<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0929</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T10:41:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0929</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/231</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0929">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0929</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0929 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 03-04-2001 / AWB 01/231</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0929:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0929:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/231						3 april 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De maatschap A, B en 56 anderen, te C, verzoekers,</para>
      <para>gemachtigde: mr H. van Ravenhorst, advocaat te Arnhem, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr dr J.P. Heinrich, advocaat te 's-Gravenhage, mr G. de Goede en dr A. Nielen, </para>
      <para>beiden werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,</para>
      <para>voorts dr A.J.A.J. de Smit en dr A. Dekker, beiden werkzaam op het ID-Lelystad, Instituut voor </para>
      <para>Diergezondheid, te Lelystad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij 58 gelijkluidende besluiten van 29 maart 2001 heeft verweerder aan verzoekers </para>
      <para>medegedeeld dat ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van </para>
      <para>verspreiding ervan onder meer noodzakelijk is dat alle evenhoevige dieren op de bedrijven </para>
      <para>van verzoekers worden gedood, dat de dieren in afwachting daarvan zullen worden </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer en dat over het precieze tijdstip van de te nemen </para>
      <para>maatregelen verzoekers nader zullen worden ge‹nformeerd.</para>
      <para>Op 2 april 2001 hebben verzoekers tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts hebben zij bij een eveneens op 2 april 2001 ingekomen verzoekschrift aan de </para>
      <para>president van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot </para>
      <para>schorsing van de bestreden besluiten tot op het door hen ingediende bezwaarschrift is </para>
      <para>beslist.</para>
      <para>De vordering die aan het ingediende verzoek ten grondslag lag was dat de </para>
      <para>laboratoriumuitslagen op grond waarvan door verweerder op het primaire bedrijf mond- en </para>
      <para>klauwzeer is vastgesteld, door een ander ter zake deskundig laboratorium worden </para>
      <para>bevestigd.</para>
      <para>Deze vordering is naar aanleiding van het verhandelde ter zitting door de gemachtigde van </para>
      <para>verzoekers omgezet in een verzoek tot opschorting van het doden van de te vaccineren </para>
      <para>dieren, in afwachting van nader door verweerder in overleg met "Brussel" te nemen </para>
      <para>beleidsbeslissingen. </para>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 2 april 2001, alwaar partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. Ter zitting is </para>
      <para>namens verzoekers tevens het woord gevoerd door D, ‚‚n der verzoekers en door E, </para>
      <para>veehoudster te C.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	Voor de regelgeving die de grondslag vormt voor de ter zitting geconverteerde vordering </para>
      <para>van verzoekers, wordt verwezen naar de uitspraak van de president van het College van </para>
      <para>Beroep voor het bedrijfsleven van 30 maart 2001, no. AWB 01/228,  inzake F te C, tevens </para>
      <para>‚‚n der verzoekers van het voorliggende verzoek om voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Bij faxbericht gedateerd 28 maart 2001 heeft ID-Lelystad verweerder onder meer het </para>
      <para>volgende bericht: "Monsters (.) bedrijf (.) Kootwijkerbroek zijn positief </para>
      <para>bevonden in de virus isolatie op cellen, in een rund en door middel van RT-PCR, </para>
      <para>voor mond- en klauwzeer".</para>
      <para>- Op grond van evengenoemde onderzoeksresultaten heeft verweerder voormelde </para>
      <para>Regeling(en) toezichtsgebied Kootwijkerbroek mond- en klauwzeer 2001 </para>
      <para>vastgesteld.</para>
      <para>- De bedrijven van de verzoekers, waarop onder meer koeien, schapen en varkens </para>
      <para>worden gehouden, liggen binnen een straal van 2 km rond het hiervoorbedoelde </para>
      <para>primaire bedrijf.</para>
      <para>- De gangbare testmethoden zijn neergelegd in een ter zitting overgelegde handleiding </para>
      <para>van de "Office International des Epizo”ties" (OIE). In deze handleiding zijn tussen </para>
      <para>de Lidstaten onderling en met derde landen geconcordeerde afspraken vastgelegd.</para>
      <para>-	Het testen op het MKZ virus gebeurt op grond van:</para>
