<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1027</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T00:00:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1027</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/229</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1027">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1027</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1027 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 31-03-2001 / AWB 01/229</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1027:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1027:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/229						31 maart 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde: mr E. Couwenberg, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Voorburg, verweerder, </para>
      <para>gemachtigden: mr G.J.H. Houtzagers en mr E.J. Daalder, advocaten te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 29 maart 2001 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat alle </para>
      <para>evenhoevige dan wel voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren op het bedrijf van </para>
      <para>verzoekster met ingang van 29 maart 2001 als verdacht van mond- en klauwzeer worden </para>
      <para>aangemerkt, alsmede dat ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter </para>
      <para>voorkoming van verspreiding ervan het noodzakelijk is dat alle evenhoevige dieren op het </para>
      <para>bedrijf van verzoekster worden gedood en dat deze dieren, in afwachting daarvan, worden </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer, over het precieze tijdstip verzoekster nader zal </para>
      <para>worden ge‹nformeerd.</para>
      <para>Tegen deze beslissing heeft verzoekster bij brief van 30 maart 2001 een bezwaarschrift bij </para>
      <para>verweerder ingediend.</para>
      <para>Op 30 maart 2001 heeft verzoekster zich eveneens tot de president van het College gewend </para>
      <para>met het verzoek, bij wege van een voorlopige voorziening, dit besluit van verweerder te </para>
      <para>schorsen, dan wel een passende voorlopige voorziening te treffen om onevenredig nadeel te </para>
      <para>voorkomen. </para>
      <para>De president heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 31 </para>
      <para>maart 2001, waar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader </para>
      <para>hebben toegelicht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>De considerans, alsmede de artikelen 2, 4,5 en 13 van de Richtlijn 85/511/EEG van </para>
      <para>18 november 1985 van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van </para>
      <para>gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer, zoals nadien </para>
      <para>enkele malen gewijzigd (Pb EG L315, hierna: de Richtlijn) luiden, voor zover hier van </para>
      <para>belang, als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para> Overwegende dat, zodat de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk </para>
      <para>doeltreffend te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is </para>
      <para>gekregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 2</para>
      <para> (.)</para>
      <para> Voorts wordt verstaan onder:</para>
      <para> a) (.)</para>
      <para> b) (.)</para>
      <para> c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop:</para>
      <para> - klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op  </para>
      <para> mond- en klauwzeer kunnen duiden, of</para>
      <para> - de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na  </para>
      <para> laboratoriumonderzoek;</para>
      <para> d. van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die </para>
      <para> klinische symptomen of na het slachten letsels vertonen, zodat met recht de </para>
      <para> aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed:</para>
      <para> e. van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die - </para>
      <para> volgens de ingewonnen epizo”tiologische inlichtingen - rechtstreeks of </para>
      <para> onrechtstreeks in contact kunnen zijn geweest met het mond- en </para>
      <para> klauwzeervirus.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 4</para>
      <para>1. De Lidstaten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer </para>
      <para>van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel </para>
      <para>onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig </para>
      <para>is, en in het bijzonder dat de offici‰le dierenarts de passende monsters </para>
      <para>neemt of laat nemen voor laboratoriumonderzoek.</para>
      <para>Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij </para>
      <para>het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:</para>
      <para>- alle dieren van alle categorie‰n voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf </para>
      <para>te tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds </para>
      <para>gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren </para>
      <para>in aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren </para>
      <para>en gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden </para>
      <para>overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,</para>
      <para>- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder </para>
      <para>te brengen op andere plaatsen waar zij ge‹soleerd kunnen worden,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. De bevoegde autoriteit kan de in lid 1 bedoelde maatregelen uitbreiden </para>
