<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0909</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T21:29:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0909</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL2270</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/226</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=15">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 15</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=21">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=111">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 111</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006829">Besluit verdachte dieren</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006829&amp;artikel=2">Besluit verdachte dieren 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/139</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0909">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0909</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0909 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-03-2001 / AWB 01/226</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0909:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0909:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/226						30 maart 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, te B, verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde: mr A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Directeur van de Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr J.C.M. Oudshoorn, mr H.C.M. Borman-Nijman, drs F.P. de Klerk en D. de </para>
      <para>Smit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij besluit van 30 maart 2001 heeft verweerder verzoeker, onder verwijzing naar artikel 24 </para>
      <para>van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet), medegedeeld dat alle </para>
      <para>evenhoevigen op zijn bedrijf op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte </para>
      <para>dieren (Besluit van 15 juli 1994, houdende regels betreffende verdachte dieren, Stb. </para>
      <para>1994/731, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 augustus 1998, Stb. 1998/667, hierna: het </para>
      <para>Besluit) met ingang van die datum als verdacht van mond- en klauwzeer worden </para>
      <para>aangemerkt. Tevens heeft verweerder verzoeker, onder verwijzing naar artikel 21, derde </para>
      <para>lid, van de Wet, medegedeeld dat hij spoedheidshalve onder meer de volgende maatregel </para>
      <para>neemt:</para>
      <para>"	1. Ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van </para>
      <para>verspreiding ervan is het noodzakelijk dat alle evenhoevigen op uw bedrijf, </para>
      <para>overeenkomstig artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de GWWD, worden </para>
      <para>gedood. Over het precieze tijdstip van het doden van de dieren zult u nog nader </para>
      <para>ge‹nformeerd worden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend. Voorts heeft hij bij </para>
      <para>verzoekschrift van 30 maart 2001 aan de president van het College verzocht een voorlopige </para>
      <para>voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het besluit van 30 maart 2001 tot en </para>
      <para>met zes weken na de beslissing op bezwaar.</para>
      <para>De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 30 maart 2001, alwaar partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. </para>
      <para>2.	De toepasselijke regelgeving</para>
      <para>De considerans, alsmede de artikelen 2, 4 en 5 van Richtlijn nr. 85/511/EEG van de Raad </para>
      <para>van de Europese Gemeenschappen van 18 november 1985 tot vaststelling van </para>
      <para>gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer, zoals nadien </para>
      <para>gewijzigd (PbEG L315, hierna: de Richtlijn), luiden, voorzover hier van belang, als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend </para>
      <para>te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen; (.)</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Voorts wordt verstaan onder:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop:</para>
      <para>- klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op </para>
      <para>mond- en klauwzeer kunnen duiden, of</para>
      <para>- de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na </para>
      <para>laboratoriumonderzoek;</para>
      <para>d) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die klinische </para>
      <para>symptomen of na het slachten letsels vertonen, zodat met recht de </para>
      <para>aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed;</para>
      <para>e) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die - </para>
