<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T10:26:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1026</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/228</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006829&amp;artikel=2&amp;g=2001-03-30">Besluit verdachte dieren 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=17&amp;g=2001-03-30">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=21&amp;g=2001-03-30">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22&amp;g=2001-03-30">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=31&amp;g=2001-03-30">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 31</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=107&amp;g=2001-03-30">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 107</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1026">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1026 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-03-2001 / AWB 01/228</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1026:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1026:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/228						30 maart 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, verzoeker,</para>
      <para>gemachtigden: mr J.P.J. Botterblom en mr J.W. van der Linde, te Barneveld, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Voorburg, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr G. de Goede, mr J.C.M. Oudshoorn en mr L.P. de Wit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 29 maart 2001 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat alle </para>
      <para>evenhoevige dan wel voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren op diens bedrijf als </para>
      <para>verdacht van mond- en klauwzeer worden aangemerkt. Ter bestrijding van het mond- en </para>
      <para>klauwzeervirus en ter voorkoming van verspreiding ervan zullen alle evenhoevige dieren </para>
      <para>op het bedrijf van verzoeker worden gedood. In afwachting hiervan zullen deze dieren </para>
      <para>worden gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer, over het precieze tijdstip waarvan </para>
      <para>verzoeker nog zal worden geïnformeerd.</para>
      <para>Bij faxbericht van 30 maart 2001 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen verweerders </para>
      <para>besluit van 29 maart 2001. </para>
      <para>Bij faxbericht van 30 maart 2001 heeft verzoeker zich tot de president van het College </para>
      <para>gewend met het verzoek, verweerders besluit van 29 maart 2001 bij wege van voorlopige </para>
      <para>voorziening te schorsen.</para>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 30 maart 2001, alwaar partijen hun </para>
      <para>standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Als toehoorder waren </para>
      <para>ter zitting aanwezig een kantoorgenoot van de gemachtigden van appellant, een aantal </para>
      <para>collega's van appellant, een aantal veterinair deskundigen van de zijde van verweerder en </para>
      <para>een aantal andere personen van de zijde van verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	In de considerans van Richtlijn 85/511/EEG van 18 november 1985 wordt onder meer het </para>
      <para>volgende overwogen:</para>
      <para>" Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend </para>
      <para>te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de considerans van Richtlijn 90/423/EEG van 26 juni 1990, waarbij - voor zover hier </para>
      <para>van belang Richtlijn 85/511/EEG is gewijzigd, wordt onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Overwegende dat uit een door de Commissie uitgevoerde studie inzake de </para>
      <para>bestrijding van mond- en klauwzeer is gebleken dat een niet-vaccinatiebeleid </para>
      <para>voor de Gemeenschap als geheel de voorkeur verdient boven een </para>
      <para>vaccinatiebeleid (.)</para>
      <para>Overwegende dat uit de studie van de Commissie over het toekomstige </para>
      <para>communautaire beleid inzake vaccinatie duidelijk is gebleken dat vanaf een </para>
      <para>bepaalde datum de vaccinatie tegen deze ziekte officieel moet worden </para>
      <para>stopgezet en dat die stopzetting vergezeld moet gaan van een beleid waarbij </para>
      <para>besmette dieren systematisch worden afgemaakt en afgevoerd voor destructie </para>
      <para>(.)</para>
      <para>Overwegende dat het in extreme situaties waarin de epizo”tie zich op grote </para>
      <para>schaal dreigt te verspreiden, noodzakelijk kan zijn noodvaccinaties uit te </para>
      <para>voeren (.)" </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Richtlijn 85/511/EEG, zoals gewijzigd, bevat onder meer de volgende bepalingen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Artikel 1</para>
      <para>	In deze richtlijn worden de communautaire bestrijdingsmaatregelen vastgesteld </para>
