakoming van alle bij of krachtens deze regeling gegeven voorschriften en </para>
      <para>verplichtingen;</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toelichting op de Regeling vermeldt onder meer het volgende:</para>
      <para>"	Wordt krediet toegezegd, dan dient de aanvrager zich schriftelijk te verbinden </para>
      <para>tot nakoming van alle in de regeling opgenomen verplichtingen. Indien hij deel </para>
      <para>uitmaakt van een groep, zal de moedermaatschappij worden gevraagd zich - </para>
      <para>afhankelijk van de situatie - als borg of hoofdelijk medeschuldenaar te </para>
      <para>verbinden tot nakoming van de verplichtingen van de aanvrager en zich ertoe te </para>
      <para>verplichten haar aandelen in de onderneming niet te vervreemden dan na </para>
      <para>voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>- Bij besluiten van 26 augustus 1993 heeft verweerder aan Desmepol </para>
      <para>ontwikkelingskredieten toegezegd van respectievelijk maximaal Ÿ 608.900,- inzake </para>
      <para>de ontwikkeling van een proces voor de depolymerisatie van PET en maximaal </para>
      <para>Ÿ 627.730,- inzake de ontwikkeling van een proces voor de impregnatie van </para>
      <para>polyestervlok.</para>
      <para>- Onderdeel V.2 van beide besluiten luidt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Door ondertekening van deze overeenkomst stellen A en C zich borg voor de </para>
      <para>nakoming door Desmepol B.V. van de uit deze overeenkomst voortvloeiende </para>
      <para>verplichtingen. A en C doen, voorzover de wet dat toelaat, afstand van het </para>
      <para>eventueel bedongen voorrecht van uitwinning en het voorrecht van </para>
      <para>schuldsplitsing en de verweermiddelen die hem als borg toekomen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Onderdeel VII van de besluiten luidt als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Door ondertekening van deze brief verbindt u zich tot</para>
      <para>1.	nakoming van alle bij of krachtens de Regeling gegeven voorschriften en </para>
      <para>verplichtingen,</para>
      <para>2.	(.)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- De besluiten zijn op 2 september 1993 door Desmepol, appellante en C voor akkoord </para>
      <para>getekend en aan verweerder geretourneerd.</para>
      <para>- Ten tijde van de besluiten bezat appellante 60% van de aandelen van Desmepol en C </para>
      <para>40%.</para>
      <para>- In de jaren erna is deze verhouding 60-40 veranderd in een verhouding 12-88.</para>
      <para>- In verband met deze veranderde verhouding heeft appellante de heer mr M. Wignand, </para>
      <para>werkzaam bij de afdeling Juridische Zaken van het agentschap Senter van </para>
      <para>verweerder, op 29 augustus 1997 mondeling verzocht om haar te ontslaan van de </para>
      <para>verplichtingen die voor haar voortvloeien uit de beide borgstellingen.</para>
      <para>- Bij faxbericht van 19 december 1997 heeft mr Wignand voornoemd appellante het </para>
      <para>volgende bericht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Enige tijd geleden hebben wij elkaar gesproken over de mogelijkheid om de </para>
      <para>borgstelling, die door u is afgegeven ten gunste van Desmepol B.V., te </para>
      <para>be‰indigen.</para>
      <para>Ik kan u in dit verband meedelen dat wij wel mogelijkheden zien om u van de </para>
      <para>borgstelling te ontslaan, mede omdat Desmepol B.V. te kennen heeft gegeven </para>
      <para>geen bezwaar te hebben tegen de door u gevraagde be‰indiging. Ik zal u </para>
      <para>binnenkort per brief berichten omtrent de condities waaronder de borgstelling </para>
      <para>kan worden opgeheven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>- Bij faxbericht van 11 maart 1998 heeft mr Wignand appellante het volgende bericht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Naar aanleiding van uw verzoek daartoe deel ik u hierbij mede dat Senter u zal </para>
      <para>ontslaan van de verplichtingen die voor u of voor aan u gelieerde </para>
      <para>ondernemingen voortvloeien uit de borgstelling die in het kader van een </para>
