<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1107</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:38:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1107</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6670</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/1299</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007820&amp;artikel=8&amp;g=2001-02-20">Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten 8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=86&amp;g=2001-02-20">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 86</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=87&amp;g=2001-02-20">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 87</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 169 met annotatie van J.H. van der Veen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1107">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1107</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1107 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 20-02-2001 / AWB 98/1299</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1107:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1107:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/1299						20 februari 2001</para>
      <para>	11231</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Varkens K.I. Noord Brabant b.v., te Vught, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr W. Krijger, werkzaam bij appellante, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr G.de Goede, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 14 december 1998 het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij </para>
      <para>beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 november 1998.</para>
      <para>Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen </para>
      <para>de beslissing waarbij een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 86 van de </para>
      <para>Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is vastgesteld, na verlaging van het berekende </para>
      <para>bedrag met 35%.</para>
      <para>Verweerder heeft op 18 juni 1999 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 31 oktober 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden  hun standpunt nader hebben doen toelichten. Van de kant </para>
      <para>van appellante is ter zitting voorts een toelichting verstrekt door drs A, die in de periode </para>
      <para>van 10-02-1988 tot 31 -03-1999 als dierenarts in dienst was van appellante. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Regelgeving</para>
      <para>De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWD) luidde ten tijde van belang en </para>
      <para>voor zover hier van belang:</para>
      <para>"	Artikel 21</para>
      <para>	1. Een door Onze minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (.) </para>
      <para>zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door </para>
      <para>hem nodig worden geacht.</para>
      <para>	2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>	3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze </para>
      <para>maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 22</para>
      <para>	1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	f. het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>	g. het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren, </para>
      <para>en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht </para>
      <para>gevaar op te leveren voor de verspreiding van smetstof;</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	2. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 86</para>
      <para>	1. Uit 's Rijks kas wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade </para>
      <para>uitgekeerd, indien:</para>
      <para>	a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden </para>
      <para>gedood;</para>
      <para>	b. produkten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, </para>
      <para>onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;</para>
      <para>	c. maatregelen krachtens het bepaalde in artikel 22, tweede lid,  onderdeel f en </para>
      <para>g, zijn toegepast.</para>
      <para>	2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:</para>
      <para>	a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand,</para>
      <para>	b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen </para>
      <para>gedeelte van de waarde in gezonde toestand,</para>
      <para>	c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de maatregel,</para>