      <para>tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven wanneer in verband met de </para>
      <para>ligging hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van </para>
      <para>het bedrijf die van de ziekte worden verdacht, voor een eventuele </para>
      <para>besmetting moet worden gevreesd.</para>
      <para>3. De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden pas opgeheven </para>
      <para>wanneer officieel is vastgesteld dat het vermoeden van mond- en klauwzeer </para>
      <para>niet langer bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 5</para>
      <para>Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven </para>
      <para>in artikel 2, onder c, bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde </para>
      <para>autoriteit de volgende maatregelen neemt:</para>
      <para>1. De offici‰le dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen </para>
      <para>met het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde </para>
      <para>laboratorium, wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn </para>
      <para>verricht tijdens de periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, </para>
      <para>eerste alinea;</para>
      <para>2. Naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de </para>
      <para>volgende maatregelen getroffen:</para>
      <para>- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel </para>
      <para>toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor </para>
      <para>verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht </para>
      <para>vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het </para>
      <para>mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>3. De onder 1 bedoelde bepalingen kunnen buiten werking worden gesteld </para>
      <para>wanneer een secundaire besmettingshaard optreedt die epidemiologisch is </para>
      <para>verbonden met een primaire besmettingshaard waarvoor reeds monsters zijn </para>
      <para>genomen;</para>
      <para>4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot </para>
      <para>de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging </para>
      <para>hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf </para>
      <para>waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden </para>
      <para>gevreesd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 13</para>
      <para>	1. De Lid-Staten zien erop toe dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van </para>
      <para>mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te </para>
      <para>voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, </para>
      <para>wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte </para>
      <para>zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen </para>
      <para>maatregelen hebben met name betrekking op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- de omvang van het geografisch gebied waar de noodvaccinatie moet   </para>
      <para>worden uitgevoerd,</para>
      <para>- soort en leeftijd van de te vaccineren dieren</para>
      <para>- de duur van de vaccinatiecampagne</para>
      <para>- een specifiek verbod op verplaatsing voor gevaccineerde dieren en de   </para>
      <para>producten daarvan</para>
      <para>- het specifieke merken en registreren van de gevaccineerde dieren</para>
      <para>- andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de </para>
      <para>Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16. Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening </para>
      <para>gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de </para>
      <para>noodzaak speciale rassen te beschermen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond </para>
      <para>de ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken </para>
      <para>Lid-Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen </para>
      <para>van de Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt </para>
      <para>onmiddellijk ge‰valueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comit‚ </para>
      <para>volgens de procedure van artikel 16."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een ingevolge deze Richtlijn vastgestelde beschikking van de Europese Commissie </para>
      <para>(hierna: de Commissie) van 27 maart 2001 (hierna: de beschikking) luidt, voor zover hier </para>
      <para>van belang:</para>
      <para>"	Overwegende hetgeen volgt:</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	6. Het op grote schaal doden van dieren of besmette of verontreinigde </para>
      <para>bedrijven kan er al snel toe leiden dat de capaciteit voor het veilig vernietigen </para>
      <para>van karkassen is opgebruikt waardoor onvermijdelijk vertraging ontstaat bij het </para>
      <para>preventief doden, wat dan weer kan leiden tot verdere verspreiding van het </para>
      <para>virus.</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	9. Toepassing van vaccinatie zal onvermijdelijk de status ten aanzien van     </para>
      <para>mond- en klauwzeer in het internationale handelsverkeer in het gedrang     </para>
      <para>brengen, niet alleen voor de lidstaat of het deel van het grondgebied van de </para>
      <para>lidstaat waar vaccinatie wordt uitgevoerd.</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	Artikel 1</para>
      <para>Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten </para>
      <para>op ge‹dentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, </para>
      <para>die uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding </para>