      <para>technisch ontwikkelingskrediet is afgegeven ten gunste van Desmepol B.V.</para>
      <para>Hierbij zullen geen bijzondere voorwaarden worden gesteld.</para>
      <para>Ik zal dit bericht via de normale post bevestigen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Bij faxbericht van 17 maart 1998 heeft mr Wignand appellante het volgende bericht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op 11 maart 1998 heb ik u bericht dat de borgstelling die door A is afgegeven </para>
      <para>ten gunste van Desmepol B.V. kan worden opgeheven.</para>
      <para>Bij schrijven van 16 maart 1998 heeft Desmepol als belanghebbende bezwaar </para>
      <para>aangetekend tegen deze voorgenomen opheffing van de borgstelling.</para>
      <para>Ik ben gehouden nader onderzoek te doen naar deze bezwaren en de betrokken </para>
      <para>belangen bij het nemen van een definitieve beslissing af te wegen. Ik kan u </para>
      <para>derhalve helaas nog geen definitief uitsluitsel geven over het opheffen van de </para>
      <para>borgstelling.</para>
      <para>Ik zal u van de verdere ontwikkelingen op de hoogte houden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Bij brief van 27 april 1998 heeft verweerder appellante het volgende bericht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Al geruime tijd zijn wij in gesprek over de vraag of Senter bereid is om de door </para>
      <para>A afgegeven borgstelling ten gunste van Desmepol B.V. voor de TOK-</para>
      <para>projecten op te heffen. Zoals u weet heeft Desmepol B.V. tegen het </para>
      <para>voorgenomen besluit om inderdaad tot opheffing van de borgstelling over te </para>
      <para>gaan bezwaar aangetekend.</para>
      <para>Tijdens het onderzoek naar de gronden van dit bezwaar is gebleken dat partijen </para>
      <para>verschillen van inzicht over de rechtsverhouding tussen de belanghebbenden A </para>
      <para>en Desmepol B.V. in deze.</para>
      <para>Alvorens een beslissing op uw verzoek te kunnen afgeven wil ik daarom het </para>
      <para>volgende voorleggen. Uw verzoek tot opheffing van de borgstelling heeft mij </para>
      <para>tot nu toe uitsluitend mondeling bereikt. Nu er van beide kanten verschillende </para>
      <para>informatie over deze kwestie op mij afkomt wil ik u verzoeken om op grond </para>
      <para>van artikel 4:2 een formele aanvraag tot wijziging/opheffing van de </para>
      <para>borgstelling in te dienen. Daarbij acht ik het noodzakelijk dat u de zakelijk </para>
      <para>beweegredenen voor uw verzoek nader onderbouwt.</para>
      <para>Voordat ik op dat verzoek en het bezwaarschrift zal beslissen zal ik partijen in </para>
      <para>de gelegenheid stellen om hun zienswijze mondeling toe te lichten.</para>
      <para>Ik zie uw aanvraag om het afgeven van een beschikking tegemoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Minister van Economische Zaken,</para>
      <para>voor deze:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ir. A. Tigchelhoff MBA</para>
      <para>Manager Technisch Ontwikkelingskrediet"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij brief van 12 mei 1998 heeft appellante een dergelijk verzoek ingediend.</para>
      <para>- Bij brief van 23 juli 1998 heeft verweerder appellante medegedeeld het verzoek om </para>
      <para>het opheffen van de borgstellingen niet te honoreren, omdat hij, na alle betrokkenen </para>
      <para>gesproken te hebben en de eigen positie te hebben overwogen, geen redenen ziet de </para>
      <para>huidige situatie te wijzigen.</para>
      <para>- Hiertegen heeft appellante bij brief van 1 september 1998 bezwaar gemaakt.</para>
      <para>- Op 27 november 1998 heeft appellante haar bezwaren ter hoorzitting toegelicht.</para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - voor zover thans van belang - het volgende in:</para>
      <para>"	Naar mijn mening kan van rechtens te honoreren gewekte verwachtingen geen </para>
      <para>sprake zijn. Van het rechtens te honoreren vertrouwen kan naar mijn mening </para>
      <para>geen sprake zijn, nu de heer Wignand niet bevoegd is tot het nemen van </para>
      <para>besluiten. Gezien de veelvuldige contacten en correspondentie met mw. Ir. A. </para>
