<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1023</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T10:46:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1023</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/144</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1023">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1023</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1023 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 27-03-2001 / AWB 00/144</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1023:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1023:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/44						27 maart 2001</para>
      <para>	14000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde: mr J.B. Vallenduuk, advocaat te Haarlem, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, te Rijswijk, verweerster, </para>
      <para>gemachtigde: mr R.J.M. van den Tweel, advocaat te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 7 juni 2000 heeft verweerster de vergunningen voor het verrichten van </para>
      <para>binnenlands- en grensoverschrijdend beroepsvervoer van verzoekster ingetrokken.</para>
      <para>Tegen deze beslissing heeft verzoekster bij brief van 5 juli 2000 een bezwaarschrift bij </para>
      <para>verweerster ingediend. </para>
      <para>Bij besluit van 7 december 2000 heeft verweerster het bezwaar van verzoekster ongegrond </para>
      <para>verklaard. </para>
      <para>Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 15 januari 2001 beroep ingesteld bij het </para>
      <para>College. </para>
      <para>Bij brief van 15 januari 2001 heeft verzoekster zich eveneens tot de president van het </para>
      <para>College gewend met het verzoek, bij wege van een voorlopige voorziening, dit besluit van </para>
      <para>verweerster te schorsen totdat in de bodemprocedure bij onherroepelijke uitspraak zal zijn </para>
      <para>beslist, alsook verweerster op te dragen haar brief van 19 januari 2001, inhoudende de </para>
      <para>mededeling aan verzoekster tot inlevering van de vergunningsbewijzen, in te trekken.  </para>
      <para>Verweerster heeft bij brief van 8 februari  2001 gereageerd op het verzoek tot het treffen </para>
      <para>van een voorlopige voorziening. </para>
      <para>De president heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van </para>
      <para>20 maart 2001, waar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader </para>
      <para>hebben toegelicht. Aan de zijde van verzoekster is tevens verschenen de heer C, directeur </para>
      <para>van verzoekster. Aan de zijde van verweerster is tevens aanwezig de heer </para>
      <para>drs F.H. Vrins, secretaris bij verweerster.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	In Richtlijn 96/26/EG zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/76/EG, inzake de toegang tot het </para>
      <para>beroep van ondernemers van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, </para>
      <para>nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten </para>
      <para>en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging </para>
      <para>van bedoelde vervoerondernemers, is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Art. 3.- 1. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerder wensen uit te </para>
      <para> 	oefenen, moeten</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. aan de voorwaarden van vakbekwaamheid voldoen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	In Verordening 881/92/EG betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer </para>
      <para>over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over het </para>
      <para>grondgebied van een of meer Lid-Staten (hierna: de Verordening), is onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:  </para>
      <para>"	Art. 3.- 1. Het internationale vervoer wordt uitgevoerd onder dekking van </para>
      <para> 	een communautaire vergunning.</para>
      <para>	2. De communautaire vergunning wordt door een Lid-Staat, overeenkomstig de </para>
      <para>artikelen 5 en 7, afgegeven aan alle ondernemers die beroepsgoederenvervoer </para>
      <para>over de weg verrichten en die:</para>
      <para>	- 	zijn gevestigd in een Lid-Staat, hierna "Lid-Staat van vestiging" te </para>
      <para>  		noemen, overeenkomstig de daar geldende wetgeving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>- 	in die Lid-Staat, overeenkomstig de voorschriften van de </para>
