<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1025</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T13:06:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1025</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/223</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009198&amp;artikel=2&amp;g=2001-04-02">Besluit gebruik sera en entstoffen 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009198&amp;artikel=3&amp;g=2001-04-02">Besluit gebruik sera en entstoffen 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009198&amp;artikel=4&amp;g=2001-04-02">Besluit gebruik sera en entstoffen 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=17&amp;g=2001-04-02">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1025">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1025</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1025 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 02-04-2001 / AWB 01/223</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1025:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1025:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 01/223						2 april 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. A, te B, </para>
      <para>2. C, te D,</para>
      <para>3. E, te F,</para>
      <para>4. G, te H,</para>
      <para>verzoekers,</para>
      <para>gemachtigde: mr M.B.W. Litjens, advocaat te Groningen, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr G. de Goede, mr G.P.G. Kunst en dr A.H.M. Cornelissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Verzoekers hebben op 29 maart 2001 een bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een </para>
      <para>beslissing op hun verzoek om ontheffing van het verbod tot toepassing van het </para>
      <para>vaccinatieverbod tegen mond- en klauwzeer. Voorts hebben zij bij verzoekschriften van 29 </para>
      <para>maart 2001 aan de president van het College verzocht een voorlopige voorziening te </para>
      <para>treffen, inhoudende:</para>
      <para>"	primair: dat verzoekers wordt toegestaan hun vee in te enten tegen MKZ onder </para>
      <para>de bepaling dat de gevaccineerde dieren niet gedood behoeven te worden op </para>
      <para>grond van het feit dat zij gevaccineerd zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>subsidiair: dat het verzoekers wordt toegestaan om hun vee in te enten tegen </para>
      <para>mond- en klauwzeer zodra in de directe omgeving van de betreffende bedrijven </para>
      <para>mond- en klauwzeer is uitgebroken in de drie noordelijke provincies onder de </para>
      <para>bepaling dat vervolgens de betreffende bedrijven niet mogen worden geruimd </para>
      <para>en voorts onder de bepaling dat de Minister wordt bevolen om in overleg te </para>
      <para>treden met de Europese Commissie en de Raad van Ministers teneinde te </para>
      <para>bewerkstelligen dat het Europese non-vaccinatiebeleid danwel het beleid </para>
      <para>terzake van de noodentingen wordt gewijzigd in de door verzoekers gewenste </para>
      <para>zin;"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 30 maart 2001, alwaar partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. </para>
      <para>2.	De toepasselijke regelgeving</para>
      <para>De considerans van Richtlijn nr. 85/511/EEG van de Raad van de Europese </para>
      <para>Gemeenschappen van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke </para>
      <para>maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer, zoals nadien enkele malen gewijzigd </para>
      <para>(PbEG L315, hierna: de Richtlijn), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend </para>
      <para>te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen; (.)</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In - onder meer - de artikelen 4, 5 en 9, van de Richtlijn zijn deze door de Lid-Staten te </para>
      <para>treffen maatregelen nader uitgewerkt. Artikel 9, van de Richtlijn bepaalt als volgt:</para>
      <para>"	1.	De Lid-staten zien erop toe dat - zodra de diagnose van mond- en klauwzeer </para>
      <para>is gesteld - de bevoegde autoriteiten rondom het besmette bedrijf een </para>
      <para>beschermingsgebied met een straal van minstens 3 km en een toezichtsgebied </para>
      <para>met een straal van minstens 10 km afbakent."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De artikelen 13 en 16 van Richtlijn (hierna: de Richtlijn) luiden, voor zover van belang:</para>
    <para />
    <para />
    <para>					"Artikel 13</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Lid-Staten zien erop toe dat:</para>
      <para>-	het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van </para>
      <para>mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te </para>
      <para>voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, </para>
      <para>wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte </para>
      <para>zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen </para>
      <para>maatregelen hebben met name betrekking op:</para>
      <para>- de omvang van het geografisch gebied waar de noodvaccinatie moet worden </para>
      <para>uitgevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>-	andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de </para>