      <para>volgens de ingewonnen epizo"tiologische inlichtingen - rechtstreeks of </para>
      <para>onrechtstreeks in contact kunnen zijn geweest met het mond- en </para>
      <para>klauwzeervirus.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 4</para>
      <para>1. De Lidstaten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer </para>
      <para>van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek  </para>
      <para>wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het </para>
      <para>bijzonder dat de offici‰le dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen </para>
      <para>voor laboratoriumonderzoek.</para>
      <para>Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het </para>
      <para>bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:</para>
      <para>- alle dieren van alle categorie‰n voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te </para>
      <para>tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds </para>
      <para>gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in </para>
      <para>aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en </para>
      <para>gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden </para>
      <para>overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,</para>
      <para>- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te </para>
      <para>brengen op andere plaatsen waar zij ge‹soleerd kunnen worden,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. De bevoegde autoriteit kan de in lid 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de </para>
      <para>onmiddellijk aangrenzende bedrijven wanneer in verband met de ligging </para>
      <para>hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf </para>
      <para>die van de ziekte worden verdacht, voor een eventuele besmetting moet worden </para>
      <para>gevreesd.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Artikel 5</para>
      <para>Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in </para>
      <para>artikel 2, onder c, bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde </para>
      <para>autoriteit de volgende maatregelen neemt:</para>
      <para>1. de offici‰le dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met </para>
      <para>het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, </para>
      <para>wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de </para>
      <para>periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;</para>
      <para>2. naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de </para>
      <para>volgende maatregelen getroffen:</para>
      <para>- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel </para>
      <para>toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor </para>
      <para>verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht </para>
      <para>vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- </para>
      <para>en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de </para>
      <para>onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging </para>
      <para>hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf </para>
      <para>waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden </para>
      <para>gevreesd."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de Wet is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 15</para>
      <para>1. t/m 3. (.)</para>
      <para>4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als </para>
      <para>verdachte dieren moeten worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21</para>
      <para>1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo </para>
      <para>nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich </para>
      <para>heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of </para>
      <para>ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke </para>
      <para>maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.</para>
      <para>2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>3. In spoedeisende gevallen  neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze</para>
      <para>maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 22</para>
      <para>1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>f. het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 111</para>
      <para>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van </para>
      <para>krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische </para>
      <para>Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze </para>
      <para>wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken </para>
