<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2001:AB0897</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T11:07:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB0897</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2001-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 01/227</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=21&amp;g=2001-03-31">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005662&amp;artikel=22&amp;g=2001-03-31">Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0897">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2001:AB0897</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:24:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2001:AB0897 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 31-03-2001 / AWB 01/227</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0897:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2001:AB0897:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>No.AWB 01/227						31 maart 2001</para>
      <para>	11230</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. A, wonende te B,</para>
      <para>2. C, wonende te B,</para>
      <para>3. D, gevestigd te E,</para>
      <para>4. F, gevestigd te G,</para>
      <para>5. H, gevestigd te I,</para>
      <para>6. J, gevestigd te K,</para>
      <para>7. L, gevestigd te M,</para>
      <para>8. N, gevestigd O,</para>
      <para>gemachtigden: mr N.J.M. de Munnik en mr J.J. Feenstra, advocaten te Rotterdam, </para>
      <para>tegen</para>
      <para>1. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage,</para>
      <para>2. De directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te 's-Gravenhage,</para>
      <para>hierna individueel en gezamenlijk mede aan te duiden als verweerder,</para>
      <para>gemachtigden: mr J.C.M. Oudshoorn en mr G.P.G. Kunst, werkzaam bij verweerder, en mr </para>
      <para>G.J.H. Houtzagers, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Op 30 maart 2001 hebben verzoeksters aan verweerder op  de kortst mogelijke termijn, bij </para>
      <para>voorkeur binnen een uur ontheffing verzocht van de maatregel een honderdtal </para>
      <para>Schoonebeeker Heideschapen (alsmede veertig lammeren) te vaccineren tegen mond- en </para>
      <para>klauwzeer in afwachting van het doden, alsmede ontheffing van de maatregel deze dieren </para>
      <para>te doden. </para>
      <para>Eveneens op 30 maart 2001 hebben verzoekers tegen het uitblijven van een schriftelijke </para>
      <para>besluit van de zijde van verweerder, hetgeen zij hebben gekwalificeerd als een fictieve </para>
      <para>weigering, een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op dezelfde datum hebben verzoekers bij de president verzocht terzake een voorlopige </para>
      <para>voorziening te treffen inhoudende schorsing van het besluit de Schoonebeeker </para>
      <para>Heideschapen te doden alsmede schorsing van het besluit deze schapen te vaccineren </para>
      <para>gevolgd door doden. Subsidiair verzoeken verzoekers bij niet-schorsing van de maatregel </para>
      <para>tot vaccinering gevolgd door doding te bepalen dat tussen de vaccinering en de doding een </para>
      <para>zodanige ruime periode zal liggen dat een beslissing van de Europese Commissie kan </para>
      <para>worden uitgelokt en tevens prejudici‰le vragen kunnen worden gesteld.</para>
      <para>De president heeft de zaak behandeld ter zitting van 30 maart 2001, alwaar partijen bij </para>
      <para>monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben uiteengezet.</para>
      <para>De president heeft de besluiten in afwachting van de uitspraak geschorst.</para>
      <para>Na sluiting van de behandeling hebben partijen  de president nadere stukken doen </para>
      <para>toekomen.</para>
      <para>2.	De grondslag van het geschil</para>
      <para>2.1	De considerans, alsmede de artikelen 2, 4, 5, 9, 13 en 16 van Richtlijn nr. 85/511/EEG van </para>
      <para>de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 november 1985 tot vaststelling van </para>
      <para>gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer, zoals nadien </para>
      <para>enkele malen gewijzigd (PbEG L315, hierna: de Richtlijn), luiden, voor zover hier van </para>
      <para>belang, als volgt:</para>
      <para>"	(.)</para>
      <para>	Overwegende dat, zodra de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, </para>
      <para>maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend </para>
      <para>te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen; (.)</para>
      <para>	(.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 2</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	Voorts wordt verstaan onder:</para>
      <para>	a) (.)</para>
      <para>	b) (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop:</para>
      <para>	- klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op </para>
      <para>mond- en klauwzeer kunnen duiden, of</para>
      <para>	- de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na </para>
      <para>laboratoriumonderzoek;</para>
      <para>	d) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die klinische </para>
      <para>symptomen of na het slachten letsels vertonen, zodat met recht de </para>
      <para>aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed;</para>
      <para>	e) van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die - </para>
      <para>volgens de ingewonnen epizo”tiologische inlichtingen - rechtstreeks of </para>
      <para>onrechtstreeks in contact kunnen zijn geweest met het mond- en </para>
      <para>klauwzeervirus.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 4</para>
      <para>	1. De Lidstaten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer </para>
      <para>van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek  </para>
      <para>wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het </para>
      <para>bijzonder dat de offici‰le dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen </para>
      <para>voor laboratoriumonderzoek.</para>
      <para>	Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het </para>
      <para>bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:</para>
      <para>	- alle dieren van alle categorie‰n voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te </para>
      <para>tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds </para>
      <para>gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in </para>
      <para>aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en </para>
      <para>gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden </para>
      <para>overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,</para>
      <para>	- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te </para>
      <para>brengen op andere plaatsen waar zij ge‹soleerd kunnen worden,</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	2. De bevoegde autoriteit kan de in lid 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de </para>
      <para>onmiddellijk aangrenzende bedrijven wanneer in verband met de ligging </para>
      <para>hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf </para>
      <para>die van de ziekte worden verdacht, voor een eventuele besmetting moet worden </para>
      <para>gevreesd.</para>
      <para>	3. De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden pas opgeheven </para>