      <para>Tigchelhoff ben ik van mening dat u op de hoogte kon zijn van het feit dat zij </para>
      <para>bevoegd is tot het nemen van besluiten in het kader van de Kredietregeling.</para>
      <para>Voorts kan naar mijn mening geen sprake zijn van het rechtens te honoreren </para>
      <para>vertrouwen, nu voor een beroep daarop in de jurisprudentie is bepaald, dat u, </para>
      <para>vertrouwend op de uitlatingen van de heer Wignand, activiteiten moet hebben </para>
      <para>verricht of nagelaten die u in een nadeliger positie zouden moeten brengen. </para>
      <para>Daarvan is mij niet gebleken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - voor zover thans van belang - het </para>
      <para>volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>Gezien de functie van mr Wignand, het feit dat zijn beslissing niet over een nacht ijs ging </para>
      <para>(verzoek 29 augustus 1997 en beslissing 11 maart 1998) mocht appellante wel degelijk </para>
      <para>aannemen dat de heer Wignand bevoegd was deze beslissing te nemen. Mw ir Tigchelhoff </para>
      <para>is pas in beeld gekomen toen de beslissing reeds was genomen. Het terugdraaien van deze </para>
      <para>beslissing heeft appellante wel degelijk schade opgeleverd.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Het College ziet aanleiding allereerst in te gaan op het rechtskarakter van de diverse </para>
      <para>rechtshandelingen die in dit geschil aan de orde zijn.</para>
      <para>De krediettoezeggingen aan Desmepol en de daarin vervatte voorwaarden van borgstelling </para>
      <para>door appellante en C zijn publiekrechtelijk van aard. Door de tekening voor akkoord van </para>
      <para>de besluiten van 26 augustus 1993 heeft Desmepol zich verbonden om de krachtens de </para>
      <para>regeling gegeven voorschriften en verplichtingen na te komen. Daardoor zijn tevens tussen </para>
      <para>de Staat en Desmepol privaatrechtelijke overeenkomsten tot stand gekomen, waarvan de </para>
      <para>inhoud grotendeels door de Regeling, en derhalve door het publiekrecht, wordt bepaald. </para>
      <para>Door de mede-ondertekening van deze overeenkomsten door appellante en C zijn tussen de </para>
      <para>Staat als schuldeiseres en deze vennootschappen als borgen privaatrechtelijke borgtochten </para>
      <para>tot stand gekomen.</para>
      <para>De beslissing van appellante om de borgstellingen aan te gaan strekte ten gunste van </para>
      <para>Desmepol aangezien de borgstelling een door verweerder aan Desmepol gestelde </para>
      <para>voorwaarde voor de krediettoezeggingen was. De borgstellingen zelf zijn uit de aard der </para>
      <para>zaak ten gunste van de Staat als schuldeiseres van Desmepol verstrekt.</para>
      <para>Het in augustus 1997 door appellante aan Senter gedane verzoek tot be‰indiging van de </para>
      <para>borgstellingen is in de privaatrechtelijke context gedaan: een borg kan te allen tijde aan de </para>
      <para>schuldeiser het verzoek doen hem van de borgstelling te ontslaan. De beslissing op een </para>
      <para>dergelijk verzoek heeft derhalve ook een privaatrechtelijk karakter.</para>
      <para>Daarentegen is een verzoek om de aan de krediettoezeggingen verbonden voorwaarde van </para>
      <para>borgstelling te laten vervallen publiekrechtelijk van aard en de beslissing hierop eveneens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter beoordeling van het College staat de vraag of de weigering van verweerder om op </para>
      <para>laatstgenoemd verzoek positief te beslissen in rechte stand kan houden. Het College </para>
      <para>beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.</para>
      <para>De faxberichten van mr Wignand van 19 december 1997, 11 maart 1998 en 17 maart 1998 </para>
      <para>betreffen de relatie tussen appellante en de Staat welke tot stand is gekomen door </para>
      <para>ondertekening door appellante van de overeenkomst tussen de Staat en Desmepol en </para>
      <para>ingevolge welke appellante als borg instaat voor de uitvoering van de overeenkomst door </para>
      <para>Desmepol. Uit genoemde faxberichten blijkt dat tussen de Staat en appellante </para>