      <para>die bij het uitbreken van mond- en klauwzeer, ongeacht de betrokken </para>
      <para>virussoort, moeten worden toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2</para>
      <para>	[In] deze richtlijn (.) wordt verstaan onder: (.)</para>
      <para>	c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop (.) de aanwezigheid </para>
      <para>van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na laboratoriumonderzoek;</para>
      <para>	e) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die - volgens </para>
      <para>de ingewonnen epizo”tiologische inlichtingen - rechtstreeks of onrechtstreeks </para>
      <para>in contact kunnen zijn geweest met het mond- en klauwzeervirus. </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>Artikel 5</para>
      <para>Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in </para>
      <para>artikel 2, onder c), bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde </para>
      <para>autoriteit de volgende maatregelen neemt: (.) </para>
      <para>1. de offici‰le dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen (.)</para>
      <para>2.	(.) worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf (.) afgemaakt </para>
      <para>(.) </para>
      <para>4.	de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot </para>
      <para>de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer (.) voor een besmetting </para>
      <para>moet worden gevreesd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 13</para>
      <para>	1. De Lid-Staten zien erop toe dat (.) het gebruik van mond- en </para>
      <para>klauwzeervaccins verboden wordt (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van </para>
      <para>mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te </para>
      <para>voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, </para>
      <para>wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte </para>
      <para>zich op grote schaal dreigt te verspreiden. (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de beschikking van 27 maart 2001 van de Europese Commissie, houdende vaststelling </para>
      <para>van voorschriften voor de bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer in Nederland, </para>
      <para>is onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>" (11) Deze beschikking heeft ten doel vast te stellen onder welke voorwaarden </para>
      <para>Nederland noodvaccinatie mag toepassen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1</para>
      <para>Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:</para>
      <para>1.	Preventieve doding: het doden van gevoelige dieren op bedrijven in een </para>
      <para>gebied met een bepaalde straal rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of </para>
      <para>artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen van </para>
      <para>toepassing zijn. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op </para>
      <para>geïdentificeerde bedrijven in een bepaald vaccinatiegebied, die uitsluitend </para>
      <para>wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als omschreven in punt </para>
      <para>1. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2</para>
      <para>1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEG, en met name de artikelen 4, 5 en 9, </para>
      <para>mag Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder de </para>
      <para>in de bijlage vastgestelde voorwaarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage</para>
      <para>1.	Omvang van het geografische gebied waar suppressievaccinatie wordt </para>
      <para>toegepast: (.) een gebied met een straal van maximaal 2 kilometer rond een </para>
      <para>bedrijf waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG </para>
      <para>vastgestelde beperkende maatregelen worden toegepast. (.)</para>
      <para>6.5. Opruiming van alle dieren van gevoelige soorten op bedrijven waar </para>
      <para>suppressievaccinatie werd uitgevoerd: Zo snel mogelijk (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) wordt onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Artikel 17</para>
      <para>	1.	Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde </para>
      <para>gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte </para>
      <para>kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze </para>
      <para>voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of </para>
      <para>aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter </para>
      <para>voorkoming van overbrenging van besmetting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21</para>
      <para>1.	Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (.) </para>
      <para>zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door </para>
      <para>hem nodig worden geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 22</para>
