<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB1022</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T13:06:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB1022</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/106</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1022">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB1022</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:25:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB1022 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 22-03-2001 / AWB 01/106</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1022:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB1022:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/106						22 maart 2001</para>
      <para>	12500</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, verzoeker, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>Burgemeester en Wethouders van Den Haag, te Den Haag, verweerders, </para>
      <para>gemachtigden: M. Caffin en mr A. Imanse, werkzaam bij verweerders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 31 januari 2001 hebben verweerders de door hen aan verzoeker op </para>
      <para>29 december 1999, met toepassing van artikel 6, eerste lid, van de Winkeltijdenwet 1996 </para>
      <para>(hierna: de Wet), verleende ontheffing van het verbod om op zondag een winkel voor het </para>
      <para>publiek geopend te hebben, ingetrokken.</para>
      <para>Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 5 februari 2001 een bezwaarschrift bij </para>
      <para>verweerders ingediend.</para>
      <para>Op 8 februari 2001 heeft de president van het College van verzoeker een verzoekschrift </para>
      <para>ontvangen, waarbij hem is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
      <para>Op 27 februari 2001 hebben verweerders schriftelijk op het verzoek tot het treffen van een </para>
      <para>voorlopige voorziening gereageerd.</para>
      <para>De president heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van </para>
      <para>15 maart 2001, waar partijen, verweerders bij monde van hun gemachtigden en verzoeker </para>
      <para>bij monde van zijn echtgenote C, hun standpunten nader hebben toegelicht.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De Winkeltijdenwet 1996 (hierna: de Wet) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:</para>
      <para>"	Art. 2.- 1. Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:</para>
      <para>			a. op zondag;</para>
      <para>			(.)</para>
      <para>      Art. 6. - 1. Indien de eigenaar of de beheerder van een winkel tot een </para>
      <para>                        kerkgenootschap behoort, dat de wekelijkse rustdag op een andere </para>
      <para>                        dag dan de zondag houdt, of te goeder trouw verklaart een                 </para>
      <para>                        godsdienstige overtuiging te bezitten welke vordert, dat de </para>
      <para>                        wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag wordt</para>
      <para>                        gehouden, verlenen burgemeester en wethouders op zijn verzoeker </para>
      <para>                        ontheffing van het verbod van artikel 2, eerste lid, onder a.</para>
      <para>        2. Aan de ontheffing wordt het voorschrift verbonden dat de winkel op </para>
      <para>            die andere dag gesloten dient te zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ingevolge de Wet vastgestelde Verordening Winkeltijden gemeente Den Haag 2000 </para>
      <para>(hierna: de Verordening) luidt, voor zover hier van belang:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Artikel 10</para>
      <para>  	Intrekken of wijzigen van de ontheffing.</para>
      <para>  	Het college van burgemeesters en wethouders kan een ontheffing intrekken of </para>
      <para>wijzigen indien:</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	d. de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of </para>
      <para>    worden nagekomen." 	 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij circulaire van 19 januari 1999 hebben verweerders aangegeven welk beleid zij voeren </para>
