<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0908</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T10:57:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0908</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/209</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0908">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0908</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0908 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 28-03-2001 / AWB 01/209</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0908:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0908:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No. AWB 01/209						28 maart 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, B, C, D, E en F, </para>
      <para>G, H, I, J, K, L, M, N, O, P en Q, </para>
      <para>R, te S en T, te U, verzoekers,</para>
      <para>gemachtigden: mr W.F. van Oostveen en mr J.T.A.M. van Mierlo, advocaten te Deventer, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>de Directeur van de Rijksdienst voor de Keuring van vee en vlees, te Voorburg, verweerder, </para>
      <para>gemachtigden: drs F.H. Pluimers, werkzaam bij verweerder en mr H.C.M. Borman-Nijman, </para>
      <para>werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Bij gelijkluidende besluiten van 27 maart 2001 heeft verweerder aan verzoekers </para>
      <para>medegedeeld dat alle evenhoevige dan wel voor mond- en klauwzeergevoelige dieren op </para>
      <para>de bedrijven van verzoekers met ingang van 27 maart 2001 als verdacht van mond- en </para>
      <para>klauwzeer worden aangemerkt, alsmede dat ter bestrijding van het mond- en </para>
      <para>klauwzeervirus en ter voorkoming van verspreiding ervan het noodzakelijk is dat alle </para>
      <para>evenhoevige dieren op de bedrijven van verzoekers worden gedood en dat deze dieren, in </para>
      <para>afwachting hiervan, worden gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer, over het precieze </para>
      <para>tijdstip verzoekers nader zullen worden ge‹nformeerd.</para>
      <para>Tegen deze beslissingen hebben verzoekers bij brieven van 27 maart 2001 bezwaar-</para>
      <para>schriften bij verweerder ingediend.</para>
      <para>Op 27 maart 2001 hebben verzoekers zich eveneens tot de president van het College </para>
      <para>gewend met het verzoek, bij wege van een voorlopige voorziening, deze besluiten van </para>
      <para>verweerder te schorsen, dan wel verweerder te verbieden om over te gaan tot het verrichten </para>
      <para>van noodvaccinaties.</para>
      <para>De president heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van </para>
      <para>28 maart 2001, waar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader </para>
      <para>hebben toegelicht. </para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>De considerans, alsmede de artikelen 2, 4,5 en 13 van de Richtlijn 85/511/EEG van </para>
      <para>18 november 1985 van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd in Richtlijn 90/423 </para>
      <para>van 26 juni 1990 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van </para>
      <para>mond- en klauwzeer, luiden, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>Overwegende dat, zodat de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend </para>
      <para>te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen; (.) </para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 2</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Voorts wordt verstaan onder:</para>
      <para>a) (.)</para>
      <para>b) (.)</para>
      <para>c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop:</para>
      <para>- klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op </para>
      <para>mond- en klauwzeer kunnen duiden, of</para>
      <para>- de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na </para>
      <para>laboratoriumonderzoek;</para>
      <para>d. van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die klinische </para>
      <para>symptomen of na het slachten letsels vertonen, zodat met recht de </para>
      <para>aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed:</para>
      <para>e. van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die - volgens </para>
      <para>de ingewonnen epizo”tiologische inlichtingen - rechtstreeks of onrechtstreeks </para>
      <para>in contact kunnen zijn geweest met het mond- en  klauwzeervirus.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 4</para>
      <para>1. De Lidstaten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer </para>
      <para>van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek </para>
      <para>wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het </para>
      <para>bijzonder dat de offici‰le dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen </para>