      <para>1) Isolatie van het virus op cellen, die daarvoor geschikt zijn. Deze test heet ook wel: </para>
      <para>"the Golden Standard". Deze test kan tijdrovend zijn. Geeft deze test een positieve </para>
      <para>uitslag op MKZ, dan staat de diagnose voor het betreffende bedrijf vast.</para>
      <para>2) De tweede testmethode is het inspuiten van het virus in (de tong van) een rund. </para>
      <para>Bezien wordt of het betreffende dier na inspuiting klinische verschijnselen vertoont. </para>
      <para>Bovendien wordt het dier zelf ook aan een laboratorium-test onderworpen.</para>
      <para>3) Ten slotte (afsluitend) de RT-PCR methode. Bij positieve uitslag is dat in elk </para>
      <para>geval reden om door te gaan met analyse via de andere methoden.</para>
      <para>- Op het primaire bedrijf is aanvankelijk geen positieve uitslag verkregen uit de </para>
      <para>RT-PCR test. Dat gold ook voor de "Golden Standard"-test. Deze laatste test is </para>
      <para>vervolgens wederom uitgevoerd op lammerniercellen.</para>
      <para>- Na de herhaling van de "Golden Standard" test zijn positieve uitslagen verkregen op </para>
      <para>alledrie hiervoorgenoemde testonderdelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Voorts zijn blijkens een ter zitting overgelegde verklaring van de dierenarts die het </para>
      <para>primaire bedrijf op 21 maart jl. bezocht heeft, reeds de eerste dag klinische </para>
      <para>verschijnselen van MKZ vastgesteld. Deze verschijnselen zijn in de periode tot </para>
      <para>25 maart jl. verergerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoekers</para>
      <para>Verzoekers hebben erop gewezen dat er een beleidsontwikkeling gaande is op grond </para>
      <para>waarvan verwacht wordt dat in navolging van Engeland binnen afzienbare tijd zal worden </para>
      <para>overgegaan tot "ringvaccinaties" rondom besmettingshaarden. Dan wordt niet meer </para>
      <para>overgegaan tot het doden van de gevaccineerde dieren. Verzoekers zouden het onredelijk </para>
      <para>van verweerder vinden om, gelet op de geschetste ontwikkelingen thans tot ruiming van </para>
      <para>hun bedrijven over te gaan. </para>
      <para>4.	Het nadere standpunt van verweerder</para>
      <para>De Europese regelgeving staat aan de Europese Lidstaten preventieve vaccinatie ten </para>
      <para>algemene niet toe. Verweerder voert op basis van artikel 13, eerste lid, de Richtlijn </para>
      <para>90/423/ EEG, waarbij de Richtlijn 85/511 is gewijzigd, een non-vaccinatiebeleid. Gelet op </para>
      <para>dit non-vaccinatiebeleid en de grote dierdichtheid in Nederland is de uitbraak van MKZ </para>
      <para>een bijzonder ernstige zaak met zeer grote gevolgen. Wanneer de MKZ niet adequaat wordt </para>
      <para>bestreden zal Nederland zijn hoge status van MKZ-vrij land verliezen. Het gevolg zal zijn </para>
      <para>dat de export van vlees, zowel binnen als buiten de EU gedurende langere tijd (‚‚n … twee </para>
      <para>jaar) niet mogelijk zal zijn. In Nederland is 90% van het kalfsvlees en 75% van het </para>
      <para>rundvlees voor export bestemd. Bij een exportverbod zullen de kosten van de verzorging </para>
      <para>van de dieren al snel de inkomsten overtreffen. En dan zullen de veehouders zelf moeten </para>
      <para>beslissen dat zij hun vee niet langer kunnen aanhouden.</para>
      <para>Het MKZ-virus is zeer besmettelijk en verspreidt zich razendsnel. Besmetting kan </para>
      <para>plaatsvinden zowel tussen dieren onderling als via "dragers", die zelf niet vatbaar zijn voor </para>
      <para>de ziekte. De bestrijding van het virus moet rigoureus worden aangepakt. Door de </para>
      <para>Europese rekenkamer is in zijn rapport (Pb EG C85/15) in het kader van de klassieke </para>
      <para>varkenspest (KVP) aangegeven dat een Lidstaat weliswaar niet verplicht is preventief te </para>
      <para>ruimen, maar dat dit wel ‚‚n van de meest doeltreffende maatregelen is ter voorkoming van </para>
      <para>verspreiding van een epidemie. MKZ  is nog vele malen besmettelijker dan de klassieke </para>
      <para>varkenspest. Een simulatie van de Landbouwuniversiteit Wageningen heeft uitgewezen dat </para>
      <para>bij een rigoureuze uitvoering van het preventieslachtbeleid ten tijde van de klassieke </para>
      <para>varkenspestcrisis veel minder boerderijen preventief hadden moeten worden geruimd. Er </para>
      <para>zijn door de Europese Commissie twee ontwerprichtlijnen opgesteld voor MKZ en KVP </para>
      <para>bestrijding. In artikel 1 van deze beide ontwerprichtlijnen wordt buiten twijfel gesteld dat </para>
      <para>het gaat om een minimumpakket.   </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), juncto </para>