      <para>wanneer officieel is vastgesteld dat het vermoeden van mond- en klauwzeer </para>
      <para>niet langer bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 5</para>
      <para>	Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in </para>
      <para>artikel 2, onder c, bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde </para>
      <para>autoriteit de volgende maatregelen neemt:</para>
      <para>	1. De offici‰le dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met </para>
      <para>het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, </para>
      <para>wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de </para>
      <para>periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;</para>
      <para>	2. naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de </para>
      <para>volgende maatregelen getroffen:</para>
      <para>	- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel </para>
      <para>toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor </para>
      <para>verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>	- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht </para>
      <para>vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- </para>
      <para>en klauwzeervirus kan worden voorkomen,</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>	3. de onder 1 bedoelde bepalingen kunnen buiten werking worden gesteld </para>
      <para>wanneer een secundaire besmettingshaard optreedt die epidemiologisch is </para>
      <para>verbonden met een primaire besmettingshaard waarvoor reeds monsters zijn </para>
      <para>genomen;</para>
      <para>	4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de </para>
      <para>onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging </para>
      <para>hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf </para>
      <para>waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 9</para>
      <para>	1. De Lid-Staten zien erop toe dat - zodra de diagnose van mond- en klauwzeer </para>
      <para>officieel is gesteld - de bevoegde autoriteit rondom het besmette bedrijf een </para>
      <para>beschermingsgebied met een straal van minstens 3 km en een toezichtgebied </para>
      <para>met een straal van minstens 10 km afbakent. Bij de afbakening van deze </para>
      <para>gebieden moet rekening worden gehouden met natuurlijke hindernissen en de </para>
      <para>mogelijkheid om controles uit te voeren en met de technologische vooruitgang </para>
      <para>die het mogelijk maakt de mogelijke verspreiding van het virus door de lucht of </para>
      <para>anderszins te voorzien; zo nodig moet de afbakening in het licht van deze </para>
      <para>factoren worden herzien.</para>
      <para>	2. (..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 13</para>
      <para>	1. De Lid-Staten zien erop toe dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	-	het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt,</para>
    <para />
    <para>	(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van </para>
      <para>mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te </para>
      <para>voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, </para>
      <para>wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte </para>
      <para>zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen </para>
      <para>maatregelen hebben met name betrekking op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	- de omvang van het geografisch gebied waar de noodvaccinatie moet worden </para>
      <para>uitgevoerd,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	- soort en leeftijd van de te vaccineren dieren,</para>
      <para>	- duur van de vaccinatiecampagne,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	- een specifiek verbod op verplaatsing voor gevaccineerde dieren en de </para>
      <para>produkten daarvan,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	- het specifieke merken en registreren van de gevaccineerde dieren, </para>
    <para />
    <para>	- andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de </para>
      <para>Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16. Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening </para>
      <para>gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de </para>
      <para>noodzaak speciale rassen te beschermen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de </para>
      <para>ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid-</para>
      <para>Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de </para>
      <para>Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt onmiddellijk </para>
      <para>ge‰valueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comit‚ volgens de </para>
      <para>procedure van artikel 16.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Artikel 16</para>
      <para>	1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven </para>
      <para>procedure, leidt de Voorzitter van het bij Besluit 68/361/EEG ingestelde </para>
      <para>Permanent Veterinair Comit‚, hierna het "Comit‚" te noemen, deze procedure, </para>
      <para>hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld in bij </para>
      <para>het Comit‚.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comit‚ een ontwerp voor </para>
      <para>van de te nemen maatregelen. Het Comit‚ spreekt zich uit met de meerderheid </para>
      <para>van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor </para>
      <para>de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient </para>
      <para>te nemen. Bij stemming in het Comit‚ worden de stemmen van de </para>
      <para>vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd </para>
      <para>artikel. De Voorzitter neemt niet aan de stemming deel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten </para>
      <para>uitvoer wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comit‚. </para>
      <para>Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comit‚ geen </para>
      <para>advies heeft uitgebracht, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de </para>
      <para>Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast </para>
      <para>met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>	</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien de Raad binnen een termijn van 15 dagen na de indiening van het </para>
      <para>voorstel geen maatregelen heeft genomen, stelt de Commissie de voorgestelde </para>
      <para>maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de </para>
      <para>Raad zich met gewone meerderheid tegen deze maatregelen heeft </para>
      <para>uitgesproken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Beschikking 2001/246/EG van de Europese Commissie van 27 maart 2001 (hierna: de </para>
      <para>Beschikking) houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para>"	Overwegende hetgeen volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(6)  Het op grote schaal doden van dieren op besmette of verontreinigde </para>
      <para>bedrijven kan er al snel toe leiden dat de capaciteit voor het veilig </para>
      <para>vernietigen van karkassen is opgebruikt waardoor onvermijdelijk vertraging </para>
      <para>ontstaat bij het preventief doden, wat dan weer kan leiden tot verdere </para>