      <para>voor laboratoriumonderzoek.</para>
      <para>Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het </para>
      <para>bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:</para>
      <para>- alle dieren van alle categorie‰n voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te </para>
      <para>tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds </para>
      <para>gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in </para>
      <para>aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en </para>
      <para>gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden </para>
      <para>overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,</para>
      <para>- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te </para>
      <para>brengen op andere plaatsen waar zij ge‹soleerd kunnen worden,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. De bevoegde autoriteit kan de in lid 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de </para>
      <para>onmiddellijk aangrenzende bedrijven wanneer in verband met de ligging </para>
      <para>hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf </para>
      <para>die van de ziekte worden verdacht, voor een eventuele besmetting moet worden </para>
      <para>gevreesd.</para>
      <para>3. De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden pas opgeheven </para>
      <para>wanneer officieel is vastgesteld dat het vermoeden van mond- en klauwzeer </para>
      <para>niet langer bestaat.</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>Artikel 5</para>
      <para>Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in </para>
      <para>artikel 2, onder c, bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde </para>
      <para>autoriteit de volgende maatregelen neemt:</para>
      <para>1. De offici‰le dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met </para>
      <para>het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, </para>
      <para>wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de </para>
      <para>periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;</para>
      <para>2. Naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de </para>
      <para>volgende maatregelen getroffen:</para>
      <para>- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel </para>
      <para>toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor </para>
      <para>verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht </para>
      <para>vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- </para>
      <para>en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>(.)</para>
      <para>3. De onder 1 bedoelde bepalingen kunnen buiten werking worden gesteld </para>
      <para>wanneer een secundaire besmettingshaard optreedt die epidemiologisch is </para>
      <para>verbonden met een primaire besmettingshaard waarvoor reeds monsters zijn </para>
      <para>genomen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de </para>
      <para>onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging </para>
      <para>hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf </para>
      <para>waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd. </para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>Artikel 13</para>
      <para>1. De Lid-Staten zien erop toe dat:</para>
      <para>	- het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt;</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van </para>
      <para>mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te </para>
      <para>voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, </para>
      <para>wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte </para>
      <para>zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen </para>
      <para>maatregelen hebben met name betrekking op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- de omvang van het geografisch gebied waar de noodvaccinatie moet worden </para>
      <para>uitgevoerd,</para>
      <para>- soort en leeftijd van de te vaccineren dieren</para>
      <para>- de duur van de vaccinatiecampagne</para>
      <para>- een specifiek verbod op verplaatsing voor gevaccineerde dieren en de </para>
      <para>producten daarvan</para>
      <para>- het specifieke merken en registreren van de gevaccineerde dieren</para>
      <para>- andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de </para>
      <para>Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16. Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening </para>
      <para>gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de </para>
      <para>noodzaak speciale rassen te beschermen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de </para>