      <para>	met dien verstande, dat het aldus bepaalde bedrag met bij algemene maatregel </para>
      <para>van bestuur vast te stellen percentages kan worden verlaagd. Deze percentages </para>
      <para>verschillen naar gelang aan de in de laatste zinsnede bedoelde maatregel </para>
      <para>gestelde eisen ter zake van de inrichting van het bedrijf is voldaan en door de </para>
      <para>eigenaar in die maatregel bedoelde maatregelen zijn genomen om de </para>
      <para>gezondheid van de dieren op het bedrijf te waarborgen.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 91</para>
      <para>	Schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als bedoeld in artikel </para>
      <para>17 of 21, kan voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 voor </para>
      <para>vergoeding in aanmerking komt, in door Onze Minister te bepalen bijzondere </para>
      <para>gevallen geheel of gedeeltelijk uit 's Rijks kas worden vergoed."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het besluit bescherming tegen bepaalde zo”nosen en bestrijding besmettelijke dierziekten, </para>
      <para>Stb. 1996, 156 (hierna: het Besluit) luidt, voor zover hier van belang:</para>
      <para>"	Artikel 8</para>
      <para>	1. De in artikel 86, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde percentages </para>
      <para>tot verlaging van de tegemoetkoming in de schade bedragen bij het uitbreken </para>
      <para>van varkenspest bij varkens:</para>
      <para>	a. indien op een bedrijf varkens afkomstig van vier of meer andere bedrijven </para>
      <para>aanwezig zijn: 35%;</para>
      <para>	b.(. tot en met i .)</para>
      <para>	2. Voor de bepaling of de in het eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde situatie </para>
      <para>zich voordoet, worden varkens waarvan de houder op eerste vordering van een </para>
      <para>aangewezen ambtenaar aantoont dat zij langer dan vier maanden </para>
      <para>ononderbroken op zijn bedrijf aanwezig zijn, buiten beschouwing gelaten.</para>
      <para>3. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	De vaststaande feiten</para>
      <para>Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Appellante oefent, blijkens de omschrijving van haar bedrijf in het Handelsregister, </para>
      <para>in haar onderneming het volgende bedrijf uit: het ten behoeve van de in de </para>
      <para>varkensfokkerij en -houderij werkzame individuele ondernemers verrichten van </para>
      <para>diensten en leveringen welke zijn gericht op het toepassen van kunstmatige </para>
      <para>inseminatie bij varkens.</para>
      <para>-	Het bedrijf van appellante is in verband met de uitbraak van klassieke varkenspest </para>
      <para>besmet verklaard.</para>
      <para>-	Op 8 maart 1997 is de varkensstapel van appellantes bedrijf en de waarde van daar </para>
      <para>aanwezige producten en voorwerpen die onschadelijk moesten worden gemaakt, </para>
      <para>getaxeerd. De totale waarde van de dieren ( 239 fokberen met de status verdacht en 3 </para>
      <para>fokberen met de status ziek) en de produkten en voorwerpen is door de taxateur op </para>
      <para>fl. 2.492.568,00 vastgesteld. Op 24 maart 1997 heeft nog een aanvullende taxatie van </para>
      <para>produkten en voorwerpen plaatsgehad, welke uitkwam op ruim 53.000 gulden.</para>
      <para>- Blijkens een rapport van 17 april 1997 (met nummer 1456/97/0022a) heeft de </para>
      <para>Algemene Inspectiedienst van verweerders ministerie (hierna: AID) ten behoeve van </para>
      <para>de schaderegeling op appellantes bedrijf op 7 maart 1997 een onderzoek ingesteld </para>
      <para>naar de naleving van voor dat bedrijf geldende voorschriften, als bedoeld in artikel 8 </para>
      <para>van het Besluit. Volgens dat onderzoek waren op het bedrijf van appellante op het </para>
      <para>moment van de uitbraak van de varkenspest varkens aanwezig van meer dan vier </para>
      <para>verschillende andere varkens-houderij-bedrijven. Het rapport vermeldt </para>
      <para>dienaangaande, samengevat, dat in de vier maanden voorafgaande aan de ruiming  is </para>
      <para>afgenomen van (1) KI-station Verbond, (2) KI-Quarantainestal, (3) KI-COFOK </para>
      <para>EEG, (4) COFO KI Station, (5) KI Quarantainestal Lith en (6) COFOK Hellouw.</para>
      <para>- Bij besluit van 24 juni 1997 heeft verweerder appellante meegedeeld dat op grond </para>
      <para>van dat onderzoek op het bedrag van de getaxeerde waarde van de varkensstapel een </para>
      <para>korting van 35% is toegepast en dat appellante als tegemoetkoming in de schade een </para>