      <para>  		Gemeenschap en van die Lid-Staat inzake de toegang tot het beroep </para>
      <para>  		van vervoerondernemer, gemachtigd zijn internationaal vervoer van </para>
      <para>  		goederen over de weg te verrichten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 	Art. 5.- 1. De in lid 3 bedoelde communautaire vergunning wordt afgegeven </para>
      <para> 	door de bevoegde instanties van de Lid-Staat van vestiging.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 	Art. 7.  Bij de indiening van een aanvraag om een communautaire vergunning </para>
      <para>en ten hoogste vijf jaar na de afgifte ervan en vervolgens ten minste om de vijf </para>
      <para>jaar onderzoeken de bevoegde instanties van de Lid-Staat van vestiging of de </para>
      <para>vervoerder voldoet of nog steeds voldoet aan de in artikel 3, lid 2, bedoelde </para>
      <para>voorwaarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 	Art. 8.- 1. (.)</para>
      <para>2. De bevoegde instanties trekken de communautaire vergunning in, wanneer </para>
      <para>de houder</para>
      <para>	- niet meer voldoet aan de in art. 3, lid 2, gestelde voorwaarden</para>
      <para>	- (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Bij de Wet goederenvervoer over de weg (hierna: de Wgw) is onder meer het volgende </para>
      <para>bepaald: </para>
      <para>"	Art. 5.- 1. Het is verboden binnenlands beroepsvervoer te verrichten zonder </para>
      <para> 	een daartoe strekkende vergunning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	2. In afwijking van het verbod in het eerste lid kunnen bij of  krachtens </para>
      <para>algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven omtrent de </para>
      <para>voorwaarden waaronder niet in Nederland gevestigde ondernemers   </para>
      <para>beroepsvervoer op Nederlands grondgebied kunnen verrichten.</para>
      <para>	3. Het is verboden grensoverschrijdend beroepsvervoer te verrichten  zonder </para>
      <para>communautaire vergunning.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Art. 8. - 1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt verleend </para>
      <para>indien wordt voldaan aan de eisen van:</para>
      <para> 	(.)</para>
      <para>	c. vakbekwaamheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft </para>
      <para>aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door </para>
      <para>ten minste een van hen.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Art. 12.- 1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt </para>
      <para>ingetrokken:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 8, eerste lid; </para>
      <para>of</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. Een communautaire vergunning wordt ingetrokken:</para>
      <para>	a. indien de vergunninghouder niet meer in het bezit is van een vergunning </para>
      <para>voor binnenlands beroepsvervoer.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Art. 24. Artikel 5, derde lid, en artikel 15, eerste lid, zijn niet van toepassing </para>
      <para> 	op grensoverschrijdend vervoer door de ondernemer, die niet in Nederland  is </para>
      <para>gevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Art. 25.- 1. Het is de niet in Nederland gevestigde ondernemer verboden  </para>
      <para>grensoverschrijdend vervoer op Nederlands grondgebied te verrichten zonder </para>
      <para>in het bezit te zijn van een daartoe strekkende machtiging."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden. </para>
      <para>- Verzoekster is op 18 mei 1999 opgericht, heeft haar statutaire zetel te D en is </para>
      <para>gevestigd te B. Directeuren van verzoekster zijn C en E, woonachtig in F. C en E zijn </para>
      <para>tevens directeur van de transportonderneming G, gevestigd te H, in F.</para>
      <para>- In mei 1999 heeft verzoekster bij verweerster aanvragen ingediend om verlening van </para>
      <para>vergunningen voor binnenlands- en grensoverschrijdend beroepsvervoer. Deze </para>
      <para>aanvragen zijn door verweerster op 27 juli 1999 in behandeling genomen.</para>
      <para>- Bij brief van 22 juli 1999 heeft C voornoemd zijn aanvragen toegelicht.</para>
      <para>- Bij afzonderlijke besluiten van 9 september 1999 zijn aan verzoekster de verzochte </para>
      <para>vergunningen verleend. In deze besluiten is onder meer het volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Tenslotte wijzen wij u er nog op, dat ingevolge artikel 12 van de Wgw een </para>
      <para>vergunning wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de </para>