      <para>ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid-</para>
      <para>Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de </para>
      <para>Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt onmiddellijk </para>
      <para>ge‰valueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comit‚ volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een ingevolge deze Richtlijn vastgestelde beschikking van de Europese Commissie </para>
      <para>(hierna: de Commissie) van 27 maart 2001 (hierna: de beschikking) luidt, voor zover hier </para>
      <para>van belang:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	Overwegende hetgeen volgt:</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	6. Het op grote schaal doden van dieren of besmette of verontreinigde </para>
      <para>bedrijven kan er al snel toe leiden dat de capaciteit voor het veilig vernietigen </para>
      <para>van karkassen is opgebruikt waardoor onvermijdelijk vertraging ontstaat bij het </para>
      <para>preventief doden, wat dan weer kan leiden tot verdere verspreiding van het </para>
      <para>virus.</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	9. Toepassing van vaccinatie zal onvermijdelijk de status ten aanzien van     </para>
      <para>mond- en klauwzeer in het internationale handelsverkeer in het gedrang     </para>
      <para>brengen, niet alleen voor de lidstaat of het deel van het grondgebied van de </para>
      <para>lidstaat waar vaccinatie wordt uitgevoerd.</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	Artikel 1</para>
      <para>Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>2. Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op </para>
      <para>ge‹dentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die </para>
      <para>uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als </para>
      <para>omschreven in punt 1. </para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	Artikel 2</para>
      <para>1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEC, en met name de artikelen 4,5 en 9, </para>
      <para>mag Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder de </para>
      <para>in de bijlage vastgestelde voorwaarden.</para>
      <para>	(.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de in dit artikel genoemde bijlage is onder meer het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de bestrijding en </para>
      <para>uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel 13, lid 3 van Richtlijn </para>
      <para>85/511/EEG</para>
      <para>1. Omvang van het geografische gebied waar suppressievaccinatie wordt </para>
      <para>toegepast.</para>
      <para>Het vaccinatiegebied omvat een gebied met een straal van maximaal</para>
      <para>2 km rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van Richtlijn </para>
      <para>85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen worden toegepast. </para>
      <para>Het vaccinatiegebied moet gelegen zijn in het in bijlage I bij Beschikking </para>
      <para>2001/223/EG van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd, vastgestelde deel </para>
      <para>van het grondgebied van Nederland.</para>
      <para>(.)</para>
      <para>Andere in verband met de suppressievaccinatie vereiste maatregelen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.1. Aanpassing van de overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 85/511/EEG </para>
      <para>vastgestelde gebieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een beschermingsgebied van ten minste 2 km en een toezichtsgebied van en </para>
      <para>minste 10 km rond het in punt 1 bedoelde vaccinatiegebied.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)"</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de wet), is het volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 15</para>
      <para>(...)</para>
      <para>4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als </para>
      <para>verdachte dieren moeten worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 17</para>
      <para>1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde </para>
      <para>gedeelten daarvan bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte </para>
      <para>kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze </para>
      <para>voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of </para>
      <para>aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter </para>
      <para>voorkoming van overbrenging van besmetting.</para>
      <para>(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21</para>
      <para>1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo </para>
      <para>nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich </para>
      <para>heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of </para>