      <para>bedrag van fl. 1.620.169,20  zal worden uitbetaald. </para>
      <para>- Bij besluit van 20 februari 1998 heeft verweerder aan appellante meegedeeld dat </para>
      <para>bedoelde korting ook wordt toegepast op de tegemoetkoming voor de schade, die </para>
      <para>getaxeerd is bij de aanvullende taxatie. Hij heeft besloten dat daarvoor een bedrag </para>
      <para>van fl. 34.595,45 zal worden uitbetaald. </para>
      <para>-	Op het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft verweerder, nadat appellantes </para>
      <para>gemachtigde had laten weten af te zien van het recht om te worden gehoord, het </para>
      <para>bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen de verlaging </para>
      <para>van 35% van de tegemoetkoming in de schade ongegrond verklaard. Daartoe heeft </para>
      <para>verweerder uitdrukkelijk voorop gesteld dat hij op grond van artikel 86, tweede lid, van de </para>
      <para>GWD niet een discretionaire bevoegdheid heeft die in zou houden dat in elk individueel </para>
      <para>geval zou mogen of zou moeten worden gewogen of een korting wel of niet wordt </para>
      <para>toegepast. Naar zijn mening zijn de kortingspercentages dan ook dwingend </para>
      <para>voorgeschreven, indien vastgesteld wordt, dat een situatie als omschreven in de diverse </para>
      <para>onderdelen van het eerste lid van artikel 8 van het Besluit zich voordoet. </para>
      <para>Vervolgens heeft verweerder met betrekking tot de feitelijke situatie op basis van het AID- </para>
      <para>rapport vastgesteld dat appellante in de vier aan de ruiming voorafgaande maanden varkens </para>
      <para>heeft aangevoerd van 6 bedrijven, dat deze zes herkomstbedrijven alle als afzonderlijke </para>
      <para>bedrijven zijn geregistreerd en een eigen UBN-nummer hebben.</para>
      <para>Geen van deze bedrijven kan naar verweerders oordeel derhalve als onderdeel van </para>
      <para>appellantes bedrijf of als onderdeel van een van de vijf overige bedrijven worden </para>
      <para>aangemerkt en het zijn dus alle afzonderlijke bedrijven in de zin van artikel 8, eerste lid </para>
      <para>van het Besluit. Appellantes argumenten dat zij  extra maatregelen heeft getroffen om </para>
      <para>insleep van ziekten te voorkomen treffen naar het oordeel van verweerder geen doel, omdat </para>
      <para>een en ander niet wegneemt dat op appellantes bedrijf varkens van meer dan 6 </para>
      <para>herkomstbedrijven aanwezig waren. De kortingen dienen te worden toegepast, ongeacht of </para>
      <para>de betrokkene ter zake verwijt treft. De enkele aanwezigheid van varkens afkomstig van </para>
      <para>vier of meer bedrijven leidt, gelet op het dwingende wettelijke stelsel, tot de korting. Dat </para>
      <para>daarbij sprake is geweest van een reglementaire en binnen de (EG-) regelgeving toegestane </para>
      <para>uitwisseling tussen KI-stations maakt dat niet anders, aldus verweerder.</para>
      <para>Tenslotte heeft verweerder in het bestreden besluit nog overwogen, aan de hand van </para>
      <para>passages uit de parlementaire geschiedenis van de Veewet, dat deze geschiedenis </para>
      <para>onderstreept dat de kortingsregeling zonder meer en onverkort van toepassing is op </para>
      <para>bedrijven als selectiemesterijen, toetsbedrijven en KI-stations. Mede gelet daarop is </para>
      <para>verweerder van mening dat de toepassing van de korting in verhouding tot de </para>
      <para>geconstateerde feiten  in het onderhavige geval niet tot zodanige resultaten leidt dat </para>
      <para>gesproken moet worden van onevenredigheid in de toepassing van het kortingsstelsel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>4.1 Appellante heeft allereerst gewezen op de vaste jurisprudentie van het College over de </para>
      <para>kortingsregeling. Uit die jurisprudentie volgt, dat verweerder zich ten onrechte op het </para>
      <para>standpunt stelt dat het bepaalde bij artikel 86, tweede lid, GWD niet inhoudt dat hij een </para>
      <para>discretionaire bevoegdheid heeft bij de toepassing van de kortingsregeling, neergelegd in </para>
      <para>het Besluit.</para>
      <para>4.2 Voorts wijst appellante op bedoelde jurisprudentie, ten betoge dat verweerder ten onrechte </para>
      <para>het toepassen van de korting in haar geval niet onevenredig acht. Appellante heeft niet </para>
      <para>bewust een risico van het verspreiding  van dierziekten genomen. Door het werken met </para>
      <para>quarantainestallen heeft appellante daarentegen een werkwijze die nog meer op het </para>
