<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1105</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T20:36:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1105</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-02-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/884</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1105">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1105</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1105 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 13-02-2001 / AWB 98/884</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1105:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1105:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 98/884					13 februari 2001</para>
      <para>	27352</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr drs Stubenruch, advocaat te Rotterdam, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Staatssecretaris van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder, </para>
      <para>gemachtigde: mr K.M.  Bresjer, werkzaam bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 14 augustus 1998 heeft het College een beroepschrift ontvangen, waarbij appellante </para>
      <para>beroep heeft ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 juli 1998.</para>
      <para>Bij dit besluit heeft verweerder beslist op appellantes bezwaren tegen de vaststelling op nul </para>
      <para>van de premie op grond van de Premieregeling stimulering ontwikkeling Lelystad 1988. </para>
      <para>Op 21 oktober 1998 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.</para>
      <para>Verweerder heeft op 3 december 1998 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Op 6 juni 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun </para>
      <para>standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen </para>
      <para>C, directeur van appellante. Ter zitting is als getuige, door appellante meegebracht,  </para>
      <para>gehoord A.S. de Vries, ambtenaar bij de gemeente Lelystad.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Bij de Premieregeling stimulering ontwikkeling Lelystad 1988 (regeling van </para>
      <para>5 december 1988, Stcrt. 240, gewijzigd bij regeling van 25 maart 1992, Stcrt. 62; hierna: </para>
      <para>de Premieregeling) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>Aan een ondernemer die in de gemeente Lelystad een project tot stand brengt </para>
      <para>wordt op een overeenkomstig artikel 7 ingediende aanvraag en met </para>
      <para>inachtneming van het gestelde in deze regeling en de daarbij behorende </para>
      <para>bijlagen premie verleend ter zake van het cre‰ren van arbeidsplaatsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 10</para>
      <para>1. Voorts wordt afwijzend op de aanvraag beslist, indien:</para>
      <para>a. (.)</para>
      <para>d. in het bedrijf minder dan tien arbeidsplaatsen worden gecre‰erd;</para>
      <para>e. de kosten minder dan Ÿ 200 000 bedragen; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 13</para>
      <para>1. De minister beslist aan de hand van de overgelegde gegevens op een verzoek </para>
      <para>om vaststelling van het premiebedrag (.).</para>
      <para> (.)</para>
      <para>5. De minister beslist afwijzend op een tijdig ingediend verzoek :</para>
      <para>a. indien de ondernemer niet heeft voldaan aan de bij of krachtens artikel 11 </para>
      <para>gestelde voorwaarden;</para>
      <para>b. (.);</para>
      <para>c. indien de ondernemer zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft </para>
      <para>verstrekt dat de minister bij de beslissing op een aanvraag of op een verzoek </para>
      <para>om een voorschot als bedoeld in artikel 12 een andere beslissing zou hebben </para>
      <para>genomen , indien hem de juiste gegevens bekend waren gemaakt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten </para>
      <para>en omstandigheden voor het College komen vast te staan.</para>
      <para>-	Bij aanvraagformulier, gedagtekend 8 december 1992 door C als directeur </para>
      <para>medeoprichter van appellante, is ten behoeve van appellante een premie op grond van </para>
      <para>de Premieregeling aangevraagd.</para>
      <para>-	Bij brief van 2 februari 1993 heeft het college van burgemeester en wethouders van </para>
      <para>de gemeente Lelystad, deze aanvraag aan verweerder doorgezonden.</para>
      <para>-	Bij overeenkomst van 11 maart 1993 hebben C en D, handelend namens en ten </para>