      <para>als omschreven in punt 1. </para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	Artikel 2</para>
      <para>1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEC, en met name de artikelen 4,5 en 9, </para>
      <para>mag Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder de </para>
      <para>in de bijlage vastgestelde voorwaarden.</para>
      <para>	(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de in dit artikel genoemde bijlage is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de bestrijding en </para>
      <para>uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel 13, lid 3 van Richtlijn </para>
      <para>85/511/EEG</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Omvang van het geografische gebied waar suppressievaccinatie wordt </para>
      <para>toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vaccinatiegebied omvat een gebied met een straal van maximaal</para>
      <para>2 km rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van </para>
      <para>Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen worden </para>
      <para>toegepast. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vaccinatiegebied moet gelegen zijn in het in bijlage I bij </para>
      <para>Beschikking 2001/223/EG van de Commissie, zoals laatstelijk </para>
      <para>gewijzigd, vastgestelde deel van het grondgebied van Nederland.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Andere in verband met de suppressievaccinatie vereiste maatregelen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.1. Aanpassing van de overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 85/511/EEG </para>
      <para>vastgestelde gebieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een beschermingsgebied van ten minste 2 km en een toezichtsgebied </para>
      <para>van en minste 10 km rond het in punt 1 bedoelde vaccinatiegebied.</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de wet), is het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 15</para>
      <para>1. (..)</para>
      <para>4. Bij algemene maatregel van bestuur wort bepaald wanneer dieren als </para>
      <para>  verdachte dieren moeten worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 17</para>
      <para>1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde  </para>
      <para>gedeelten daarvan bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte  </para>
      <para>kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze  </para>
      <para>voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of  </para>
      <para>aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter   </para>
      <para>voorkoming van overbrenging van besmetting.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21</para>
      <para>1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo </para>
      <para>nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich </para>
      <para>heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of </para>
      <para>ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke </para>
      <para>maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.</para>
      <para>2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze </para>
      <para>maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester dan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 22</para>
      <para>1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>f. het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>(.)</para>
      <para>j. het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 24</para>
      <para>Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar stelt het tijdstip vast waarop de </para>
      <para>verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte </para>
      <para>alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt en stelt daarbij tevens vast </para>
      <para>welke op het bedrijf aanwezige dieren op het tijdstip waarop de verdenking is </para>
      <para>ontstaan reeds ziek waren en welke dieren op dat tijdstip van de ziekte verdacht </para>
      <para>waren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 31</para>
      <para>Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het </para>
      <para>oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan </para>
      <para>hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen </para>
      <para>onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij </para>
      <para>zodanige regeling, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de </para>
      <para>Bekendmakingswet, op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 109</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende  </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 111</para>
      <para>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van   </para>
      <para>krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische  </para>
      <para>Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze  </para>
      <para>wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken </para>
      <para>van bepalingen van deze wet." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het Besluit verdachte dieren (Stb. 1994, 731) (hierna: het besluit) is onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de </para>
      <para>gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de </para>
      <para>desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 van 21 maart 2001 (hierna: de </para>
      <para>Regeling), is onder meer bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 1</para>