      <para>voorkomen van uitbreken en verspreiden van dierziekten is gericht dan die van het stelsel </para>
      <para>van de GWD. De aanvoer van uit genoemde stallen is dermate met waarborgen omgeven </para>
      <para>dat het niet terecht is deze aanvoer als een herkomstadres aan te merken, puur en alleen </para>
      <para>omdat sprake is van een ander UBN- nummer. Het gaat niet aan de risicoverdeling in dit </para>
      <para>concrete geval naar appellante te verschuiven. Appellante wijst voorts op de bijlage B bij </para>
      <para>richtlijn 90/429/EEG. Deze bijlage stelt voorwaarden voor het toelaten van dieren in een </para>
      <para>erkend spermacentrum. Gelet op het feit dat de Europese regelgeving voor de aanvoer naar </para>
      <para>een spermacentrum strengere regels kent dan de GWD, acht appellante het niet terecht dat </para>
      <para>wanneer het, zoals in haar geval, gaat om  de EG-erkende KI- stations en quarantaine-</para>
      <para>stallen als herkomstadres, deze herkomst als "ander bedrijf" in de zin van het Besluit </para>
      <para>worden aangemerkt. Meer in het bijzonder heeft appellante hierover nog doen toelichten </para>
      <para>dat de dieren op de herkomstadressen gemiddeld zo'n 42 dagen in de quarantainestal </para>
      <para>verblijven, dit terwijl de EG -regelgeving slechts 30 dagen voorschrijft. Omdat gebleken is </para>
      <para>dat klinische verschijnselen van bepaalde dierziekten en met name het vormen van </para>
      <para>antilichamen in het bloed, zich eerst na 3 tot 4 weken manifesteren, is er door appellante </para>
      <para>voor gekozen om eerst na 4 weken quarantaine tot de verplichte bloedonderzoeken over te </para>
      <para>gaan. Ook andere extra maatregelen, zoals het hanteren van een "all in, all out"- systeem en </para>
      <para>maatregelen bij het niet voldoen van een der varkens aan de EG- voorschriften na </para>
      <para>bloedonderzoek zijn erop gericht om ziekteninsleep op alle mogelijke wijzen te </para>
      <para>voorkomen. Het situeren van de quarantainestallen in de directe nabijheid van het KI-</para>
      <para>station, zodanig dat onder hetzelfde UBN-nummer kan worden gewerkt, wordt in de </para>
      <para>praktijk niet toegepast door appellante, eveneens om  dierziekten via besmetting te </para>
      <para>voorkomen.</para>
      <para>4.3 Appellante voert voorts aan dat gelet op de verschillen in fokkerijprogramma's en </para>
      <para>bloedlijnen per definitie het aantal herkomstadressen van een KI station hoger is dan het in </para>
      <para>de kortingsregeling genoemde aantal van 3. Verweerder is aan dit hem bekende gegeven </para>
      <para>voorbij gegaan. Appellante wijst in dit verband onder meer op de op 10 oktober 1997 in </para>
      <para>werking getreden regeling vervoersbeperkingen varkens. Binnen die regeling is een </para>
      <para>uitzonderingspositie ingenomen voor de KI in het algemeen, op grond van de werking in </para>
      <para>de praktijk en de erkenning van het feit dat de aanvoer van slechts drie herkomstadressen </para>
      <para>in het geval van KI ondoenlijk is. Verweerder heeft een en ander miskend en heeft slechts </para>
      <para>een optelsom gemaakt van het aantal herkomstadressen (totaal drie afkomstig van </para>
      <para>quarantainestallen en drie van EG- erkende KI-stations), zonder in te gaan op het feit dat </para>
      <para>door de maatregelen van appellante, conform onder meer de EG-voorschriften ter zake, </para>
      <para>waarborgen worden verschaft met hetzelfde doel als waarvoor artikel 8, eerste lid, onder a, </para>
      <para>van het Besluit in het leven is geroepen. </para>
      <para>4.4 Appellante is van mening dat verweerder ten onrechte de parlementaire geschiedenis </para>
      <para>inroept ter ondersteuning van zijn standpunt dat voor bedrijven als het hare geen </para>
      <para>uitzondering dient te worden gemaakt. Naar de mening van appellante gaat het in de door </para>
      <para>verweerder aangehaalde passages slechts om selectiebedrijven en toetsbedrijven. </para>
      <para>Bovendien gelden voor deze bedrijven geen specifieke regelingen, zoals dat voor KI- </para>
      <para>bedrijven het geval is.</para>
      <para>4.5 Naar de mening van appellante gaat de EG-regelgeving , zoals neergelegd in richtlijn </para>
      <para>90/429/ EEG, meer in het bijzonder in bijlage B daarvan, en de nationale regelgeving die </para>
      <para>ter uitvoering daarvan strekt, voor boven de onderhavige nationale regelgeving inzake </para>