      <para>behoeve van appellante in oprichting, (hierna: E) per 1 januari 1993 gekocht en voor </para>
      <para>zover mogelijk in eigendom aanvaard, het bedrijf van de B.V. Auto- en </para>
      <para>Motorbenodigdheden AMBI, gevestigd te Lelystad (hierna: AMBI).</para>
      <para>Artikel 8 van deze overeenkomst bepaalt dat ingevolge de artikelen 1639 aa e.v. van </para>
      <para>het Burgerlijk Wetboek alle bij AMBI in dienst zijnde werknemers per 1 januari </para>
      <para>1993 in dienst treden bij E.</para>
      <para>-	Bij besluit van 18 mei 1993 heeft verweerder op vermelde premieaanvraag in </para>
      <para>positieve beslist. Dit besluit luidt onder meer als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De totale investering wordt door u begroot op ? 900.000,00.</para>
      <para>Als gevolg van het project zullen 12 arbeidsplaatsen ontstaan, op middellange </para>
      <para>termijn oplopend tot 15 arbeidsplaatsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van uw aanvraag zeg ik u een bijdrage toe uit hoofde van </para>
      <para>voornoemde premieregeling van ? 25.000,00 per elke met uw project in de </para>
      <para>gemeente Lelystad nieuw gecre‰erde arbeidsplaats, met een maximum van </para>
      <para>25 % van de premiabele investeringen. De premie kan maximum ? 225.000,00 </para>
      <para>(.) bedragen.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Wellicht ten overvloede wijs ik u er op, dat wanneer bij verificatie van uw </para>
      <para>project mocht blijken dat minder dan tien arbeidsplaatsen zijn gecre‰erd, ik de </para>
      <para>premie op nihil zal stellen. Eventueel verstrekte voorschotten dienen in zo'n </para>
      <para>situatie terugbetaald te worden. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Bij brief van 24 november 1995 heeft appellante verzocht om vaststelling van het </para>
      <para>premiebedrag. </para>
      <para>-	Hierop heeft verweerder zijn besluit van 22 december 1997 genomen, dat onder meer </para>
      <para>als volgt luidt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	(.) uit de overeenkomst blijkt, dat ten tijde van de behandeling van de </para>
      <para>premieaanvraag in onderhevig geval van het cre‰eren van arbeidsplaatsen, als </para>
      <para>gevolg van de overname, geen sprake was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ook later hebt u niet 10 arbeidsplaatsen extra gecre‰erd met uw investering. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van art. 10, lid 1 van de regeling zou ik indien ik het voornemen tot </para>
      <para>het sluiten van de overname overeenkomst had gekend geen premie hebben </para>
      <para>toegezegd vanwege het ontbreken van een gunstig effect op de regionale </para>
      <para>arbeidsmarkt. Met deze overname zou namelijk met dit project geen sprake zijn </para>
      <para>van additionele werkgelegenheid in de gemeente Lelystad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Derhalve stel ik voornoemde premie hierbij definitief vast op nihil. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze premievaststelling doe ik op grond van art. 13 lid 5c van de regeling </para>
      <para>aangaande het verstrekken van onvolledige informatie op grond waarvan ik een </para>
      <para>andere beslissing zou hebben genomen indien ik over bepaalde gegevens - i.c. </para>
      <para>gegevens met betrekking tot de overname overeenkomst - zou hebben beschikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Reeds met brief ES/RBM/RSB/PPB 93092085.b21 d.d. 21-12-1993 heb ik ten </para>
      <para>behoeve van de financiering van het project een voorschot verstrekt ad </para>
      <para>? 180.000,00. </para>
      <para>Ter afwikkeling van deze premie dient, rekening houdend met het verstrekte </para>
      <para>voorschot een bedrag ter grootte van ? 180.000,00 te worden gerestitueerd op </para>
      <para>rekeningnummer 55.27.10 bij de Postbank ten name van Ministerie van </para>
      <para>Economische Zaken onder vermelding van datum en kenmerk van deze brief </para>
      <para>alsmede het debiteurennummer 1001565. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij betaling later dan 30 dagen na dagtekening van deze brief bent u ingevolge </para>
      <para>artikel 6:119 BW de wettelijke rente verschuldigd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Op 28 januari 1998 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.</para>