      <para>Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16. Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening </para>
      <para>gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de </para>
      <para>noodzaak speciale rassen te beschermen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de </para>
      <para>ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid-</para>
      <para>Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de </para>
      <para>Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt onmiddellijk </para>
      <para>ge‰valueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comit‚ volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					 Artikel 16</para>
      <para>	1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven </para>
      <para>procedure, leidt de Voorzitter van het bij Besluit 68/361/EEG ingestelde </para>
      <para>Permanent Veterinair Comit‚, hierna het "Comit‚" te noemen, deze procedure, </para>
      <para>hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld in bij </para>
      <para>het Comit‚.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comit‚ een ontwerp voor </para>
      <para>van de te nemen maatregelen. Het Comit‚ spreekt zich uit met de meerderheid </para>
      <para>van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor </para>
      <para>de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient </para>
      <para>te nemen. Bij stemming in het Comit‚ worden de stemmen van de </para>
      <para>vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd </para>
      <para>artikel. De Voorzitter neemt niet aan de stemming deel.</para>
      <para>3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten </para>
      <para>uitvoer wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comit‚. </para>
      <para>Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comit‚ geen </para>
      <para>advies heeft uitgebracht, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de </para>
      <para>Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast </para>
      <para>met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien de Raad binnen een termijn van 15 dagen na de indiening van het </para>
      <para>voorstel geen maatregelen heeft genomen, stelt de Commissie de voorgestelde </para>
      <para>maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de </para>
      <para>Raad zich met gewone meerderheid tegen deze maatregelen heeft </para>
      <para>uitgesproken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 17 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet of de Gwd), </para>
      <para>luidt voor zover van belang:</para>
      <para>"	Artikel 17</para>
      <para>1. Onze Minister kan hetzij voor heel Nederland, hetzij voor bepaalde delen </para>
      <para>daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen </para>
      <para>worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend </para>
      <para>worden behandeld, (..) ter voorkoming van overbrenging van besmetting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)"</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	Op 21 maart 2001 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ter </para>
      <para>uitvoering van artikel 13, derde lid, van de Richtlijn 85/511/EEG en artikel 17, eerste </para>
      <para>lid, en 31 van de Wet de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer </para>
      <para>uitgevaardigd, verder ook: de Regeling. Hierin is het volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 1</para>
      <para>Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van </para>
      <para>artikel 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen </para>
      <para>toezichtsgebieden  inzake mond- en klauwzeer worden in een door de door de </para>
      <para>directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen zone </para>
      <para>rond de ziektehaard gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de artikelen 2 en 3 van het Besluit, houdende regelen betreffende het gebruik sera en </para>
      <para>entstoffen (hierna: het Besluit gebruik sera en entstoffen) zijn tot uitvoering van de </para>
      <para>Richtlijn 85/511 vaccinatieverboden neergelegd. Artikel 4 van dit Besluit biedt de </para>
      <para>mogelijkheid tot het vragen van ontheffing van die verboden.</para>
      <para>3.	Feiten en omstandigheden</para>
      <para>Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president op grond </para>
      <para>van de stukken en het onderzoek ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>-	Verzoekers zijn biologische veehouders. Zij houden met name geiten, schapen en </para>
      <para>runderen. Hun bedrijven zijn niet gelegen in enig op basis van de Richtlijn of de Wet </para>
      <para>aangewezen toezichtgebied inzake mond- en klauwzeer. </para>
      <para>-	Bij brieven van resp. 23 en 27 maart 2001 hebben verzoekers verweerder om </para>
      <para>toestemming tot vaccinatie van hun veestapel verzocht en, in aanvulling daarop, om </para>
      <para>toestemming tot vaccinatie tegen mond- en klauwzeer, nadat in de directe nabijheid </para>
      <para>van hun bedrijven mond- en klauwzeer is uitgebroken onder de bepaling dat </para>
      <para>vervolgens tot twee maanden na vaccinatie niet over gegaan zal worden tot ruiming </para>