      <para>ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke </para>
      <para>maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.</para>
      <para>2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze </para>
      <para>maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester dan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 22</para>
      <para>1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>f. het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>(.)</para>
      <para>j. het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 24</para>
      <para>Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar stelt het tijdstip vast waarop de </para>
      <para>verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte </para>
      <para>alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt en stelt daarbij tevens vast </para>
      <para>welke op het bedrijf aanwezige dieren op het tijdstip waarop de verdenking is </para>
      <para>ontstaan reeds ziek waren en welke dieren op dat tijdstip van de ziekte verdacht </para>
      <para>waren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 31</para>
      <para>Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het </para>
      <para>oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan </para>
      <para>hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen </para>
      <para>onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij </para>
      <para>zodanige regeling, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de </para>
      <para>Bekendmakingswet, op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 109</para>
      <para>Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 111</para>
      <para>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van </para>
      <para>krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische </para>
      <para>Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze </para>
      <para>wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken </para>
      <para>van bepalingen van deze wet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het Besluit verdachte dieren (Stb. 1994, 731) (hierna: het besluit) is onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 2</para>
      <para>Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>c. de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de </para>
      <para>gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de </para>
      <para>desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 van 21 maart 2001 (hierna: de </para>
      <para>Regeling), is onder meer bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 1</para>
      <para>Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de </para>
      <para>artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren </para>
      <para>aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door </para>
      <para>de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen </para>
      <para>zone rond de ziektehaard overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Regeling toezichtsgebied Oene, Olst, Welsum, Nijbroek, Doornspijk, Nunspeet en </para>
      <para>Oosterwolde mond en klauwzeer 2001 van 24 maart 2001 (hierna: de Regeling </para>
      <para>toezichtsgebied) is het toezichtsgebied Nijbroek vastgesteld. </para>
      <para>2.2	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden. </para>
      <para>- Op 23 maart 2001 zijn klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer op een </para>
      <para>bedrijf in S (hierna: het primaire bedrijf) aangetroffen. </para>
      <para>- De bedrijven van verzoekers zijn gelegen binnen een straal van 2 kilometer binnen </para>
      <para>het primaire bedrijf. </para>
      <para>- Bij brief van 26 maart 2001 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en </para>
      <para>Visserij (hierna: de Minister) de Voorzitter van de Tweede kamer der Staten-</para>
      <para>Generaal nadere informatie doen toekomen met betrekking tot de uitbraak van mond- </para>
      <para>en klauwzeer in Nederland. In die brief staat onder meer het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	In het Permanent veterinair Comit‚ van 23 maart heeft de Commissie een </para>
      <para>voorstel gepresenteerd om Nederland, onder bepaalde voorwaarden, toe te </para>
      <para>staan noodvaccinatie toe te passen. </para>
      <para>Tot mijn genoegen heeft dit voorstel in het PVC in ruime mate steun </para>
      <para>ontvangen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De noodvaccinatie mag in Nederland slechts worden toegepast op </para>
      <para>veehouderijbedrijven die preventief zullen worden geruimd, dat wil zeggen zijn </para>
      <para>gelegen binnen de zone van 1 km (of zonodig 2 km) rond een besmet bedrijf. </para>