      <para>-	Op 12 mei 1998 heeft verweerder appellante ter zake van haar bezwaar gehoord.</para>
      <para>-	Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen en besloten:</para>
      <para>"	In het geding is derhalve de vraag wat dient te worden verstaan onder "het </para>
      <para>cre‰ren van arbeidsplaatsen". De doelstelling van de regeling is het - in sociaal </para>
      <para>economische zin - stimuleren van de ontwikkeling van de gemeente Lelystad. </para>
      <para>In dit kader dient onder cre‰ren van arbeidsplaatsen te worden verstaan het </para>
      <para>cre‰ren van voor de gemeente Lelystad nieuwe arbeidsplaatsen, zoals dat ook </para>
      <para>in de toezeggingsbrief van 18 mei 1993 letterlijk is verwoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het door de departementale accountantsdienst verrichte verificatie-</para>
      <para>onderzoek bleek, dat op het moment waarop u overeenkomstig het bepaalde in </para>
      <para>artikel 11, eerste lid, onder b, van de regeling een verzoek indiende om </para>
      <para>vaststelling van het premiebedrag, dertien personen bij u in dienst waren. Van </para>
      <para>deze personen waren tenminste acht personen afkomstig van B.V. Auto- en </para>
      <para>Motorbenodigdheden Import Maatschappij AMBI (B.V. AMBI). </para>
      <para>Eerst toen bleek dat u op 11 maart 1993 met terugwerkende kracht tot 1 januari </para>
      <para>1993 met B.V. AMBI te Lelystad een overeenkomst had gesloten inzake de </para>
      <para>overdracht van het bedrijf van B.V. AMBI aan HPTC B.V. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik heb uit ‚‚n en ander de slotsom getrokken dat de arbeidsplaatsen waarop de </para>
      <para>overeenkomst betrekking heeft geen voor Lelystad nieuwe arbeidsplaatsen zijn. </para>
      <para>Voor zover u wel additionele werkgelegenheid hebt gecre‰erd wordt het </para>
      <para>minimum aantal van tien niet bereikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U stelt nu dat u, ter voorkoming van het dreigende faillissement van B.V. </para>
      <para>AMBI, erin heeft toegestemd de activa en passiva van dit bedrijf voor ? 1,00 </para>
      <para>over te nemen. (.). Tenslotte beroept u zich er nog op dat de gehele gang van </para>
      <para>zaken door u is meegedeeld aan de heer De Vries van de gemeente Lelystad en </para>
      <para>aan de heer Holtus van mijn ministerie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat de activa en passiva-transactie betreft ben ik bereid aan te nemen dat het </para>
      <para>door u gestelde juist is. Anders is dat waar het gaat om het contract inzake de </para>
      <para>bedrijfsovername. Dit is eerst bekend geworden nadat de accountantsdienst van </para>
      <para>het ministerie het verificatie-onderzoek had verricht. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Gelet op het voorgaande kom ik tot de slotsom dat uw bezwaren ongegrond </para>
      <para>zijn. Ik handhaaf derhalve mijn besluit van 22 december 1997, met dien </para>
      <para>verstande dat het dictum komt te luiden: </para>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 13, vijfde lid, onder a, in verbinding met </para>
      <para>artikel 11 en artikel 13, vijfde lid, onder c, van de regeling wijs ik uw verzoek </para>
      <para>om vaststelling van het premiebedrag af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik breng u nog in herinnering dat het aan u verstrekte voorschot van </para>
      <para>Ÿ 180.000,00, verhoogd met de wettelijke rente ingaande 21 januari 1998, dient </para>
      <para>terug te betalen. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het verweerschrift heeft verweerder onder meer het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"	De regeling zelf en mijn besluit van 18 mei 1993 lieten geen enkele twijfel </para>
      <para>over eventuele nadelige gevolgen in het geval dat het project niet zou worden </para>
      <para>gerealiseerd overeenkomstig hetgeen bij de aanvraag was opgegeven. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overigens kan dit punt in het onderhavige geding niet meer aan de orde komen. </para>
      <para>Ik ben immers bij de toezegging uitdrukkelijk uitgegaan van de </para>
      <para>veronderstelling dat het om nieuwe arbeidsplaatsen ging. Tegen de toezegging </para>
      <para>noch de daarin vervatte veronderstelling is door appellante een rechtsmiddel </para>
      <para>ingesteld, zodat deze veronderstelling thans geen punt van geschil kan zijn. Ik </para>