      <para>van bepalingen van deze wet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2 van het Besluit, waarbij in de considerans onder meer wordt verwezen naar de </para>
      <para>Richtlijn, alsmede naar de artikelen 15, vierde lid, en 111, van de Wet, luidt als volgt:</para>
      <para>"	Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien:</para>
      <para>	a. de aangewezen dierenarts bij de dieren verschijnselen meent te bespeuren </para>
      <para>van een besmettelijke dierziekte of</para>
      <para>b. de dieren zich met zieke of verdachte dieren in dezelfde verblijfplaats </para>
      <para>bevinden of binnen de in artikel 3 genoemde termijn hebben bevonden dan wel </para>
      <para>binnen deze termijn daarmee in aanraking zijn geweest of</para>
      <para>	c. de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de</para>
      <para>	gelegenheid zijn geweest  om te worden besmet, en de diersoort voor de </para>
      <para>desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Feiten en omstandigheden</para>
      <para>Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president op grond </para>
      <para>van de stukken en het onderzoek ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>- Op 29 maart 2001 is vastgesteld dat dieren op het bedrijf van C te D (hierna: het </para>
      <para>primaire bedrijf) besmet zijn met het mond- en klauwzeer-virus.</para>
      <para>- Verzoeker houdt een drietal koeien in een stal die hij huurt van E, de vader van C. </para>
      <para>Deze stal is gelegen op meer dan 2 kilometer afstand van het primaire bedrijf.</para>
      <para>- Op 29 maart 2001 heeft de RVV, na verzoeker mondeling in kennis te hebben gesteld </para>
      <para>van de beslissing om de drie koeien te ruimen, getracht hieraan uitvoering te geven.</para>
      <para>- Tegen de mondelinge ruimingsbeslissing heeft verzoeker bij brief van 29 maart 2001 </para>
      <para>een bezwaarschrift ingediend.  </para>
      <para>- Vervolgens heeft verweerder het besluit genomen ten aanzien waarvan thans het </para>
      <para>verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan. In dit besluit heeft verweerder de </para>
      <para>reden van verdenking van mond- en klauwzeer van verzoekers koeien als volgt </para>
      <para>omschreven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De reden van verdenking is vermoedelijke dier- en/of menscontacten met een </para>
      <para>besmet bedrijf. Daardoor kan niet uitgesloten worden dat de dieren op uw </para>
      <para>bedrijf in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met mond- en </para>
      <para>klauwzeer."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De gronden van het verzoek</para>
      <para>Bij haar verzoekschrift en ter zitting heeft verzoekster - kort samengevat - het volgende </para>
      <para>aangevoerd.</para>
      <para>Het besluit tot ruimen van verzoekers dieren is in strijd met de Richtlijn. Immers, de in </para>
      <para>artikel 5 van de Richtlijn genoemde maatregelen, waaronder ruiming, kunnen slechts </para>
      <para>worden getroffen indien is bevestigd dat zich in een bedrijf ‚‚n of meer dieren als bedoeld </para>
      <para>in artikel 2, aanhef en onder c, van de Richtlijn bevinden en deze situatie doet zich ten </para>
      <para>aanzien van verzoekers koeien niet voor: deze dieren zijn hedenochtend 30 maart 2001 </para>
      <para>onderzocht en daarbij zijn geen klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer </para>
      <para>waargenomen. Ook artikel 5, vierde lid, van de Richtlijn biedt geen grondslag voor het </para>
      <para>doden van verzoekers koeien: de stal waar deze dieren verblijven ligt - ge‹soleerd - op 5 </para>
      <para>kilometer afstand van het primaire bedrijf, zodat geen sprake is van een "onmiddellijk </para>
      <para>aangrenzend bedrijf" in de zin van die bepaling. Verzoeker heeft er hierbij nog op gewezen </para>
      <para>dat de Richtlijn een limitatief karakter heeft.</para>
      <para>Daarnaast is verweerders interpretatie van de nationale regelgeving en in het bijzonder van </para>
      <para>artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit niet verenigbaar met de Richtlijn, gezien het </para>
      <para>imperatieve/uitputtende karakter daarvan.</para>
      <para>De vermoedelijk dier- en/of menscontacten waarnaar in het besluit van 30 maart 2001 </para>
      <para>wordt verwezen hebben zich niet voorgedaan. In dit verband wordt verwezen naar een per </para>
      <para>fax toegezonden, ter zitting overgelegde verklaring van E, luidende:</para>
      <para>"	Ondergetekende verklaart in alle eerlijkheid</para>
      <para>- geen dierlijk contact te hebben gehad met rundvee van A</para>