      <para>kortingen.</para>
      <para>4.6 Tenslotte heeft appellante nog aangevoerd, dat verweerder, op grond van het enkele feit dat </para>
      <para>hij van mening is dat de korting van 35% moet worden doorgevoerd op de </para>
      <para>tegemoetkoming voor de dieren, deze korting ten onrechte "dus ook doorvoert voor </para>
      <para>voorwerpen/producten". Naar de mening van appellante is op dit punt in strijd met artikel </para>
      <para>87 van de GWD gehandeld door verweerder, nu de taxatie van de voorwerpen en </para>
      <para>producten, die plaatsvond op 24 maart 1997, daaraan voorafgaand op 8 maart 1997 werden </para>
      <para>ingepakt en op 10 maart 1997 werden vernietigd.</para>
      <para>4.7 Appellante verzoekt het College het bestreden besluit te vernietigen en de toepassing van </para>
      <para>de korting op dieren, voorwerpen en produkten ongegrond te verklaren, subsidiair de </para>
      <para>korting op de aanvullende taxatie ongegrond te verklaren, een en ander met veroordeling </para>
      <para>van verweerder tot betaling van de wettelijke rente en van de proceskosten.</para>
      <para>5.	De beoordeling</para>
      <para>5.1	Het College zal appellantes grief onder 4.6. als eerste bespreken. Als deze grief slaagt, zijn </para>
      <para>immers de overige grieven van appellante voorzover het betreft de kortingsbeslissing </para>
      <para>inzake de aanvullende taxatie niet meer van belang. De grief houdt in dat bij de </para>
      <para>aanvullende taxatie van 24 maart 1997, welke de grondslag vormde van de beslissing van </para>
      <para>verweerder van 24 juni 1997 tot de tegemoetkoming van ruim 34.000 gulden voor bepaalde </para>
      <para>produkten en voorwerpen, in strijd met artikel 87 GWD is gehandeld. </para>
      <para>Deze grief treft geen doel. Blijkens het taxatieformulier heeft een door appellante daartoe </para>
      <para>gemachtigde persoon zijn handtekening geplaatst onder die taxatie. Appellante heeft </para>
      <para>daardoor verklaard akkoord te gaan met de waardering. Nu appellante de juistheid van de </para>
      <para>taxatie niet heeft betwist - en aldus ook de voor dat geval voorziene procedure, bedoeld in </para>
      <para>artikel 88, tweede lid achterwege is gebleven - valt niet in te zien dat verweerder die </para>
      <para>waardevaststelling niet als grondslag voor zijn besluit van 24 juni 1997, gehandhaafd bij </para>
      <para>het bestreden besluit, heeft mogen gebruiken. De omstandigheid dat bij de waardering niet </para>
      <para>het bepaalde bij artikel 87 GWD in acht zou zijn genomen, kan, wat daar overigens van zij, </para>
      <para>op zich zelf niet de rechtmatigheid van die beslissing en het daarbij genomen besluit om </para>
      <para>ook voor dat deel van de tegemoetkoming tot korting over te gaan, aantasten. </para>
      <para>5.2	Met betrekking tot de overige grieven van appellante overweegt het College als volgt. </para>
      <para>Zoals ook is overwogen in onder meer de, partijen bekende, uitspraken van 29 februari </para>
      <para>2000 in zaak No. Awb 98/140 en in de zaak No. Awb 99/49, ontbeert verweerder niet de </para>
      <para>bevoegdheid om per geval te overwegen of een bij en krachtens het bepaalde in artikel 86, </para>
      <para>tweede lid, GWD voorziene korting daadwerkelijk wordt opgelegd. Slechts de hoogte van </para>
      <para>de korting is door wet en Besluit sluitend vastgesteld. Ter mitigering heeft de wetgever, </para>
      <para>door de "kan-bepaling" van artikel 86, tweede lid, GWD enige ruimte gelaten om wegens </para>
      <para>de bijzondere omstandigheden van het geval, van zo'n korting af te zien.</para>
      <para>Verweerder heeft, in weerwil van zijn stellingname in het bestreden besluit, bij het </para>
      <para>toepassen van het kortingsstelsel op de schade ten gevolge van de begin 1997 uitgebroken </para>
      <para>varkenspest wel degelijk, op onderdelen, een bepaald beleid gevoerd, zoals het beleid </para>
      <para>inzake het niet toepassen van het kortingsregiem ingeval van preventieve ruiming en het </para>
      <para>beleid om bij het niet melden van mutaties in de varkensstapel in bepaalde gevallen af te </para>
      <para>zien van toepassing van de korting. Blijkens de overwegingen die aan het thans bestreden </para>
      <para>besluit ten grondslag liggen, heeft verweerder, in het geval dat de toepassing van de </para>
      <para>kortingsregeling, bedoeld in onderdeel a. van artikel 8, eerste lid, van het Besluit, aan de </para>
      <para>orde is, geen criteria ontwikkeld voor de beantwoording van de vraag of er zich </para>