      <para>verspreiding van het virus.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(9)	Toepassing van vaccinatie zal onvermijdelijk de status ten aanzien van </para>
      <para>mond- en klauwzeer in het internationale handelsverkeer in het gedrang </para>
      <para>brengen, niet alleen voor de lidstaat of het deel van het grondgebied van de </para>
      <para>lidstaat waar vaccinatie wordt uitgevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <para>						Artikel 1</para>
    <para />
    <para>Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities:</para>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op </para>
      <para>ge‹dentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die </para>
      <para>uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als </para>
      <para>omschreven in punt 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vaccinatie heeft ten doel de hoeveelheid circulerend virus en het risico </para>
      <para>van virusverspreiding buiten het omschreven gebied dringend te </para>
      <para>verminderen, zonder evenwel vertraging bij het preventief doden te </para>
      <para>veroorzaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEG, en met name de artikelen 4, 5 en 9, </para>
      <para>mag Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder </para>
      <para>de in de bijlage vastgestelde voorwaarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(.)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de </para>
      <para>bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van </para>
      <para>artikel 13, lid 3, van Richtlijn 85/511/EEG</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>Omvang van het geografische gebied </para>
      <para>waar suppressievaccinatie wordt </para>
      <para>toegepast</para>
      <para>Het vaccinatiegebied omvat een gebied met </para>
      <para>een straal van maximaal 2 km rond een bedrijf </para>
      <para>waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van </para>
      <para>Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende </para>
      <para>maatregelen worden toegepast."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) is onder meer het </para>
      <para>volgende bepaald:</para>
      <para>"	Artikel 15</para>
      <para>(.)</para>
      <para>	4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als </para>
      <para>verdachte dieren moeten worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 17</para>
      <para>	1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde </para>
      <para>gedeelten daarvan, bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte </para>
      <para>kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem, te bepalen wijze </para>
      <para>voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of </para>
      <para>aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter </para>
      <para>voorkoming van overbrenging van besmetting.</para>
      <para>	2. Indien de besmettelijke dierziekte is aangewezen in overeenstemming met </para>
      <para>Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur geeft Onze Minister </para>
      <para>de in het eerste lid bedoelde bevelen in overeenstemming met Onze Minister </para>
      <para>van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 21</para>
      <para>	1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo </para>
      <para>nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich </para>
      <para>heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of </para>
      <para>ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke </para>
      <para>maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.</para>
      <para>	2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk.</para>
      <para>3. In spoedeisende gevallen  neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze</para>
      <para>	maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 22</para>
      <para>	1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:</para>
      <para>(.)</para>
      <para>	f. het doden van zieke en verdachte dieren;</para>
      <para>	(.)</para>
      <para>j. het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze.</para>
      <para>	2. (.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 36</para>
      <para>	1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen </para>
      <para>ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te </para>
      <para>veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.</para>
      <para>2. Tot de in het eerste lid verboden gedragingen worden in ieder geval </para>
      <para>gerekend:</para>
      <para>a. een dier arbeid doen verrichten, welke kennelijk zijn krachten te boven gaat </para>
      <para>of waartoe het uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is;</para>
      <para>b. een koe met overvolle uier vervoeren of op een markt of openbare verkoping </para>
      <para>ten verkoop houden;</para>
      <para>c. bij de verlossing van een koe gebruik te maken van dierlijke trekkracht of </para>
      <para>van een niet door Onze Minister daarvoor toegelaten krachttoestel;</para>
      <para>d. een hond als trekkracht gebruiken.</para>
      <para>3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.</para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>	Artikel 107</para>
      <para>	1. Onze Minister kan, voor zover het belang van de gezondheid of het welzijn </para>
      <para>van dieren zich daartegen niet verzet, van het bij of krachtens deze wet </para>
      <para>bepaalde vrijstelling of ontheffing verlenen.</para>
      <para>2. Een vrijstelling of ontheffing van het bij of krachtens de artikelen 97 tot en </para>
      <para>met 99 bepaalde alsmede van een voorschrift dat tevens in het belang is van de </para>
      <para>bestrijding van een dierziekte die is aangewezen in overeenstemming met Onze </para>
      <para>Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur wordt in overeenstemming </para>
      <para>met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur verleend.</para>
      <para>3. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden </para>
      <para>worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen </para>
      <para>te allen tijde worden ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 109</para>
      <para>	Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende </para>
      <para>beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	Artikel 111</para>
      <para>	Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van </para>
      <para>krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische </para>
      <para>Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze </para>
      <para>wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken </para>
      <para>van bepalingen van deze wet."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit verdachte dieren van het Besluit, waarbij in de </para>
      <para>considerans onder meer wordt verwezen naar de Richtlijn, alsmede naar de artikelen 15, </para>
      <para>vierde lid, en 111, van de Wet, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
      <para>"	Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien:</para>
      <para>	c. de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de</para>