      <para>bij de handhaving van de winkeltijden. Die circulaire luidt, voor zover hier van belang, als </para>
      <para>volgt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	A.	De openingstijden voor alle winkels</para>
      <para> 	Alle Haagse winkels mogen dagelijks, maar NIET op zon- en feestdagen, open </para>
      <para>zijn van 06.00 tot 22.00 uur. Op deze algemene regel zijn de volgende </para>
      <para> 	uitzonderingen mogelijk:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> 	B. (.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> 	C. Uitzonderingen per winkel, waarvoor de gemeente apart toestemming moet </para>
      <para>     geven </para>
      <para> 	-   ontheffing op religieuze grondslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Als de zondag voor een ondernemer geen religieuze rustdag is, kan de </para>
      <para>	ondernemer toestemming vragen om op zondag van 10.00 tot 22.00 uur open te </para>
      <para>   zijn; de winkel moet dan elke vrijdag - als religieuze rustdag - gesloten zijn, </para>
      <para>en ook op de dagen die voor de ondernemer in kwestie een religieuze feestdag </para>
      <para>zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>   (.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	D. Handhaving winkeltijden</para>
      <para>	Bij handhaving van de winkeltijden gaat het om controle op de naleving van de </para>
      <para>	voorschriften. Tegen het overtreden van deze voorschriften zal als volgt </para>
      <para>worden opgetreden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	(.)</para>
    <para>           </para>
    <parablock>
      <para>	Sancties bij overtreding van religieuze ontheffingen (intrekking van de </para>
      <para>ontheffing):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	a.	Na een keer verbaliseren door de politie volgt direct een schriftelijke </para>
      <para> 		voorwaarschuwing met de mededeling, dat een besluit wordt genomen tot </para>
      <para>		intrekking van de verkregen toestemming om op zondag geopend te zijn.</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Verzoeker exploiteert aan de D te B een winkel/ bakkerij.</para>
      <para>- Verzoeker heeft op 29 december 1999 op grond van artikel 6, eerste lid van de Wet,  </para>
      <para>ontheffing verzocht van de verplichting om, in verband met het bepaalde in artikel 2, </para>
      <para>eerste lid onder a van de Wet, de door hem ge‰xploiteerde winkel/bakkerij op zondag </para>
      <para>gesloten te houden. Verzoeker heeft daarbij schriftelijk een verklaring afgelegd. </para>
      <para>Daarin heeft verzoeker onder meer het volgende verklaard:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	A. 	Hij verklaart te goeder trouw tot een kerkgenootschap te behoren dan wel     </para>
      <para>     een godsdienstige overtuiging te bezitten, welke vordert dat de wekelijkse  </para>
      <para>     rustdag op een andere dag dan de zondag wordt gehouden.</para>
      <para>B. 	Hij verklaart de winkel:</para>
      <para>     1. op VRIJDAG de gehele dag en avond voor het publiek gesloten te </para>
      <para>          houden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> C.	 Hij verklaart akkoord te gaan dat de ontheffing door of namens </para>
      <para>      burgemeester en wethouders wordt ingetrokken, indien uit ambtelijk </para>
      <para>      onderzoek blijkt dat het onder punt B.1 genoemde niet wordt nageleefd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 29 december 1999 hebben verweerders verzoeker, op grond van het bepaalde in </para>
      <para>artikel 6, eerste lid van de Wet, de gevraagde ontheffing verleend. Daarbij werd aan </para>
      <para>de ontheffing de verplichting verbonden om de winkel op vrijdag gesloten te houden.</para>
      <para>- Op vrijdag 21 april 2000 heeft de politie Haaglanden in D te B een aantal </para>
      <para>constateringen gedaan. Van deze constateringen heeft de politie Haaglanden op 21 </para>
      <para>juli 2000 proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal staat onder meer het </para>
      <para>volgende vermeld:</para>
      <para>"	Tijdens een fietssurveillance op vrijdag 21 april 2000, omstreeks 11.35 uur,  </para>