      <para>1.	De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn: (.) </para>
      <para>f. het doden van zieke en verdachte dieren (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 31</para>
      <para>Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het </para>
      <para>oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan </para>
      <para>hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen </para>
      <para>onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 109</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het Besluit verdachte dieren wordt onder meer het volgende bepaald:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Artikel 2</para>
      <para>	Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien: (.)</para>
      <para>	c. de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de </para>
      <para>gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de </para>
      <para>desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 bevat onder meer de volgende </para>
      <para>bepaling:</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>" Artikel 1</para>
      <para>	Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een op grond van de </para>
      <para>artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren </para>
      <para>aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door </para>
      <para>de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen </para>
      <para>zone rond de ziektehaard overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 29 maart 2001 om 12.00 uur is de Regeling Toezichtsgebied B mond- en klauwzeer </para>
      <para>2001 bekendgemaakt, onder de mededeling dat zij onmiddellijk in werking treedt. Op 30 </para>
      <para>maart 2001 om 20.30 uur is bekendgemaakt dat evengenoemde regeling met onmiddellijke </para>
      <para>ingang wordt ingetrokken, onder gelijktijdige vervanging door de Regeling </para>
      <para>Toezichtsgebied B mond- en klauwzeer 2001 II.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Bij faxbericht gedateerd 28 maart 2001 heeft ID-Lelystad verweerder onder meer het </para>
      <para>volgende bericht: "Monsters (.) bedrijf (.) B zijn positief bevonden in de virus </para>
      <para>isolatie op cellen, in een rund en door middel van RT-PCR, voor mond- en </para>
      <para>klauwzeer.".</para>
      <para>- Op grond van evengenoemde onderzoeksresultaten heeft verweerder voormelde </para>
      <para>Regeling(en) toezichtsgebied B mond- en klauwzeer 2001 vastgesteld. </para>
      <para>- Het bedrijf van appellant, waarop onder meer koeien en schapen worden gehouden, </para>
      <para>bevindt zich op 276 of 277 meter ('menscontact') dan wel vijfhonderd meter </para>
      <para>('diercontact') van het door verweerder besmet verklaarde bedrijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het bestreden besluit</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt - voor zover hier van belang - zakelijk weergegeven het </para>
      <para>volgende in.</para>
      <para>Alle evenhoevige dan wel voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren op het bedrijf van </para>
      <para>verzoeker worden met ingang van heden als verdacht van mond- en klauwzeer aangemerkt, </para>
      <para>omdat in de omgeving van dit bedrijf een geval van mond- en klauwzeer is vastgesteld. </para>
      <para>Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de dieren op het bedrijf van verzoeker in de </para>
      <para>gelegenheid zijn geweest te worden besmet met dit virus.</para>
      <para>Ter bestrijding en ter voorkoming van verspreiding van het virus is noodzakelijk dat alle </para>
      <para>evenhoevige dieren op het bedrijf van verzoeker worden gedood, over het precieze tijdstip </para>
      <para>waarvan nadere informatie volgt. In afwachting hiervan worden deze dieren gevaccineerd, </para>
      <para>over het precieze tijdstip waarvan verzoeker nader zal worden geïnformeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verzoeker</para>
      <para>Verzoeker heeft - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Verzoeker wenst dat de dieren op zijn bedrijf worden gevaccineerd, evenwel niet bij wijze </para>
      <para>van noodvaccinatie, zoals verweerder wil, maar preventief.</para>
      <para>Het doden van de dieren is een onnodig verstrekkende maatregel, aangezien deze dieren </para>
      <para>gezond zijn en voorkoming van verdere verspreiding van mond- en klauwzeer ook </para>
      <para>mogelijk is door middel van preventieve vaccinatie. Daar komt nog bij dat veel </para>
      <para>onduidelijkheid bestaat over de manier waarop de besmetting is vastgesteld: het gerucht </para>
      <para>gaat dat het een niet-erkende test betreft.</para>
      <para>Voorts is van belang dat de Europese Commissie op zeer korte termijn, naar verwachting </para>