      <para>	gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de </para>
      <para>desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 van 21 maart 2001 houdt het </para>
      <para>volgende in:</para>
      <para>"	Artikel 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de </para>
      <para>artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren </para>
      <para>aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door </para>
      <para>de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen </para>
      <para>zone rond de ziektehaard overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen </para>
      <para>gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 2</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling noodvaccinatie mond- en </para>
      <para>klauwzeer 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 3</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze regeling wordt op 21 maart 2001 om 19:15 uur bekendgemaakt aan de </para>
      <para>media en treedt onmiddellijk daarna in werking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.	Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de </para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden</para>
      <para>-	Verzoekers hebben zich op 29 maart 2001 gewend tot de president van de </para>
      <para>arrondissementsrechtbank te Zutphen teneinde via een kort geding te voorkomen dat </para>
      <para>maatregelen met betrekking tot een honderdtal aan verzoekers onder 1 en 2 </para>
      <para>toebehorende schapen (met veertig lammeren) zouden plaatsvinden, alvorens zij door </para>
      <para>een rechter zouden zijn gehoord. </para>
      <para>-	Blijkens een  27 maart 2001 door de RVV-dierenarts P ondertekende rapportage zijn </para>
      <para>bij zijn bezoek op deze dag aan het bedrijf van Q te B klinische verschijnselen </para>
      <para>geconstateerd die duiden op mond- en klauwzeer.</para>
      <para>-	Het honderdtal schapen (met veertig lammeren) van verzoekers onder 1 en 2  </para>
      <para>bevinden zich binnen een straal van 2 kilometer van het bedrijf van Q op de Tongerse </para>
      <para>heide.</para>
      <para>- 	De schapen behoren tot het ras van de Schoonebeeker Heideschapen; dit ras is </para>
      <para>aangemerkt als een zeldzame huisdierras.</para>
      <para>-	Blijkens informatie van oktober 2000 gegeven door de Stamboekverenigingen aan de </para>
      <para>Foktechnisch Inspecteur Zeldzame Huisdierrassen waren in Nederland in totaal </para>
      <para>12.714 dieren aanwezig die behoren tot de groep der zeldzame huisdierrassen, </para>
      <para>waarvan 11.564 vatbaar zijn voor mond- en klauwzeer.</para>
      <para>-	Blijkens voormelde informatie waren er in totaal 1.318 Schoonebeeker Heideschapen </para>
      <para>waarvan 1.296 vrouwelijke dieren waarmee wordt gefokt. Er waren 22 mannelijke </para>
      <para>dieren waarmee wordt gefokt. De trend was toenemend, de status volgens FAO-</para>
      <para>normen bedreigd-zich handhavend.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het standpunt van verzoekers</para>
      <para>Op 30 maart 2001 hebben verzoekers een verzoek tot ontheffing van door verweerder met </para>
      <para>betrekking tot het honderdtal schapen (met veertig lammeren) te nemen maatregelen van </para>
      <para>doding danwel vaccinering gevolgd door doding bij verweerder ingediend. Verweerder </para>
      <para>heeft niet binnen de door verzoekers gestelde termijn op het verzoek gereageerd. Dit komt </para>
      <para>neer op een fictieve weigering van verweerder tot het nemen van de gevraagde besluiten </para>
      <para>over te gaan.</para>
      <para>Verzoekers onder 1 en 2 zijn eigenaars van de schapen, verzoekers 3 tot en met 6 hebben </para>
      <para>een direkt belang bij het begrazen van heidegebieden (waaronder sommige natuur-</para>
      <para>monumenten) met de onderhavige (soort) heideschapen en verzoekers onder 7 en 8 houden </para>
      <para>zich direkt bezig met  voortbestaan van het Schoonebeeker Heideschaap.</para>
      <para>De Richtlijn geeft een betrekkelijk gedetailleerd beeld van verplichtingen van de lidstaten. </para>
      <para>De Richtlijn schrijft de ruiming in het onderhavige geval niet voor en biedt er ook geen </para>
      <para>grondslag hiervoor. Er zijn goede argumenten aan te voeren voor de stelling dat de </para>
      <para>Richtlijn een uitputtende regeling bevat voor de bestrijding van mond- en klauwzeer.</para>
      <para>De Beschikking schrijft alleen voor dat, indien al tot noodenting wordt overgegaan, de </para>
      <para>dieren waarop de noodenting is uitgevoerd worden geruimd. De beschikking schrijft niet </para>
      <para>voor tot noodenting over te gaan. De vraag kan gesteld worden in hoeverre de Commissie </para>
      <para>bij de opstelling rekening heeft gehouden met de noodzaak speciale rassen te beschermen.</para>
      <para>De Gemeenschap is toegetreden tot de verdragen inzake de biologische diversiteit en </para>
      <para>inzake het behoud van wilde planten en dieren en hun natuurlijke milieu in Europa. </para>
      <para>Toetreding tot deze verdragen door de Gemeenschap brengt ingevolge het bepaalde in  </para>
      <para>artikel 300, lid 7, EG met zich dat de betrokken internationale verplichtingen verbindend </para>
      <para>zijn "voor de instellingen van de Gemeenschap en voor de Lid-Staten".</para>
      <para>Ter uitvoering van onder meer deze verplichtingen is Richtlijn 92/43/EEG vastgesteld </para>
      <para>inzake de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora. Een </para>
      <para>speurtocht in de databestanden levert nog een aantal andere richtlijnen en verplichtingen in </para>
      <para>dit opzicht op. De uitvoering van deze internationale  en communautaire verplichtingen </para>
      <para>staat haaks op het ruimingsbeleid van verweerder. Men kan zich afvragen of de </para>
      <para>Beschikking hiermee te verenigen is. </para>
      <para>De uiteindelijke oplossing van interpretatievragen ten aanzien van het communautaire recht </para>
      <para>zal moeten komen van het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen  (hierna: </para>
      <para>het Hof). Het ge‰igende middel om interpretatievragen te doen beantwoorden is het stellen </para>
      <para>van prejudici‰le vragen aan het Hof. Als hoogste rechter is het College tot het stellen van </para>
      <para>prejudici‰le vragen verplicht indien het zich voor uitlegvragen gesteld ziet.</para>
      <para>De Wet schrijft niet voor dat dieren gedood dienen te worden in een situatie als thans aan </para>
      <para>de orde. Artikel 22 van de Wet kent een tiental maatregelen waarvan het doden er slechts </para>
      <para>‚‚n is. Het eerste lid van dit artikel laat verweerder een beoordelingsruimte. Artikel 36 van </para>
      <para>de Wet dwingt verweerder tot een afweging.</para>
      <para>De schapen waar het hier om gaat zijn zeer zeldzaam en met uitsterven bedreigd. Op de </para>
      <para>hele wereld (in dit geval Nederland) leven ongeveer 1.200 exemplaren. Hiervan zijn 100 </para>
      <para>(met 40 lammeren) eigendom van verzoekers onder 1 en 2. Het overigens uitgestorven </para>
      <para>landbouwras waar het hier om gaat vormt een essentieel onderdeel van het cultuur-</para>
      <para>historisch erfgoed van Nederland waarvan de betekenis vergelijkbaar is met de molens van </para>