      <para>vindt voor deze opvatting steun in de uitspraak van uw college van 25 juni </para>
      <para>1996 inzake F, te B, uw zaaknummer 95/0399/062/230. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van appellante</para>
      <para>Appellante heeft bij het aanvullend beroepschrift onder meer het volgende tegen het </para>
      <para>bestreden besluit aangevoerd.</para>
      <para>"	Ruim nadat de nieuwe vennootschappen waren opgericht, de bouwgrond voor </para>
      <para>de nieuwe bedrijfshuisvesting was aangekocht, boot en huis waren verkocht en </para>
      <para>de subsidieaanvraag was ingediend, werd H.P.T.C. benaderd (.)</para>
      <para>door Ambi. Omdat de financi‰le situatie bij Ambi desastreus was en een </para>
      <para>faillisement niet te voorkomen was - de bank dreigde de financiering van </para>
      <para>Ambi stop te zetten - werd aan H.P.T.C. de mogelijkheid geboden de </para>
      <para>activa/passiva van Ambi voor ? 1,-- over te nemen.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>In een presentatie over de gehele gang van zaken op het gemeentehuis te </para>
      <para>Lelystad, waar van de zijde van het Ministerie aanwezig was de heer Holtes, is </para>
      <para>door H.P.T.C. de overname van activa/passiva heel stellig besproken. </para>
      <para>Bovendien merkt H.P.T.C. op dat tijdens een werkbezoek van de medewerkers </para>
      <para>van het Ministerie aan de nieuwbouw van H.P.T.C. de activa/passiva-transactie </para>
      <para>zonder enig voorbehoud uit de doeken is gedaan. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>De activa/passiva-transactie door H.P.T.C. vond mitsdien plaats ruim na de </para>
      <para>indiening van de subsidieaanvraag en over die transactie is mitsdien meerdere </para>
      <para>malen gesproken met de afdeling economische zaken van de gemeente </para>
      <para>Lelystad en het Ministerie van Economische Zaken. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>In de eerste plaats merkt H.P.T.C. op dat de Premieregeling Stimulering </para>
      <para>Ontwikkeling Lelystad 1988 in geen van haar artikelen en evenmin in haar </para>
      <para>toelichting spreekt over het cre‰ren van nieuwe arbeidsplaatsen. Het artikel </para>
      <para>spreekt over "premie verlenen terzake van het cre‰ren van arbeidsplaatsen". </para>
      <para>Ook uit de toelichting bij artikel 10, tweede lid, onder b, volgt geenszins dat de </para>
      <para>PSOL- regeling uitsluitend van toepassing is wanneer er nieuwe </para>
      <para>arbeidsplaatsen worden gecre‰erd. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Bovendien merkt H.P.T.C. op dat de voor haar nadelige gevolgen van het </para>
      <para>besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. </para>
      <para>Dit geldt in het bijzonder wanneer H.P.T.C. gehouden zou blijven tot restitutie </para>
      <para>van de verleende verschotten ad totaal ? 180.000,-- over te moeten gaan. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Wanneer bekend zou zijn dat het cre‰ren van een artikel 1639aa BW-situatie </para>
      <para>door de activa-passiva transactie tot gevolg zou hebben dat de subsidieaanvraag </para>
      <para>zou worden ingetrokken en reeds ontvangen voorschotten zouden moeten </para>
      <para>worden terugbetaald, in dat geval zouden E (.) gewacht hebben totdat het </para>
      <para>personeel van Ambi-oud in het kader van een faillissementssituatie formeel </para>
      <para>ontslagen zou zijn, waarna diezelfde werknemers in dienst genomen zouden </para>
      <para>zijn door H.P.T.C. . Ook in dat kader is het besluit van de staatssecretaris in </para>
      <para>strijd met een behoorlijke belangenafweging, en, gelet op de nadelige gevolgen </para>
      <para>van het besluit voor H.P.T.C., onevenredig in verhouding tot het met het </para>
      <para>besluit te dienen doel. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Bovendien is het besluit van de staatssecretaris aangaande de restitutieplicht in </para>
      <para>strijd met het vertrouwensbeginsel. </para>
      <para>Artikel 13, lid 3 van de Premieregeling stimulering ontwikkeling Lelystad </para>
      <para>1988 bepaalt, dat uiterlijk binnen acht maanden na de indiening van het </para>
      <para>verzoek tot vaststelling van de premie een besluit moet zijn genomen en aan de </para>
      <para>verzoeker moet zijn medegedeeld. Hetzelfde geldt met betrekking tot de </para>