      <para>Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de </para>
      <para>artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren   </para>
      <para>aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door </para>
      <para>de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen </para>
      <para>zone rond de ziektehaard overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Regeling toezichtsgebied Oene, Olst en Oosterwolde mond en klauwzeer 2001 van </para>
      <para>21 maart 2001 (hierna: de Regeling toezichtsgebied) is ondermeer het toezichtsgebied </para>
      <para>Oosterwolde vastgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden. </para>
      <para>- Verzoekster exploiteert, in maatschapsverband, een bedrijf aan C te B. Onder </para>
      <para>hetzelfde kadastrale UBN nummer als het onderhavige bedrijf van verzoekster, wordt </para>
      <para>een ander bedrijf, gelegen aan D te B, door verzoekster en/of beide maten van </para>
      <para>verzoekster en/of hun zoon ge‰xploiteerd. </para>
      <para>- Op 29 maart 2001 is in de omgeving van het bedrijf aan de C van verzoekster, bij een </para>
      <para>bedrijf te E (hierna: het primaire bedrijf), een geval van de besmettelijke dierziekte </para>
      <para>mond- en klauwzeer vastgesteld. </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en </para>
      <para>het standpunt van verweerder </para>
      <para>Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan houdt </para>
      <para>onder meer het volgende in.</para>
      <para>"	Hierbij deel ik u, overeenkomstig artikel 24 van de Gezondheids-   en </para>
      <para>welzijnswet voor dieren (GWWD), mede dat alle evenhoevige danwel voor </para>
      <para>mond- en klauwzeer gevoelige dieren op uw bedrijf op grond van artikel 2, </para>
      <para>onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Stb. 1994, 731) met ingang van </para>
      <para>heden als verdacht van mond- en klauwzeer worden aangemerkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De reden van verdenking is dat in de omgeving van uw bedrijf, te weten in E </para>
      <para>op 29 maart 2001 een geval van mond- en klauwzeer is vastgesteld. Daardoor </para>
      <para>kan niet uitgesloten worden dat de dieren op uw bedrijf in de gelegenheid zijn </para>
      <para>geweest om te worden besmet met mond- en klauwzeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts deel ik u mede, dat ik overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de </para>
      <para>GWWD spoedheidshalve de volgende maatregelen neem:</para>
      <para>1. Ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van </para>
      <para>verspreiding ervan is het noodzakelijk dat alle evenhoevige dieren op uw </para>
      <para>bedrijf, overeenkomst artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de GWWD, </para>
      <para>worden gedood. Over het precieze tijdstip van het doden van de dieren zult u </para>
      <para>nog nader ge‹nformeerd worden.</para>
      <para>In afwachting van het doden van de op uw bedrijf aanwezige evenhoevige </para>
      <para>dieren zullen zij overeenkomstig artikel 17, eerste l lid, van de GWWD worden </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer. Het vaccineren geschiedt namens de </para>
      <para>Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees. De gevaccineerde dieren </para>
      <para>worden terstond na de vaccinatie voorzien van een daartoe door de directeur </para>
      <para>van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees aangewezen </para>
      <para>identificatiemerk. Over het precieze tijdstip waarop uw dieren gevaccineerd </para>
      <para>zullen worden zult u nog ander ge‹nformeerd worden." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.</para>
      <para>Op 18 maart 2001 zijn 47 bloedmonsters genomen voor het uitvoeren van tests op het </para>
      <para>mond- en klauwzeervirus bij dieren op een bedrijf te E. Op grond van de definitieve uitslag </para>
      <para>van die tests van 29 maart 2001 is het mond- en klauwzeervirus bij bedoeld bedrijf </para>
      <para>vastgesteld. Het bedrijf van verzoekster aan C is gedeeltelijk gelegen binnen een straal van </para>
      <para>2 kilometer binnen deze ziektehaard. </para>
      <para>Ter onderbouwing van deze stelling heeft verweerder ter zitting 4 topografische kaarten </para>
      <para>overgelegd waarop de locatie van het primaire bedrijf is aangewezen, alsmede het </para>
      <para>aansluitende gebied binnen een straal van 2 kilometer rond het primaire bedrijf.</para>
      <para>Op grond van het vigerende beleid, worden de evenhoevige dieren op bedrijven binnen een </para>
      <para>cirkel van 2 kilometer rond de ziektehaard gevaccineerd en vervolgens gedood. Het beleid </para>
      <para>van verweerder is redelijk te achten. Het betreft weliswaar een rigoureuze maatregel, maar </para>
      <para>deze is als rechtmatig aan te merken. Verweerder is bevoegd tot het nemen van de </para>
      <para>onderhavige beslissing. </para>
      <para>Het bedrijf aan de C van verzoekster is weliswaar gedeeltelijk buiten voornoemde 2 </para>
      <para>kilometerzone gelegen, doch gedeeltelijk ook binnen deze 2 kilometerzone, zodat gelet </para>
      <para>daarop, op grond van voornoemd beleid de dieren op dit bedrijf van verzoekster worden </para>
      <para>gevaccineerd en vervolgens worden gedood. </para>
      <para>De dieren op het bedrijf gelegen aan D te B en gesitueerd buiten de </para>
      <para>2 kilometerzone, worden thans niet gevaccineerd of geruimd.</para>
      <para>Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige </para>