      <para>Kinderdijk en de werken van oude meesters uit de 17e eeuw.</para>
      <para>De Schoonebeeker graast nu al eeuwen in het Nederlandse landschap en heeft de ene na de </para>
      <para>andere mond- en klauwzeer epidemie doorstaan. De dieren beschikken hierdoor over een </para>
      <para>uniek genenmateriaal. Behoud van dit genenmateriaal is niet alleen van belang voor dit </para>
      <para>soort maar ook voor andere schapenrassen.</para>
      <para>De Schoonebeeker is bij uitstek een schaap dat geschikt is om heide te begrazen. Deze </para>
      <para>wijze van begrazing en bemesten zorgt voor een goed mikroklimaat voor bijzondere flora </para>
      <para>en fauna.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Schoonebeeker Heideschapen zijn geen onderdeel van de gangbare landbouw en zijn </para>
      <para>ook niet gelijk te stellen met andere landbouwhuisdieren. De beslissingen met betrekking </para>
      <para>tot dieren op gangbare veehouderijen moeten andere beslissingen zijn dan de beslissing </para>
      <para>met betrekking tot deze schapen.</para>
      <para>Er bestaat gerede twijfel of het huidige beleid te handhaven zal zijn. Indien het beleid </para>
      <para>verandert en preventief enten het beleid wordt zou het achteraf wrang en onnodig zijn deze </para>
      <para>schapen te doden.</para>
      <para>Aan de beslissing de schapen te doden en te vaccineren om te doden dient een behoorlijke </para>
      <para>belangenafweging vooraf te gaan. Deze dient te blijken uit een schriftelijk stuk. </para>
      <para>Onvoldoende duidelijk is welke belangen hier aan de orde zijn, welke omvang aan de orde </para>
      <para>zijnde belangen hebben en hoe de afweging plaats vindt. Naast economische belangen, </para>
      <para>waarop verweerder wijst zijn ook ethische belangen in het spel.</para>
      <para>In het Verenigd Koninkrijk is een beschermingsmaatregel met betrekking tot een tweetal </para>
      <para>zeldzame schapenrassen genomen volgens welke deze ge‹soleerd mogen worden </para>
      <para>aangehouden. </para>
      <para>4.	Het standpunt van verweerder</para>
      <para>Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat hij besloten heeft niet aan de verzoeken van </para>
      <para>verzoekers te zullen voldoen.</para>
      <para>Volgens verweerder zijn slechts de belangen van de verzoekers onder 1 en 2 rechtstreeks </para>
      <para>bij de betrokken besluiten betrokken. Niet is verweerder gebleken dat de belangen van de </para>
      <para>andere verzoekers rechtstreeks bij de besluiten ten aanzien van de schapen zijn betrokken.</para>
      <para>De Richtlijn geeft geen limatief stelsel van maatregelen met betrekking tot mond- en </para>
      <para>klauwzeer. Hiernaast bestaat voor lidstaten de mogelijkheid tot het treffen van aanvullende </para>
      <para>maatregelen. Zulks valt af te leiden uit de considerans van de Richtlijn volgens welke de </para>
      <para>Richtlijn een experimenteel karakter heeft.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 10 van Richtlijn 90/425/EEG  kan een lidstaat in een </para>
      <para>situatie als de onderhavige elke andere maatregel vaststellen die hij passend acht. Ook dit </para>
      <para>wijst in de richting van aanvullende bevoegdheid voor de lidstaat.</para>
      <para>Het door verzoekers genoemde verdrag inzake de biologische diversiteit bevat weliswaar </para>
      <para>een aantal verplichtingen voor de verdragspartijen om de biodiversiteit te handhaven, maar </para>
      <para>deze verplichtingen zijn zodanig geformuleerd dat sprake is van inspanningsverplichtingen </para>
      <para>van verdragspartijen en niet van een ieder verbindende bepalingen. Nu het verdrag </para>
      <para>zodanige bepalingen niet kent, kan een wettelijk voorschrift niet wegens strijd met het </para>
      <para>verdrag onverbindend worden verklaard.</para>
      <para>Het verdrag inzake de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna </para>
      <para>en de Richtlijn 92/43/EEG missen op het eerste gezicht toepassing nu het hier niet gaat om </para>
      <para>wilde fauna en flora. </para>
      <para>Mond- en klauwzeer is een zeer besmettelijke en ernstige virusziekte die voorkomt bij </para>
      <para>evenhoevige dieren. Deze ziekte is zeer bedreigend voor de Nederlandse veehouderij. Het </para>
      <para>virus kan zich razendsnel over een veestapel verspreiden. Gelet op het non-vaccinatiebeleid </para>
      <para>en de grote dierdichtheid in Nederland is de uitbraak van mond- en klauwzeer hier te lande </para>
      <para>een ernstige zaak. Preventief ruimen in dierdichte gebieden is essentieel om de ziekte in te </para>
      <para>dammen. Het meest aangewezen zou zijn alle bedrijven rond een besmet of ernstig </para>
      <para>verdacht bedrijf te ruimen. Hiertoe ontbreekt de dodings- en destructiecapaciteit. Daarom </para>
      <para>wordt teruggegrepen op noodvaccinatie voorafgaande aan ruiming.</para>
      <para>De varkenspestepidemie in 1997 heeft aangetoond welke gevolgen de uitbraak van een </para>
      <para>besmettelijke ziekte in Nederland kan hebben, met name in gebieden met een grote </para>
      <para>concentratie aan veehouderijen en dieren.</para>
      <para>De met mond- en klauwzeer gemoeide schade zal in de miljarden lopen. Dit onderstreept </para>
      <para>het belang van een rigoureuze aanpak, welke ook in het belang is van de veehouderijsector </para>
      <para>zelf.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>De Europese rekenkamer heeft in zijn rapport ter gelegenheid van de varkenspest (PB EG </para>
      <para>C 85/15) aangegeven dat een lidstaat weliswaar niet verplicht is preventief te ruimen, maar </para>
      <para>dat dit wel de een van de meest doeltreffende maatregelen is om verspreiding te </para>
      <para>voorkomen. Mond- en klauwzeer is vele malen besmettelijker dan varkenspest, zodat het </para>
      <para>belang van preventief ruimen des te groter is.</para>
      <para>Preventief enten zonder doding van de ge‰nte dieren, zonder toestemming van de </para>
      <para>Commissie zal de export gedurende een jaar doen wegvallen. In de Nederlandse </para>
      <para>kalversector wordt 95% ge‰xporteerd en in de varkenssector 75%. Enting zonder </para>
      <para>toestemming van de Commissie zal een zodanig verlies aan vleesexport met zich brengen </para>
      <para>dat dit het eind betekent van een groot aantal bedrijven. Dit maakt noodzakelijk dat enting </para>
      <para>zonder doding niet plaats vindt. Alternatieven voor ruiming zijn er niet. De Beschikking </para>
      <para>staat de lidstaat Nederland slechts toe te vaccineren in combinatie met preventieve doding. </para>
      <para>Met name schapen vormen een bijzonder ernstig risico bij de bestrijding van mond- en </para>
      <para>klauwzeer. Mond- en klauwzeer is bij schapen klinisch erg moeilijk vast te stellen. Een </para>
      <para>mond- en klauwzeerbesmetting kan in schapen vaak subklinisch verlopen. Mede door de </para>
      <para>subklinische verschijningsvorm is besmetting bij schapen in het Verenigd Koninkrijk vaak </para>
      <para> niet eerder opgemerkt. Onder andere door de afvoer van schapen via verschillende </para>
      <para>veemarkten heeft besmetting met mond- en klauwzeer zich over grote delen van het </para>