      <para>Voorwaarde daarbij is dat kan worden aangetoond dat de dodings- en/of </para>
      <para>destructiecapaciteit ontoereikend was om het preventieve ruimen. De ge‰nte </para>
      <para>dieren dienen binnen 2 maanden alsnog gedood en vernietigd te worden. De </para>
      <para>noodenting is daarmee, ik wijs daar met nadruk op, geen alternatief voor het </para>
      <para>preventief ruimen, maar een instrument om het ruimen gefaseerd te kunnen </para>
      <para>uitvoeren zonder dat het risico wordt gelopen dat het MKZ-virus zich verder </para>
      <para>verspreidt. Noodenting mag, zo is nadrukkelijk door de Commissie bepaald, </para>
      <para>niet worden toegepast rond de bedrijven die op 23 maart reeds besmet of </para>
      <para>verdacht waren (Olst, Welsum, Oene, Maaren Kessel, Beesd, Sprang-Capelle </para>
      <para>en Oosterwolde). Nu er nieuwe besmettingen rondom Oene zijn geconstateerd </para>
      <para>zal dit het eerste gebied zijn waar gevaccineerd zal worden. In een </para>
      <para>aaneengesloten gebied wordt in een straal van 2 km rond de </para>
      <para>besmettingshaarden van buiten naar binnen noodvaccinatie toegepast. (.)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en </para>
      <para>het standpunt van verweerder</para>
      <para>Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan houdt </para>
      <para>onder meer het volgende in:</para>
      <para>"	Hierbij deel ik u, overeenkomstig artikel 24 van de Gezondheids- en </para>
      <para>welzijnswet voor dieren (GWWD), mede dat alle evenhoevige danwel voor </para>
      <para>mond- en klauwzeer gevoelige dieren op uw bedrijf op grond van artikel 2, </para>
      <para>onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Stb. 1994, 731) met ingang van </para>
      <para>heden als verdacht van mond- en klauwzeer worden aangemerkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De reden van verdenking is dat in de omgeving van uw bedrijf, te weten in </para>
      <para>Nijbroek op 23 maart 2001 een geval van mond- en klauwzeer is vastgesteld. </para>
      <para>Daardoor kan niet uitgesloten worden dat de dieren op uw bedrijf in de </para>
      <para>gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met mond- en klauwzeer.</para>
      <para>Voorts deel ik u mede, dat ik overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de </para>
      <para>GWWD spoedheidshalve de volgende maatregelen neem:</para>
      <para>1. Ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van </para>
      <para>verspreiding ervan is het noodzakelijk dat alle evenhoevige dieren op uw </para>
      <para>bedrijf, overeenkomst artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de GWWD, </para>
      <para>worden gedood. Over het precieze tijdstip van het doden van de dieren zult u </para>
      <para>nog nader ge‹nformeerd worden.</para>
      <para>In afwachting van het doden van de op uw bedrijf aanwezige evenhoevige </para>
      <para>dieren zullen zij overeenkomstig artikel 17, eerste l lid, van de GWWD worden </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer. Het vaccineren geschiedt namens de </para>
      <para>Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees. De gevaccineerde dieren </para>
      <para>worden terstond na de vaccinatie voorzien van een daartoe door de directeur </para>
      <para>van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees aangewezen </para>
      <para>identificatiemerk.Over het precieze tijdstip waarop uw dieren gevaccineerd </para>
      <para>zullen worden zult u nog ander ge‹nformeerd worden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.</para>
      <para>De onderhavige besluiten zijn overeenkomstig de Europese en nationale wet- en </para>
      <para>regelgeving genomen.</para>
      <para>De beschikking biedt grondslag voor verweerder om noodvaccinaties uit te voeren alvorens </para>
      <para>tot preventieve ruiming over te gaan bij verdachte dieren op bedrijven rond een straal van </para>
      <para>2 km binnen een ziektehaard. </para>
      <para>Ook zonder deze beschikking is het verweerder toegestaan noodvaccinaties uit te voeren. </para>
      <para>Verweerder heeft immers van zijn beslissing omtrent het uitvoeren van noodvaccinaties, </para>
      <para>conform het bepaalde in artikel 13, derde lid van de Richtlijn kennis gegeven aan de </para>
      <para>Commissie. Derhalve is het verweerder toegestaan om in de door de Minister op grond van </para>
      <para>de artikelen 17 en 30 van de wet aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en </para>
      <para>klauwzeer, waaronder S, noodvaccinaties uit te voeren. De Regeling maakt geen </para>
      <para>onderscheid tussen gevallen van besmetting van v¢¢r of na 23 maart 2001.</para>