      <para>- geen materiaalcontact te hebben gehad met bijv. kleding, schoeisel etc. E </para>
      <para>draagt bedrijfskleding v.h. bedrijf van zijn zoon, die daar achterblijft."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft hieraan toegevoegd dat er noch contact is geweest tussen verzoeker en E, </para>
      <para>noch tussen E en verzoekers dieren. Deze contacten zijn niet aangetoond, verweerder heeft </para>
      <para>hiervan zelfs geen begin van bewijs geleverd. </para>
      <para>5.	Het nadere standpunt van verweerder</para>
      <para>Aan zijn besluit van 30 maart 2001 heeft verweerder ter zitting nog het volgende </para>
      <para>toegevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Weliswaar zijn bij verzoekers koeien geen klinische verschijnselen van mond- en </para>
      <para>klauwzeer vastgesteld en zijn dit derhalve geen besmette dieren als bedoeld in artikel 2, </para>
      <para>aanhef en onder c, van de Richtlijn, maar dit neemt niet weg dat, gezien de omstandigheid </para>
      <para>dat mensen die contact hebben gehad met besmette dieren in contact kunnen zijn geweest </para>
      <para>met verzoekers koeien, hier sprake is van "van besmetting verdachte dieren" als bedoeld in </para>
      <para>artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn. Gelet hierop en gelet op de afstand van de </para>
      <para>stal waar verzoekers dieren verblijven tot het primaire bedrijf - 2400 meter en niet 5 </para>
      <para>kilometer, zoals verzoeker stelt - kunnen de dieren met toepassing van artikel 5, vierde lid, </para>
      <para>van de Richtlijn worden geruimd. Weliswaar is deze afstand groter dan het door </para>
      <para>verweerder gehanteerde afstandscriterium, doch de 400 meter "extra" wordt </para>
      <para>gerechtvaardigd door de familiecontacten tussen E en C. Bovendien kan ook bij bedrijven </para>
      <para>die liggen op 2400 meter afstand van het primaire bedrijf worden gesproken van </para>
      <para>"onmiddellijk aangrenzende bedrijven". Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt </para>
      <para>gesteld dat, ook al zou de Richtlijn zelf geen mogelijkheden bieden om maatregelen te </para>
      <para>treffen, het besluit van 30 maart 2001 niettemin niet onrechtmatig is, nu de Richtlijn </para>
      <para>slechts minimummaatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer geeft. Dit laatste </para>
      <para>is bevestigd in de uitspraken van 27 maart 2001, nrs. 01/204-205 en 01/210-211.</para>
      <para>Wat betreft de grondslag van de verdachtverklaring van verzoekers dieren: het </para>
      <para>traceringsonderzoek heeft uitgewezen dat er contacten hebben plaatsgevonden tussen </para>
      <para>C, wiens bedrijf besmet is verklaard, en E, in wiens stal verzoekers dieren verblijven. Deze </para>
      <para>familiecontacten zijn voor verweerder de reden geweest om verzoekers dieren preventief te </para>
      <para>ruimen.</para>
      <para>6.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>6.1	Ingevolge het bepaalde in artikel 8: 81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet </para>
      <para>bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep </para>
      <para>is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar  is gemaakt, op </para>
      <para>verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op </para>
      <para>de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>	Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld overweegt de president als volgt.</para>
      <para>6.2	Het bestreden besluit berust op de overweging dat, in verband met vermoedelijke dier-</para>
      <para>en/of menscontacten met een besmet bedrijf, niet kan worden uitgesloten dat de dieren op </para>
      <para>het bedrijf van verzoeker in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met mond-</para>
      <para>en klauwzeer.</para>
      <para>6.2.1	Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is er naar voorlopig oordeel </para>
      <para>voldoende grond om de dieren van verzoeker als verdachte dieren in de zin van artikel 2, </para>
      <para>onder c., van het Besluit aan te merken. </para>
      <para>	Daartoe overweegt de president als volgt.</para>
      <para>	Volgens de door verweerder overgelegde informatie worden de drie koeien, waar het hier </para>
      <para>om gaat, gehouden op een locatie te , in een - overigens leegstaande - stal, die verzoeker </para>
      <para>huurt van  E. De kortste afstand van het woonhuis van E tot de stallen, waarin zich de </para>
      <para>koeien van verzoeker bevinden, is volgens een door verzoeker gefaxte situatieschets circa </para>