      <para>omstandigheden voordoen, op grond waarvan zal worden afgezien van toepassing van die </para>
      <para>korting. Op grond van zijn - door het College onjuist bevonden - interpretatie van artikel </para>
      <para>86, tweede lid, GWD heeft verweerder zich in casu gehouden geacht om tot korting over te </para>
      <para>gaan en heeft hij aldus in het bestreden besluit beslist.</para>
      <para>De in het bestreden besluit gegeven motivering berust dus op een onjuiste rechtsopvatting. </para>
      <para>Appellantes grief slaagt derhalve. Het bestreden besluit komt derhalve in aanmerking voor </para>
      <para>vernietiging tenzij zou moet worden geoordeeld dat, in weerwil van deze motivering, wel </para>
      <para>degelijk door verweerder beleid is gevoerd en dat gelet op onder meer de strekking van het </para>
      <para>bepaalde in genoemd onderdeel a. van artikel 8, eerste lid, van het Besluit, evident is dat </para>
      <para>verweerder, ook bij een juiste motivering in het bestreden besluit, in de omstandigheden </para>
      <para>van het onderhavige geval geen termen aanwezig kon achten om van de korting op de </para>
      <para>tegemoetkoming af te zien.</para>
      <para>5.3	De door partijen aangevoerde argumenten geven het College in dat verband aanleiding tot </para>
      <para>de volgende overwegingen.</para>
      <para>De stelling van appellante dat de positie van KI-stations in de parlementaire geschiedenis </para>
      <para>niet aan de orde is geweest is feitelijk onjuist. Blijkens de Handelingen (TK 1990/1991, nr </para>
      <para>59., p. 3361) is bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel ook gesproken over de </para>
      <para>positie van KI-stations. Ook het argument van appellante dat het feitelijk ondoenlijk zou </para>
      <para>zijn om in het geval van KI met slechts drie herkomstadressen te werken kan niet tot het </para>
      <para>oordeel leiden dat verweerder, in samenhang met hetgeen aan de wetsgeschiedenis is te </para>
      <para>ontlenen, de kortingsregeling op KI-stations niet van toepassing zou mogen achten. </para>
      <para>Hetgeen appellante daarover ter zitting heeft opgemerkt, strekt ten betoge dat het werken </para>
      <para>met slechts drie herkomstadressen praktisch niet aantrekkelijk is, maar leidt niet tot de </para>
      <para>conclusie dat van een feitelijke onmogelijkheid kan gesproken worden. De keuze van </para>
      <para>appellante om met meer herkomstadressen te werken is derhalve als een </para>
      <para>bedrijfseconomische beslissing aan te merken, zodat de positie van appellante zich in dat </para>
      <para>opzicht niet wezenlijk onderscheidt van andere bedrijven, die zich gesteld zien voor de </para>
      <para>vraag tot welk aantal herkomstadressen het varkensbestand moet worden beperkt.</para>
      <para>Uit de wetsgeschiedenis kan, anderzijds, evenwel niet worden afgeleid dat de wetgever KI-</para>
      <para>stations op een lijn heeft willen stellen met bijvoorbeeld selectiemesterijen. In het kader </para>
      <para>van de bespreking van een mogelijke uitzondering van laatstbedoelde bedrijven is </para>
      <para>overwogen (TK 1990/1991,21243, nr.11, pag.6) dat uit veterinair oogpunt geen </para>
      <para>rechtvaardiging bestaat voor een onderscheiden behandeling van de verschillende </para>
      <para>bedrijven. Daaruit valt echter niet af te leiden dat in de optiek van de wetgever voor KI-</para>
      <para>bedrijven, ook indien daarvoor een objectieve rechtvaardiging zou bestaan, een afzien van </para>
      <para>de toepassing van de onderhavige korting onwenselijk moet worden geacht. </para>
      <para>Ter zitting heeft verweerders gemachtigde aangevoerd dat verweerder zijn hiervoor </para>
      <para>bedoelde stellingname uit het bestreden besluit over het ontbreken van discretionaire </para>
      <para>bevoegdheid niet handhaaft. Verweerder acht evenwel, zo heeft ter zitting zijn gemachtigde </para>
      <para>gesteld, geen termen aanwezig om in dit geval van korting af te zien. Immers, vaststaat, </para>
      <para>aldus verweerder, dat appellante als KI-station met veel verschillende herkomstbedrijven </para>
      <para>werkt, hetgeen een verhoogd risico op besmetting met zich brengt. In het verweerschrift is </para>
      <para>in dat verband opgemerkt dat contacten tussen varkens afkomstig van verschillende </para>
      <para>bedrijven de belangrijkste besmettingsbron van varkenspest vormen en dat appellante door </para>
      <para>haar handelwijze bewust een risicovolle situatie in het leven heeft geroepen.</para>