      <para>artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende een </para>
      <para>de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College </para>
      <para>openstaat, de president van het College een voorlopige voorziening treffen, indien </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. Verweerder heeft </para>
      <para>meegedeeeld dat hij de vaccinatie op de kortst mogelijke termijn wil laten volgen door het </para>
      <para>doden van de evenhoevige dieren op de bedrijven van verzoekers.</para>
      <para>Verzoekers hebben hun primaire verzoek, strekkende tot het opdragen van een contra-</para>
      <para>expertise, ter zitting ingetrokken.</para>
      <para>De vraag die thans resteert is of overeenkomstig het ter zitting geformuleerde verzoek om </para>
      <para>een voorlopige voorziening aan verweerder gelast zou moeten worden voorlopig af te zien </para>
      <para>van het doden van de de gevaccineerde en nog te vaccineren dieren, in afwachting van de </para>
      <para>door verzoekers verwachte beleidsontwikkelingen in verband met het tussen de minister en </para>
      <para>de Europese Commissie te voeren overleg. Dienaangaande overweegt de president als </para>
      <para>volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het verhandelde ter zitting en de door verweerder daartoe overgelegde stukken </para>
      <para>neemt de president voorshands, evenals in zijn uitspraak van 30 maart jl. (no. AWB </para>
      <para>01/228) aan dat er voldoende bevestiging, in de zin van de Richtlijn 85/511, is gegeven dat </para>
      <para>een of meer dieren op het zogenoemde primaire bedrijf, daadwerkelijk besmet zijn geweest </para>
      <para>met het mond- en klauwzeer virus.</para>
      <para>Toetsing van de bestreden besluiten aan de bepalingen van de Gezondheids- en </para>
      <para>welzijnswet voor dieren (met name artikel 22, onder f, en aan het Besluit verdachte dieren </para>
      <para>levert naar voorlopig oordeel, gelet op deze bevestiging, op dat verweerder de evenhoevige </para>
      <para>dieren op de bedrijven van verzoekers niet ten onrechte verdacht heeft verklaard en dat hij </para>
      <para>voorts in beginsel bevoegd is deze dieren te laten doden.</para>
      <para>Gelet op hetgeen door verweerder in deze zaak, en bij de behandeling van meergenoemd </para>
      <para>verzoek in zaak no. AWB 01/228  is aangevoerd ten aanzien van de noodzaak om ook na </para>
      <para>vaccinatie zo spoedig mogelijk tot ruiming van de gevaccineerde dieren over te gaan </para>
      <para>overweegt de president, in de lijn van zijn eerdere uitspraken terzake, dat het hier om een </para>
      <para>beoordeling van het beleid van verweerder gaat. Bij zo'n beoordeling toetst de rechter </para>
      <para>marginaal, dat wil zeggen dat hij slechts reden tot ingrijpen ziet, indien het beleid kennelijk </para>
      <para>onredelijk moet worden geacht. Die toetsing leidt de president bij de huidige stand van </para>
      <para>zaken met betrekking tot de mkz-epidemie, niet tot het oordeel dat het beleid kennelijk </para>
      <para>onredelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president ziet dan ook geen grond om wegens kennelijke onrechtmatigheid van de </para>
      <para>bestreden besluiten over te gaan tot schorsing daarvan of tot het treffen van een voorlopige </para>
      <para>voorziening als gevraagd.</para>
      <para>De president deelt de opvatting van verzoekers niet dat, nu de kans bestaat dat de Europese </para>
      <para>Commissie spoedig zal instemmen met een preventief vaccinatiebeleid, met het doden van </para>
      <para>de dieren op hun bedrijven moet worden gewacht. Gezien de aard van de besmetting en de </para>
      <para>daarmee samenhangende nauwelijks overzienbare risico's heeft verweerder zich </para>
      <para>voorshands in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onverantwoord is te </para>
      <para>wachten op het zich voordoen van een toekomstige onzekere gebeurtenis, bestaande uit een </para>
      <para>beleidswijziging van de Commissie, nog daargelaten de vraag of een dergelijke </para>
      <para>beleidswijziging betrekking zou kunnen hebben op de bedrijven van verzoekers, die </para>
      <para>gelegen zijn in een reeds aangewezen toezichtgebied als het onderhavige.</para>
      <para>Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om voorlopige voorziening niet voor </para>
      <para>toewijzing in aanmerking.</para>
      <para>De president ziet geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van artikel </para>
      <para>8:75 Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken. </para>
      <para>Dit leidt tot de volgende beslissing. </para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen					w.g. A. Bruining</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>