      <para>voorziening.</para>
      <para>4.	Het standpunt van verzoekster</para>
      <para>Verzoekster heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Ten onrechte heeft verweerder tot de onderhavige maatregelen besloten. In een laat </para>
      <para>stadium, eerst bij de mondelinge behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, </para>
      <para>is door verweerder aangevoerd dat noodvaccinaties worden uitgevoerd bij de dieren op het </para>
      <para>bedrijf van verzoekster en deze dieren vervolgens worden gedood om reden dat het bedrijf </para>
      <para>van verzoekster is gelegen binnen een straal van 2 kilometer rond het primaire bedrijf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de aard van deze beslissing en de verregaande consequenties daarvan voor </para>
      <para>verzoekster, had het op de weg van verweerder gelegen om de beslissing van voornoemde </para>
      <para>motivering te voorzien. Nu dit niet is geschied, is het onderhavige besluit onvoldoende </para>
      <para>gemotiveerd. </para>
      <para>Het onderhavige besluit is voorts ten onrechte genomen, aangezien het bedrijf (waaronder </para>
      <para>de stal en het vee) van verzoekster slechts voor een klein gedeelte binnen en grotendeels </para>
      <para>buiten de 2 kilometerzone vanaf het primaire bedrijf is gelegen. </para>
      <para>Bovendien zijn de dieren op dit bedrijf van verzoekster niet besmet. Voorts heeft de </para>
      <para>buurman van verzoekster die een bedrijf op korte afstand van het bedrijf van verzoekster </para>
      <para>exploiteert, welk bedrijf is gelegen buiten de 2 kilometerzone, geen mededeling van </para>
      <para>verweerder ontvangen dat op zijn bedrijf noodvaccinaties worden uitgevoerd en zijn bedrijf </para>
      <para>vervolgens wordt geruimd. </para>
      <para>Onder hetzelfde kadastrale UBN nummer als het onderhavige bedrijf van verzoekster, </para>
      <para>wordt nog een ander bedrijf, gelegen aan D te B, ge‰xploiteerd. Dit bedrijf is gelegen </para>
      <para>buiten voornoemde cirkel van 2 kilometer.</para>
      <para>Met betrekking tot de spoedeisendheid van de door hen verzochte voorlopige voorziening, </para>
      <para>heeft verzoekster erop gewezen dat verweerder voornemens is op korte termijn op dit </para>
      <para>bedrijf van verzoekster noodvaccinaties uit te voeren. Gelet daarop heeft zij een </para>
      <para>spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto </para>
      <para>artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de </para>
      <para>beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, </para>
      <para>de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>Hieromtrent overweegt de president als volgt. </para>
      <para>Verzoekster heeft aangevoerd dat haar dieren niet zijn besmet zodat gelet daarop de </para>
      <para>beslissing ten onrechte is genomen. De president overweegt te dier zake dat partijen niet </para>
      <para>van mening verschillen dat de dieren op het primaire bedrijf in de zin van de Richtlijn als </para>
      <para>besmet dienen te worden aangemerkt, hetgeen ook uit de overgelegde stukken blijkt. Zulks </para>
      <para>brengt met zich dat de onderhavige dieren terecht in de zin van artikel 15, vierde lid, van de </para>
      <para>wet en het besluit door verweerder als verdachte dieren zijn aangemerkt. De president </para>
      <para>overweegt hierbij dat de aanwijzing van de dieren op het bedrijf van verzoekster als </para>
      <para>"verdachte dieren" vooralsnog voldoende lijkt te zijn onderbouwd. </para>
      <para>Zoals de president al eerder heeft overwogen, moet in aanmerking worden genomen dat het </para>
      <para>begrip "verdacht" een ruime betekenis toekomt. Volgens artikel 15, vierde lid, van de Wet </para>
      <para>wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wanneer dieren als verdachte dieren </para>
      <para>moeten worden aangemerkt. Dit is gebeurd bij het besluit. Ingevolge het bepaalde in </para>
      <para>artikel 2, onder c, luidt het criterium dat de ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat </para>
      <para>de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet. Het is niet de taak van de </para>
      <para>rechter om zelf daaromtrent een oordeel te geven. Hij toetst of het betrokken gezag niet in </para>
      <para>redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Niet is gebleken dat verweerder, gelet op </para>
      <para>het onderstaande, niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. </para>
      <para>Partijen verschillen niet van mening dat verweerder de bevoegdheid heeft om binnen een </para>
      <para>straal van 2 kilometer rond het primaire bedrijf over te gaan tot het uitvoeren van aan </para>
      <para>doding voorafgaande noodvaccinaties en vervolgens doding van de dieren. Ter zake van </para>
      <para>voornoemde bevoegdheid overweegt de president dat ingevolge artikel 21 van de wet de </para>
      <para>aangewezen ambtenaar in spoedeisende gevallen kan overgaan tot het nemen van </para>
      <para>maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte, zoals mond- en klauwzeer. </para>
      <para>Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, kunnen die maatregelen zijn het doden </para>
      <para>van zieke en verdachte dieren. De president is voorshands van oordeel dat verweerder gelet </para>
      <para>op het bepaalde in de artikelen 13, derde lid van de Richtlijn, juncto artikel 17, eerste lid </para>
      <para>van de wet, juncto artikel 1 van de Regeling de bevoegdheid heeft om de dieren op het </para>