      <para>Dienaangaande overweegt het College het volgende. </para>
      <para>De betekenis van het begrip bedrijf in artikel 8, eerste lid, onder a, van  het Besluit, nu dat </para>
      <para>niet nader is gedefinieerd, moet, zoals het College ook heeft overwogen in zijn uitspraak </para>
      <para>van 8 februari 2000 (No. Awb 98/227), worden uitgelegd mede tegen de achtergrond van </para>
      <para>de doelstelling van de onderhavige regelgeving.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit wordt een </para>
      <para>korting van 35% op de tegemoetkoming in de schade toegepast indien op een bedrijf </para>
      <para>varkens afkomstig zijn van meer dan drie bedrijven. Varkens die langer dan vier maanden </para>
      <para>op het bedrijf aanwezig zijn worden, ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Besluit, voor </para>
      <para>de toepassing van die bepaling buiten beschouwing gelaten.</para>
      <para>Verweerder heeft over de strekking van deze bepaling opgemerkt dat het risico op een </para>
      <para>mogelijke insleep van het varkenspestvirus op het bedrijf groter wordt naarmate er van </para>
      <para>meer bedrijven varkens worden betrokken. </para>
      <para>Ook toeleverende bedrijven die onderdeel vormen van dezelfde onderneming als waarvan </para>
      <para>het bedrijf dat geruimd is deel uitmaakt, zijn in dit licht bezien bedrijven, als bedoeld in </para>
      <para>meergenoemd onderdeel a van het Besluit. Immers, het functioneren als een afzonderlijke </para>
      <para>vestiging houdt redelijkerwijs gesproken in dat, onder meer als gevolg van andere aanvoer- </para>
      <para>en afvoeradressen van zo'n vestiging in vergelijking met de andere vestiging(en) van </para>
      <para>dezelfde onderneming, er wezenlijk grotere risico's van insleep van het varkenspestvirus </para>
      <para>bestaan.</para>
      <para>Niet valt echter zonder meer met de enkele nadere motivering van verweerder dat het </para>
      <para>werken met meerdere herkomstbedrijven nu eenmaal een verhoogd risico van besmetting </para>
      <para>met zich brengt, in te zien waarom de bijzonderheden van het onderhavige geval niet </para>
      <para>kunnen leiden tot het oordeel dat van toepassing van de korting van 35% moet worden </para>
      <para>afgezien. Voor de beoordeling of  in casu sprake is van bijzondere omstandigheden als </para>
      <para>hiervoor bedoeld, is immers niet zonder belang of de door appellante aangevoerde </para>
      <para>argumenten dienen te leiden tot de conclusie dat appellante weliswaar varkens van zes </para>
      <para>andere bedrijven op haar bedrijf  aanwezig had, maar dat daarmee de facto geen extra risico </para>
      <para>- in vergelijking met de situatie die de regelgever met het bepaalde bij artikel 8, eerste lid, </para>
      <para>onder a., van het Besluit kennelijk beoogt te bevorderen - op insleep van varkenspestvirus </para>
      <para>bestond. Meer in het bijzonder moet daartoe de stelling van appellante worden onderzocht </para>
      <para>dat de toegepaste quarantaine en de overige door haar geschetste waarborgen ertoe leiden </para>
      <para>dat in feite van een dergelijk extra risico als gevolg van afname van meer dan drie </para>
      <para>bedrijven in appellantes geval geen sprake kan zijn. Weliswaar faalt het betoog van </para>
      <para>appellante voorzover het inhoudt dat de enkele omstandigheid dat haar toeleveranciers KI-</para>
      <para>stations zijn, die een EG-erkenning hebben, tot een niet- toepassen van de korting zou </para>
      <para>moeten leiden, maar dat doet er niet aan af dat de in verband met die erkenning nageleefde </para>
      <para>voorwaarden materieel tot een redelijkerwijs uitsluiten van het risico van verspreiding van </para>
      <para>het virus via aangeleverde varkens zouden kunnen leiden. </para>
      <para>De door verweerders gemachtigde ter zitting geformuleerde opvatting dat door het </para>
      <para>aanwezig hebben van varkens van meer dan drie bedrijven het aantal vervoersbewegingen </para>
      <para>- met de daaraan verbonden risico's van insleep van het varkenspestvirus - toeneemt, zodat </para>
      <para>op die grond het overschrijden van het aantal van drie herkomstbedrijven gepaard dient te </para>
      <para>gaan met een korting, als voorzien in genoemd onderdeel a. van het Besluit, kan het </para>
      <para>College evenmin zonder meer volgen. Daartoe overweegt het College meer in het bijzonder </para>
      <para>dat niet zonder meer valt in te zien dat voor het aantal vervoersbewegingen van en naar een </para>