      <para>10 meter. E is de vader van C, die te B woont. Het bedrijf van C is op 21 maart 2001 </para>
      <para>geruimd. Door verweerder overgelegde uitslagen van laboratorium-onderzoek geven naar </para>
      <para>voorlopig oordeel genoegzaam bevestiging, als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn </para>
      <para>85/511EEG, van een mond-en klauwzeer uitbraak op het bedrijf van C. Verzoeker heeft dit </para>
      <para>ook niet betwist.</para>
      <para>	Verzoeker stelt dat de afstand van de onderhavige locatie tot het bedrijf van C 5 kilometer </para>
      <para>bedraagt. Verweerder heeft gesteld dat het om ongeveer 2400 meter gaat. Wat daarvan zij, </para>
      <para>in beide gevallen moet de conclusie luiden dat de locatie op grotere afstand ligt dan de ring </para>
      <para>van 1 kilometer, later 2 kilometer, welke verweerder als afstandscriterium hanteert voor de </para>
      <para>beoordeling of, gelet op de veterinaire risico's van verspreiding van het virus rondom een </para>
      <para>besmet bedrijf, de dieren in de daar omheen liggende bedrijven als verdachte dieren </para>
      <para>moeten worden aangemerkt. </para>
      <para>	Niettemin ziet de president, gelet op het bepaalde in artikel 2, onder c., van het Besluit </para>
      <para>voorshands geen plaats voor het oordeel dat de dieren van verzoeker ten onrechte als </para>
      <para>verdacht zijn aangemerkt. Gelet op de vader- zoon relatie, de afstand tussen de locaties van </para>
      <para>E en C, het feit dat senior kennelijk in de veehouderij werkzaam is geweest en de </para>
      <para>omstandigheid dat senior verzoekers drie koeien op zijn bedrijfslocatie gehuisvest houdt </para>
      <para>bieden tezamen genomen voldoende redenen om, behoudens tegenbewijs, aan te nemen dat </para>
      <para>de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet. </para>
      <para>6.2.2 Vervolgens is de vraag aan de orde of er gronden zijn om tot schorsing over te gaan van het </para>
      <para>besluit van verweerder om - zo snel als mogelijk is - verzoekers dieren te doden. </para>
      <para>Dienaangaande overweegt de president het volgende.  </para>
      <para>	Gelet op hetgeen verweerder daarover, ook in eerdere procedures, heeft aangevoerd wijzen </para>
      <para>zijn bevindingen tot op heden met betrekking tot de verspreiding van het virus op een </para>
      <para>bijzonder grote mate van besmettelijkheid van het onderhavig virus. In die omstandigheden </para>
      <para>kan voorshands niet worden geoordeeld dat verweerder, bij afweging van de betrokken </para>
      <para>belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat  het belang van het voorkomen van </para>
      <para>verdere verspreiding van de ziekte het noodzakelijk maakt om tot onverwijlde actie met </para>
      <para>betrekking tot het doden van de dieren van verzoeker over te gaan en dat verzoekers belang </para>
      <para>hiervoor moet wijken. </para>
      <para>	De omstandigheid dat niet in geschil is dat de dieren op dit moment geen klinische </para>
      <para>verschijnselen vertonen van mond-en klauwzeer, doet daaraan niet af. Afwachten tot </para>
      <para>daarover meer bekend is houdt naar voorlopig oordeel immers onmiskenbaar het risico in </para>
      <para>dat, bij een onverhoopte bevestiging daarvan als bedoeld in de Richtlijn, er  een situatie </para>
      <para>kan zijn ontstaan, die noopt tot toepassing van het beleid van de minister om op veterinaire </para>
      <para>gronden tot ruiming van de omliggende bedrijven over te gaan. De belangen, ook van de </para>
      <para>omliggende veehouderij-bedrijven, die aan dat risico zijn verbonden zijn zo zwaarwegend, </para>
      <para>dat het belang van verzoeker om thans het besluit tot ruiming van de drie dieren op te </para>
      <para>schorten daarvoor moet wijken. Ook verweerders ter zitting aangevoerde stelling dat de </para>
      <para>veterinaire risico's geen ruimte meer bieden om de ruimingsbesluiten op te schorten totdat </para>
      <para>partijen voor die feiten meer onderbouwing hebben kunnen geven, acht de president </para>
      <para>voorshands niet onjuist. Hetgeen van de kant van verzoeker ter zake van de feiten ter </para>
      <para>zitting is aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunt voor een ander oordeel. Meer in </para>
      <para>het bijzonder overweegt de president daartoe dat  hetgeen in de verklaring in de fax van </para>
      <para>30 maart van E is opgemerkt erop wijst dat deze het bedrijf van zijn zoon in de afgelopen </para>
      <para>tijd heeft bezocht, mogelijk meerdere malen. </para>
      <para> 6.3	De gemachtigde van verzoeker heeft voorts nog aangevoerd dat het besluit van verweerder </para>