      <para>van de betreffende bedrijven teneinde de Minister de gelegenheid te geven om in </para>
      <para>Europees verband te komen tot wijziging van de regelgeving.</para>
      <para>- Vervolgens is op 28 maart 2001 zijdens verweerder aan de gemachtigde van </para>
      <para>verzoekers meegedeeld dat de gevraagde ontheffing niet zal worden verleend.</para>
      <para>- Vervolgens hebben verzoekers tegen deze door hen als fictieve weigering </para>
      <para>aangemerkte beslissing van verweerder een bezwaarschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De gronden van het verzoek</para>
      <para>Verzoekers vinden het vasthouden aan het non-vaccinatiebeleid door verweerder </para>
      <para>disproportioneel ten opzichte van het preventief enten. Zij zijn bereid bij een eventueel te </para>
      <para>verlenen ontheffing van het vaccinatieverbod beperkende voorwaarden te accepteren, zoals </para>
      <para>een vervoersverbod van het gevaccineerde vee gedurende een bepaalde termijn en een </para>
      <para>verbod van export.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zij zijn van mening dat het huidige beleid in redelijkheid niet kan worden gecontinueerd. </para>
      <para>Verweerder laat zich leiden door louter economische motieven. Gezonde veestapels </para>
      <para>dreigen aldus, zonder dat daarvoor een noodzaak lijkt te bestaan, te worden vernietigd. Aan </para>
      <para>dieren wordt onnodig leed toegebracht. En ten slotte loopt het beleid achter de feiten aan. </para>
      <para>Het MKZ-virus is niet te stoppen. Vaccinatie is de enige oplossing. In het Verenigd </para>
      <para>Koninkrijk gebeurt dat al.</para>
      <para>Verzoekers hebben erop gewezen dat de Europese regelgeving niet noopt tot het doden van </para>
      <para>niet besmette dieren. De in artikel 5, lid 1 van de Verordening opgenomen verplichting tot </para>
      <para>het afmaken van alle voor de ziekte vatbare dieren op een besmet bedrijf, kan, blijkens het </para>
      <para>vierde lid worden uitgebreid tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in </para>
      <para>verband met de ligging ervan, de situatie of de contacten met de dieren op het bedrijf waar </para>
      <para>de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd. Hieruit volgt dat </para>
      <para>de Minister daartoe kan, maar niet hoeft te beslissen. Het zogenoemde "stamping out" </para>
      <para>beleid ziet slechts op besmette dieren.</para>
      <para>De Richtlijn en met name het bepaalde bij artikel 13 staan er niet aan in de weg dat dieren  </para>
      <para>worden inge‰nt, zonder te worden gedood. En artikel 2, lid 3 van de Richtlijn bepaalt dat </para>
      <para>wanneer een Lid-Staat op een beperkt gedeelte van zijn grondgebied noodvaccinaties mag </para>
      <para>uitvoeren, zulks niet van invloed is op de status van de rest van het grondgebied, mits de </para>
      <para>maatregelen inzake een verbod op verplaatsing van ingeente dieren van kracht zijn </para>
      <para>gedurende een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de </para>
      <para>vaccinaties be‰indigd zijn. Kennelijk kan na vaccinatie worden volstaan met een </para>
      <para>verplaatsingsverbod van de inge‰nte dieren gedurende een bepaalde termijn.</para>
      <para>Verzoekers zijn van mening dat, indien al uit de Nederlandse regelgeving op grond van het </para>
      <para>bepaalde bij artikel 22, eerste lid, en sub f, van de Wet, juncto de artikelen 15, lid 4, en </para>
      <para>artikel 2, van het Besluit verdachte dieren, zou voortvloeien dat inge‰nte dieren als </para>
      <para>verdachte dieren kunnen worden aangemerkt, die moeten worden gedood, de Europese </para>
      <para>regeling die zulks niet vereist de doorslag moet geven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het primaire verzoek is gebaseerd op artikel 107 van de Wet en/of artikel 3, juncto artikel </para>
      <para>4, Besluit gebruik sera en entstoffen. Aan het subsidiaire verzoek ligt artikel 17, eerste lid, </para>
      <para>van de Wet ten grondslag.</para>
      <para>5.	Het nadere standpunt van verweerder</para>
      <para>Ter zitting is zijdens verweerder betoogd dat hem geen bevoegdheid toekomt een </para>
      <para>ontheffing als gevraagd te verlenen. Ingevolge artikel 13 van de Richtlijn geldt een </para>
      <para>vaccinatie verbod voor de Lidstaten. De mogelijkheid om tot noodenting over te gaan, die </para>
      <para>artikel 13, derde lid, laatste alinea van de Richtlijn een Lidstaat biedt, geldt slechts rond </para>
      <para>een ziektehaard. Voor het overige is de bevoegdheid om tot vaccinatie over te gaan, geheel </para>
      <para>aan de Commissie voorbehouden. </para>
      <para>Verweerder heeft nog benadrukt dat preventief vaccineren zonder doding van de ge‰nte </para>
      <para>dieren, zonder toestemming van de Commissie, de export gedurende een jaar zal doen </para>
      <para>wegvallen. In de media is door de Minister aangegeven dat zelfs het verlies van een half </para>
      <para>jaar exportbelemmeringen het einde zal betekenen van een groot aantal bedrijven. In de </para>
      <para>Nederlandse kalversector wordt 95% ge‰xporteerden in de varkenssector 75%. Verlaging </para>
      <para>van de MKZ-status van de gehele EG zal een verlies van 94% van de Europese </para>