      <para>eerdergenoemde eisen. Gezien de thans beschikbare gegevens is besloten in dat </para>
      <para>verband uiterlijk drie maanden na heden een onderzoek in te stellen naar de </para>
      <para>feitelijke vestiging van uw onderneming in Nederland, van waaruit de </para>
      <para>vervoerwerkzaamheden permanent en daadwerkelijk worden geleid door </para>
      <para>degene die aan de eis van vakbekwaamheid voldoet." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 25 november 1999 is I bij verzoekster aangesteld als procuratiehouder en general </para>
      <para>manager.</para>
      <para>- Door de Rijksverkeersinspectie (hierna: de RVI) is een onderzoek gedaan naar de </para>
      <para>feitelijke vestiging van verzoekster in Nederland. Op 25 mei 2000 heeft de RVI </para>
      <para>onder meer het volgende gerapporteerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Geconcludeerd mag worden dat binnen de onderneming J te B:</para>
      <para>	- geen sprake is van exploitatie van 40 van de 43 Nederlands gekentekende </para>
      <para>voertuigen;</para>
      <para>- de dagelijkse leiding aan deze onderneming plaatsvindt vanuit de in Engeland </para>
      <para>Gevestigde onderneming J, er slechts drie bemanningsleden werkzaam zijn </para>
      <para>binnen de in Nederland gevestigde onderneming J, welke niet beschikken over </para>
      <para>een arbeidsovereenkomst met deze B.V.;</para>
      <para>- voor alle voertuigen in Nederland wegenbelasting is afgedragen;</para>
      <para>- alle voertuigen verzekerd zijn bij ‚‚n maatschappij;</para>
      <para>- J te B (D) niet beschikt over gegevens met betrekking tot een groot aantal </para>
      <para>bemanningsleden (geen personeelsgegevens bekend);</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 19 mei 2000 is zijdens verweerster een onderzoek ingesteld naar de feitelijke </para>
      <para>vestiging van verzoekster in Nederland. Op 29 mei 2000 is zijdens verweerster </para>
      <para>gerapporteerd. In dit rapport staat onder meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Op basis van de benodigde gegevens, de van de onderneming ontvangen </para>
      <para>informatie en de hieruit voortvloeiende bevindingen kan NIET worden </para>
      <para>vastgesteld dat er sprake is van de feitelijke vestiging in NEDERLAND van de </para>
      <para>onderneming en dat de vakbekwame bestuurder vanuit de onderneming </para>
      <para>permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden.</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>- Naar aanleiding van deze bevindingen heeft verweerster bij besluiten van 7 juni 2000 </para>
      <para>de verleende vergunningen ingetrokken. Daarin is onder meer het volgende gesteld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Blijkens een ingesteld onderzoek vindt op het bij de Kamer van Koophandel </para>
      <para>opgegeven vestigingsadres echter geen feitelijke bedrijfsuitoefening van </para>
      <para>A plaats. Vastgesteld is dat de bedrijfsvoering plaats vindt vanuit Engeland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond hiervan moet worden geconcludeerd, dat in het geval van A geen </para>
      <para>sprake is van uitoefening van het transportbedrijf in Nederland, waarin door </para>
      <para>een vakbekwaam bestuurder permanent en daadwerkelijk leiding wordt </para>
      <para>gegeven aan de vervoerwerkzaamheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aan A verleende vergunningen voor binnenlands en grensoverschrijdend </para>
      <para>beroepsvervoer kunnen onder deze omstandigheden niet in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het gestelde in artikel 12 van de Wet goederenvervoer over de </para>
      <para>weg heeft de NIWO op 7 juni 2000 dan ook besloten deze vergunningen in te </para>
      <para>trekken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.</para>
      <para>- Bij brief van 19 januari 2001 heeft verweerster aan verzoekster verzocht de </para>
      <para>vergunningsbewijzen voor binnenlands- en grensoverschrijdend beroepsvervoer aan </para>
      <para>haar te retourneren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en </para>
      <para>het standpunt van verweerster </para>
      <para>Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan houdt </para>
      <para>onder meer het volgende in.</para>
      <para>"	Ten tijde van de indiening van de aanvragen om vergunning voor binnenlands </para>
      <para>en grensoverschrijdend beroepsvervoer bleek uit het uittreksel Handelsregister </para>