      <para>De beslissing van verweerder dat noodvaccinaties plaatsvinden binnen een straal van 2 km </para>
      <para>binnen de ziektehaard vindt zijn grondslag in de ter zitting getoonde topografische kaart, </para>
      <para>waarop de locatie van de ziektehaard te aangewezen, alsmede het aansluitende gebied </para>
      <para>binnen een straal van 2 km rond de ziektehaard, welke door verweerder is vastgesteld. Er is </para>
      <para>geen apart schriftelijk besluit tot vaststelling van de zone. </para>
      <para>De bedrijven die gelegen zijn binnen een straal van 2 km rond de ziektehaard krijgen van </para>
      <para>deze zone-aanwijzing individueel bericht. De bedrijven van verzoekers zijn gelegen in een </para>
      <para>straal van 2 km rond de ziektehaard in S. </para>
      <para>De brief van de Minister van 26 maart 2001 betekent niet dat hij bij de bedrijven van </para>
      <para>verzoekers niet tot noodvaccinaties zou mogen overgaan. Deze brief betreft slechts een </para>
      <para>politieke afspraak, die uitsluitend geldt tussen de Lid-staten onderling en niet tussen </para>
      <para>verweerder en verzoekers, terwijl de in die brief weergegeven afspraak inmiddels ook </para>
      <para>achterhaald is. Bovendien was de uitslag van het bloedmonster van het besmettingsgeval in </para>
      <para>S eerst laat op de avond van 23 maart 2001 bekend. </para>
      <para>Drs Pluimers heeft de achtergrond van voornoemde afspraak geschetst. Verweerder heeft </para>
      <para>bij de Commissie drie bestaande gevallen van besmetting en vier gevallen waarbij </para>
      <para>verdenking van besmetting bestond, zijn genoemd. Er is op 23 maart 2001 een politiek </para>
      <para>akkoord bereikt dat deze zeven gevallen, gelet op de aanwezigheid van voldoende </para>
      <para>capaciteit tot ruiming van bedrijven in Nederland, welke in de brief zijn vermeld, geen </para>
      <para>aanleiding vormden voor noodvaccinatie. De bekende gevallen van besmetting konden </para>
      <para>binnen 4 dagen worden vernietigd.</para>
      <para>Toen vervolgens onvoldoende capaciteit ontstond, heeft verweerder de Commissie zijn </para>
      <para>voornemen kenbaar gemaakt over te gaan op aan preventieve ruiming voorafgaande </para>
      <para>noodvaccinatie. Hiertoe bestond in verband met het besmettingsgevaar aanleiding in </para>
      <para>verband met de lange periode gelegen tussen het besluit tot preventief ruimen en de </para>
      <para>uitvoering daarvan. In overleg met en op aandringen van de Commissie op 26 maart 2001 </para>
      <para>is vervolgens door verweerder de reeds eerder voor noodvaccinaties vastgestelde zone van </para>
      <para>1 km naar 2 km binnen de besmettingshaard verschoven. </para>
      <para>De verschijnselen van mond- en klauwzeer op het primaire bedrijf waren verweerder eerst </para>
      <para>op 24 maart 2001 bekend.</para>
      <para>Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige </para>
      <para>voorziening.</para>
      <para>4.	Het standpunt van verzoekers</para>
      <para>Verzoekers hebben - samengevat - het volgende aangevoerd.</para>
      <para>Ten onrechte heeft verweerder besloten om noodvaccinaties uit te voeren. Immers, blijkens </para>
      <para>brief van de Minister van 26 maart 2001 heeft de Minister verklaard dat noodentingen niet </para>
      <para>worden toepast op de bedrijven in met name genoemde dorpen/gemeenten, die op 23 maart </para>
      <para>2001 reeds besmet of verdacht waren,  waarbij S niet werd genoemd. Dit laatste ten </para>
      <para>onrechte aangezien dierenarts V reeds op 23 maart 2001 om </para>
      <para>12.15 uur klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer bij dieren bij een bedrijf in S </para>
      <para>heeft aangetroffen. Daarmee is vast komen te staan dat dit bedrijf op 23 maart 2001 </para>
      <para>verdacht wordt van mond- en klauwzeer waardoor het gerekend moet worden tot de </para>
      <para>bestaande gevallen waarvoor geen noodvaccinatie mag worden toegepast. Aangezien S ‚‚n </para>
      <para>van de zeven gevallen was die bekend waren op 23 maart 2001 en waarvoor geen </para>
      <para>noodvaccinatie zou worden toegepast, is in de onderhavige gevallen de Regeling niet van </para>
      <para>toepassing en ontbeert verweerder de bevoegdheid om in S noodvaccinaties uit te voeren </para>
      <para>binnen een straal van 1 dan wel 2 km rond de ziektehaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de bestreden besluiten ligt een bevoegdheidsgebrek ten grondslag, aangezien de </para>
      <para>mandatering door de Minister van de bevoegdheid op grond van artikel 1 van de Regeling </para>
      <para>aan verweerder niet van kracht is. Immers, de door verweerder overgelegde mandaterings-</para>
      <para>regeling is niet gepubliceerd in de Staatscourant en heeft ook overigens geen </para>