      <para>Verenigd Koninkrijk kunnen uitbreiden. Verweerder wenst te voorkomen dat het virus in </para>
      <para>Nederland subklinisch aanwezig gaat zijn in schaapskuddes.</para>
      <para>De Wet geeft de bevoegdheid tot het nemen van de maatregelen van doding en </para>
      <para>noodvaccinatie. Artikel 36 is onderdeel van de wet en doet aan de overige artikelen niet af.</para>
      <para>De omstandigheid dat het hier gaat om Schoonebeeker Heideschapen maakt deze zaak niet </para>
      <para>wezenlijk anders. De communautaire en Nederlandse relevante wetgeving maakt geen </para>
      <para>enkel onderscheid naar soort van de voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren. Wat </para>
      <para>betreft veterinair risico onderscheiden de Schoonebeekers zich niet ten gunste van andere </para>
      <para>voor mond- en klauwzeer vatbare diersoorten. Eerder is het omgekeerde het geval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het maken van een uitzondering voor de onderhavige schapen zou een gevaarlijk precedent </para>
      <para>scheppen. In Nederland leven ongeveer 10.000 dieren die en behoren tot de zeldzame </para>
      <para>huisdierrassen en vatbaar zijn voor mond- en klauwzeer. Hiernaast zijn er nog schier </para>
      <para>onvervangbare stamboekrunderen en topfokvarkens. Het aantal bijzondere dieren houdt </para>
      <para>niet op met de zeldzame huisdierrassen. De beslissing zou niet anders zijn geweest indien </para>
      <para>het de laatste honderd Schoonebeekers zou hebben betroffen</para>
      <para>Met verzoekers is op 29 maart 2001 nog overleg gevoerd. De kwestie is zorgvuldig </para>
      <para>afgewogen.</para>
      <para>5.	De beoordeling van het geschil</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde bij artikel 8: 81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) </para>
      <para>juncto artikel 19, eerste lid van de Wet bestuursrecht bedrijforganisatie kan, indien tegen </para>
      <para>een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk </para>
      <para>beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen </para>
      <para>indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para>De ter zitting gedane mededeling van verweerder komt er op neer dat de gevraagde </para>
      <para>ontheffingen geweigerd waren. Gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van het geval - </para>
      <para>verzoekers hebben zich ter bescherming van de schapen voorafgaand aan het verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening bij de president van het College gewend tot de president van de </para>
      <para>arrondissementsrechtbank te Zutphen en hadden van verweerder geen voor hen positief </para>
      <para>bericht gehad - mochten verzoekers er ook vanuit gaan dat dit het geval was.</para>
      <para>In zoverre kunnen verzoekers in hun bezwaar ontvankelijk worden verklaard.</para>
      <para>Verzoekers onder 1 en 2 zijn eigenaars van de schapen zodat hun belang rechtstreeks bij de </para>
      <para>bestreden besluiten is betrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de bij het beleid inzake de bestrijding van mond- en klauwzeer betrokken </para>
      <para>belangen en de risico's die aan de orde zijn indien maatregelen die verweerder nodig acht </para>
      <para>worden uitgesteld, kan niet worden aanvaard dat verzoeken om voorlopige voorzieningen </para>
      <para>worden behandeld van (rechts)personen die niet terstond, uiterlijk ter zitting aannemelijk </para>
      <para>maken dat hun belang rechtstreeks bij het treffen van de voorziening betrokken is. Ter </para>
      <para>zitting zijn geen statuten getoond op grond waarvan de president heeft kunnen vaststellen </para>
      <para>dat het voorwerp van de verzoeken om voorlopige voorziening valt binnen de </para>
      <para>doelomschrijving van appellanten 3 tot en met 8. Derhalve kan de president  slechts aan de </para>
      <para>hand van de door verweerder niet tegengesproken stellingen van deze verzoekers </para>
      <para>betreffende hun activiteiten  beoordelen of zij in hun verzoek om voorlopige voorziening </para>
      <para>kunnen worden ontvangen. Gelet op de bij de zaak aanwezige noodzaak tot spoed heeft de </para>
      <para>president  ervan afgezien om de zaak aan te houden danwel te heropenen om verzoekers 3 </para>
      <para>tot en met 8 in de gelegenheid te stellen hun statuten alsnog over te leggen. </para>
      <para>Naar voorlopig oordeel van de president is het belang van verzoekers 3 tot en met 6 niet bij </para>
      <para>de bestreden besluiten betrokken. Hun door hen gestelde belang betreft slechts het laten </para>
      <para>begrazen van de bij hen in beheer staande heides door deze schapen of andere schapen van </para>
      <para>dit ras. Reeds omdat begrazing door andere schapen van dit ras of schapen van een ander </para>
      <para>hiertoe geschikt ras, waarbij te denken valt aan het Drentse Heideschaap en het Veluws </para>
      <para>heideschaap, als gevolg van de bestreden besluiten niet onmogelijk wordt, is hun belang </para>
      <para>niet rechtstreeks bij deze voorlopige voorziening betrokken. Reeds hierom dienen hun </para>
      <para>verzoeken om een voorlopige voorziening te worden afgewezen.</para>
      <para>Naar voorlopig oordeel is voldoende aannemelijk dat het belang van verzoeker onder 7, de </para>
      <para>Stichting Zeldzame Huisdierrassen, bij de bestreden besluiten is betrokken. Het </para>
      <para>Schoonebeeker Heideschaap is immers een zeldzaam huisdierras.</para>
      <para>Wat betreft het belang van verzoeker onder 8, de Nederlandse Fokkers-vereniging "Het </para>
      <para>Drentse Heideschaap", is gezien de ter beschikking staande gegevens nog onvoldoende </para>
      <para>aannemelijk dat haar belang bij de bestreden besluiten is betrokken hoewel zulks op </para>
      <para>zichzelve niet is uitgesloten. Reeds hierom dient ook het verzoek van deze verzoeker om </para>
      <para>een voorlopige voorziening te worden afgewezen.</para>
      <para>Ter zitting hebben verzoekers medegedeeld dat de door verweerder overgelegde gegevens </para>
      <para>met betrekking tot de zeldzame huisdierrassen als voorkomend in rubriek 2 niet onjuist </para>
      <para>waren weshalve de president in zijn beoordeling van deze gegevens zal uitgaan</para>
      <para>Gelet op de belangen die de Richtlijn beoogd te dienen en de risico's die aan de orde zijn </para>
      <para>indien de maatregelen die verweerder noodzakelijk acht worden uitgesteld, is naar </para>
      <para>voorlopig oordeel teneinde te kunnen komen tot de conclusie dat thans de bestreden </para>
      <para>besluiten wegens strijd met de Richtlijn geschorst moeten worden noodzakelijk dat de </para>
      <para>Richtlijn onmiskenbaar aanvullende nationale bevoegdheden uitsluit.</para>
      <para>Naar voorlopig oordeel kunnen de diverse door verzoekers aangevoerde argumenten niet </para>
      <para>tot het oordeel leiden dat sprake is van een dergelijke onmiskenbaarheid. De president </para>
      <para>merkt op dat verzoekers dienaangaande eerder vragen opwerpen dan stellingen innemen en </para>
      <para>dat hun argumenten voornamelijk een kennelijk  bij hen bestaande onzekerheid weergeven.</para>
      <para>Naar voorlopig oordeel zijn aanvullende maatregelen als  vermeld in en gegrond op de Wet </para>
      <para>verbindend.</para>