      <para>bedrijf bij verzoekster in een door verweerder te bepalen zone rond de ziektehaard in E </para>
      <para>overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen te vaccineren tegen mond- en </para>
      <para>klauwzeer alvorens tot doding over te gaan. </para>
      <para>In dit verband overweegt de president dat artikel 13, derde lid, laatste alinea van de </para>
      <para>Richtlijn de mogelijkheid aan de betrokken Lid-Staat biedt te besluiten tot noodinenting </para>
      <para>over te gaan, zulks rond de ziektehaard, na kennisgeving aan de Commissie en mits de </para>
      <para>wezenlijke belangen van de Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Verweerder </para>
      <para>heeft conform het bepaalde in dit artikel aan de Commissie kennis gegeven van zijn besluit </para>
      <para>om tot noodinenting over te gaan. Gesteld noch gebleken is dat de wezenlijke belangen van </para>
      <para>de Gemeenschap in gevaar worden gebracht. </para>
      <para>In het onderhavige geschil is aan de orde de vraag of verweerder op juiste gronden gebruik </para>
      <para>heeft gemaakt van voornoemde bevoegdheid en heeft mogen beslissen dat het bedrijf van </para>
      <para>verzoekster is gelegen binnen de 2 kilometerzone, om noodvaccinaties uit te voeren en </para>
      <para>vervolgens de dieren te doden.</para>
      <para>Dienaangaande overweegt de president dat hem slechts een marginale toetsing toekomt. De </para>
      <para>president toetst met name of het betrokken gezag op feitelijk juiste grondslag tot zijn </para>
      <para>oordeel is gekomen en voorts of gezegd moet worden dat het betrokken gezag niet in </para>
      <para>redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen. </para>
      <para>Voor het oordeel dat de beslissing van verweerder, inhoudende dat het bedrijf van </para>
      <para>verzoekster moet worden behandeld als een bedrijf dat gelegen is binnen de </para>
      <para>2 kilometerzone, zodat overgegaan wordt tot aan doding voorafgaande vaccinatie en tot </para>
      <para>doding van dieren, onmiskenbaar onrechtmatig is, zodat de voorgenomen maatregelen </para>
      <para>moeten worden geschorst, ziet de president voorshands geen plaats. Hij overweegt hier-</para>
      <para>omtrent dat het uiteraard niet zo kan zijn dat in een geval het onderhavige slechts ge‰nt </para>
      <para>en/of gedood wordt op het binnen de zone gelegen gedeelte. Er van uitgegaan moet immers </para>
      <para>worden dat in zo'n geval de contacten tussen mens en dier en dieren onderling zodanig zijn </para>
      <para>dat het risico van besmetting op het bedrijf voor alle voor mond- en klauwzeer gevoelige </para>
      <para>dieren gelijk is, zodat met betrekking tot deze dieren dezelfde maatregelen aangewezen </para>
      <para>zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft, nu blijkens de overgelegde kaarten een niet als zeer gering aan te </para>
      <para>merken gedeelte van de bedrijfsgebouwen aan C van verzoekster binnen de 2 </para>
      <para>kilometerzone ligt, in redelijkheid tot de slotsom kunnen komen dat dit met zich brengt dat </para>
      <para>dit gehele bedrijf als zodanig moet worden behandeld. Dat de buurman net buiten de zone </para>
      <para>ligt maakt vorenvermelde niet anders. </para>
      <para>De president overweegt voorts dat de aard van de maatregel onmiskenbaar uiterst rigoureus </para>
      <para>is, maar naar het oordeel van de president niet onredelijk. Bij dit oordeel wordt betrokken </para>
      <para>het mogelijk epidemisch karakter van de ziekte. Van belang daarbij is de uit onder rubriek </para>
      <para>2.2 weergegeven gebleken veterinaire aspecten van de zaak en met name de aard van de </para>
      <para>besmetting en daarmee samenhangende nauwelijks te overziene risico's van verspreiding, </para>
      <para>de door verweerder te beoordelen noodzaak tot uitbreiding van zones wanneer het virus om </para>
      <para>zich grijpt, het capaciteitstekort bij het (preventief) ruimen waardoor vertraging ontstaat bij </para>
      <para>het preventief doden en de noodzakelijkheid van een extra hulpmiddel bij de bestrijding </para>
      <para>van het virus.</para>
      <para>Verweerder heeft bij afweging van de in aanmerking komende belangen waaronder deze </para>
      <para>belangen en de belangen van verzoekster in redelijkheid tot de slotsom kunnen komen dat </para>
      <para>het bedrijf van verzoekster behandeld diende te worden als ware het geheel gelegen binnen </para>
      <para>de 2 kilometerzone en dat gelet daarop de inzet van de nadere maatregel tot vaccineren en </para>
      <para>de maatregel tot doding noodzakelijk was. </para>
      <para>Zoals al gezegd, komt de president alleen een marginale toetsing toe. Die toetsing kan niet </para>
      <para>- bij de huidige stand van zaken met betrekking tot de mond- en klauwzeer epidemie - tot </para>
      <para>het oordeel leiden dat de beslissing van verweerder zozeer kennelijk onredelijk is dat een </para>
      <para>schorsing van de besluiten in de rede ligt. </para>
      <para>Het voorgaande brengt de president tot het oordeel dat de beslissingen van verweerder niet </para>
      <para>zozeer kennelijk onredelijk zijn dat een onmiddellijk ingrijpen van de president </para>
      <para>noodzakelijk is, zodat het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president ziet geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van artikel </para>
      <para>8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. I.K. Rapmund</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>