      <para>terugwerkende kracht. Voorts zijn de beslissingen van verweerder tot noodvaccinatie niet </para>
      <para>gebaseerd op wet/regelgeving. Verweerder heeft niet aangetoond op welke wijze de cirkel </para>
      <para>van 2 km wordt vastgesteld. </para>
      <para>Met betrekking tot de spoedeisendheid van de door hen verzochte voorlopige voorziening, </para>
      <para>hebben verzoekers erop gewezen dat de gehele veestapel, althans de evenhoevige dieren op </para>
      <para>de bedrijven van verzoekers op 28 maart 2001 op de planning van verweerder staan voor </para>
      <para>noodvaccinaties. Gelet daarop hebben zij een spoedeisend belang bij het treffen van een </para>
      <para>voorlopige voorziening. </para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto </para>
      <para>artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de </para>
      <para>beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, </para>
      <para>de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien </para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>Hieromtrent overweegt de president als volgt. </para>
      <para>Partijen verschillen niet van mening dat de dieren op het primaire bedrijf in de zin van de </para>
      <para>Richtlijn als besmet dienen te worden aangemerkt, hetgeen ook uit de overgelegde stukken </para>
      <para>blijkt. Zulks brengt met zich dat de onderhavige dieren terecht in de zin van artikel 15, </para>
      <para>vierde lid, van de wet en het besluit door verweerder als verdachte dieren zijn aangemerkt.</para>
      <para>De president ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder de bevoegdheid </para>
      <para>toekomt om de onderhavige maatregelen te nemen. Ingevolge artikel 21 van de wet kan de </para>
      <para>aangewezen ambtenaar in spoedeisende gevallen overgaan tot het nemen van maatregelen </para>
      <para>tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte, zoals mond- en klauwzeer. </para>
      <para>Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, kunnen die maatregelen zijn het doden </para>
      <para>van zieke en verdachte dieren. De president is voorshands van oordeel dat verweerder gelet </para>
      <para>op het bepaalde in de artikelen 13, derde lid van de Richtlijn, juncto artikelen 22, eerste lid, </para>
      <para>aanhef en onder j en 17, eerste lid van de wet, juncto artikel 1 van de Regeling de </para>
      <para>bevoegdheid heeft om de dieren op de bedrijven bij verzoekers in een door verweerder te </para>
      <para>bepalen zone rond de ziektehaard in S overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen </para>
      <para>te vaccineren tegen mond- en klauwzeer alvorens tot doding over te gaan. De president is </para>
      <para>daarbij van oordeel dat de Regeling reeds sedert 21 maart 2001 in werking is getreden. De </para>
      <para>Regeling geeft verweerder ook zonder mandaat de bevoegdheid de zone te bepalen.</para>
      <para>De president overweegt voorts dat verweerder ook de bevoegdheid te beslissen tot enting </para>
      <para>toekomt zonder toestemming van de Commissie. In dit verband overweegt de president dat </para>
      <para>artikel 13, derde lid, laatste alinea van de Richtlijn de mogelijkheid aan de betrokken Lid-</para>
      <para>Staat biedt te besluiten tot noodinenting over te gaan, zulks rond de ziektehaard, na </para>
      <para>kennisgeving aan de Commissie en mits de wezenlijke belangen van de Gemeenschap niet </para>
      <para>in gevaar worden gebracht. </para>
      <para>Verweerder heeft conform het bepaalde in dit artikel aan de Commissie kennis gegeven </para>
      <para>van zijn besluit om tot noodinenting over te gaan. Gesteld noch gebleken is dat de </para>
      <para>wezenlijke belangen van de Gemeenschap in gevaar worden gebracht. De president ziet </para>
      <para>derhalve niet in, daargelaten de vraag of de besmetting op 23 maart 2001 dan wel op een </para>
      <para>later tijdstip in S is vastgesteld, dat verweerder op grond van voornoemde wet- en </para>
      <para>regelgeving niet de bevoegdheid zou hebben om in de onderhavige gevallen over te gaan </para>
      <para>tot het uitvoeren van aan doding voorafgaande noodvaccinaties. </para>
      <para>De brief van de Minister van 26 maart 2001 leidt, gelet op hetgeen hierboven overwogen </para>
      <para>is, naar het voorlopig oordeel van de president, niet tot een ander oordeel. Hierbij wordt </para>
      <para>door de president beslissend belang gehecht aan hetgeen ter zitting door drs Pluimers naar </para>
      <para>voren is gebracht, inhoudende dat voornoemde brief het overleg weerspiegelt in het </para>
      <para>Permanent Veterinair Comit‚ van 23 maart 2001, waarbij afspraken tot stand zijn gekomen </para>