      <para>bevonden wij, verbalisanten, ons op D te B. </para>
      <para>Toen wij, verbalisanten, langs bakkerij/winkel E fietsten, constateerden </para>
      <para>wij, dat er in het winkel gedeelte van de bakkerij twee mannen achter de </para>
      <para>toonbank stonden en dat er een man bezig was met het bakken van pizza's. </para>
      <para>Voor de toonbank stonden twee mensen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wij, verbalisanten, zijn naar het winkelgedeelte toegelopen en zagen dat de </para>
      <para>winkeldeur open stond. Wij, verbalisanten, zijn de winkel binnengegaan en </para>
      <para>zagen dat er twee klanten in de winkel stonden. Wij, verbalisanten, zagen dat </para>
      <para>deze klanten diverse levensmiddelen kochten en dat er werd afgerekend met </para>
      <para>een wettig betaalmiddel. Vervolgens zagen wij, verbalisanten, dat de klanten, </para>
      <para>in bezit van deze levensmiddelen, de winkel verlieten.</para>
      <para>(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Bij brief van 3 juli 2000 hebben verweerders aan verzoeker kenbaar gemaakt dat zij, </para>
      <para>verweerders, naar aanleiding van de constatering door de gemeente op 30 juni 2000 </para>
      <para>dat verzoeker op die datum bedoelde winkel via de goedereningang voor het publiek </para>
      <para>had geopend, voornemens zijn bij een volgende overtreding door verzoeker van het </para>
      <para>voorschrift verbonden aan de aan hem verleende ontheffing, voornoemde ontheffing </para>
      <para>in te trekken. In die brief is verzoeker tevens de gelegenheid geboden op dit </para>
      <para>voornemen te reageren. Verzoeker heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op vrijdag 26 januari 2001 heeft de politie Haaglanden in D te B opnieuw een aantal </para>
      <para>constateringen gedaan. Van deze constateringen is proces-verbaal opgemaakt. In dit </para>
      <para>proces-verbaal staat onder meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>" Op vrijdag 26 januari 2001, omstreeks 09.50 uur, bevond ik mij, verbalisant, in </para>
      <para>uniform gekleed, op D te B. Ik, verbalisant, zag dat de deur van de bakkerij F, </para>
      <para>D, op slot zat en dat er in het winkelgedeelte niet verlicht was. </para>
      <para>  Wel zag ik dat er op de ramen van het winkelgedeelte condens zat. Ik, </para>
      <para>verbalisant, ben naar de zij ingang van de bakkerij gelopen. Deze zij ingang zit </para>
      <para>in de G te B. Ik, verbalisant, zag dat er licht brandde. Tevens rook ik, </para>
      <para>verbalisant, een geur welke ik herkende als zijnde die van vers gebakken brood. </para>
      <para>Ik, verbalisant, heb diverse malen op de winkeldeur geklopt. Ik, verbalisant zag </para>
      <para>dat een man de winkeldeur voor mij open deed. Ik. Verbalisant, vroeg wie de </para>
      <para>man was en wat hij aan het doen was. De man deelde mij, verbalisant, mede dat </para>
      <para>hij de eigenaar van het pand was en dat hij brood aan het bakken was. Hij </para>
      <para>deelde mij mede dat het brood dat ze aan het bakken waren voor bestellingen. </para>
      <para>Tevens deelde hij mij mede dat ze aan het schoonmaken waren. Ik, verbalisant, </para>
      <para>vroeg de eigenaar of ik in de bakkerij mocht kijken. Samen met de eigenaar </para>
      <para>ben ik de bakkerij ingelopen. Ik, verbalisant, zag ongeveer vijf stellingen met </para>
      <para>vers gebakken brood staan. Ik, verbalisant, zag dat de oven aan stond. Ik zag </para>
      <para>dat er een man een plat met brood uit de oven haalde. Ik zag dat er in totaal vijf </para>
      <para>mannelijke personen aanwezig waren in de bakkerij."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Vervolgens hebben verweerders het besluit van 31 januari 2001 genomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en </para>
      <para>het standpunt van verweerders</para>
      <para>Dit besluit houdt, onder meer, het volgende in.</para>
      <para>" Bij brief van 3 juli 2000 hebben wij u meegedeeld, dat wij van plan zijn de u </para>
      <para>verleende ontheffing van de zondagssluitingsplicht voor uw winkel, gevestigd </para>