      <para>om tot doden van de dieren van zijn cli‰nt over te gaan zich niet verdraagt met het bepaalde </para>
      <para>in de Richtlijn. Naar zijn mening geeft de Richtlijn een uitputtende regeling. Geredeneerd </para>
      <para>vanuit die opvatting is er, gelet op het bepaalde bij met name artikel 5, vierde lid, van de </para>
      <para>Richtlijn, geen bevoegdheid om de onderhavige dieren af te maken. Anders dan in de </para>
      <para>Richtlijn aldaar is bepaald, wordt hier immers onder meer de maatregel dat dieren ter </para>
      <para>plaatse moeten worden afgemaakt niet uitgebreid tot de onmiddellijk aangrenzende </para>
      <para>bedrijven, maar tot een bedrijf dat op een afstand van (in elk geval) meer dan twee </para>
      <para>kilometer van het primaire bedrijf is gelegen en waartussen zich nog andere bedrijven </para>
      <para>bevinden.</para>
      <para>	De president  overweegt het volgende.</para>
      <para>	Hetgeen verzoeker aanvoert strekt ertoe in dit geding de president de conclusie te laten </para>
      <para>trekken dat het thans bestreden besluit geschorst moet worden op grond van de door </para>
      <para>verzoeker gestelde strijdigheid met de Richtlijn, gezien het uitputtend karakter daarvan. </para>
      <para>Om tot zo'n conclusie te komen is het naar voorlopig oordeel noodzakelijk, gelet op de </para>
      <para>belangen die de Richtlijn beoogt te dienen en de risico's die aan de orde zijn indien de </para>
      <para>maatregelen die verweerder noodzakelijk acht worden uitgesteld, dat het onmiskenbaar is </para>
      <para>dat de Richtlijn aanvullende bevoegdheden van de lidstaten uitsluit. Naar voorlopig </para>
      <para>oordeel kunnen de diverse door verzoeker genoemde argumenten niet leiden tot het oordeel </para>
      <para>dat van een dergelijke onmiskenbaarheid sprake is. </para>
      <para>	Daartoe overweegt de president meer in het bijzonder dat de aard van de materie waarover </para>
      <para>de in de Richtlijn neergelegde regeling gaat, naar voorlopig oordeel mee kan brengen dat, </para>
      <para>bijvoorbeeld vanwege het gedrag van een nog niet bekend virus-type, onder </para>
      <para>omstandigheden verdergaand optreden nodig blijkt om de door de Richtlijn nagestreefde </para>
      <para>doeleinden te bereiken. De Richtlijn-bepalingen vormen dus - naast de toetsing aan de </para>
      <para>bepalingen van de Wet - weliswaar het in eerste instantie meest aangewezen uitgangspunt </para>
      <para>voor de beoordeling door de rechter van de rechtmatigheid van de maatregelen die </para>
      <para>verweerder neemt, maar dat sluit naar voorlopig oordeel niet uit dat onder omstandigheden </para>
      <para>op bepaalde punten verdergaand optreden, dan in de bepalingen van de Richtlijn is </para>
      <para>voorzien, in het licht van de Richtlijn toelaatbaar geacht moeten worden. Niet valt in te </para>
      <para>zien, naar voorlopig oordeel, dat zodanige omstandigheden thans niet aan de orde zijn.</para>
      <para> 6.4	Wat betreft de vraag of verweerder in dit geval wellicht op minder ingrijpende wijze moet </para>
      <para>optreden merkt de president allereerst op dat verweerder grote ruimte toekomt bij de </para>
      <para>beoordeling van de noodzaak - in de zin van artikel 21 van de Wet - van een maatregel als </para>
      <para>hier aan de orde. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder de grenzen van die ruimte niet </para>
      <para>overschreden. </para>
      <para>6.5	Ter zake van de grieven over de belangenafweging van verweerder overweegt de president, </para>
      <para>met verwijzing naar hetgeen hij onder meer in de zaken AWB 01/210 en 01/211 daarover </para>
      <para>heeft overwogen, dat hem op dat punt een marginale toetsing toekomt. Die toetsing leidt de </para>
      <para>president - bij de huidige stand van zaken met betrekking tot de mond-en klauwzeer </para>
      <para>epidemie - niet tot het oordeel dat de beslissing van verweerder, gelet op de in geding </para>
      <para>zijnde belangen over en weer, kennelijk onredelijk is.</para>
      <para>6.5	Het vorenoverwogene leidt de president tot de slotsom dat het verzoek om een voorlopige </para>
      <para>voorziening  moet worden afgewezen.</para>
      <para>6.6	De president ziet geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van artikel </para>
      <para>8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de </para>
      <para>behandeling van het verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr B. Verwayen, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. B. Verwayen					w.g. W.F. Claessens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>