      <para>rundvleesexport meebrengen en een verlies van 73% van de Europese varkensexport.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 8: 81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet </para>
      <para>bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep </para>
      <para>is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op </para>
      <para>verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op </para>
      <para>de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten tijde dat verzoekers hun bezwaarschrift indienden, te weten op 29 maart 2001 had </para>
      <para>verweerder nog niet beslist op de voorliggende verzoeken tot ontheffing van, kortweg, het </para>
      <para>hier geldende vaccinatieverbod. Verweerder moet op zo'n verzoek binnen een redelijke </para>
      <para>termijn beslissen. Door de belangen die in gevallen betreffende de MKZ-problematiek op </para>
      <para>het spel staan moet deze - weliswaar korte - periode geacht worden te zijn verstreken. Gelet </para>
      <para>op de zijdens verweerder gedane uitlatingen, die wijzen op afwijzing van de verzoeken om </para>
      <para>ontheffing, vat de president in dit geval het op 29 maart 2001 vigerende fictieve besluit op </para>
      <para>als een fictieve weigering van de gevraagde ontheffingen. </para>
      <para>Ten aanzien van de primaire vordering van verzoekers, ontheffing van het </para>
      <para>vaccinatieverbod, zonder de gevaccineerde dieren te hoeven doden, overweegt de president </para>
      <para>als volgt.</para>
      <para>Naar verweerder terecht heeft gesteld ontbreekt in het onderhavige geval een wettelijke </para>
      <para>grondslag om een ontheffing als gevraagd te verlenen.</para>
      <para>De president heeft in zijn uitspraak van 24 maart 2001, no. 01/96, (dierentuinen) </para>
      <para>overwogen dat het geen twijfel lijdt dat de Richtlijn aan de Lidstaten in algemene zin </para>
      <para>voorschrijft het gebruik van MKZ-vaccins te verbieden. </para>
      <para>Artikel 13, derde lid, laatste alinea, van de Richtlijn biedt verzoekers derhalve geen </para>
      <para>uitkomst, reeds omdat de bedrijven van verzoekers niet gelegen zijn rond enige </para>
      <para>ziektehaard, hetgeen voor de toepasselijkheid van genoemd artikelonderdeel vereist is</para>
      <para>Ook het bepaalde bij artikel 13, derde lid, eerste volzin van de Richtlijn, kan niet als </para>
      <para>grondslag dienen voor enige bevoegdheid van verweerder om tot noodvaccinatie over te </para>
      <para>gaan. Eveneens verwijzend naar meergenoemde uitspraak van 24 maart jl. moet de </para>
      <para>hierbedoelde bevoegdheid om noodvaccinaties uit te voeren geacht worden te zijn </para>
      <para>voorbehouden aan de Commissie, die, gelet op de thans vigerende normatieve kaders </para>
      <para>tevens zal moeten beoordelen wat hier de belangen van de gemeenschap zijn, of ook de </para>
      <para>belangen van individuele veehouders daartoe kunnen worden gerekend en tot welke </para>
      <para>communautaire maatregelen een zodanige afweging moet leiden.</para>
      <para>Er is aan de president geen besluit van de Commissie bekend op grond waarvan tot de door </para>
      <para>verzoekers gewenste inenting (dus zonder gevolgd te worden door doding en niet rond een </para>
      <para>ziektehaard) zou zijn toegestaan.</para>
      <para>Hieruit volgt dat het nationale recht thans dan ook geen bevoegdheid kent om tot </para>
      <para>noodvaccinatie over te gaan in gebieden, die niet rond een besmettingshaard gelegen zijn. </para>
      <para>De Regeling noodvaccinatie, die - onder meer - strekt tot uitvoering van artikel 17, eerste </para>
      <para>lid, van de Wet, ziet immers alleen op als zodanig aangewezen toezichtsgebieden.</para>
      <para>De primaire vordering van verzoekers niet voor toewijzing in aanmerking.</para>
      <para>Hetzelfde geldt voor de subsidiaire vordering van verzoekers, die strekt tot het verlenen </para>
      <para>van een ontheffing met het oog op een onzekere toekomstige gebeurtenis. De president </para>
      <para>overweegt hier ten overvloede dat, zo het subsidiaire verzoek al een concrete grondslag zou </para>
      <para>hebben, het af zou stuiten op dezelfde juridische belemmeringen, die in het kader van de </para>
      <para>toepasselijkheid van artikel 13, derde lid, zijn opgenomen. Daarbij wordt in aanmerking </para>
      <para>genomen dat verweerders beleid tot het uitvoeren van noodvaccinaties en daaraan </para>
      <para>verbonden het preventief ruimen binnen een door hem te bepalen straal rondom een door </para>
      <para>een MKZ-besmetting getroffen bedrijf, door de president, gelet op het epidemisch kakter </para>
      <para>van de ziekte en de belangen die in de gegeven omstandigheden met bestrijding van de </para>
      <para>ziekte gemoeid zijn, niet kennelijk onredelijk wordt geacht.</para>
      <para>De slotsom moet zijn dat het verzoek moet worden afgewezen. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de president geen aanleiding.</para>
      <para>Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7.	De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. A. Bruining</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>