      <para>dat de onderneming is gevestigd in Nederland. Op grond hiervan moest </para>
      <para>vooralsnog worden aangenomen dat de onderneming een re‰le vestiging had in </para>
      <para>Nederland. Bij vergunningverlening op 9 september 1999 is er meegedeeld dat </para>
      <para>na enige tijd een ander onderzoek zou worden ingesteld naar de feitelijke </para>
      <para>vestiging van de onderneming in Nederland en de invulling van de </para>
      <para>vakbekwaamheid. Op grond van het ingestelde onderzoek moest worden        	  </para>
      <para>geconcludeerd, dat er geen sprake is van een feitelijke vestiging in   	  </para>
      <para>Nederland, van waaruit permanent en daadwerkelijk leiding wordt              </para>
      <para>gegeven aan de vervoerswerkzaamheden. Dit heeft geleid tot intrekking van de </para>
      <para>vergunningen.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Uit het doel en de systematiek van de wet kan worden afgeleid dat   </para>
      <para>vergunningverlening alleen geschiedt aan in Nederland gevestigde </para>
      <para>ondernemingen. Daartoe is in de wet onderscheid gemaakt tussen in Nederland </para>
      <para>gevestigde ondernemingen en niet in Nederland gevestigde ondernemingen en </para>
      <para>is in de Wet goederenvervoer over de weg (Wgw) een apart hoofdstuk IV </para>
      <para>opgenomen, luidende: </para>
      <para>"Bepalingen inzake grensoverschrijdend vervoer door niet in </para>
      <para> Nederland gevestigde ondernemingen".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens wordt in Verordening 881/92, artikel 3, tweede lid, jo artikel  5, eerste </para>
      <para>lid, expliciet gesteld dat een communautaire vergunning wordt verleend aan de </para>
      <para>ondernemer die is gevestigd in de Lid-staat, die de vergunning afgeeft, </para>
      <para>overeenkomstig de daar geldende wetgeving. Onder vestiging moet hier </para>
      <para>feitelijke vestiging worden verstaan. In dit verband is van belang, dat tussen de </para>
      <para>verschillende Lid-staten in de vergunningensfeer nog steeds sprake is van </para>
      <para>bepaalde contingenten en op een aantal punten nog geen sprake is van  </para>
      <para>geharmoniseerde voorschriften. </para>
      <para>Verder is een re‰le vestiging veelal nodig, teneinde te kunnen voldoen aan het </para>
      <para>criterium "permanent en daadwerkelijk leiding geven". Concreet betekent dit </para>
      <para>dat de bedrijfsactiviteiten die binnen en vanuit Nederland plaatsvinden, ook </para>
      <para>vanuit een Nederlandse vestiging permanent en daadwerkelijk moeten worden </para>
      <para>geleid door de  vakbekwaam bestuurder. In uw bezwaar wordt gesteld dat de </para>
      <para>heer E vanuit Engeland leiding kan geven aan de vervoerwerkzaamheden van </para>
      <para>de Nederlandse vennootschap.</para>
      <para>Gelet op vorenstaande is aansturing vanuit Engeland door de heerE niet </para>
      <para>voldoende, omdat in dat geval geen sprake is van permanent en daadwerkelijk </para>
      <para>leiding geven.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beoordeling van de aanvragen om vergunning voor binnenlands en </para>
      <para>grensoverschrijdend beroepsvervoer worden zowel voor Nederlandse, als voor </para>
      <para>ondernemingen uit andere landen dan Nederland, dezelfde eisen en </para>
      <para>voorwaarden gesteld. Van strijdigheid  met het discriminatiebeginsel is </para>
      <para>geenszins sprake.</para>
      <para>Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat in geval van </para>
      <para>aanvraagsters onderneming geen sprake is van een re‰le vestiging in </para>
      <para>Nederland, waar een bedrijfsuitoefening plaatsvindt en dat niet op de </para>
      <para>voorgeschreven wijze wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie is  dan ook </para>
      <para>van mening dat het besluit van 7 juni 2000, waarbij met inachtneming van </para>
      <para>artikel 12 Wgw uw vergunningen voor binnenlands en grensoverschrijdend </para>
      <para>beroepsvervoer zijn ingetrokken, terecht is genomen en heeft op 29 november </para>
      <para>2000 besloten uw bezwaarschrift ongegrond te verklaren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de reactie op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en ter zitting </para>
      <para>heeft verweerster daaraan nog het volgende toegevoegd.</para>
      <para>De Verordening voorziet in een vergunningenstelsel. De Verordening bepaalt dat de </para>