      <para>mogelijke restitu- tie. In dat onderhavige geval is het verzoek op 24 januari </para>
      <para>1995 gedaan en heeft de staatssecretaris eerst op 22 december 1997, bijna twee </para>
      <para>jaar na het verzoek, het besluit genomen. </para>
      <para>Deze termijnoverschrijding is dermate groot dat H.P.T.C. het in strijd met het </para>
      <para>vertrouwensbeginsel acht wanneer thans tot restitutie van reeds ontvangen </para>
      <para>premies moet worden overgegaan. H.P.T.C. mocht erop vertrouwen dat de </para>
      <para>premieaanvraag definitief zou worden goedgekeurd en dat mitsdien ook geen </para>
      <para>verplichting zou ontstaan tot terugbetaling van reeds ontvangen voorschotten. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft appellante onder meer de volgende toelichting op haar standpunt gegeven:</para>
      <para>"	Er is op het gemeentehuis in Lelystad, waarbij naast de gemeentelijke </para>
      <para>vertegenwoordiger ook een vertegenwoordiger van het ministerie aanwezig </para>
      <para>was, een uiteenzetting geweest van de activa/passiva transactie. Er is ook nog </para>
      <para>een werkbezoek geweest van vertegenwoordigers van het ministerie tijdens de </para>
      <para>nieuwbouw. </para>
      <para>Er is noch door de gemeente, noch door het ministerie op enig moment </para>
      <para>gewezen op de consequenties die uiteindelijk door de staatssecretaris zijn </para>
      <para>getrokken. Sterker nog: door HPTC is uitdrukkelijk aan de overheid gevraagd </para>
      <para>of de transactie zou kunnen leiden tot nadelige consequenties, waarop door de </para>
      <para>overheidsinstanties ontkennend is geantwoord. </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Door HPTC niet tijdens de bespreking van de voorgenomen plannen in kennis </para>
      <para>te stellen van de gevolgen van de activa/passiva transactie voor de </para>
      <para>subsidieverlening, acht HPTC het door de staatssecretaris uiteindelijk genomen </para>
      <para>litigieuze besluit - intrekking van de subsidie en opleggen van </para>
      <para>restitutieverplichting - in strijd met het vertrouwensbeginsel en het </para>
      <para>zorgvuldigheidsbeginsel. </para>
      <para>Strijdigheid met het vertrouwensbeginsel is tevens aanwezig op formele </para>
      <para>gronden, gelet op de termijn die de minister in acht heeft genomen voor zijn </para>
      <para>besluit, bijna twee jaar in plaats van de in de regeling zelf opgenomen termijn </para>
      <para>van 8 maanden. "</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	In geschil is of verweerders weigering het premiebedrag vast te stellen, steun vindt in de </para>
      <para>Premieregeling.</para>
      <para>Appellante heeft daartoe op de eerste plaats aangevoerd dat de Premieregeling niet </para>
      <para>voorschrijft dat nieuwe arbeidsplaatsen tot stand worden gebracht. Verweerder meent </para>
      <para>daarentegen dat de term "het cre‰ren van nieuwe arbeidsplaatsen" het scheppen van voor </para>
      <para>de gemeente Lelystad nieuwe arbeidsplaatsen betekent. Dienaangaande overweegt het </para>
      <para>College als volgt.</para>
      <para>Artikel 2 van de Premieregeling dient naar zijn tekst, gezien het woord "cre‰ren", aldus te </para>
      <para>worden uitgelegd dat premie wordt verleend ter zake van nieuwe arbeidsplaatsen die met </para>
      <para>het project tot stand worden gebracht. Zodanige uitleg is ook in overeenstemming met het </para>
      <para>met de Premieregeling beoogde doel, te weten de stimulering van de sociaal-economische </para>
      <para>ontwikkeling van Lelystad.</para>
      <para>Blijkens het bestreden besluit begrijpt verweerder bovendien in het kader van deze </para>
      <para>stimulering niet onder zodanige nieuwe arbeidsplaatsen, de arbeidsplaatsen die in fysieke </para>
      <para>zin tot stand zijn gebracht met de investeringen in grond, een nieuw bedrijfsgebouw en </para>
      <para>nieuwe bedrijfsuitrusting, en die vervolgens worden bezet door werknemers van een </para>
      <para>overgenomen bedrijf dat eveneens in Lelystad was gevestigd. Naar het oordeel van het </para>
      <para>College is deze uitleg verenigbaar met doel en strekking van de Premieregeling. </para>
      <para>5.2.1	Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 13, vijfde lid, van de </para>
      <para>Premieregeling, en met name op onderdeel c, dat ziet op het geval dat de ondernemer </para>