      <para>op het adres D te B in te trekken. Overeenkomstig artikel 4:8 van de Algemene </para>
      <para>Wet bestuursrecht hebben wij u in de gelegenheid gesteld uw zienswijze </para>
      <para>hierover binnen tien dagen na dagtekening van de brief mondeling of </para>
      <para>schriftelijk aan ons kenbaar te maken. U hebt van deze gelegenheid geen </para>
      <para>gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>  Bij controle op vrijdag 26 januari 2001, omstreeks 09.50 uur is door de politie </para>
      <para>Haaglanden van het handhavingsteam Escamp 3 geconstateerd, dat u op uw </para>
      <para>religieuze rustdag in de bakkerij eveneens gevestigd op het adres D, brood aan </para>
      <para>het bakken was voor de verkoop op bestelling. Hiermee handelt u in strijd met </para>
      <para>de verleende ontheffing. De politie heeft conform het gemeentelijk </para>
      <para>handhavingsbeleid ter zake, proces verbaal opgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>  Wij trekken dan ook bij deze de u op 29 december 1999 verleende ontheffing </para>
      <para>van de zondagssluitingsplicht in. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>  Een en ander betekent, dat uw winkel, gevestigd op het adres D voortaan niet </para>
      <para>meer op zondag geopend mag zijn. Dit verbod geldt niet voor de zondagen, die </para>
      <para>ingevolge de Winkeltijdenwet en de Verordening Winkeltijden gemeente Den </para>
      <para>Haag 2001 zijn vrijgesteld van de zondagssluitingsplicht." </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de reactie op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en ter zitting </para>
      <para>hebben verweerders hieraan onder meer het volgende toegevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alvorens de ontheffing te verlenen is door verweerders op 29 december 1999 aan </para>
      <para>verzoeker, in aanwezigheid van diens echtgenote, adequate informatie verschaft over de </para>
      <para>betekenis van en de voorschriften met betrekking tot een ontheffing op grond van </para>
      <para>religieuze motieven, alsmede over de reguliere winkeltijden en de winkeltijden zoals deze </para>
      <para>zijn vastgesteld in de Verordening Winkeltijden gemeente Den Haag. Tevens werd </para>
      <para>verzoeker in dat gesprek ge‹nformeerd over het gemeentelijk handhavingsbeleid </para>
      <para>winkeltijden, de controle op de naleving en de sancties bij het niet naleven van de </para>
      <para>voorschriften. Na dit gesprek en na afleggen door verzoeker van de schriftelijke verklaring, </para>
      <para>werd op 29 december 1999 de gevraagde ontheffing verleend en uitgereikt. Tevens werd </para>
      <para>aan verzoeker bij die gelegenheid informatie over het handhavingsbeleid winkeltijden </para>
      <para>gedateerd januari 1999 uitgereikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van telefonische klachten van een collega-winkelier, inhoudende dat </para>
      <para>verzoeker de winkel zeven dagen per week voor het publiek openstelde en op de vrijdag </para>
      <para>(de rustdag) verkoopactiviteiten plaatsvonden via de goedereningang aan de G en aldus </para>
      <para>oneerlijke concurrentie bedreef, hebben verweerders een informatieve brief naar verzoeker </para>
      <para>toegestuurd, waarin verzoeker werd verzocht om zich hierover nader te verklaren. </para>
      <para>De echtgenote van verzoeker heeft daarop telefonisch verklaard dat deze klachten niet </para>
      <para>terecht waren, aangezien op vrijdag schoongemaakt wordt in de winkel/bakkerij. Bij die </para>
      <para>gelegenheid heeft zij, aldus verweerder, aangeboden om de vrijdag in te ruilen voor </para>
      <para>maandag of dinsdag. Haar werd toen meegedeeld dat dit niet mogelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de gemeente is meermalen geconstateerd dat verzoeker in strijd heeft gehandeld met </para>
      <para>de voorschriften van de verleende ontheffing. Gelet daarop waren er zelfs al eerdere </para>
      <para>gelegenheden om de verleende ontheffing in te trekken. Verweerders hebben daarbij ook </para>