      <para>vervoerder moet zijn gevestigd in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft. De Verordening </para>
      <para>biedt voor de Lid-Staat grondslag voor het stellen van de vestigingseis. Aan de hand van de </para>
      <para>in de Lid-Staat van vestiging geldende voorschriften wordt bepaald of er sprake is van </para>
      <para>vestiging. Dit is plausibel omdat de Lid-Staat van vestiging ook moet (kunnen) toezien op </para>
      <para>de naleving van de kwaliteitseisen. In verband met dat toezicht en die controle als Lid-</para>
      <para>Staat van vestiging wordt aangemerkt de Lid-Staat waarmee de vervoerder de meeste </para>
      <para>aanknoping vertoont. </para>
      <para>Weliswaar wordt in de Nederlandse wet- en regelgeving voor vergunningverlening niet </para>
      <para>expliciet de voorwaarde gesteld van re‰le vestiging, doch dit vereiste volgt uit de opzet en </para>
      <para>systematiek van die wet- en regelgeving. </para>
      <para>Aan de vestigingseis is door verweerster invulling gegeven door de voorwaarde te stellen </para>
      <para>dat de vakbekwaamheid moet worden ingebracht door degene die vanuit de plaats van </para>
      <para>vestiging permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden. </para>
      <para>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een re‰le vestiging, is bezien of voor </para>
      <para>dat oordeel voldoende aanknopingspunten zijn. In het onderhavige geval is daarvan, gelet </para>
      <para>op de bevindingen van voornoemde onderzoeken geen sprake, aangezien vanuit </para>
      <para>verzoekster feitelijk geen activiteiten worden verricht. Voor zover vanuit verzoekster wel </para>
      <para>feitelijk activiteiten zouden worden verricht, is niet voldaan aan de vereisten van de </para>
      <para>feitelijke aansturing vanuit Nederland door een vakbekwaam bestuurder. De vakbekwaam </para>
      <para>bestuurder geeft immers niet vanuit de plaats van vestiging permanent en daadwerkelijk </para>
      <para>leiding aan de vervoerwerkzaamheden, nu dit geschiedt door de vakbekwaam bestuurder </para>
      <para>vanuit het Verenigd Koninkrijk. In het onderhavige geval liggen de aanknopingspunten </para>
      <para>voor het oordeel dat er sprake is van een re‰le vestiging derhalve in het Verenigd </para>
      <para>Koninkrijk. </para>
      <para>Ter zitting heeft verweerster nog betoogd dat de Verordening met zich brengt dat de Lid-</para>
      <para>Staat waarmee de vervoerder de meeste aanknoping vertoont als Lid-Staat van vestiging </para>
      <para>moet worden aangemerkt in verband met de op grond van de Verordening te houden </para>
      <para>toezicht.</para>
      <para>Verweerster heeft door het onderhavige besluit niet in strijd met de vrijheid tot vestiging </para>
      <para>gehandeld, aangezien verweerster de oprichting en inschrijving van verzoekster in het </para>
      <para>Handelsregister bij de Kamer van Koophandel niet heeft belemmerd. </para>
      <para>Er is geen sprake van spoedeisend belang. Verzoekster is immers in staat binnen Nederland </para>
      <para>vervoersactiviteiten te verrichten onder vigeur van de in Engeland afgegeven </para>
      <para>communautaire vergunningen. G, beschikt over drie geldige Engelse vergunningen voor </para>
      <para>het verrichten van binnenlands en internationaal vervoer. De in Nederland geregistreerde </para>
      <para>vrachtauto's kunnen onder die Engelse vergunningen gebracht worden en voor het </para>
      <para>internationale vervoer worden ingezet. Er behoeft geen nieuwe Engelse vergunning te </para>
      <para>worden aangevraagd. Betwist wordt voorts de hoogte van de kosten die daarmee gemoeid </para>
      <para>zouden zijn. Niet is gebleken dat deze kosten tot faillissement van verzoekster leiden. </para>
      <para>4.	Het standpunt van verzoekster</para>
      <para>Verzoekster heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Ten onrechte heeft verweerster de aan verzoekster verleende vergunningen ingetrokken.</para>
      <para>Primair is verzoekster van mening dat verweerster niet bevoegd is om door middel van </para>
      <para>bekendmakingen regels te stellen terzake van de kwalitatieve eisen voor de toegang tot het </para>
      <para>beroep, aangezien deze bevoegdheid aan de Minister van Verkeer en Waterstaat is </para>
      <para>voorbehouden. De uitgevaardigde regels in de bekendmakingen missen rechtskracht, </para>
      <para>aangezien er sprake is van ongeoorloofde delegatie.  </para>
      <para>Voorts is verzoekster van mening dat door verweerster ten onrechte voor vergunning-</para>