      <para>in de eerste week van april 2001, haar standpunt over preventieve vaccinatie in </para>
      <para>heroverweging neemt. Het is mogelijk dat de Commissie preventieve vaccinatie in </para>
      <para>Nederland toestaat, omdat het virus zich hier te lande nog steeds uitbreidt. Indien de dieren </para>
      <para>van verzoeker eenmaal zijn inge‰nt, valt niet in te zien waarom vervolgens niet de </para>
      <para>standpuntbepaling van de Commissie kan worden afgewacht. De dieren bouwen door de </para>
      <para>inenting immuniteit op: het zou bijzonder wrang zijn als de dieren worden gedood en kort </para>
      <para>daarop bekend zou worden dat de Commissie preventieve vaccinatie in Nederland toestaat. </para>
      <para>Bovendien is het bestreden besluit in strijd met het gemeenschapsrecht. Uit artikel 1 van </para>
      <para>Richtlijn 85/511/EEG blijkt dat de wijze waarop de lidstaten mond- en klauwzeer dienen te </para>
      <para>bestrijden op communautair niveau uitputtend is geregeld. Het doden van dieren is </para>
      <para>uitsluitend toegestaan in het kader van artikel 5 van de Richtlijn. Blijkens het tweede en </para>
      <para>vierde onderdeel van deze bepaling kunnen voor het virus vatbare dieren uitsluitend </para>
      <para>worden gedood op een besmet bedrijf of een onmiddellijk aangrenzend bedrijf. Het bedrijf </para>
      <para>van verzoeker behoort tot geen van beide categorie‰n.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beschikking van 27 maart 2001 van de Commissie spreekt over vaccinatie ter </para>
      <para>voorbereiding op het doden van dieren overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG </para>
      <para>en roept dus geen bevoegdheid in het leven andere dieren te doden dan de in de Richtlijn </para>
      <para>genoemde.</para>
      <para>Verzoeker heeft zijn bedrijf in een periode van jaren opgebouwd en zijn vee is van hoge </para>
      <para>kwaliteit. Ook hierom is onbegrijpelijk dat zijn dieren gedood zouden moeten worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>5.1	Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto </para>
      <para>artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de </para>
      <para>beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, </para>
      <para>de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.</para>
      <para>Met betrekking tot de spoedeisendheid van het verzoek overweegt de president als volgt.</para>
      <para>Nu de gemachtigden van verweerder ter zitting hebben verklaard dat zo spoedig mogelijk, </para>
      <para>wellicht reeds op 31 maart 2001, een aanvang wordt gemaakt met noodvaccinatie in </para>
      <para>Kootwijkerbroek, acht de president het belang van verzoeker spoedeisend. Dat verzoeker </para>
      <para>geen bezwaar heeft tegen preventieve vaccinatie van zijn dieren leidt niet tot een ander </para>
      <para>oordeel, nu verweerder niet tot preventieve vaccinatie wenst over te gaan maar tot </para>
      <para>noodvaccinatie, en deze op de kortst mogelijke termijn wil doen volgen door het doden van </para>
      <para>de evenhoevige dieren op het bedrijf van verzoeker.</para>
      <para>5.2	Omtrent de toewijsbaarheid van het verzoek overweegt de president als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.1	Van de zijde van verzoeker is betoogd dat de besmetting van het primaire bedrijf niet </para>
      <para>vaststaat, omdat gebruik zou zijn gemaakt van een niet erkende test, evenwel zonder die </para>
      <para>stelling verder te onderbouwen. Verweerder heeft ter zitting de in rubriek 2.2 van deze </para>
      <para>uitspraak weergegeven verklaring overgelegd van ID-Lelystad, gedateerd 28 maart 2001, </para>
      <para>waaruit blijkt dat een drietal testen op mond- en klauwzeer een positieve uitslag gaf.</para>
      <para>Naar het voorlopig oordeel van de president bestond in verband hiermede voldoende basis </para>
      <para>om van besmetting van het betrokken bedrijf uit te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.2 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het door hem aangevochten besluit </para>
      <para>van 29 maart 2001 onrechtmatig is wegens strijd met het Europese recht verwezen naar </para>
      <para>hetgeen heden te dien aanzien naar voren is gebracht in de zaak met registratienummer </para>
      <para>AWB 01/222. Hetgeen in die zaak is aangevoerd, strekt ertoe de president de conclusie te </para>
      <para>laten trekken dat het bestreden besluit dient te worden geschorst wegens strijdigheid met het </para>
      <para>communautaire recht, gezien het uitputtend karakter daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om tot zo'n conclusie te komen is het naar voorlopig oordeel noodzakelijk, gelet op de </para>
      <para>belangen die de Richtlijn beoogt te dienen en de risico's die aan de orde zijn indien de </para>
      <para>maatregelen die verweerder noodzakelijk acht worden uitgesteld, dat het onmiskenbaar is </para>