      <para>zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, dat verweerder op de aanvraag </para>
      <para>een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens bekend waren </para>
      <para>gemaakt. Verweerder acht weliswaar aannemelijk dat appellante tegenover onder meer een </para>
      <para>ambtenaar van verweerders ministerie de bedoelde activa- en passivatransactie heeft </para>
      <para>uiteengezet, maar stelt dat het contract inzake de bedrijfsovername hem eerst nadien </para>
      <para>bekend is geworden.</para>
      <para>Het College overweegt dienaangaande dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt en dat </para>
      <para>ook overigens niet duidelijk is kunnen worden welke ter zake relevante informatie hij uit </para>
      <para>dit contract heeft verkregen, waarover hij niet reeds ten tijde van zijn premietoezegging </para>
      <para>van 18 mei 1993 beschikte na de uiteenzetting die hij had gekregen over de overgang van </para>
      <para>(de) activa en passiva van de in moeilijkheden geraakte vennootschap AMBI. Met name </para>
      <para>heeft verweerder niet aangegeven waarom deze overgang door hem niet is begrepen als </para>
      <para>overgang van de onderneming van AMBI of een deel van deze onderneming in de zin van </para>
      <para>het toenmalige artikel 1639 aa, eerste lid onder b, van het Vierde Boek van het Burgerlijk </para>
      <para>Wetboek, waardoor de rechten en verplichtingen uit arbeidsovereenkomst jegens de bij </para>
      <para>AMBI werkzame werknemers zijn overgegaan op appellante ingevolge het toenmalige </para>
      <para>artikel 1639 bb van dit wetboek.</para>
      <para>Evenmin valt derhalve in te zien waarom verweerder op de aanvraag om premie een andere </para>
      <para>beslissing zou hebben genomen dan hij bij zijn besluit van 18 mei 1993 heeft gedaan, </para>
      <para>indien hem bij bedoelde uiteenzetting over de overgang van activa en passiva van AMBI </para>
      <para>het contract dat aan deze overgang ten grondslag ligt, zou zijn overgelegd.</para>
      <para>Derhalve heeft verweerder voor het bestreden besluit tevergeefs een grondslag gezocht in </para>
      <para>artikel 13, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Premieregeling. </para>
      <para>5.2.2	Verweerder heeft het bestreden besluit voorts doen steunen op artikel 13, vijfde lid, aanhef </para>
      <para>en onder a, van de Premieregeling. Dienaangaande overweegt het College dat uit hetgeen </para>
      <para>verweerder heeft gesteld en overigens is gebleken, niet valt af te leiden dat appellante niet </para>
      <para>heeft voldaan aan de bij of krachtens artikel 11 gestelde voorwaarden. </para>
      <para>Immers, tussen partijen is niet in geschil dat appellante binnen de termijn, bepaald in </para>
      <para>genoemd artikelonderdeel, de betrokken grond, bedrijfsgebouwen en duurzame </para>
      <para>bedrijfsmiddelen heeft verworven en in gebruik gesteld, waarmee in fysieke zin tenminste </para>
      <para>tien arbeidsplaatsen zijn tot stand gebracht. Niet gebleken is dat deze verwerving en </para>
      <para>ingebruikstelling niet is geschied overeenkomstig hetgeen bij de aanvraag is opgegeven en </para>
      <para>nadien tegenover verweerder is uiteengezet over bedoelde activa- en passivatransactie met </para>
      <para>AMBI. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft niet gesteld, dat aan ‚‚n der andere bij of krachtens artikel 11 gestelde en </para>
      <para>toepasselijke voorwaarden niet door appellante is voldaan.</para>
      <para>Verweerder heeft derhalve ook onderdeel a van artikel 13, vijfde lid van de Premieregeling </para>
      <para>niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. </para>
      <para>5.2.3	Verweerder heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van het College in de zaak no. </para>
      <para>95/0399/062/230, F, voorts betoogd dat de veronderstelling waarvan bij zijn </para>
      <para>premietoezegging uitdrukkelijk is uitgegaan, namelijk dat het project van appellante was </para>
      <para>gericht op nieuwe arbeidsplaatsen, thans geen punt van geschil kan zijn. </para>
      <para>Dienaangaande stelt het College voorop dat in beide zaken bij de besluitvorming over de </para>
      <para>vaststelling van de premie, het besluit tot toezegging daarvan een gegeven is. De afwijzing </para>
      <para>van een verzoek om vaststelling van de premie dient evenwel gedragen te kunnen worden </para>