      <para>overeenstemming bestaat dat appellante uit haar verplichtingen uit hoofde van deze </para>
      <para>borgovereenkomst wordt ontslagen. Uitdrukkelijk is aangegeven door de Staat dat geen </para>
      <para>bijzondere voorwaarden zouden worden gesteld, met name is deze overeenstemming aan </para>
      <para>de zijde van de Staat niet afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de krediettoezegging </para>
      <para>van verweerder aan Desmepol zou worden aangepast. Eerst bij brief van 27 april 1998 </para>
      <para>heeft verweerder appellante verzocht om op grond van artikel 4:2 Awb een formele </para>
      <para>aanvraag in te dienen om de in deze krediettoezegging opgenomen voorwaarde van </para>
      <para>borgstelling te laten vervallen. Na ontvangst van die aanvraag heeft verweerder daarop </para>
      <para>afwijzend beslist. Daarbij heeft verweerder echter onvoldoende betekenis toegekend aan de </para>
      <para>inmiddels verstuurde faxberichten. Verweerder had zich de vraag moeten stellen of </para>
      <para>appellante hieruit had kunnen en mogen opmaken dat de besluitvorming definitief te zijnen </para>
      <para>gunste was afgerond. Die vraag had naar het oordeel van het College niet anders dan </para>
      <para>positief kunnen worden beantwoord, om de navolgende redenen in hun onderlinge </para>
      <para>samenhang beschouwd:</para>
      <para>-	de kwestie van de borgstelling is een onderwerp dat ge‰igend is om door juristen </para>
      <para>van een afdeling Juridische Zaken te worden behandeld;</para>
      <para>-	in de faxberichten worden bewoordingen gebruikt als 'dat wij wel mogelijkheden </para>
      <para>zien' en 'dat Senter u zal ontslaan' welke erop wijzen dat mr Wignand niet voor zichzelf </para>
      <para>spreekt, maar namens de organisatie;</para>
      <para>-	het tijdsverloop tussen de faxberichten duidt erop dat mr Wignand over de kwestie </para>
      <para>binnen Senter overleg heeft gepleegd;</para>
      <para>-	in het faxbericht van 11 maart 1998 wordt uitdrukkelijk medegedeeld dat geen </para>
      <para>bijzondere voorwaarden zullen worden gesteld bij het ontheffen van de verplichtingen uit </para>
      <para>de borgstelling.</para>
      <para>Aangezien appellante de faxberichten in de hiervoor bedoelde zin heeft mogen en kunnen </para>
      <para>opvatten, komt het alsnog weigeren van het laten vervallen van de aan de </para>
      <para>krediettoezeggingen aan Desmepol verbonden voorwaarde van borgstelling in strijd met </para>
      <para>het beginsel van behoorlijk bestuur dat bestuursorganen gewekt vertrouwen niet mogen </para>
      <para>beschamen.</para>
      <para>Het College overweegt voorts dat de omstandigheid dat mr Wignand niet bevoegd was om </para>
      <para>besluiten in het kader van de Regeling te nemen niet aan het vorenstaande kan afdoen. Dat </para>
      <para>zou mogelijk anders zijn geweest wanneer mandaatbeschikkingen waren gepubliceerd </para>
      <para>waaruit belanghebbenden hadden kunnen afleiden welke ambtenaar bevoegd is namens </para>
      <para>verweerder besluiten te nemen, maar de vertegenwoordigers van verweerder hebben ter </para>
      <para>zitting verklaard dat dergelijke beschikkingen niet publiek toegankelijk waren. Voorts </para>
      <para>heeft appellante betwist dat zij kon weten dat mevrouw ir Tigchelhoff  bevoegd was. </para>
      <para>Daartoe heeft zij onbestreden gesteld dat mevrouw ir Tigchelhoff pas in beeld is gekomen </para>
      <para>toen de beslissing reeds was genomen.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit </para>
      <para>moet worden vernietigd, met bepaling dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van </para>
      <para>appellante beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.</para>
      <para>Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College </para>
      <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>- gelast dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante  beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad Ÿ 450,--(zegge vierhonderdvijftig gulden) vergoedt;</para>
      <para>- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen	w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>