      <para>rekening te houden met de belangen van andere bakkers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben voorts aangevoerd dat, naar blijkt, de religieuze overtuiging van </para>
      <para>verzoeker hem niet beweegt om zijn winkel op de rustdag - de vrijdag - te sluiten. Het </para>
      <para>verzoek om ontheffing is derhalve kennelijk niet ingegeven door religieuze, maar door </para>
      <para>economische motieven. Ook dit levert voldoende grondslag voor intrekking van de </para>
      <para>ontheffing op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Het standpunt van verzoeker</para>
      <para>Verzoeker heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Verzoeker is ervan op de hoogte dat de winkel/bakkerij op vrijdag gesloten dient te zijn. </para>
      <para>Op vrijdag 26 januari 2001 was de winkel/bakkerij echter niet voor publiek geopend. Op </para>
      <para>vrijdag 26 januari 2001 heeft verzoeker de schoolleiding en de leerlingen van H, op hun </para>
      <para>verzoek, in zijn bakkerij toegelaten. Uitsluitend om de kinderen te tonen hoe het er in een </para>
      <para>bakkerij aan toe gaat heeft verzoeker enige soorten brood gebakken. Het brood dat te zien </para>
      <para>is op de door verzoeker overgelegde kopie‰n van foto's diende daarvoor. Het brood in de </para>
      <para>andere schappen was van de dag daarvoor, donderdag 25 januari 2001, dat vervolgens aan </para>
      <para>de leerlingen is meegegeven. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn stelling een </para>
      <para>schriftelijke verklaring overgelegd afkomstig van groep 3L en juffrouw Louise van H.</para>
      <para>Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat op 26 januari 2001 in de winkel/bakkerij werd </para>
      <para>schoongemaakt. </para>
      <para>Verzoeker heeft ontkend dat op voornoemde datum brood voor bestellingen werd </para>
      <para>gebakken. In het proces-verbaal van 26 januari 2001 staat weliswaar vermeld dat verzoeker </para>
      <para>verklaard heeft dat hij die dag brood voor bestellingen aan het bakken was, doch dit is niet </para>
      <para>juist. Verzoeker was geschrokken van de komst van de politie-agenten en was daardoor in </para>
      <para>de war geraakt en heeft toen verklaard dat het brood voor bestellingen was. </para>
      <para>Ten aanzien van het gestelde in proces-verbaal van 21 april 2000 heeft verzoeker </para>
      <para>aangevoerd dat de deur van de winkel slechts was geopend wegens de warmte. Daarbij </para>
      <para>komt dat verzoeker het winkeltijdenbeleid niet goed heeft begrepen. Verzoeker ging ervan </para>
      <para>uit dat indien er een koopzondag in het centrum van de gemeente Den Haag is, het hem </para>
      <para>alsdan is toegestaan om de winkel/bakkerij op vrijdag te openen. </para>
      <para>Verzoeker heeft ter zitting een handtekeningenlijst van klanten overgelegd, waaruit blijkt </para>
      <para>dat zij wensen dat de bakkerij op de zondag geopend blijft. </para>
      <para>Verzoeker heeft de president verzocht de werking van het bestreden besluit op te schorten </para>
      <para>totdat door verweerders op zijn bezwaarschrift zal zijn beslist. Hij heeft een spoedeisend </para>
      <para>belang bij de verzochte voorlopige voorziening, aangezien hij startende ondernemer is. Ter </para>
      <para>zitting is namens verzoeker aangevoerd dat hij uit financieel oogpunt de inkomsten van de </para>
      <para>zondag niet kan missen. In dit kader is namens verzoeker opgemerkt dat indien de </para>
      <para>winkel/bakkerij zeven dagen per week is geopend, hij in staat is zijn schulden af te lossen. </para>
      <para>Bovendien is de zondag uit financieel oogpunt bezien een betere dag dan de vrijdag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto </para>
      <para>artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de </para>
      <para>beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, </para>
      <para>de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>Hieromtrent overweegt de president als volgt. </para>
      <para>Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, ziet de president zich in de eerste </para>