      <para>verlening voor binnenlands- en grensoverschrijdend vervoer de voorwaarde is gesteld dat </para>
      <para>de vakbekwaamheid moet worden ingebracht door degene, die vanuit de plaats van </para>
      <para>vestiging permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden van de </para>
      <para>onderneming. Immers, in de Nederlandse wet- en regelgeving noch in de Europese </para>
      <para>regelgeving wordt voor vergunningverlening voor het verrichten van binnenlands- en </para>
      <para>grensoverschrijdend vervoer de voorwaarde gesteld dat er sprake moet zijn van een re‰le </para>
      <para>vestiging in Nederland. Gelet op voornoemde wet- en regelgeving volstaat formele/ </para>
      <para>juridische vestiging van een onderneming in Nederland teneinde tot vergunningverlening </para>
      <para>over te gaan. Bovendien is vestiging in Nederland niet onontbeerlijk om hier te lande </para>
      <para>daadwerkelijk en permanent leiding te geven. Gelet op de stand der techniek op het terrein </para>
      <para>van communicatie en logistieke dienstverlening is aansturing van de vervoersactiviteiten in </para>
      <para>Nederland vanuit het Verenigd Koninkrijk mogelijk. De aansturing geschiedt door </para>
      <para>E vanuit het Verenigd Koninkrijk indien de vrachtwagens zich in het Verenigd Koninkrijk </para>
      <para>bevinden en door I indien de vrachtwagens zich in Nederland bevinden. Nu het vereiste </para>
      <para>van re‰le vestiging niet kan worden gesteld, valt niet in te zien hoe verweerster kan eisen </para>
      <para>dat verzoekster vanuit Nederland en niet vanuit het Verenigd Koninkrijk moet worden </para>
      <para>aangestuurd.</para>
      <para>Het vereiste van aansturing vanuit de plaats van vestiging is tevens strijdig met de </para>
      <para>beginselen van vrije vestiging en gelijkheid. </para>
      <para>Tevens ontbeert het bestreden besluit feitelijke grondslag, aangezien in het bestreden </para>
      <para>besluit niet is onderbouwd dat E niet daadwerkelijk en permanent leiding aan de </para>
      <para>vervoerswerkzaamheden heeft gegeven.</para>
      <para>Ten onrechte heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat het vereiste van een re‰le </para>
      <para>vestiging nodig is om te voldoen aan de eis van het "daadwerkelijk en permanent leiding </para>
      <para>geven". Het criterium van "daadwerkelijk en permanent leiding geven" speelt slechts een </para>
      <para>rol bij de beoordeling van de toegang tot het beroep van ondernemer. Immers, in casu is de </para>
      <para>toegang tot de markt door middel van vestiging in een Lid-Staat in het geding en niet de </para>
      <para>toegang tot het beroep, zodat het vereiste van re‰le vestiging geen rol kan spelen. </para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 11 van de Verordening verlenen de Lid-Staten elkaar </para>
      <para>bijstand bij het toezicht op de Verordening. </para>
      <para>Het bestreden besluit is eveneens strijdig met het motiveringsbeginsel nu verweerster in het </para>
      <para>bestreden besluit niet is ingegaan op een elftal argumenten die verzoekster in bezwaar naar </para>
      <para>voren heeft gebracht.</para>
      <para>De grond voor intrekking is onvoldoende bepaald en mist rechtsgevolg. De beslissing op </para>
      <para>bezwaar is immers gebaseerd op een gewijzigde grondslag. </para>
      <para>Het bestreden besluit is discriminatoir ten aanzien van vervoerders uit andere Lid-Staten </para>
      <para>die zich willen vestigen in Nederland, aangezien aan transportondernemingen uit andere </para>
      <para>Lid-Staten, andere en meer eisen worden gesteld dan aan Nederlandse ondernemingen. </para>
      <para>Met betrekking tot de spoedeisendheid van de door haar verzochte voorlopige voorziening, </para>
      <para>heeft verzoekster erop gewezen dat zij door het bestreden besluit gedwongen wordt haar </para>
      <para>bedrijfsvoering te staken. Weliswaar bestaat er de mogelijkheid om de in Nederland </para>
      <para>geregistreerde voertuigen tijdelijk of definitief onder de vergunning van de Britse vestiging </para>
      <para>te brengen, maar deze vergunning kent dusdanige beperkingen dat, gelet op zowel het </para>
      <para>binnenlands vervoer binnen het Verenigd Koninkrijk met de in Nederland geregistreerde </para>
      <para>voertuigen als het internationaal vervoer naar onder meer Frankrijk met die voertuigen, </para>