      <para>bedrijf  het aantal herkomstbedrijven een zodanig belangrijke factor vormt, dat </para>
      <para>aangenomen zou moeten worden dat de regelgever met het opnemen van de bepaling van </para>
      <para>genoemd onderdeel a. mede voor ogen zou hebben gestaan vooral ook het aantal </para>
      <para>vervoersbewegingen daardoor te beperken. Veeleer moet worden aangenomen dat de </para>
      <para>omstandigheid die verweerder in zijn verweerschrift heeft genoemd, namelijk dat contacten </para>
      <para>tussen varkens van verschillende bedrijven de belangrijkste besmettings- en </para>
      <para>verspreidingsbron van varkenspest vormen, de achtergrond is van de in onderdeel a. </para>
      <para>genoemde beperking. De toelevering van varkens van eenzelfde herkomst bedrijf kan </para>
      <para>immers plaatsvinden via bijvoorbeeld ‚‚n transport, maar ook door verschillende kleinere </para>
      <para>transporten. De vervoersbewegingen naar een bedrijf kunnen voorts ook samenhangen met </para>
      <para>geheel andere activiteiten dan de aanlevering van varkens en niettemin uit een oogpunt van </para>
      <para>mogelijke insleep van het varkenspestvirus van eenzelfde belang zijn. Met andere woorden, </para>
      <para>voor regulering van het aantal vervoersbewegingen in het belang van de wering van </para>
      <para>besmettelijke veeziekten lijkt de norm in artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit niet </para>
      <para>het aangewezen middel, zodat een verwijzing naar het belang van beperking van </para>
      <para>vervoersbewegingen niet zonder meer kan worden aangemerkt als een toereikende </para>
      <para>motivering om ook in dit geval onverkort aan de toepassing van een korting van 35% vast </para>
      <para>te houden.</para>
      <para>5.4	Uit het vorenstaande volgt dat het niet evident is dat verweerder in de omstandigheid van </para>
      <para>het onderhavige geval geen termen aanwezig kon achten om van de korting op de </para>
      <para>tegemoetkoming af te zien. Verweerder heeft geen draagkrachtige motivering gegeven </para>
      <para>voor zijn besluit. Het beroep van appellante is dan ook gegrond. Het bestreden besluit komt </para>
      <para>op deze grond in aanmerking voor vernietiging, met bepaling dat verweerder opnieuw op </para>
      <para>het bezwaar van appellante dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze </para>
      <para>uitspraak is overwogen.</para>
      <para>Tevens ziet het College uit een oogpunt van proceseconomie termen om thans reeds te </para>
      <para>overwegen dat, indien verweerder bij het nemen van een nieuw besluit tot de slotsom komt </para>
      <para>dat de korting niet wordt toegepast, hij bij het bedrag dat aan appellante alsdan nog zal </para>
      <para>worden toegekend tevens de wettelijke rente over het aanvankelijk ingehouden bedrag, </para>
      <para>vanaf de datum waarop de eerste tegemoetkoming is verstrekt tot aan de datum van deze </para>
      <para>nabetaling  zal dienen uit te keren. </para>
      <para>Tevens acht het College termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder, met </para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 Awb, in de kosten van de procedure aan de zijde van appellante </para>
      <para>welke op de voet van het bepaalde bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden </para>
      <para>begroot op (fl. 632,50 aan kosten van het medebrengen ter zitting van een deskundige en </para>
      <para>fl. 52,50 aan reiskosten van de gemachtigde van appellante =) fl. 685,--. Het vorenstaande leidt tot het volgende dictum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College: </para>
      <para>-	verklaart het beroep van appellante gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;</para>
      <para>-	verstaat dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 420,-- (zegge: vierhonderdtwintig gulden) wordt vergoed;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante welke worden vastgesteld op fl. 685,-- (zegge: zeshonderdenvijfentachtig gulden);</para>
      <para>-	wijst de Staat aan als de rechtspersoon die genoemde kosten moet vergoeden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr M.J. Kuiper en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr M.M. Smorenburg, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2001.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. B. Verwayen 				de griffier is verhinderd deze </para>
      <para>						uitspraak te ondertekenen</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>