      <para>door de daartoe door verweerder aan artikel 13 ontleende gronden.</para>
      <para>In de zaak F had verweerder bij zijn premietoezegging uitdrukkelijk overwogen dat hij uit </para>
      <para>de stukken en de mondelinge toelichting, verstrekt door aanvrager, heeft opgemaakt dat </para>
      <para>alleen materi‰le activa van de voormalige, in Lelystad gevestigde eenmanszaak F waren </para>
      <para>overgenomen. Voorts had verweerder bij zijn premietoezegging het voorbehoud gemaakt </para>
      <para>de premie op nihil te zullen vaststellen, indien mocht blijken dat de aanvrager naast </para>
      <para>voornoemde activatransactie op enigerlei wijze in de rechten en verplichtingen van de </para>
      <para>voormalige eenmanszaak is getreden. </para>
      <para>Anders dan in genoemde zaak is in de onderhavige zaak tijdens de aanvraagprocedure </para>
      <para>informatie verstrekt over een transactie van appellante met een andere ondernemer, die niet </para>
      <para>alleen materi‰le activa maar ook rechten en verplichtingen van die ondernemer betrof. In </para>
      <para>deze informatie heeft verweerder geen aanleiding gezien tot een voorbehoud als hij eerder </para>
      <para>in zijn toezegging aan F had gemaakt, maar verweerder heeft volstaan met een voorbehoud </para>
      <para>voor het geval mocht blijken "dat minder dan tien arbeidsplaatsen zijn gecre‰erd". Uit de </para>
      <para>tekst van dit voorbehoud, dat gelijkluidende is aan die van artikel 10, eerste lid, aanhef en </para>
      <para>onder a, van de Premieregeling, volgt niet zonder meer en ondubbelzinnig dat appellante </para>
      <para>de door haar beoogde premie alsnog zou mislopen in geval zij de arbeidsplaatsen die zij in </para>
      <para>fysieke zin realiseerde, zou doen bezetten door werknemers die zij ingevolge bedoelde </para>
      <para>activa- en passivatransactie gehouden was over te nemen. </para>
      <para>Ook in hetgeen verweerder overigens heeft aangevoerd, heeft het College geen grondslag </para>
      <para>gevonden voor verweerders stelling dat geen enkele twijfel kon bestaan over zodanige </para>
      <para>nadelige gevolgen.</para>
      <para>5.2.4	De slotsom is dat het bestreden besluit voor zover hierbij het verzoek om vaststelling van </para>
      <para>de premie is afgewezen, niet berust op een deugdelijke motivering, in strijd met artikel </para>
      <para>7:12 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen en derhalve niet in stand kan blijven.</para>
      <para>5.3	Reeds daarom ontbeert ook het bestreden besluit voor zover hierbij is beslist op het </para>
      <para>bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen terugbetaling van het haar verleende voorschot, </para>
      <para>een deugdelijke grondslag. </para>
      <para>Ten overvloede overweegt het College voorts dat een besluit tot terugvordering als regel is </para>
      <para>te baseren op onder meer onderzoek naar de financi‰le situatie van betrokkene, weging van </para>
      <para>zijn kredietwaardigheid op korte termijn en wenselijkheid en  aanvaardbaarheid van een </para>
      <para>afbetalingsregeling. </para>
      <para>5.4	De slotsom is dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. </para>
      <para>Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum </para>
      <para>van deze uitspraak vermeld. Verweerder is te veroordelen in de kosten van appellante in </para>
      <para>verband met de behandeling van het beroep, die op de voet van het Besluit proceskosten </para>
      <para>bestuursrecht bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand </para>
      <para>(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>Het College:</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit van 3 juli 1998;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met in acht nemen van deze uitspraak;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op Ÿ 1.420,-- (zegge: eenduizend-vierhonderd-en-twintig gulden) en te </para>
      <para>vergoeden aan appellante door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>-	bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van Ÿ 420,-- (zegge: vierhonderd-en-twintig gulden) wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>-	wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.J. Kuiper en mr M. Vlasblom, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. H.C. Cusell 						w.g. A.J. Medze</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>