      <para>De president heeft in de door verzoekers genoemde verdragen inzake biologische </para>
      <para>diversiteit en inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in </para>
      <para>Europa en in Richtlijn 92/43/EEG geen aanknopingspunten kunnen vinden die wijzen in de </para>
      <para>richting dat de bestreden besluiten onrechtmatig zouden zijn omdat gehandeld is in strijd </para>
      <para>met een bepaling uit ‚‚n van de beide verdragen of uit de richtlijn, die gelet op haar </para>
      <para>bewoordingen en op het doel of de aard van de overeenkomsten danwel de richtlijn, een </para>
      <para>duidelijk en nauwkeurig omschreven verplichting behelst voor welker uitvoering geen </para>
      <para>verdere handeling is vereist.</para>
      <para>Nu het in deze zaak niet gaat om het buiten toepassing laten van een communautaire </para>
      <para>regeling is ook niet verplicht om reeds thans prejudici‰le vragen te stellen. Nu een </para>
      <para>verplichting ontbreekt zal de president hiertoe, gezien het communautaire en nationale </para>
      <para>belang uitbreiding van mond- en klauwzeer te voorkomen, niet overgaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen verschillen niet van mening dat de dieren op het bedrijf van Q (hierna: het primaire </para>
      <para>bedrijf) in de zin van de Richtlijn als besmet dienen te worden aangemerkt, hetgeen ook uit </para>
      <para>de overgelegde stukken blijkt. Zulks brengt met zich dat de onderhavige dieren terecht in </para>
      <para>de zin van artikel 15, vierde lid, van de Wet en het besluit door verweerder als verdachte </para>
      <para>dieren zijn aangemerkt.</para>
      <para>De president ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder de bevoegdheid </para>
      <para>toekomt om de onderhavige maatregelen te nemen. Ingevolge artikel 21 van de Wet kan de </para>
      <para>aangewezen ambtenaar in spoedeisende gevallen overgaan tot het nemen van maatregelen </para>
      <para>tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte, zoals mond- en klauwzeer. Ingevolge </para>
      <para>artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, kunnen die maatregelen zijn het doden van zieke en </para>
      <para>verdachte dieren.</para>
      <para>Artikel 36 van de Wet dient te worden gelezen in combinatie met de andere artikelen van </para>
      <para>de Wet en kan niet aan de weg staan aan de toelaatbaarheid van maatregelen waartoe de </para>
      <para>Wet de bevoegdheid geeft. Artikel 22 van de Wet, dat aan verweerder een beoordelings-</para>
      <para>vrijheid geeft, veronderstelt reeds dat met betrekking tot het nemen van maatregelen wordt </para>
      <para>nagedacht. Tekst noch geschiedenis van totstandkoming van artikel 36 van de Wet wijzen </para>
      <para>in de richting dat op dit artikel een beroep zou kunnen worden gedaan bij de beoordeling </para>
      <para>van de in gevallen als het onderhavige te nemen maatregelen. </para>
      <para>De president is voorshands van oordeel dat verweerder gelet op het bepaalde in de artikelen </para>
      <para>13, derde lid van de Richtlijn, juncto artikel 17, eerste lid van de Wet, juncto artikel 1 van </para>
      <para>de Regeling, juncto artikel 22, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wet de bevoegdheid </para>
      <para>heeft om de dieren op de bedrijven bij verzoekers in een door verweerder te bepalen zone </para>
      <para>rond de ziektehaard in Epe overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen te </para>
      <para>vaccineren tegen mond- en klauwzeer alvorens tot doding over te gaan. De president is </para>
      <para>daarbij van oordeel dat de Regeling reeds sedert 21 maart 2001 in werking is getreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De president overweegt voorts dat verweerder de bevoegdheid te beslissen tot enting </para>
      <para>toekomt zonder toestemming van de Commissie. In dit verband overweegt de president dat </para>
      <para>artikel 13, derde lid, laatste alinea van de Richtlijn de mogelijkheid aan de betrokken </para>
      <para>lidstaat biedt te besluiten tot noodinenting over te gaan, zulks rond de ziektehaard, na </para>
      <para>kennisgeving aan de Commissie en mits de wezenlijke belangen van de Gemeenschap niet </para>
      <para>in gevaar worden gebracht. </para>
      <para>Verweerder heeft conform het bepaalde in dit artikel aan de Commissie kennis gegeven </para>
      <para>van zijn besluit om tot noodinenting over te gaan. Gesteld noch gebleken is dat de </para>
      <para>wezenlijke belangen van de Gemeenschap in gevaar worden gebracht. De president ziet </para>
      <para>derhalve niet in dat verweerder op grond van voornoemde wet- en regelgeving niet de </para>
      <para>bevoegdheid zou hebben om in de onderhavige gevallen over te gaan tot het uitvoeren van </para>
      <para>aan doding voorafgaande noodvaccinaties. </para>
      <para>Vervolgens is aan de orde de vraag of verweerder op juiste gronden gebruik heeft gemaakt </para>
      <para>van voornoemde bevoegdheid en heeft mogen beslissen om in het onderhavige geval te </para>
      <para>doden danwel noodvaccinaties uit te voeren en vervolgens te doden.</para>
      <para>Dienaangaande overweegt de president dat hem slechts een marginale toetsing toekomt. De </para>
      <para>president toetst met name of het betrokken gezag op feitelijk juiste grondslag tot zijn </para>
      <para>oordeel is gekomen en voorts of gezegd moet worden dat het betrokken gezag niet in </para>
      <para>redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen.</para>
      <para>Voor het oordeel dat het beleid van verweerder om in een situatie als thans aan de orde </para>
      <para>over te gaan tot aan doding voorafgaande vaccinatie en tot doding van dieren binnen een </para>
      <para>straal van 2 kilometer rond het bedrijf te Epe, onmiskenbaar onrechtmatig is, zodat de </para>
      <para>voorgenomen maatregelen moeten worden geschorst, ziet de president voorshands geen </para>
      <para>plaats.</para>
      <para>De president overweegt hieromtrent dat de aard van de maatregel onmiskenbaar rigoureus </para>
      <para>is maar naar het oordeel van de president niet onredelijk. Bij dit oordeel wordt betrokken </para>
      <para>dat de maatregel dieren betreft die zich bevinden binnen een straal van 2 kilometer van het </para>
      <para>primaire bedrijf te Epe. Voorts wordt bij dit oordeel betrokken dat naar het oordeel van de </para>
      <para>president uit de Beschikking onmiskenbaar blijkt dat de Commissie doding van ge‰nte </para>
      <para>dieren noodzakelijk acht. Naar voorlopig oordeel van de president kan hieruit geen andere </para>
      <para>conclusie worden getrokken dan dat de Commissie van oordeel is dat door niet-doding van </para>
      <para>ge‰nte dieren de wezenlijke belangen van de Gemeenschap in gevaar worden gebracht. </para>
      <para>Verzoekers hebben niet gewezen op feiten die in de richting wijzen dat de Commissie er op </para>
      <para>het moment van het doen van deze uitspraak anders over denkt. Van belang is verder het </para>
      <para>mogelijk epidemisch karakter van de ziekte, de van de kant van verweerder gegeven en </para>
      <para>door verzoekers niet wezenlijk tegengesproken uiteenzetting over de veterinaire aspecten </para>