      <para>deze optie geen re‰le is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Immers, hoewel het Verenigd Koninkrijk toestaat dat in het buitenland geregistreerde </para>
      <para>voertuigen onder de Britse vergunning worden gebracht, is binnenlands vervoer </para>
      <para>uitgesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daar komt bij dat Frankrijk op haar grondgebied geen vervoer toestaat van een voertuig </para>
      <para>afkomstig uit een andere staat dan de Lid-Staat waar de vergunninghouder is geregistreerd. </para>
      <para>De kosten van "re-registering" in het Verenigd Koninkrijk zijn bovendien aanzienlijk en </para>
      <para>betekenen het faillissement van verzoekster. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet </para>
      <para>bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep </para>
      <para>is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op </para>
      <para>verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op </para>
      <para>de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>Van onverwijlde spoed is onder meer sprake indien sprake is van of dreiging met een </para>
      <para>noodsituatie ter opheffing of leniging waarvan het onmiddellijk treffen van maatregelen is </para>
      <para>vereist. </para>
      <para>Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat hier van zo'n noodsituatie sprake is en </para>
      <para>zij aldus een spoedeisend belang heeft, aangezien haar vrachtwagens - bij gebrek aan een </para>
      <para>vergunning - worden stilgezet, zowel in het Verenigd Koninkrijk als in Nederland.</para>
      <para>Dienaangaande overweegt de president het volgende.                                                           </para>
      <para>Vaststaat dat bij besluiten van 9 september 1999 van verweerster waarbij aan verzoekster </para>
      <para>vergunningen zijn verleend voor het verrichten van binnenlands- en grensoverschrijdend </para>
      <para>beroepsvervoer, aan verzoekster de voorwaarden zijn medegedeeld waaronder deze </para>
      <para>vergunningen worden verleend, alsook worden ingetrokken. </para>
      <para>Hierbij is aan verzoekster door verweerster kenbaar gemaakt dat, gezien de op dat moment </para>
      <para>beschikbare gegevens, uiterlijk drie maanden na voornoemde datum van vergunning-</para>
      <para>verlening een onderzoek wordt ingesteld naar de feitelijke vestiging van de onderneming </para>
      <para>van verzoekster in Nederland, van waaruit de vervoerwerkzaamheden permanent en </para>
      <para>daadwerkelijk worden geleid door degene die aan de eis van vakbekwaamheid voldoet. </para>
      <para>De president is voorshands van oordeel dat gelet op het bovenstaande het tot het normale </para>
      <para>ondernemingsrisico van verzoekster behoort dat de verleende vergunningen worden </para>
      <para>ingetrokken indien uit voornoemd onderzoek blijkt dat door verzoekster niet langer aan de </para>
      <para>gestelde voorwaarden wordt voldaan. De gevolgen daarvan dienen in een dergelijk geval </para>
      <para>voor rekening en risico van verzoekster te komen. De president is daarbij van oordeel dat </para>
      <para>in het onderhavige geval aan de intrekking van de vergunningen geen zwaardere eisen </para>
      <para>mogen worden gesteld dan aan de verlening van de vergunningen. Van dit laatste is naar </para>
      <para>het voorlopig oordeel van de president niet gebleken.</para>
      <para>Verweerster heeft vervolgens bedoeld onderzoek doen verrichten en naar aanleiding van de </para>
      <para>bevindingen uit dat onderzoek, bij besluit van 7 juni 2000 de vergunningen ingetrokken. </para>
      <para>Verweerster heeft haar besluit doen steunen op de overweging dat geen sprake is van een </para>
      <para>re‰le vestiging van verzoekster in Nederland en niet is voldaan aan de vereisten van de </para>
      <para>feitelijke aansturing vanuit Nederland door een vakbekwaam bestuurder. Verweerster </para>
      <para>bestrijdt dit oordeel van verweerster met een beroep op het recht van vrije vestiging. De </para>
      <para>president overweegt daaromtrent het navolgende.</para>
      <para>Hierboven genoemd recht van vrije vestiging is voor ondernemers die beroepsgoederen-</para>
      <para>vervoer over de weg verrichten nader uitgewerkt in de Verordening. Gelet op de opzet en </para>
      <para>systematiek van de Verordening, weerspiegelt het in de Verordening gebezigde woord </para>
      <para>"vestiging", de bedoeling van de Europese wetgever dat het hier gaat om een wezenlijke </para>