      <para>plaats gesteld voor de, voorlopige, beantwoording van de vraag of verweerders zich terecht </para>
      <para>op het standpunt hebben gesteld dat verzoeker op vrijdag 21 april 2000 en op 26 januari </para>
      <para>2001 zijn winkel in strijd met het voorschrift dat aan de hem verleende ontheffing is </para>
      <para>verbonden en derhalve in strijd met de Winkeltijdenwet voor het publiek geopend heeft </para>
      <para>gehad.</para>
      <para>De president beantwoordt deze vraag, voorshands, gelet op de inhoud van de tot de stukken </para>
      <para>behorende en hiervoor in rubriek 2 van de uitspraak ten dele weergegeven processen-</para>
      <para>verbaal, bevestigend. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd levert geen, althans </para>
      <para>onvoldoende aanleiding op om de inhoud van deze processen-verbaal voor onjuist dan wel </para>
      <para>onvolledig te houden. De president wil in dit verband op zich zelf wel aannemen dat </para>
      <para>verzoeker op 26 januari 2001 een groep schoolkinderen heeft ontvangen voor het door hem </para>
      <para>gestelde doel. De verklaring die hij dienaangaande in het geding heeft gebracht heeft </para>
      <para>evenwel uitdrukkelijk slechts betrekking op de periode tot 09.00 uur. Dientengevolge is die </para>
      <para>verklaring niet bij machte om de constateringen van de politie, gedaan om 09.50 uur, op </para>
      <para>losse schroeven te zetten.</para>
      <para>Verweerders hebben in een en ander, nu dit ook paste in het ter zake gehanteerde </para>
      <para>handhavingsbeleid, naar voorlopig oordeel, derhalve aanleiding kunnen vinden de door </para>
      <para>verzoeker verleende ontheffing in te trekken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het moge zo zijn dat verzoeker in verband met een betere omzet, zoals hij heeft </para>
      <para>aangevoerd, liever op zondag dan op vrijdag, de winkel zou willen openen, maar dat motief </para>
      <para>kan hier geen gewicht in de schaal leggen.</para>
      <para>Dienaangaande overweegt de president als volgt. </para>
      <para>Het in artikel 6, eerste lid, van de Wet gebezigde woord "vordert" weerspiegelt, blijkens de </para>
      <para>wetsgeschiedenis van dit artikel, de bedoeling van de wetgever dat het hier voor de </para>
      <para>betrokkene om een godsgebod gaat. Naar het oordeel van de president dient hieruit te </para>
      <para>worden afgeleid, dat het om een zo dwingende godsdienstige overtuiging moet gaan dat </para>
      <para>degene die op deze bepaling een beroep doet reeds op de grond van die enkele overtuiging </para>
      <para>zijn winkel op de voor hem geldende rustdag gesloten houdt. Hiervan is naar het voorlopig </para>
      <para>oordeel van de president niet gebleken. </para>
      <para>Het aan een betere omzet op zondag ontleende argument ten betoge dat het verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening zou moeten worden ingewilligd, geeft aldus veeleer voedsel aan de </para>
      <para>ook door verweerders ter zitting geuite gedachte dat verzoeker, achteraf bezien, de </para>
      <para>betreffende ontheffing wellicht niet zo zeer om religieuze, maar om economische motieven </para>
      <para>heeft aangevraagd. </para>
      <para>Gelet op het vorenstaande is de president voorshands, in het licht van hetgeen partijen </para>
      <para>thans over en weer hebben aangedragen, van oordeel dat het niet aannemelijk is dat in </para>
      <para>bezwaar of in een eventueel beroep het besluit tot intrekking van de ontheffing geen stand </para>
      <para>kan houden. Voor een schorsing van het besluit is derhalve geen plaats. Nu de president </para>
      <para>ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden, die meebrengen dat </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van enigerlei voorziening </para>
      <para>vereist, dient het daartoe strekkende verzoek te worden afgewezen.</para>
      <para>De president acht geen termen aanwezig artikel 8:75 van de Awb toe te passen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>w.g. R.R. Winter					w.g. I.K. Rapmund</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>