      <para>naar aanleiding van de verklaringen van verweerder dat op dat moment voldoende </para>
      <para>capaciteit aanwezig was voor ruiming van zeven gevallen. </para>
      <para>Niet is gebleken dat bij die afspraken het onderhavige geval van besmetting was betrokken. </para>
      <para>Op die afspraken kon ook nog worden teruggekomen toen capaciteitsgebrek ontstond in </para>
      <para>verband met andere, niet in voornoemd overleg betrokken, gevallen van besmetting en </para>
      <para>verdenking van besmetting, zoals het onderhavige. Gelet hierop vormt voornoemde brief </para>
      <para>voor verweerder zeker geen juridische belemmering voor het toepassen van de onderhavige </para>
      <para>maatregelen. </para>
      <para>Vervolgens is aan de orde de vraag of verweerder op juiste gronden gebruik heeft gemaakt </para>
      <para>van voornoemde bevoegdheid en heeft mogen beslissen om in de onderhavige gevallen </para>
      <para>noodvaccinaties uit te voeren en vervolgens te doden alsmede om de zone te S uit te </para>
      <para>breiden van 1 naar 2 km binnen de ziektehaard aldaar. </para>
      <para>Dienaangaande overweegt de president dat hem slechts een marginale toetsing toekomt. De </para>
      <para>president toetst met name of het betrokken gezag op feitelijk juiste grondslag tot zijn </para>
      <para>oordeel is gekomen en voorts of gezegd moet worden dat het betrokken gezag niet in </para>
      <para>redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen. </para>
      <para>Voor het oordeel dat het beleid van verweerder om in een situatie als thans aan de orde </para>
      <para>over te gaan tot aan doding voorafgaande vaccinatie en tot doding van dieren, waaronder </para>
      <para>die van verzoekers, binnen een straal van 2 km rond het bedrijf S, onmiskenbaar </para>
      <para>onrechtmatig is, zodat de voorgenomen maatregelen moeten worden geschorst, ziet de </para>
      <para>president voorshands geen plaats.</para>
      <para>De president overweegt daaromtrent dat de aard van de maatregel inderdaad onmiskenbaar </para>
      <para>uiterst rigoureus is, maar naar het oordeel van de president niet onredelijk. Bij dit oordeel </para>
      <para>wordt betrokken dat door verzoekers wordt erkend dat hun bedrijven zijn gelegen binnen </para>
      <para>een straal van 2 km binnen de ziektehaard. Voorts wordt daarbij betrokken het mogelijk </para>
      <para>epidemisch karakter van de ziekte. Van belang daarbij is de van de kant van verweerder </para>
      <para>gegeven uiteenzetting over de veterinaire aspecten van de zaak en met name de aard van de </para>
      <para>besmetting en daarmee samenhangende nauwelijks te overziene risico's van verspreiding, </para>
      <para>de door verweerder te beoordelen noodzaak tot uitbreiding van zones wanneer het virus om </para>
      <para>zich grijpt, het capaciteitstekort bij het (preventief) ruimen en het verstrijken van een </para>
      <para>onwenselijk lange periode tussen het besluit tot ruimen en het daadwerkelijk ruimen, de </para>
      <para>noodzakelijkheid van een extra hulpmiddel bij de bestrijding van het virus en het </para>
      <para>aandringen van de Commissie op uitbreiding van de straal van 1 naar 2 km van de </para>
      <para>besmettingshaard.</para>
      <para>Verweerder heeft bij afweging van alle hiervoor in aanmerking komende belangen </para>
      <para>waaronder hierboven genoemde belangen en de belangen van veehouders die in de positie </para>
      <para>verkeren waarin verzoekers zeggen te verkeren in redelijkheid tot de slotsom kunnen </para>
      <para>komen dat niet alleen de maatregel tot doding maar ook de inzet van de nadere maatregel </para>
      <para>tot vaccinering noodzakelijk was.</para>
      <para>Zoals al gezegd, komt de president alleen een marginale toetsing toe. Die toetsing kan niet </para>
      <para>- bij de huidige stand van zaken met betrekking tot de mond- en klauwzeer epidemie - tot </para>
      <para>het oordeel leiden dat de beslissing van verweerder zozeer kennelijk onredelijk is dat een </para>
      <para>schorsing van de besluiten in de rede ligt. </para>
      <para>Het voorgaande brengt de president tot het oordeel dat de beslissingen van verweerder niet </para>
      <para>zozeer kennelijk onredelijk zijn dat een onmiddellijk ingrijpen van de president </para>
      <para>noodzakelijk is, zodat het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. </para>
      <para>De president ziet geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van artikel </para>
      <para>8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De beslissing</para>
      <para>De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2001.</para>
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. I.K. Rapmund</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>