      <para>en met name de aard van de besmetting en de hiermee samenhangende nauwelijks te </para>
      <para>overziene risico's van verspreiding, de door verweerder te beoordelen noodzaak tot </para>
      <para>uitbreiding van zones wanneer het virus om zich grijpt, het capaciteitstekort bij het </para>
      <para>(preventief) ruimen en het verstrijken van een onwenselijk lange periode tussen het besluit </para>
      <para>tot ruimen en het daadwerkelijk ruimen, de noodzakelijkheid van een extra hulpmiddel bij </para>
      <para>de bestrijding van het virus en het aandringen van de Commissie op uitbreiding van de </para>
      <para>straal van 1 naar 2 km van de besmettingshaard.</para>
      <para>Verweerder heeft bij afweging van deze belangen, de bij bestrijding van mond- en </para>
      <para>klauwzeer betrokken andere, waaronder economische belangen en de belangen van </para>
      <para>veehouders in de twee kilometerzone, tot wier veestapel voor mond- en klauwzeer </para>
      <para>gevoelige dieren behoren, in redelijkheid tot de slotsom kunnen komen dat niet alleen de </para>
      <para>maatregel tot doding maar ook de maatregel tot vaccinering gevolgd door doding </para>
      <para>noodzakelijk was.</para>
      <para>De  president merkt hier op dat het aan verweerder is een beleid te voeren ter beteugeling </para>
      <para>van mond- en klauwzeer. Aan verweerder komt dan ook de bevoegdheid toe te beslissen </para>
      <para>over de middelen welke ingezet worden waaronder het trekken van ruimere cirkels rond </para>
      <para>primaire bedrijven, wanneer de ziekte verder om zich grijpt. In eerdere uitspraken heeft de </para>
      <para>president het beleid van verweerder en de hieraan ten grondslag liggende belangen-</para>
      <para>afweging aanvaard. Dit betekent dat de president heeft gemeend dat verweerder in </para>
      <para>redelijkheid na afweging van alle belangen tot zijn beleid heeft kunnen komen. Hij ziet </para>
      <para>geen reden hier thans anders over te denken. Hierbij neemt hij uitdrukkelijk in aanmerking </para>
      <para>dat gelet op de huidige stand van zaken - dit wil zeggen de stand van zaken op het moment </para>
      <para>van het doen van deze uitspraak - het aanvaarden van vaccinatie zonder doding niet alleen </para>
      <para>betekent dat een groot aantal bedrijven niet zullen overleven, maar dat hetzelfde geldt voor </para>
      <para>een niet te overzien aantal dieren. Niet verwacht kan worden dat veehouders dieren zonder </para>
      <para>zicht op enig profijt gedurende langere tijd kunnen aanhouden.</para>
      <para>Bij de marginale beoordeling van het beleid van verweerder (inclusief eventuele </para>
      <para>uitzonderingen hierop) door de president kan geen rekening worden gehouden met allerlei </para>
      <para>mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Het treffen van voorlopige voorzieningen met het </para>
      <para>oog op onzekerheden in de toekomst zou het beleid van verweerder immers in de weg </para>
      <para>kunnen staan.</para>
      <para>Verzoekers betogen in wezen dat voor Schoonebeeker Heideschapen een uitzondering op </para>
      <para>het beleid zou moeten worden gemaakt zodat thans de vraag aan de orde is of verweerder </para>
      <para>niet in redelijkheid zodanige uitzondering heeft kunnen weigeren.</para>
      <para>De president is van oordeel dat dit niet het geval is. Hij overweegt hiertoe als volgt.</para>
      <para>Wat betreft dierenleed bestaat geen verschil tussen Schoonebeeker Heideschapen en andere </para>
      <para>aan ruiming te onderwerpen dieren. Gelet op het totaal aantal huisdieren van bijzonder ras </para>
      <para>is het risico van het maken van een uitzondering voor deze hele categorie groot te noemen </para>
      <para>zodat het maken van een uitzondering voor deze categorie van verweerder in redelijkheid </para>
      <para>niet gevergd kan worden.</para>
      <para>Binnen deze categorie is de positie van de Schoonebeeker Heideschapen relatief behoorlijk </para>
      <para>te noemen. Nu van de 1296 vrouwelijk dieren waarmee gefokt wordt ongeveer 100 ooien </para>
      <para>(met 40 lammeren), zijnde een kleine 8%, zullen worden ge‰nt in afwachting van doding </para>
      <para>en/of gedood kan niet gezegd worden dat sprake is van een zodanige bedreiging van </para>
      <para>uitsterving dat een voorlopige voorziening aangewezen is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers hebben slechts in het algemeen gesteld dat als gevolg van de ruiming van de </para>
      <para>Schoonebeeker Heideschapen genetisch materiaal verloren zal gaan. Dit is niet aan de orde </para>
      <para>nu van een totale ruiming geen sprake is. Voor zover verzoekers hebben bedoeld tevens te </para>
      <para>stellen dat met de ruiming van deze honderd schapen (met veertig lammeren) genetisch </para>
      <para>materiaal verloren gaat hebben zij dit niet aannemelijk gemaakt zodat dit argument geen </para>
      <para>gewicht in de schaal kan leggen. In dit verband merkt de president op dat gesteld noch </para>
      <para>gebleken is dat bij de ruiming mannelijke dieren waarmee wordt gefokt zijn betrokken. </para>
      <para>Nu niet aannemelijk is gemaakt dat de Schoonebeeker Heideschapen als gevolg van de </para>
      <para>maatregelen van verweerder zullen uitsterven gaat de vergelijking met andere onderdelen </para>
      <para>van het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland reeds hierom niet op, wat hier verder ook </para>
      <para>van zij.</para>
      <para>Ter zitting is voldoende duidelijk geworden welke motivering aan de besluiten van </para>
      <para>verweerder ten grondslag ligt zodat het ontbreken van een schriftelijke weergave niet </para>
      <para>maakt dat thans in afwachting hiervan een voorlopige voorziening aangewezen zou zijn.</para>
      <para>Dat in het Verenigd Koninkrijk onder andere veterinaire omstandigheden andere </para>
      <para>maatregelen dan hier te lande worden genomen maakt het voorgaande niet anders. De </para>
      <para>president merkt nog op dat het in deze zaak gaat om een gebied met een uitzonderlijke </para>
      <para>veedichtheid.</para>
      <para>De president zou wellicht tot een andere beoordeling zijn gekomen indien aannemelijk zou </para>
      <para>zijn gemaakt dat uitsterving van de Schoonebeeker Heideschapen het noodzakelijk </para>
      <para>resultaat van het bestreden besluit zou zijn. In dit verband wijst hij erop dat in artikel 13, </para>
      <para>lid 3, van de Richtlijn uitdrukkelijk wordt gewezen op de noodzaak speciale rassen te </para>
      <para>behouden.  </para>
      <para>De slotsom moet zijn dat de verzoeken om voorlopige voorziening, voor zover </para>
      <para>ontvankelijk, afgewezen dienen te worden   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president ziet geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van </para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die de andere </para>
      <para>partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.	De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.</para>
      <para>Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr Th. J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>w.g. D. Roemers					w.g. Th.J. van Gessel</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Verzonden op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>