      <para>dat de Richtlijn aanvullende bevoegdheden van de lidstaten uitsluit. Naar voorlopig oordeel </para>
      <para>kunnen de diverse door verzoekster genoemde argumenten niet leiden tot het oordeel dat van </para>
      <para>een dergelijke onmiskenbaarheid sprake is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daartoe overweegt de president meer in het bijzonder dat de aard van de materie waarover </para>
      <para>de in de Richtlijn  neergelegde regeling gaat, naar voorlopig oordeel mee kan brengen dat, </para>
      <para>bijvoorbeeld vanwege het gedrag van een nog niet bekend virus-type, onder omstandigheden </para>
      <para>verdergaand optreden nodig blijkt om de door de Richtlijn nagestreefde doeleinden te </para>
      <para>bereiken. De Richtlijn-bepalingen vormen dus - naast de toetsing aan de bepalingen van de </para>
      <para>Wet - weliswaar het in eerste instantie meest aangewezen uitgangspunt voor de beoordeling </para>
      <para>door de rechter van de rechtmatigheid van de maatregelen die verweerder neemt, maar dat </para>
      <para>sluit naar voorlopig oordeel niet uit dat onder omstandigheden op bepaalde punten </para>
      <para>verdergaand optreden, dan in de bepalingen van de Richtlijn is voorzien, in het licht van de </para>
      <para>Richtlijn toelaatbaar geacht moeten worden. Niet valt in te zien, naar voorlopig oordeel, dat </para>
      <para>zodanige omstandigheden thans niet aan de orde zijn.</para>
      <para>5.2.3 Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, zodra de dieren eenmaal zijn </para>
      <para>inge‰nt, waartegen aan zijn kant geen bezwaar bestaat, de noodzaak de dieren te doden </para>
      <para>vervalt. Verweerder heeft deze stelling betwist. Hij heeft daartoe uiteengezet dat het ook na </para>
      <para>vaccinatie noodzakelijk is zo snel mogelijk tot ruiming over te gaan omdat de vaccinatie pas </para>
      <para>na enkele dagen begint te werken, terwijl de dieren op zijn vroegst tien dagen na de </para>
      <para>vaccinatie volledig tegen het mond- en klauwzeervirus zijn beschermd. Vaccinatie kan </para>
      <para>slechts een middel zijn om de ruimingen op een geordende manier te laten verlopen. Indien </para>
      <para>wordt gevaccineerd zonder het oogmerk vervolgens tot ruiming over te gaan, verliest het </para>
      <para>betrokken gebied zijn status en mag van daaruit gedurende minimaal een jaar niet worden </para>
      <para>ge‰xporteerd. Aangezien het overgrote gedeelte van het Nederlandse vee bestemd is voor de </para>
      <para>export, zou dit voor de Nederlandse veehouderij zeer ernstige consequenties kunnen hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de gegeven omstandigheden en bij de huidige stand van zaken met betrekking tot de </para>
      <para>mond- en klauwzeerepidemie kan voorshands niet worden geoordeeld dat verweerder, bij </para>
      <para>afweging van de betrokken belangen, zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen </para>
      <para>stellen dat het belang van het voorkomen van een verdere verspreiding van de ziekte het </para>
      <para>noodzakelijk maakt tot het - ook na vaccinatie - onverwijld doden van de dieren over te </para>
      <para>gaan, en dat verzoekers belang hiervoor moet wijken. De president deelt dan ook niet de </para>
      <para>opvatting van verzoeker dat, nu de kans bestaat dat de Europese Commissie spoedig zal </para>
      <para>instemmen met het preventief vaccineren van de veestapel, dan wel met een versoepeling </para>
      <para>van het standpunt met betrekking tot het op zo kort mogelijke termijn doden van de dieren </para>
      <para>waarbij noodvaccinatie is toegepast, met het doden van de dieren op het bedrijf van </para>
      <para>verzoeker moet worden gewacht. Gezien de aard van de besmetting en de daarmee </para>
      <para>samenhangende, nauwelijks overzienbare risico's van verspreiding heeft verweerder zich </para>
      <para>naar voorlopig oordeel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het </para>
      <para>onverantwoord is te wachten op het zich voordoen van een toekomstige onzekere </para>
      <para>gebeurtenis, bestaande uit een beleidswijziging van de Europese Commissie.</para>
      <para>5.3	Het voorgaande brengt de president tot de slotsom dat het besluit van verweerder niet zozeer </para>
      <para>kennelijk onredelijk is dat ingrijpen van de president gerechtvaardigd is, zodat het verzoek </para>
      <para>niet voor toewijzing in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president ziet geen termen aanwezig om een der partijen onder toepassing van artikel </para>
      <para>8:75 Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van </para>
      <para>het verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. C.M. Wolters						w.g. B. van Velzen</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>