      <para>band tussen de Lid-Staat van vestiging en de ondernemer die het beroepsgoederenvervoer </para>
      <para>over de weg verricht, hetgeen met zich meebrengt het daadwerkelijk ontplooien van </para>
      <para>vervoersactiviteiten in het land van vestiging. </para>
      <para>De Verordening veronderstelt immers toepassing en toezicht door de Lid-Staat van </para>
      <para>vestiging, hetgeen zelfs kan uitmonden in intrekking van een vergunning. </para>
      <para>Een zodanige controle is bij afwezigheid van vervoersactiviteiten in de Lid-Staat van </para>
      <para>vestiging niet goed denkbaar. Deze activiteiten worden derhalve door de Verordening </para>
      <para>verondersteld. De omstandigheid dat de Lid-Staten ingevolge het bepaalde in artikel 11 van </para>
      <para>de Verordening elkaar bijstand verlenen bij het toezicht op de Verordening neemt niet weg </para>
      <para>dat het initiatief tot dit toezicht ingevolge de Verordening ligt bij de Lid-Staat van </para>
      <para>vestiging. Bijstand is eerst mogelijk wanneer de controle is aangevangen. Gelet op de </para>
      <para>inhoud van de tot de stukken behorende en hiervoor in rubriek 2.2. van de uitspraak ten </para>
      <para>dele weergegeven bevindingen van de onderzoeken en hetgeen verzoekster daarover zelf </para>
      <para>heeft verklaard, is van een re‰le band als vorenbedoeld naar het voorlopig oordeel van de </para>
      <para>president niet gebleken.</para>
      <para>De Wgw dient te worden gelezen in het licht van voormelde Verordening. In de Wgw is </para>
      <para>het systeem opgenomen dat een vervoerder eerst in het bezit moet zijn van een vergunning </para>
      <para>voor binnenlands beroepsvervoer alvorens een vergunning voor grensoverschrijdend </para>
      <para>beroepsvervoer wordt verleend. Laatstgenoemde vergunning wordt ingevolge het bepaalde </para>
      <para>bij artikel  9 van de wet immers afhankelijk gesteld van het bezit van een vergunning voor </para>
      <para>binnenlands beroepsvervoer. Naar voorlopig oordeel van de president is het gelet op de </para>
      <para>opzet en systematiek van de Wgw niet de bedoeling dat een vergunning voor binnenlands </para>
      <para>beroepsvervoer dient ter verkrijging van een communautaire vergunning om in het </para>
      <para>buitenland vervoersactiviteiten te verrichten.  </para>
      <para>Voornoemd systeem is nader uitgewerkt in een systeem van vergunningen voor </para>
      <para>binnenlands- en grensoverschrijdend beroepsvervoer door in Nederland gevestigde </para>
      <para>ondernemers en grensoverschrijdend beroepsvervoer door niet in Nederland gevestigde </para>
      <para>ondernemers. Opzet en systematiek van de Wgw gaat uit van de vooronderstelling dat het </para>
      <para>bij aanvragers van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer om in Nederland </para>
      <para>gevestigde ondernemers gaat. In overeenstemming met bovenstaande volgt uit artikel 5 van </para>
      <para>de Wgw dat een vergunning slechts kan worden verleend aan in Nederland gevestigde </para>
      <para>ondernemers. </para>
      <para>Immers, voor niet in Nederland gevestigde ondernemingen geldt een andere regeling. </para>
      <para>Daarbij is de president van oordeel dat de vestigingseis als bedoeld in artikel 5 van de </para>
      <para>Wgw nader ingevuld wordt door het bepaalde in artikel 8, eerste lid van de Wgw, nu hierin </para>
      <para>wordt gesproken over een vergunning voor binnenlands beroepsgoederenvervoer. Aan die </para>
      <para>vestigingseis is, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, naar voorlopig oordeel van de </para>
      <para>president niet voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande is de president reeds hierom voorshands, in het licht van hetgeen </para>
      <para>partijen thans over en weer hebben aangedragen, van oordeel dat het niet aannemelijk is dat </para>
      <para>in beroep het bestreden besluit waarbij het besluit tot intrekking van de vergunningen is </para>
      <para>gehandhaafd, geen stand kan houden. Voor een schorsing is derhalve geen plaats. Nu de </para>
      <para>president ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden, die meebrengen dat </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van enigerlei voorziening </para>
      <para>vereist, dient het daartoe strekkende verzoek te worden afgewezen. </para>
      <para>De president ziet geen reden voor een kostenveroordeling met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. I.K. Rapmund</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>